„Met miss Watkins ging mr. Fox niet om. Dat wil zeggen, het

LORD LISTER

GENAAMD RAFFLES

DE GROOTE ONBEKENDE.

NO. 12 VERZONKEN SCHATTEN.

VERZONKEN SCHATTEN.

EERSTE HOOFDSTUK.

DE VERZEGELDE FLESCH.

Met vreeselijk geweld woedde de noordooster storm in het kanaal.

Huizenhoog zweepte hij de golven en stuwde het wilde water naar den

Oceaan. Tegen zulk een orkaan vechten konden slechts groote,

overzeesche booten, de kleinere waren allang in veilige havens

gevlucht.

Iedere kapitein haalt verruimd adem, als hij het nauwe kanaal gelukkig

achter den rug heeft, want als het stormt of als er eenige mist hangt,

dan zal hij het niet wagen, een oog dicht te doen, uit vrees voor de

noodlottige gevolgen.

De stoomboot „Tasmania”, op reis van Australië naar Plymouth, was ter

hoogte van de Golf van Biskaye door storm overvallen.

Deze Golf is berucht wegens haar groote gevaarlijkheid. De stoomboot

echter trotseerde alle moeilijkheden

en kwam, ondanks den zwaren noordooster storm, toch nog moeizaam

voorwaarts.

Bij den ingang van het kanaal, toen de orkaan de boot tegenwoei,

veranderde echter het tooneel. De positie werd gevaarlijk. De

Scilly-eilanden waren al gepasseerd, het doel der reis, Plymouth, niet

meer verre, maar het schip kwam niet van zijn plaats.

Zwaar werkten de schroeven. Als zij bij het stampen van het schip uit

het water geraakten, dan draaiden zij zich met fluitend geluid in

razende snelheid en deden het gansche schip beven. De stoomboot kraakte

in alle voegen, boog zich her- en derwaarts als een wild dier, hief dan

eens den boegspriet hoog ten wolkenbedekten hemel, schoot dan weer in

de diepte, zoodat zij Van tijd tot tijd geheel overspoeld was door het

zeewater.

Steeds echter kwam het uitstekend gebouwde schip weer onbeschadigd van

onder de stortzeeën te voorschijn en vocht het verder tegen den

woedenden storm.

De „Tasmania” borg in haar schoot een kostbare lading. Op geregelde

tijden zond de Australische Regeering de op de goudvelden van Australië

gevonden schatten naar de Bank van Engeland. De gouden staven werden

dan in de Munt tot geld gemaakt en door de Bank in omloop gebracht.

Zulk een zending bevatte ook thans de boot.

Goed bewaard in ijzeren kisten en geborgen in een aparte ruimte lag een

schat van verscheiden millioenen opgestapeld. Deze schat was niet op de

gewone, officieele wijze, met buitengewone voorzorgsmaatregelen

toevertrouwd aan de „Tasmania”, maar als een geheime zending was zij

ditmaal, schijnbaar als passagiersgoed, in Melbourne ingeladen.

De Bank van Engeland had door buitengewoon groote navraag, tengevolge

van de Amerikaansche crisis, bijna al haar aanwezige gelden afgedragen

en naar aanleiding hiervan had ze zoo spoedig mogelijk de zending uit

Australië verlangd.

De „Tasmania”, een uitstekend schip, werd uitgekozen en onder het

toezicht van een drietal ambtenaren werd de schat naar Engeland

afgezonden.

Deze drie heeren zaten in een groote hut, die ter beschikking was

gesteld van den eersten boekhouder der Bank, mr. Wright. In deze hut

had men vrij weinig last van het rollen en stampen van het schip, omdat

zij in het midden van het schip zich bevond.

De heeren waren in zeer ernstige stemming:

„Mijne heeren”, sprak mr. Wright, „de kapitein heeft mij meegedeeld,

dat onze toestand uiterst gevaarlijk is en dat, als de wind niet

draait, wij gevaar loopen, tegen de klippen van de Scilly-eilanden te

worden verpletterd.

„Het is onze plicht om, in het geval dat wij inderdaad schipbreuk

mochten lijden, de Bank van Engeland te bewijzen, dat wij tot het

laatste oogenblik op onzen post zijn gebleven.

„Wij zullen daarom een flesch in orde maken en daarin onze papieren

doen, die wij hebben af te leveren.

„Degene van ons, die de anderen overleeft, moet, zoodra hij gevoelt,

dat hij verloren is, de flesch in zee gooien.

„Zijt ge het daarmede eens?”

De heeren waren het eens en mr. Wright nam eenige papieren uit zijn

portefeuille, die hij in een enveloppe deed, waarop het adres van de

Bank van Engeland was afgedrukt.

„Hebt ge familieleden, wien ge misschien nog eenig bericht zoudt willen

zenden?” vroeg mr. Wright zijn medereizigers.

„Ik wel,” antwoordde een der andere ambtenaren, een heer van

middelbaren leeftijd.

„Schrijf dan een paar woorden; ik zal ze bij de enveloppe insluiten.”

De ambtenaar schreef een paar regels op een blad uit zijn

aanteekenboekje, scheurde dit toen uit en gaf het zijn chef, die het in

de enveloppe deed.

Deze enveloppe werd nu door den engen hals van een champagneflesch

gedrukt, de flesch werd goed verzegeld en met een caoutchoucring

waterdicht gesloten.

Na eenig schudden rolde de enveloppe in het midden der flesch, waar zij

zich ontrolde, zoodat het adres duidelijk door het glas zichtbaar werd.

„Mijne heeren”, sprak Wright, „wij hebben nu alles gedaan, wat nog

mogelijk was; laat ons nu het verdere maar kalm afwachten.”

Hij haalde een sigarenkoker te voorschijn, nam er een sigaar uit en

bood den koker zijn collega’s aan.

Deze bedienden zich, dankten op hoffelijke wijze en al spoedig rookten

de drie Engelschen met een gemoedsrust, alsof zij in een mooien salon

zaten en niet in een schommelend schip, dat ombruist wordt door dood en

verderf.

Plotseling liep de storm om. Hij sprong over naar het zuiden, een

verschijnsel, dat niet zelden voorkomt en dat dan een snelle afvloeiing

der onderste luchtlagen tengevolge heeft.

De boot kon nu pal naar het oosten koersen en dezen weg vervolgen

totdat de vuurtoren van Eddystone in zicht kwam om dan scherp naar het

noorden te varen en zoodoende de haven van Plymouth te bereiken.

De passagiers haalden verruimd adem, toen het vreeselijke rollen en

stampen van het schip inderdaad verminderde en daarmede den armen

zeezieken verademing bracht. Al werd het schip ook nog heftig heen en

weer geworpen, toch was de toestand thans kalm, vergeleken bij die van

vorige oogenblikken.

De kapitein liet nu de totnogtoe gesloten kajuitdeuren weer openen.

Een paar zeevaste passagiers waagden zich aan dek en de drie Engelschen

behoorden tot hen, die met groote vreugde den frisschen zeewind in

volle teugen gingen inademen.

Zwijgend, hun havanna rookend, keken zij haar de woestrollende baren.

Mr. Fox, de heer, die nog een paar regels op het blad uit zijn

notitieboekje had opgeschreven, die door mr. Wright in de verzegelde

flesch waren gedaan, rookte met lange trekken aan zijn sigaar en na een

poos begon hij:

„Mr. Wright, wij hebben, den hemel zij dank, de verzegelde flesch nu

niet meer noodig! Over een paar uur zijn we in de haven van Plymouth!”

„Dat wil ik met u hopen, mr. Fox, maar vergeet toch vooral niet, dat

wij nog altijd geen vasten bodem onder onze voeten hebben!”

Fox lachte.

„O, wat kan er nu nog gebeuren? Niets! Heelemaal niets!”

„Zoo, denkt ge?”

„Zeker, mr. Wright!”

„Maar hoe komt ge zoo optimistisch?”

„Kijk eens, daar, aan den horizon schittert door de avondschemering een

licht. Dat is de vuurtoren van Eddystone. Heel spoedig zullen we dien

beroemden vuurtoren bereikt hebben. Ik ben er van overtuigd, dat ik

dezen nacht nog, al zal het ook vrij laat worden, mijn vermoeide leden

zal kunnen uitstrekken in een lekker zacht hotelbed. Van Eddystone is

Plymouth maar heel kort meer verwijderd!”

„Wel!” antwoordde mr. Wright op korten toon, „wij zullen onze

verzegelde flesch hopenlijk niet noodig hebben, maar toch tot onze

landing onaangeroerd laten!”

De drie ambtenaren keken eens naar den vuurtoren, die zoo

allervriendelijkst knipoogde, alsof hij met zijn groote, schelle

lichten wilde zeggen:

„Spoedig zal uw lange, vervelende zeereis een eind hebben genomen!”

Maar daar gebeurde plotseling iets heel merkwaardigs.

De wind werd hoe langer hoe flauwer en nam meer en meer af. Na vrij

korten tijd waaide niets meer dan een frissche bries. Tegelijkertijd

echter was het alsof de wolken steeds dieper en dieper zakten; alsof

een onzichtbare macht neerstreek over den zeespiegel.

Reeds omhulden eenige zware wolkensluiers de hooge masten. Steeds

dikker en dikker stapelden zij zich op. In de sombere luchten ontstond

een gewirwar van vaalgrauwe nevelgordijnen, die steeds dieper en dieper

zonken, het geheele schip omhulden en den horizon deden verdwijnen.

Al spoedig was het wolkgordijn zóó dicht, dat de vuurtoren nog slechts

vaag zichtbaar bleef.

Intusschen was het onder de bemanning van het schip levendig geworden.

Reeds bij het eerste teeken van de weersverandering wist de kapitein

uit ervaring, wat gedaan moest worden. De gang van het schip werd

vertraagd, de roode en groene lichten aan bakboord en stuurboord werden

versterkt en vermeerderd.

Hoofdschuddend keek mr. Wright naar deze voorzorgsmaatregelen en met

groote bezorgdheid zei hij tot zijn collega’s:

„Eén vijand hebben wij al overwonnen, maar de ergste nadert nu, het

meest geduchte gevaar voor den zeeman, de verschrikkelijke mist. Ik

vrees, mr. Fox, dat ge dezen nacht afstand zult moeten doen van het

lekkere, zachte hotelbed. Laat ons in den salon gaan, heeren, het wordt

hier al te onbehagelijk!”

De heeren knikten bevestigend en gingen met hun chef de kajuittrap af.

Steeds dichter en dichter viel de nevel, hoe langer hoe meer werd het

uitzicht belemmerd. Spoedig stiet de stoompijp der „Tasmania” allerlei

geluiden uit, de sirene weergalmde en stuwde waarschuwingstonen door

den stikdonkeren nacht naar de voorbijtrekkende schepen.

Het werd avond.

De stoomboot passeerde den vuurtoren Eddystone, waarvan het licht, dat

anders zichtbaar is op mijlen afstand, thans als een flauw kaarslichtje

af en toe schemerde door de dichte nevelsluiers. Het was nu zaak, den

koers te veranderen en noordwaarts te sturen.

Dit geschiedde.

Mat schemerde de vuurtoren thans van de voorzijde, terwijl het licht

eerst van links kwam. De vaart naar het noorden was ingeslagen. Van den

oostkant weergalmden nu van verschillende zijden eveneens de dreunende,

eentonige geluiden van vreemde stoombooten, die evenals de „Tasmania”

op weg waren naar de veilige haven van Plymouth en den steeds dikker

wordenden nevel ontvluchtten.

Thans was het zaak, met de uiterste voorzichtigheid, alsof het voetje

voor voetje ging, vooruit te komen en daarbij voortdurend den misthoorn

te laten hooren, opdat elke aanvaring vermeden werd.

Slechts op hun gehoor konden kapitein en stuurman zich nog verlaten.

Met het bloote oog kon men thans niet eens meer het geheele dek van het

schip overzien.

Ontzettend dik lag de afschuwelijke, ondoordringbare mist als een zware

last, als een ondoordringbaar gordijn over de watervlakte en op de

stoomboot.

Daar weerklonk plotseling van de rechterzijde in de onmiddellijke

nabijheid de sirene van een vreemde stoomboot.

De „Tasmania” antwoordde met korte tusschenpoozen. Een onbestemde,

vormlooze massa doemde zijwaarts uit de nevelen op, omgeven door rood

en groen licht.

Een uitroep van schrik weerklonk uit de monden der zeelieden.

Zij zagen, dat een groote overzeesche boot naderde, die den weg van de

„Tasmania” kruiste.

De kapiteins van beide stoombooten waren zich volkomen bewust van het

dreigende gevaar. In allerijl werden de sturen omgegooid, opdat

uitwijken nog mogelijk gemaakt kon worden.

Te laat!

In het volgende oogenblik trof de hooge boegspriet van het vreemde

schip de „Tasmania” in volle bakboordzijde.

Een hevige stoot, een kraken en bersten van scheepsplanken en rompen

werd gehoord; toen siste witte stoom naar boven uit de ketels van het

ongelukkige, aangevaren schip.

De passagiers, die in doodsangst verkeerden, gilden op

hartverscheurenden toon. Overal heerschte vreeselijke ontroering en in

het volgende oogenblik liepen de passagiers als zinneloos rond aan het

dek van de „Tasmania”.

De botsing was vreeselijk geweest, ondanks de vertraagde vaart.

De boegspriet van het vreemde schip had zich diep geboord in den romp

van de „Tasmania”. Het scheen alsof het onmogelijk was, de schepen weer

van elkander te verwijderen. De schroeven begonnen achteruit te slaan;

overal aan boord werden lichten ontstoken; Bengaalsche vuren werden

ontbrand om door den vervaarlijken mist te kunnen heenzien.

Al spoedig bleek, dat de boeg van het onheilbrengende schip zwaar

geleden had, maar dat de schade slechts was toegekend aan het gedeelte,

dat boven water uitstak, zoodat voor dezen bodem noch voor de bemanning

iets te vreezen was.

Maar het aangevaren schip, hoe stond het daarmee?

De bakboordzijde van de „Tasmania” was volkomen ingedrukt. Door den

gespleten scheepswand stortten stroomen zeewater naar binnen. Het schip

was op zij gevallen en werd door de nog steeds onrustige zee geweldig

heen en weer geslingerd. Rookwolken stegen op uit het inwendige van het

vaartuig, die werden veroorzaakt door het binnenstroomende water dat

het vuur onder de ketels bluschte, en bovendien was een der stoomketels

gesprongen.

Het personeel uit de machinekamer was reddeloos verloren; het

binnenstroomende water bracht allen een snellen dood.

In de kajuiten heerschte de grootste paniek. Het binnendringende water

sloot de deuren van de kajuiten, zoodat de ongelukkigen waren

ingesloten en een vreeselijke verstikkingsdood onvermijdelijk moest

volgen.

Hier zag men een weeklagende moeder met haar kind, dat zij angstig

tegen zich aanklemde; daar was een man, die vol vertwijfeling de deur

van een kajuit trachtte te openen, die door het aanstroomende water

werd dichtgekneld.

Anderen weer trachtten de lichtschacht te bereiken om het dek te

bereiken, door hier langs naar boven te klauteren.

Overal vielen wanhoopsscènes voor, overal werden gillende,

schelklinkende hulpkreten vernomen, terwijl de ongelukkigen als

wanhopigen door elkander liepen.

Ieder, zonder acht te slaan op zijn medemenschen, was er slechts op

bedacht om het veege lijf te redden, om zichzelven in veiligheid te

brengen.

De toestand was vreeselijk.

De drie Engelschen zaten in den rooksalon, toen het onheil geschiedde.

Mr. Fox vloog naar zijn kajuit en haalde daaruit een ijzeren cassette

te voorschijn, waarmede hij trachtte te vluchten.

Helaas!

Door deze minuten oponthoud had hij de kostbaarste oogenblikken

verloren. Door een watervloed werd hij omgeworpen, nog een korte

wanhopige worsteling en de man had, geheel in tegenstelling met zijn

gedachten, een rustplaats gevonden in dit koude, natte doodsbed.

Mr. Wright had terstond het geweldige gevaar overzien. In het volgende

oogenblik had hij de verzegelde flesch gegrepen, deze in den zak van

zijn overjas gestoken en was toen met één sprong de kajuittrap

opgesneld, gevolgd door zijn collega.

Aan dek zag hij dadelijk, dat het schip verloren was. Het moest reeds

over een paar minuten in de diepte verdwijnen.

Redding was slechts te verwachten van het schip, dat dit vreeselijke

ongeluk had veroorzaakt.

Met energiek gebaar haalde mr. Wright nu de verzegelde flesch uit den

zak en slingerde haar met geweldige kracht in zee.

De „Tasmania” begon nu snel te zinken.

Plotseling klonk een geweldige slag. De stoomketels waren ontploft.

Overal vlogen stukken hout heen en weer, menschelijke lichaamsdeelen

werden door de lucht geslingerd.

De „Tasmania” was vergaan.

Zij zonk met haar goudschatten en met alles, wat leven had, in de

diepte.

Woest brulden de golven over het graf van het schoone, statige schip.

Aan het strand van Oostende heerschte groote drukte.

De vloed was sinds een uur ingetreden en het badstrand was vol

bezoekers.

Dames en heeren, soms in kostbare badkostuums gekleed, sprongen en

plasten in het koele water en allen gevoelden zich wonderwel thans in

hun ongegeneerde kleeding.

De zon scheen heerlijk warm en alles wees er op, dat het een heete dag

zou worden.

Een slank gebouwd heer nam zijn Panama af en zei:

„Wel, Charly, wat zou je ervan denken, als wij ook eens een bad gingen

nemen. Wij zullen miss Walton en haar moeder wel terug zien aan het

diner”.

„Heel graag, Edward, de golfslag is prachtig, kom maar mee!”

Lord Lister en Charly gingen naar de badkoetsjes en al heel gauw

plasten de vrienden in de golven.

Daar kwam een groote golf aanrollen en ... maar wat was dat? Charly

voelde een hevigen stoot in den rug en stiet een luiden kreet uit.

„Wat is er, Charly?” vroeg lord Lister.

„Hier, dit ... dáár!”

Charly griste en haalde toen een door zeewier omwonden champagneflesch

voor den dag.

„Dat dingetje vloog tegen mijn rug op!”

Lord Lister bekeek de flesch opmerkzaam en toen hij het zeewier

verwijderd had, zag hij aldra, dat de flesch een papier bevatte, dat

door zeelieden in tijd van nood was geschreven en weggeworpen.

„Kom, Charly!” riep hij uit, „hier is het niet de plaats om te zien,

wat er in zit. Het glas is dof geworden, het adres van den inliggenden

brief is niet te zien. Wij kleeden ons vlug en zoeken een veilig

plaatsje om den inhoud te onderzoeken.”

De vrienden gingen uit het water.

Een half uurtje later zat het tweetal tegen een duinhelling, die alle

nieuwsgierigen ter zijde hield en toen brak lord Lister de flesch open

en vond papieren, die geadresseerd waren aan de Engelsche Bank.

„Donnerwetter!” riep hij verbaasd uit, „dat is een verhaal over de

goudkisten van de „Tasmania”, die bij Eddystone is vergaan. Eenige

maanden geleden hebben de kranten daarover uitvoerige verslagen gehad,

herinner je je niet, Charly?

„Zeker! Men beweerde toen, dat de schatten door duikers zouden worden

opgehaald. Maar omdat het wrak ook is gezonken, werden geen pogingen

aangewend. Men denkt nu, in den zomer, nu de zee kalm is, met de

duikingen te beginnen!”

„Juist! Dat stond allemaal in de Times. Zie je Charly, op dit papier

staat precies aangegeven, in welk deel van het schip de schatten

liggen, want je begrijpt, dat de goudstaven niet als gewoon

passagiersgoed werden verscheept. En nu zal die boel worden

opgehaald—hm,—ja, zie je, Charly—hm,—dat is juist een kolfje naar mijn

hand, Charly—hm!”

Charly keek hem eens van terzijde aan en glimlachte.

„Ik geloof waarachtig, Edward, dat je de schatten wilt ophalen!”

„Maar natuurlijk heb ik lust—natuurlijk! Als ik de Engelsche Bank die

millioentjes kan afhandig maken, zou mij dit lang niet ongevallig

zijn”.

„Wat staat er in dien brief, Edward?”

Lord Lister vouwde den brief open en las de volgende woorden:

„Aan miss Lucie Watkins,

Londen,

Shooters Hill road 12.

Als de „Tasmania” vergaat, tracht dan mijn waterdichte cassette,

die mijn geld en testament bevat, op te sporen.

RICHARD FOX,

Bankbeambte.

Charly Brand keek zijn vriend aan met groote, vragende oogen.

„Miss Lucie Watkins moet gewaarschuwd worden, Charly, maar de Bank moet

zich zelve maar helpen. Voor het meisje is het natuurlijk van het

grootste belang, het testament en het geld in haar bezit te krijgen.

Hm, wij zullen miss Watkins in Londen opzoeken!”

„Toch nu niet?”

Lister lachte.

„Neen, maar toch gauw! De tijd dringt. De „Tasmania” is in April

vergaan. Sinds dien tijd is de verzegelde flesch onderweg. Dat is niet

vreemd, want er gaan soms maanden voorbij, voordat zoo’n in zee

geworpen flesch gevonden wordt.

„’t Is nu begin Juli en sindsdien kan er dus heel wat gebeurd zijn, dat

het noodig maakt, dat miss Watkins dit briefje ontvangt. Mijn bruid en

haar moeder blijven nog wat in Oostende en wij kunnen dus in dien tijd

uitstekend een uitstapje naar Londen maken.

„Ik verlang bovendien alweer naar mijn vriend Baxter.”

„Maar Edward, laat Scotland Yard en al zijn lieden toch met rust!”

„Ik zal ze met rust laten! Voorloopig stel ik er nog maar alleen belang

in om miss Watkins te leeren kennen. Het komt mij voor, dat deze dame

onze hulp noodig heeft!”

Met deze woorden stonden de beide vrienden op en begaven zich naar het

drukke strandgewoel.

TWEEDE HOOFDSTUK.

OP ZOEK.

Lord Lister was met Charly Brand naar Londen gereisd om miss Lucie

Watkins op te zoeken.

Zij hadden hun intrek genomen in een onaanzienlijk hotel, waar zij

doorgingen voor kooplieden, die in Londen zaken kwamen doen.

Wij vinden het tweetal terug op weg naar Shooters Hill road, waar,

zooals op het adres van den gevonden brief stond, miss Watkins moest

wonen.

De heeren zagen er thans uit als provincialen.

Aan het einde der straat zagen zij een vriendelijk, klein huisje, met

zorgvuldig onderhouden tuin.

Hier moest de gezochte wonen.

Lord Lister schelde verscheiden keeren, voordat zich schuifelende

voetstappen deden hooren en de deur geopend werd door iemand met scherp

besneden gelaat, omgeven door een grauwen, woesten baardgroei.

„Wat verlangen de heeren?” vroeg de man.

„Wij wenschen miss Watkins te spreken!” antwoordde lord Lister.

De man scheen verrast.

„Kent ge miss Watkins?” vroeg hij.

„Dat niet! Maar wij moeten haar spreken, want wij hebben belangrijke

mededeelingen voor haar.”

„Hm, belangrijke mededeelingen?”

„Ja, héél belangrijk!”

„Zoo! En de heeren zoeken miss Watkins hier? Die dame woont niet hier!

Ik bewoon alleen het huis met mijn familie, maar ik weet, dat zij hier

heeft gewoond, want ik heb het huis van haar familie gekocht, die het

van een oom erfde!”

„Is die oom verdronken bij den ondergang van de „Tasmania”?”

„Ja, juist. Hij is verdronken met de „Tasmania”, op reis van Sidney

naar Plymouth. Er waren goudstaven aan boord ter waarde van twee

millioen pond! Een mooi sommetje, heeren! Hier woonde meneer Fox, toen

hij vier jaar geleden naar Sidney ging voor de Engelsche Bank. Ik heb

Fox nog goed gekend. Hij was een beste, brave kerel. Ik heb zaken met

hem gedaan!”

„Met u, David Simonson?”

De gevraagde keek verbaasd op.

„Kent u mij?”

„Op die vraag kan ik u hier niet antwoorden. Hebt ge een kamertje, waar

wij ongestoord wat kunnen praten? Laat ons daar dan heengaan!”

De man sloot de deur en mompelde nog steeds:

„Hoe kent hij mij?—Wie is hij?—Ik ken hem niet!—Heelemaal niet!”

Op de eerste verdieping liet Simonson de heeren in een gezellige kamer.

„Mag ik nu vragen, hoe meneer mij kent?” vroeg hij brandend

nieuwsgierig.

„Doodeenvoudig, Simonson. Ge hebt vroeger dikwijls rijken jongelieden

geld geleend tegen een aardig procentje. En ge hebt ons altijd heel

fatsoenlijk behandeld, Simonson, dat moet ik zeggen!”

De man hoorde deze woorden met een grijns van genoegen.

„Ik zie wel”, sprak hij, „dat meneer mij heel goed kent, heel goed!

Maar meneer schijnt niet te weten, dat ik mijn praktijken niet meer

uitoefen. Ik heb toen het huis gekocht van meneer Fox, den neef van den

verdronken Fox!”

„Maar vertel nu eens, Simonson, hoe staat het met die miss Watkins? Je

weet zeker wel meer van die dame?”

„Zij was de dochter van een halfzuster van den verdronken Fox en woonde

met haar jongeren broer, Tommy genaamd, een knaap van tien jaren. Haar

moeder stierf vijf jaar geleden, haar vader voor negen jaren. Meneer

Fox uit Sidney steunde zijn stiefzuster en later haar kinderen

regelmatig. Hij heeft hen ook nog eens bezocht drie jaar geleden. Toen

heb ik hem leeren kennen en nog wat zaakjes met hem gedaan. Hij bracht

allerlei snuisterijen mee uit Australië, die hier goed betaald worden.

’t Is jammer, dat meneer Fox niet meer leeft. Hij was een beste, brave

man. Heel anders dan zijn neef, Fox Junior.”

„Wat is daar dan mee, Simonson? Vertel dat eens!”

„Kan meneer zwijgen?”

„Als het graf. Zoo waar als ik lord Lister heet!”

„Groote, almachtige vader, gij— —zijt gij— —gij— —?”

Zijn stem verstierf, alsof hij een spook zag.

„Wel ja, ik ben lord Lister”, sprake deze dood kalm, „dezelfde, dien

gij indertijd heel wat keeren uit de geldverlegenheid hebt geholpen.”

„Maar— —vergeef mij— —’t is voor mij een groote eer— —om u— —den

grooten lord— —bij mij te zien— —maar lord Lister— —is toch— —is toch

ook— —ik heb het gelezen— —gelezen— —is toch ook— —Raffles.”

„Juist”, antwoordde de gevraagde, „en alleen bedriegers en gauwdieven

hebben Raffles te vreezen. Voor jou, Simonson, blijf ik lord Lister.

Vertel mij dus, wat ge van Fox Junior en van miss Watkins weet!”

Deze vertelde nu:

„Op de eerste verdieping woonde mr. Fox Junior. Ik weet niet, waarvan

hij leefde. Hij stond met zijn oom niet op al te goeden voet en deze

hield niet veel van zijn neef. Desondanks liet hij hem toch in zijn

huis wonen.

„Met miss Watkins ging mr. Fox niet om. Dat wil zeggen, het meisje

verafschuwde hem, omdat hij verscheiden keeren dronken thuis was

gekomen. Zij toonde het ook duidelijk, dat zij het land aan hem had.

Toen het bekend werd, dat de „Tasmania” vergaan was, en dat mr. Fox

onder de opvarenden had behoord, werd Fox Junior als erfgenaam van zijn

oom aangewezen. Hij kreeg dit huis, dat ik van hem kocht. Reeds vóór

dien tijd woonde miss Watkins al niet meer hier. Het heette, dat zij

met haar broer Engeland had verlaten. Ik weet niet, waar zij zich thans

bevindt.”

„Waar woont mr. Fox Junior dan?”

„Die woont in Oxfordstreet”

„Hm! Zoo! Dank je, Simonson! Je weet dus niets van miss Watkins?”

„Niets!”

„Op je eerewoord?”

„Op mijn eerewoord!”

„Goed! Ik geloof je! En beloof mij nu, dat je niemand zult zeggen, wie

je vandaag heeft bezocht! Zul je?”

En Simonson stamelde:

„Neen, lord Raffles—neen, Lister— —neen, ik zal u niet verraden. Ik

zweer het u!”

„Goed! Vertel mij nu, hoe miss Watkins en haar broer er uitzien! Ik ken

ze niet en zal ze toch moeten herkennen!”

„Daar kan ik u uitstekend mee helpen! De overledene meneer Fox heeft

mij drie jaar geleden bij zijn laatste bezoek een foto gegeven. Daar

stond broer en zuster op. Ze zien er nog net zoo uit”.

Simonson ging en kwam eenigen tijd later met een foto terug.

„Kan ik het portret een tijdje houden?” vroeg de Lord.

„Zeker, zoolang als ge wilt!”

„Goed! Ik zal het je weer terugsturen! Vaarwel, Simonson, ik dank je

wel!”

Lord Lister vertrok met Charly en Simonson sloeg nog eens, van louter

verbazing, de handen boven zijn hoofd samen.

Lord Lister en Charly waren in den namiddag naar de straat gegaan, waar

volgens het zeggen van Simonson, mr. Fox Junior woonde.

Het was een nauwe straat in een der oudste gedeelten van Londen.

Lord Lister keek eens naar de gevels.

„Die oude gebouwen hebben alle hun geheimen, Charly”, sprak hij, „bijna

ieder gebouw heeft zijn donkere kelders en zijn verborgen uitgangen.

Daar werden de schatten verborgen, maar thans worden in die donkere

gewelven niet zelden allerlei misdaden uitgevoerd.

Het zou mij niets verbazen als die mr. Fox alle reden had om juist hier

te wonen.

„Kijk eens, Charly, daar, in dat alleroudste huis moet hij wonen.”

„Het huis ziet er uit als een roovershol”, meende Charly.

„Weet je wat voor lieden hier wonen?”

„Neen!”

„Meestal lui, die zich met helen en woekeren afgeven. Mijn vriend

Baxter heeft in deze straat een paar speciale vrienden, die hij graag

met een bezoek vereert, als hij naar gestolen waren zoekt.”

„Vindt hij dan iets?”

„Neen, zoo dom zijn de heertjes niet! Maar kom laat ons naar mr. Fox

gaan, jongen en pas op je tellen!”

Beiden bleven staan voor het oude huis.

Lord Lister drukte den deurklink neer. De deur was gesloten.

Hij haalde nu de schel over.

Aan de binnenzijde weerklonken al spoedig voetstappen. Een luikje werd

geopend en daarvoor vertoonde zich het gelaat van een niet onknappe

vrouw.

Zonder eenige vraag af te wachten, sprak zij, na met scherpen blik de

bezoekers te hebben gemonsterd:

„Mr. Fox is niet thuis. Kom later maar eens terug.”

„Dat is jammer!” antwoordde lord Lister, „ik heb weinig tijd, want de

politie zit me op de hielen.”

De vrouw glimlachte, knikte en zei:

„Ik heb u nog nooit hier gezien!”

„Dat geloof ik! Ik werk ook niet in Londen, maar meestal in de

kustplaatsen.”

„En wat brengt ge?”

„Een fijn horloge met ketting,” fluisterde de lord.

„Goed, ik zal open doen.”

De deur werd geopend en nu zagen de vrienden een forsche, knappe vrouw,

zorgvuldig gekleed, die achter het tweetal de deur weer stevig sloot.

Zij bracht de heeren door een lange gang naar een net gemeubelde

woonkamer en vroeg toen, op Charly wijzend:

„Dat is toch geen dwarskijker?”

„Kun je begrijpen! ’t Is nog een groentje, maar hij is best te

vertrouwen.”

„Goed! Wacht hier maar, de baas komt dadelijk!”

Zij ging de kamer uit en liet beiden alleen.

Het scherpe oor van lord Lister hoorde, dat buiten een grendel werd

voorgeschoven. Zij zaten dus voorloopig gevangen.

„Om Godswil Edward, waar zijn we hier beland?” vroeg Charly angstig.

„Wij zijn, juist zooals ik dacht, in het hol van een heler geraakt,

beste jongen,” fluisterde de lord in de Fransche taal tot zijn vriend.

„Wees voorzichtig, Charly en praat niet veel. Ik ben ervan overtuigd,

dat wij van uit een andere kamer worden begluurd. Men vertrouwt ons

niet.”

Toen sprak hij op luiden toon:

„Die dame schijnt ons niet al te best te vertrouwen, maar ik neem het

haar volstrekt niet kwalijk, zij kent ons immers niet! Ik hoop nu maar,

dat mr. Fox heel gauw komt, dan kunnen we meteen zaakjes met hem doen.”

De beide vrienden keken eens in de kamer rond en toen door het venster,

dat op de binnenplaats uitkwam.

Daar bemerkte Charly, dat zich achter een luchtgat in den muur, juist

tegenover het venster, een hand bewoog.

Hij keek nauwkeuriger toe en zag nu, dat een paar musschen naar de hand

vlogen en dan ijverig gingen pikken. De hand verscheen weer, zonder dat

de diertjes verschrikt terugweken.

Waarschijnlijk werd daar telkens nieuw voer neergelegd.

Charly zag duidelijk, dat een dames- of een kinderhand het voer moest

strooien, want de hand was fijn gevormd.

Juist wilde hij lord Lister op deze ontdekking opmerkzaam maken, toen

deze opstond en door een teeken te kennen gaf, dat Charly niets moest

zeggen.

Lord Lister, die al rookend in zijn stoel had gelegen, had intusschen

de muren scherp bekeken en opgemerkt, dat ergens bovenaan een luikje

werd geopend, waardoor hij en zijn vriend natuurlijk van boven af

bespied en beluisterd werden.

Nu werd het luikje gesloten en op de binnenplaats verscheen de vrouw,

die hen had opengedaan.

Lord Lister fluisterde Charly toe:

„Let op, wat de vrouw gaat doen en zeg mij, als zij weer in huis gaat.”

Toen sprong hij op en trachtte een kleine kast, die tegen den muur

stond, op zij te schuiven.

Dat ging gemakkelijk.

Lord Lister knikte tevreden, want deze kast verborg een deur, die

eveneens gemakkelijk was te openen. Hij keek nu in een nauwe, smalle

gang, die hij gaarne nader had onderzocht, maar de vrouw, die op de

binnenplaats met een langen stok de musschen had weggejaagd, kwam weer

binnen en Charly waarschuwde zijn vriend.

Deze ging onmiddellijk weer in dezelfde achtelooze houding in den stoel

zitten en na een poosje zag hij, dat het luikje weer geopend was.

Nu ging de huisschel over.

Het luikje ging geruischloos weer dicht.

„Ha zoo”, dacht Lister, „daar komt de heer des huizes.”

Na langen tijd werd de deur van de aangrenzende kamer geopend.

Twee kijvende stemmen weerklonken luid en heftig.

Eensklaps werd de kamerdeur zacht geopend en met bleek gelaat verscheen

de vrouw op den drempel.

„Ik geloof, dat het daar binnen gevaarlijk wordt”, fluisterde zij.

„Wie is daar dan?” vroeg Lister.

„Een handelsvriend, en—” met een luiden schreeuw vloog zij plotseling

weg.

In de kamer was de strijd voortdurend heftiger geworden. Meubels werden

omgegooid, kreten weerklonken.

De vrouw snelde weg, gevolgd door Lister.

Zij had de deur open gedaan.

Op den grond rolden twee mannen. Zij hielden elkaar stevig vast. In de

hand van den een flikkerde een mes.

Lister was toegesneld, pakte de hand met het mes beet en ontwrong dit

den vechtende. Toen drukte hij den arm naar beneden, waardoor de ander

weer kon ademhalen. Lister zag, dat dit Fox moest zijn.

Charly was nu ook binnengekomen en toen de vechtersbaas zag, dat hij

tegen drie toch niets kon uitvoeren, hield hij zich maar koest.

„Vervloekt!” stiet hij uit, „wat heb jullie je in onzen strijd te

mengen. Laat mij los!”

„Wil je het geld nemen en kalm weggaan?” vroeg Fox den man, die nog

steeds door Lister en Charly werd vastgehouden.

„Ik moet nu wel!” bromde de overwonnene.

„Goed!” sprak Fox, „en je zult zien, Jack, dat ik je niet heb

benadeeld. Ik geef nog een pond toe, dan is de zaak all right?”

„Allright!” knikte Jack. „Zullen de heeren mij nu los laten?”

Fox knikte en Lister en Charly gaven den man zijn vrijheid terug.

Deze stond nu met moeite op, raapte eenige papieren die op den grond

gevallen waren, bij elkaar en grijnsde tegen mr. Fox.

„Verduiveld onbeleefd om je handelsvrienden zóó te bejegenen, mr. Fox,”

meende hij, „maar even goede vrienden, hoor!”

Het tweetal schudde elkander nu broederlijk de hand en Fox bracht Jack

naar de deur.

Toen de huiseigenaar was teruggekomen, bracht de hospita een flesch

brandewijn en glazen. Fox sloeg onmiddellijk den inhoud van zijn eerste

glaasje naar beneden en liet zich toen nog twee keer inschenken.

Daarop lachte hij voldaan, reikte Lister en Charly de hand en sprak:

„Mijn dank, heeren, voor uwe hulp. Jack is een driftige kerel! Hij

grijpt dadelijk naar het mes, maar overigens is hij een brave jongen.

Maar ik was er nou toch wel miserabel aan toe. Jullie zult toch wel je

woord houden?”

Lister en Charly beweerden allebei, dat ze zouden zwijgen als het graf.

Fox vroeg thans:

„Wie zijt ge en wat zendt u?”

Lister deed verlegen en krabde zich eens achter het oor.

„Mister Fox, wie wij zijn, zal u wel heel weinig schelen. En wie ons

stuurt? In iedere herberg hoor je namen noemen als je zaken te doen

hebt.”

„Ja juist, ja juist!” beweerde Fox. „Maar hoe moet ik u dan noemen?”

„Noem mij maar fijne Willem! zoo noemt mij iedereen in Liverpool. Ik

heb dit oude spulletje maar voor hier aangetrokken. Draag anders fijn

spul!”

„Alle duivels! Wat wil je dan in Londen, als je in Liverpool werkt?”

„Wel, heel eenvoudig, mr. Fox. Ik wil naar het vasteland. De grond

brandt me hier onder de voeten!”

„Zoo, zoo! Ja, twee zulke knappe jongens moeten geholpen worden! Jullie

zult zien, dat ik dankbaar ben.” En tot de hospita:

„Miss Anny, ga boven eens dekken!”

Miss Anny, die nog steeds vol zorg naar Fox keek, ging heen.

„En wat voor zaakje heb jullie nou?” vroeg Fox.

Lister haalde een gouden horloge en ketting te voorschijn en legde ze

op tafel neer.

De oogen van den heler schitterden toen hij de sieraden zag.

Hij liet den ketting door zijn vingers glijden en sprak:

„Goed werk, goed werk.”

Toen keek hij Lister aan en zei:

„Ik geef vijf pond. Is ’t goed?”

Lister floot eens door de tanden, trok een leelijk gezicht en

antwoordde:

„Dat ding is meer dan vijftien pond waard.”

„Voor mij niet!—Maar—ik geef er nog vijf pond bij, als—”, hij keek zijn

beide helpers onderzoekend aan.

„Nu—als?”

Fox sloeg zich op de knieën dat het klapte.

„Ik vertrouw jullie, omdat je mij geholpen hebt. Maar wilt gij mij een

dienst bewijzen?”

„Welken?” vroeg Lister.

„Ge zegt, dat ge naar het vasteland gaat. Zoudt ge een persoon daarheen

willen geleiden? Ik leg er dan nog vijf pond op.”

„Waar gaat die persoon heen?”

„Ge behoeft niet verder mee te gaan dan Calais. Daar wordt ze afgehaald

en ge behoeft u om niets meer te bekommeren.”

„Is het een vrouw, die vluchten wil?”

„Precies! Ik breng haar bij u op het schip en gij neemt haar mee naar

Calais. ’t Is overigens een heel fatsoenlijk zaakje. Als ge wilt, kunt

ge dan tot het vertrek hier blijven.”

Lord Lister streek het geld op dat Fox hem overhandigde. Fox zei:

„Dat is dan in orde! Gaat nu maar in de kamer hiernaast om u wat op te

knappen. We hebben nog drie uren tijd, voordat de boot vertrekt.”

Fox verliet na deze woorden de kamer.

Lord Lister keek hem na, glimlachte eens en sprak tot Charly:

„Jongen, jongen, beter hadden wij het niet kunnen treffen! Ik wil

vriendschap drinken met vriend Baxter, als wij niet miss Watkins naar

Calais brengen. Zij is hier in huis verborgen. Deze gang voert naar

haar verblijf. Waar kan echter dat broertje zijn gebleven?”

Daar ging de huisbel over.

Lister zweeg en luisterde.

De stap van een man werd in de gang gehoord. Toen ging de deur open en

Fox begroette een vreemdeling. Lister keek eens naar boven. Het

spionluikje was gesloten.

Daarop ging hij naar de deur en luisterde.

Twee stemmen spraken fluisterend met elkander. Zij spraken in het

Spaansch en daar Lord Lister deze taal uitstekend meester was, kon hij

het gesprek volkomen volgen. Hij hoorde nu, dat miss Watkins inderdaad

hier in huis was en dat de vreemdeling haar naar Zuid-Amerika wilde

brengen onder het voorwendsel, dat zij zijn kinderen zou opvoeden.

De vreemdeling was echter een berucht handelaar in blanke slavinnen,

die hun slachtoffers naar Zuid-Amerika brengen in bordeelen en Fox was

een ijverig handlanger van den schurk. Verder hoorde Lister uit het

gesprek, dat de vreemdeling nog met twee andere meisjes zou reizen.

Fox verklaarde, dat hij twee lieden had gevonden, die, zonder dat zij

wisten waarom het ging, miss Watkins naar Calais zouden brengen.

Na eenig over en weer praten kwam het tweetal tot de conclusie, dat de

vreemde miss Watkins reeds in Dover zou overnemen.

Schreden naderden thans de deur, zoodat lord Lister zich moest

terugtrekken.

Een knaap bracht eenige gerechten binnen, twee flesschen bier en

glazen. Hij zette alles op tafel neer en wilde heengaan.

Toen vroeg Lord Lister:

„Ben jij Tommy?”

„Ik heet Tommy, sir, wat verlangt ge?”

„Niets. Maar waarom heb je geschreid?”

„Och, meneer, mijn zuster gaat vandaag weg en ik moet naar zee, maar ik

heb er heelemaal geen lust in!”

Tranen kwamen den knaap in de oogen.

Op medelijdenden toon vroeg Charly:

„Maar men zal je toch niet dwingen, Tommy?”

„Toch wel! Mr. Fox wil het en dan moet het wel!”

„Van buiten gilde een schelle vrouwenstem:

„Tommy, waar blijf je?”

Verschrikt liep de jongen de deur uit.

Even later kwam Fox weer binnen en zeide op jovialen toon:

„Om zeven uur kunt ge naar het station gaan, heeren, daar kom ik dan

ook met de dame, die u hier de deur heeft opengedaan en met de vrouw,

die ge zult wegbrengen. In Dover neemt een heer reeds uw taak over. Om

acht uur vertrekt de trein. Ge moet met de dame niet meer spreken dan

hoog noodig is.”

Lord Lister, die smakelijk een cotelet verorberde, sprak nu:

„Wel, sir, wat gaat mij die dame aan. Wij brengen haar naar Dover en

daarmee uit!”

„Allright gentlemen! Ik heb nu nog veel te doen! Tot straks!”

Hij ging de deur uit! Even daarop hoorde lord Lister hem spreken met de

hospita, toen verliet hij het huis.

„Nu opgepast, Charly”, sprak Raffles. „’t Is nu tijd om te handelen en

miss Watkins in veiligheid te brengen. Ik zal Tommy nu ook te

voorschijn halen. Blijf jij nu hier, dan ga ik naar de hospita!”

Lister opende de deur en ging door de gang naar de keuken. Daar zat

Tommy hevig te schreien.

Lister vroeg hem, waar de huishoudster was en het kind antwoordde, dat

deze naar haar kamer op de eerste verdieping was gegaan om zich mooi te

maken voor de reis.

Nu ging Lister naar de kamer terug, beval Charly op den uitkijk te gaan

staan en schoof de kast terzijde, waardoor de geheime deur zichtbaar

werd.

Hij liep nu een lange gang door en kwam aan een kamerdeur, die dadelijk

openging. De kamer was echter leeg, maar in een aangrenzend vertrek,

waarin Lister door het sleutelgat kon kijken, zag hij een jong meisje

staan, waarin hij, naar de foto van Simonson, terstond miss Watkins

herkende.

Hij klopte zachtjes en zag, dat het meisje verrast op keek. Toen

beproefde hij de deur te openen, maar zij was gesloten.

„Wie is daar?” vroeg miss Watkins.

„Een vriend, die gekomen is om u uit de macht van Fox te redden. Doe

maar open!”

„Ik heb geen sleutel!” luidde het antwoord.

„Luister dan eens. Ik ken uw geschiedenis en ben gekomen om u te

redden. Ga dus kalm mee als men u naar het station brengt. Ge vindt mij

daar.”

„Ik zal gehoorzamen!”

„Uitstekend!”

„Maar Tommy?”

„Ik zorg voor Tommy ook! Maar nu moet ik terug!”

Lord Lister verwijderde zich snel en ging langs denzelfden weg terug.

Charly liep nog doodbedaard heen en weer. Er was dus niets gebeurd in

zijn afwezigheid.

Nu vloog Lister zoo vlug als zijn beenen hem konden dragen naar den

kelder, en daar lagen allerlei wonderlijke meubels, zijden stoffen en

huishoudelijke artikelen opgestapeld. Vooral trok een groote, met ijzer

beslagen kist zijn opmerkzaamheid. Hij trachtte het deksel op te

lichten en dat lukte terstond. In de kist lagen horloges, gouden en

zilveren sieraden en verscheiden andere kostbaarheden. Listers horloge

met ketting lag er ook bij en glimlachend nam hij ze in de hand.

„Mr. Fox moet zich wel heel veilig voelen, dat hij alles hier maar zoo

open laat staan,” dacht Lister. Toen deed hij de kist weer dicht en

ging terug naar het vertrek, waar Charly stond te wachten.

„Gelukkig, dat je terug bent, Edward”, sprak de jongeman herademende,

„ik verging van angst.”

Lister glimlachte.

„Mijn onderzoekingstocht is volkomen gelukt.”

Lang bleef Lister niet in de kamer. Hij ging naar de keuken waar Tommy

nog altijd zat te schreien.

„Houd moed, jongen”, zei Raffles, „blijf je alleen thuis, als wij

allemaal weggaan?”

„Ja, sir. Dan word ik opgesloten. Ze zijn bang, dat ik wegloop.”

„Opgepast, Tommy. Als je zuster wordt weggebracht, blijf je alleen,

maar als je braaf bent, kom ik je halen en breng je weer naar je

zuster. Maar hou je mond, want anders ben je verloren.”

De oogen van den knaap schitterden.

„O, ik kan best zwijgen! Is het heusch waar, meneer, komt u mij halen?”

„Kalm, mijn jongen, ik lieg niet. Hou je mond en wacht af de dingen,

die komen zullen. Waar is miss Anny? Nog altijd boven?”

„Ja!”

„Goed! Zeg aan niemand, dat wij met elkaar gesproken hebben.”

Lord Lister verdween en deelde Charly nu fluisterend het plan mee, dat

hij had ontworpen om de kinderen te redden.

Een uur later kwam Fox weer thuis en trad bij de vrienden binnen.

„Ik geloof, dat wij maar naar het station gaan, mr. Fox”, zei Lister.

„’t Is hier zoo erg vervelend en de weg is lang.”

„’t Is mij goed. Als ge maar zorgt, dat ge den trein niet verzuimt.”

„Geen nood, sir!”

„Tot weerziens dan!”

„Tot weerziens!”

Fox bracht zijn gasten tot de deur en liet hen met een knikje van

verstandhouding de deur uit.

DERDE HOOFDSTUK.

GERED EN IN VEILIGHEID.

Lord Lister slenterde met Charly langs de straat.

De eerste dwarsstraat sloegen zij in en trachtten toen in een straat te

komen, evenwijdig aan die waarin Fox woonde. Toen zochten zij het huis,

dat was gelegen achter dat van den heler. Dit huis behoorde aan een

uitdrager. De eerste etage scheen onbewoond en voor slechts twee

vensters hingen gordijnen.

Dat moesten dus de kamers zijn, waar miss Watkins woonde.

„Zoo, Charly,” zei lord Lister, „nu is het zaak op te passen om te

zien, wanneer mr. Fox met zijn dames het huis verlaat. Jij zorgt

intusschen voor een automobiel, en wacht daarmee aan het eind van de

straat. Laat al het andere maar aan mij over.”

Op den hoek van de straat, in een klein café, keken de vrienden uit

naar het huis van Fox. Het duurde niet al te lang, of zij zagen, dat

het drietal het huis verliet.

Lord Lister betaalde en verliet met Charly het kroegje.

„Jij, Charly, gauw in de auto, en wacht mij op den hoek!”

Lord Lister ging nu het huis binnen, dat gelegen was achter dat van den

heler. Hij liep het door en op de binnenplaats kwam hij den uitdrager

tegen. Toen deze begon op te spelen, gaf Lister hem zoo’n geweldigen

klap tegen een der slapen, dat de man bewusteloos neertuimelde.

Nu had hij de handen vrij.

Vlug als een kat klauterde hij op de binnenplaats langs een regenpijp

naar de eerste verdieping, schoof daar een raam op en kwam op deze

manier ongedeerd in een der kamers van het huis van Fox. Hij liep nu

een paar vertrekken door, totdat hij voor een gesloten deur kwam.

Lord Lister klopte—geen antwoord.

Met een looper opende hij de deur en schrikte geweldig, toen hij Tommy

vastgebonden op een stoel zag liggen.

Heete tranen rolden den armen knaap langs de wangen.

„Is niemand thuis?” vroeg lord Lister.

Tommy schudde ontkennend het hoofd.

„Kalm, ventje,” sprak hij, „ik kom dadelijk terug.”

„Neen, niet weggaan!” vleide het kind, „neem mij mee!”

„Voel je je dan sterk genoeg?”

„O, ja, sir. Ik ben zoo diep bedroefd, dat Lucie weg is!”

„Goed, Tommy, ga dan maar mee, maar zet eerst je pet op.”

De knaap deed het; lord Lister bracht den jongen door de geheime gang

en samen bereikten zij nu het huis van den uitdrager.

Op den hoek der straat wachtte Charly met de auto.

Inderhaast vertelde lord Lister den knaap nog, dat deze spoedig zijn

zuster zou terugzien.

Heel tevreden knikte het kind met het hoofd.

Hij had al dadelijk heel zijn kinderlijk vertrouwen gegeven aan den

mooien, slanken meneer en beloofde alles te zullen doen wat er van hem

verlangd werd, als hij maar niet naar zee behoefde.

Hij bracht den jongen naar een bureau van overtocht, gaf Tommy eenig

geld en deponeerde alle kosten. Tommy zou met zijn geleider den

volgenden trein halen en des nachts nog in Ramsgate aankomen.

Daarop namen Lister en Charly afscheid van den knaap en reden verder.

Voor de London-brug stapten zij uit. Hun scherpe oogen hadden namelijk

een cab ontdekt, waarin Fox zat met zijn dames.

Zij betaalden den chauffeur en gingen nu naar het station. Voordat zij

echter daar binnen gingen, riep Lister een dienstman aan, gaf hem een

brief, dien hij even te voren op het bureau van overtocht had

geschreven en beval den man, het schrijven aan het adres te bezorgen.

Mr. Fox zat reeds met zijn dames in de wachtkamer, toen lord Lister en

Charly binnentraden. Hij ging hen tegemoet en stelde hen voor aan miss

Watkins. Het meisje vertelde hij, dat zijn beide vrienden, de heeren

Smith en Warren, wel zoo vriendelijk zouden willen zijn om de jonge

dame tot Dover te geleiden. Daar zou dan mr. Castelli, een rijke

Argentiniër, die miss Watkins als gouvernante voor zijn kinderen had

geëngageerd, het meisje onder zijn hoede nemen.

Lister deed zeer terughoudend tegenover de mooie jonge dame, die hem

van tijd tot tijd met onrustigen blik aankeek en dan weer de wachtkamer

rondzag, alsof zij iemand zocht.

Lister begreep, wat het meisje verontrustte. Zij had hem niet herkend

aan zijn stem en keek nu uit naar haar redder.

Mr. Fox was opgestaan en sprak nu achter in de wachtkamer met een heer

met vollen zwarten baard.

„Dat is zeker signor Castelli”, dacht lord Lister, „de man, die nog

twee slachtoffers meeneemt.”

Fox kwam terug en drong er op aan, dat men zou instappen, daar het hoog

tijd was.

Allen stonden op en galant bood Lister de jongedame zijn arm.

Deze ging met gebogen hoofd mee naar een coupé tweede klasse.

„De koffers der jongedame zijn al vooruitgestuurd naar Dover”, sprak

hij. „Stapt nu maar in.”

Lister gehoorzaamde, nadat hij er zich eerst heel nauwkeurig van had

overtuigd, dat signor Castelli in den aangrenzenden waggon met twee

jonge meisjes had plaats genomen.

Fox was in een beste bui.

Miss Anny eveneens.

Toen de trein zich in beweging zette, groette zij de vertrekkenden

allervriendelijkst, waarop Lister met een spotlachje antwoordde.

Toen de trein het station had verlaten, sloot de lord het venster. Zij

waren alleen gebleven met z’n drieën.

„Ge hebt mij dus niet herkend, miss Watkins?” vroeg hij nu. „Ja, zie me

maar niet zoo verbaasd aan, ik ben de redder, wien ge een paar uur

geleden door de deur hebt gesproken.”

Miss Watkins droogde haar tranen en fluisterde:

„Mijn God, hoe is dat mogelijk?”

„Heel eenvoudig. Mr. Fox is een aartsschurk en ik bood mij aan om hem

te helpen. Als hij wist, wie ik ben, zou hij zich nog wel twee keer

bedacht hebben, voordat hij mijn diensten aannam.”

Nu vertelde hij het jonge meisje, in welk vreeselijk gevaar zij had

verkeerd en hoe het toeval haar gunstig was geweest.

Verder deelde hij haar mede, welk bericht de verzegelde flesch had

bevat en dat hij van plan was, haar naar Oostende te brengen en dat

haar broertje Tommy haar in Ramsgate wachtte. Vandaar zouden zij naar

Oostende gaan, waar broer en zuster voorloopig in volkomen veiligheid

zouden verkeeren.

Miss Watkins was geheel overweldigd door deze verklaringen en toch

gelukkig, een helper in den nood te hebben gevonden.

In warme bewoordingen zegde zij haar helper dank.

„Mr. Fox wacht bovendien nog een verrassing thuis”, zei Lister, „ik heb

mijn vriend Baxter van Scotland Yard bericht, dat het daar een heerlijk

helersnest is. Hij zal er al wel over een uur zijn. Wij stappen in

Canterbury uit den trein, maar pas in het laatste oogenblik, opdat

signor Castelli het niet bemerkt. Daar wachten wij dan den trein naar

Ramsgate, waar wij Tommy treffen.”

Volgens dit program werd gehandeld en alles gelukte volkomen.

In Canterbury zond lord Lister een telegram naar Dover om daar de

politie attent te maken op Castelli, opdat deze gearresteerd en zijn

slachtoffers in veiligheid gebracht konden worden.

In Ramsgate ontmoetten broer en zuster elkander weer en de begroetenis

was allerhartelijkst.

Lord Lister No. 0012: Verzonken schatten · 第 1 / 3 段