1 Paardeknecht.

Zoo luidde de legende van den grooten waterput, die sedertdien de

Bruilofput geheeten werd; en oude lieden wisten er nog bij te

vertellen, dan geen jong meisje meer op deze hoeve heuren

hartsminnaar verstooten zou om met een anderen voor 't geld te

trouwen, zonder hetzelfde lot te ondergaan als de schoone Helena.

Zieneken sidderde. Oom loeg somtijds wel met haar, omdat zij dit

alles zoo licht scheen te gelooven, en zij wist ook wel dat zulks

zeer onnatuurlijk was, doch voor niets ter wereld hadde zij water

uit den put gehaald; en ook de knechten op de hoeve staken er van

verre hun lang pomphout in, wanneer er water in den mestput voor de

stallen moest getrokken worden; ja, zelfs had eens een oude

stalknecht zijnen dienst opgezegd, omdat De Vliegher hem in 't ijs

van den Bruilofput eene bijt wilde doen houwen, waar de eendjes

zouden gaan drinken.

Zieneken was recht gestaan en had wat dor hout over het pruilend

haardsteevuur gekraakt, dat schielijk nu op 't zwart der schouw

weerlichtend danste, terwijl de avond reeds in grauwe schemering

door 't lage keukenvenster daalde.

"Boewoewoe!" blafte in eens met grove stem de oude wachthond op het

hof. Zieneken, half over 't vuur gebogen, hield luisterend het hoofd

naar de ingangdeur gewend. De hond blafte op nieuw en deed zijne

ketting rinkelen; een zware stap kwam langs 't plankier genaderd.

Het meisje rees eenigszins verschrikt op, met nog een greepje droge

takjes in de hand: "Och God!" dacht zij, "dat is de stap van onkel

niet en 'k ben hier gansch alleen op 't hof."

"Is er geen belet?" klonk eene luide, welbekende stem, terwijl in 't

geklets van den regen de voordeur openging. Een ros en wit gevlekt

hondje sprong zoekend vooruit in de keuken, door een geblaas van het

katje begroet en vooraleer Zieneken met haar nog gansch bedeesd:

"Kom maar binnen!" geantwoord had, stond reeds eene hooge, forsche

en haar goed bekende gestalte in het midden der keuken voor haar:

"Och God! boer Van Daele!" kreet het meisje, van verbazing hare

handen samenvouwende.

Een lustig gelach weergalmde: "Gij zijt verwonderd mij te zien, mijn

zoetekind, geloof ik?" klonk het vreugdig in de keuken, en de

struische boer, zijpend nat, ondanks zijnen regenscherm, kwam

vuurrood en glimlachend tot Zieneken genaderd en stak haar zijne

breede hand toe. "Had ik het dan niet gezegd, dat ik in 't kort naar

Meerhem komen zou?" lachte hij nog luider, herhaaldelijk hare hand

schuddende.

Zieneken ademde: "Ach! wat had ze toch geschrikt!" loeg zij nu ook,

met nog van ontroering kloppend hert. God! en hare deur die zij niet

toegegrendeld had, als er zoovele booswichten en dieven liepen,

waarvan zij zoo benauwd was... "Maar zet u, boer Van Daele," ging

zij voort, den dikken pachter bij den haard eenen stoel

aanbiedende... "Zet u. Wel! wat zijt gij nat! En onkel die nu juist

niet t'huis is! Hij zal zich na de vespers aan 't kaarten wat

vergeten hebben; doch ik verwacht hem alle oogenblikken weer." En

zij keek werktuigelijk door 't venstertje of zij hem wezenlijk nog

niet zag komen. Doch de boer schudde het hoofd: "O! dat geeft niet,

dat geeft niet," herhaalde hij, terwijl hij voor den haard ging

zitten en Zieneken lang en als verrukt bekeek, "ik was voor hem toch

niet gekomen."

Zieneken, weldra van hare beteutering hersteld en door de komst van

boer Van Daele uit hare droomerijen gewekten tot de werkelijkheid

terug geroepen, vroeg nu aan den dikken pachter wat zij hem

aanbieden mocht, eene schel hesp, wat kaas met eenen boterham of wat

koud rundvleesch--des zondags hadden zij er steeds. Maar de boer

schudde het hoofd en lachte haar voortdurend aan. "Neen," sprak hij,

"dank, noch kaas, noch vleesch. Anders niets dan een glas bier; een

glas uit uwe hand geschonken, zulde Zieneken," voegde hij er met

nadruk bij en achteroverhellende, om haar nog beter te aanschouwen.

Na nog herhaald aandringen, ging Zieneken hem dit uit den kelder

halen.

"Hij is voor onkel niet gekomen," dacht het meisje, terwijl zij het

bier aan het tappen was; "voor wien komt hij dan? Ik zal mij nog

moeten opgeruimd en blijde toonen," zuchtte zij stil, "anders zou

hij wel denken dat ik onbeleefd hen."

Dit onverwacht bezoek beviel haar niet zeer.

De boer keek strak en glimlachend in 't vuur, terwijl Zieneken in

den kelder was. 't Was zonderling, hij scheen verheugd en ook toch

eenigszins verlegen. Met eene soort van ongeduld, wreef hij ruw de

handen samen, en toen het meisje bovenkwam, zag hij haar op nieuw

met streelend oog aan en, het ontsnapte hem schier onvrijwillig,

terwijl zij hem het glas toereikte: "Maar, Zieneken," riep hij, haar

lichtjes met de hand over de lenden kloppend: "wat ziet gij er toch

verduiveld hoe langer hoe sneller[1] uit!"

"Maar, boer Van Daele toch!" lachte ook Zieneken, terwijl zij op

eens sterk blozend achteruit week.

Guustje en Zieneken: Schetsen uit het boerenleven · 第 24 / 30 题