Des anderendaags zag Zieneken Guustje niet; den dag nadien ook
niet, den derden dag nog niet, den vierden, terwijl zij voor haar
venster zat, zag zij hem met zijne paarden op straat voorbijrijden;
Guustje knikte goeden dag en glimlachte, maar stil, zeer stil.
Dienzelfden avond kwam het met Kamiel en Siednie eens binnen, doch
sprak bijna geen woord, en lachte niet eenmaal, en wilde veel
vroeger weg dan naar gewoonte; de volgende dagen dier week, alsook
den zondag daarop volgende, bleef het voor Zieneken onzichtbaar.
Toen zag men Zieneken allengs weerom kwijnen, toen bleef zij
wederom, juist als in de eerste tijden van haar verblijf bij oom,
uren lang mijmerend voor het kleingeruit venster zitten en lange
stonden bewusteloos op den gelijken slag van eenen vlegel in de
schuur, of op het eentonig gemurmel van een boven den haard
hangenden ketel luisteren; en als De Vliegher en Marie, diep
verwonderd over deze nieuwe, zoo schielijke verandering, haar
vroegen wat er om Godswil met haar toch scheelde: "O! niets," was
haar antwoord, "volstrekt niets," en zij deed zich geweld aan om te
lachen, maar het oogenblik daarna zat zij weerom te mijmeren.
Evenmin verstond Siednie iets aan Guustje. "Bemint gij Zieneken dan
niet meer?" vroeg zij wel eens, met de naïefheid harer jaren; doch
wat was niet hare verbazing, toen Guusje dan beschaamd en stamelend:
"Wel, ja," antwoordde, maar spoedig heenging om het gesprek hierover
te staken. "Zij zijn beiden onnoozel geworden of zij hebben elkander
buiten mijnen weten "zottigheid gezegd," was toen Siednie's meening,
want als zij Zieneken daarover sprak, kon zij volstrekt geene
bepaaldere uitleggingen bekomen.
Beiden echter, Guustje en Zieneken, voelden diep deze wederzijdsche
vervreemding en verweten inwendig elkaar daar de schuld van te zijn:
"Zieneken is kwaad op mij," dacht Guustje, "en ik weet niet waarom."
En 't meisje van haren kant, zuchtte soms treurig: "Ik kan niet
peinzen wat Guustje tegen mij mag hebben, maar het wil mij haast
niet meer bezien." Van Onderdaele-kermis, van de aldaar door Guustje
zoo zonderling uitgesproken woorden, van alles wat er op dien dag
geschied was, hadden zij met elkander nog geen enkel woord
gewisseld.
Aldus verliepen eenige weken.
Het was een buiïgen namiddag van october. Zieneken was na de vespers
t'huis gekomen en met een oud versleten boek bij 't klein geruite
venster gaan zitten. Oom was als naar gewoonte in het dorp wat
blijven kaarten en de oude meid ook ergens uitgegaan, en dienzelfden
dag waren Sidonie en Guustje Lootens met hunne moeder eens naar
Axpoele gereden, om Triphon en Valerie te gaan bezoeken.
Als wij zoo gansch alleen, bij sombere, treurige najaarsdagen t'huis
zijn en er in ons hart iets ligt, dat ons bekommert, dan kunnen wij
daar soms doelloos blijven zitten, met een boek dat wij niet lezen
in de hand, en in de stille eenzaamheid, die ons omringt, onze
gedachten laten gaan en dwalen. Dan is het, als haalden wij in het
geheim een ander, eigen boek, een boek dat uit de gewaarwordingen
zelven van ons hart en ons gevoel vervaardigd is, tevoorschijn, en
als legden wij er rondom ons vertrouwelijk de bladzijden van open.
Dan zijn wij geene menschen meer, maar geesten; wij denken, wij
gaan, wij spreken, wij reizen, wij weenen, alles te gelijk en alles
ondereen, en zoo helder ontblooten wij dan gansch ons binnenste aan
ons eigen, dat al onze gevoelens om zoo te zeggen op ieder voorwerp,
waarop wij de blikken vestigen, voor ons te lezen staan. Wee dan den
ingedrongene, die ons in onze zoete mijmeringen komt storen! Hij is
ons als een dief, als een spioen die ons geheim verraden komt, en
wat hij ook aanwende om ons te behagen, ons oor, te teer met andere
tonen bezig, luistert hem verstrooid aan, ons hart, te zeer gevuld,
vindt hij gesloten.
Aldus zat Zieneken, het boek half toegevallen op haren schoot, met
hare vingeren tusschen de bladzijden, het blonde hoofd een weinig
omgewend, zoodat de grijze weerschijn van dien treurigen octoberdag
haar blank, recht voorhoofd, hare lieve blauwe oogen, hare sinds
korten tijd verbleekte wangen, gansch haar innemend en ietwat
weemoedig gelaat met flauw licht en schaduwlijnen omhulde. Zij
staarde droomend door het venster naar den grooten, breeden
waterput, welke, omringd van kromme wilgentronken en beschaduwd
door een hoogen notelaar, die nu en dan zijn bruinend loover schudde
onder eene ruwe windvlaag, nevens de stallen lag... naar de
Bruiloftput!... Zijne geschiedenis was haar bekend.
Vóór honderden jaren woonde op deze hoeve een oude boer alleen met
zijne jonge dochter. Deze was wonderschoon en een jongeling, dien
zij ook liefde toedroeg, beminde haar; haar huwelijk met hem werd
besloten en de dag der bruiloft vastgesteld. Nooit echter zouden zij
elkander huwen. Eens, op eenen avond, kwam een oude rijke boer uit
eene afgelegene gemeente op de hoeve aan, die door de schoonheid van
Helena--zoo heette 't meisje--zoodanig verleid werd, dat hij haar
zijne hand aanbood. De bekoring tot fortuin en weelde deed haar
aanvaarden en de liefde van Alfons, den minnaar van heur hart,
verwerpen.
Gansch het dorp vierde feest op den dag dezer bruiloft. Daar kwam de
schitterend versierde bruiloftwagen, door zijne twee rijkgetooide
paarden getrokken, met de beide echtelingen het hof der hoeve
opgereden. Geluk en vreugde glansden op het overschoon gelaat der
prachtig toegeruste Helena. Maar, o! in eens verbleekte zij. Daar,
aan den boord van den grooten, diepen pul, stond een man, roerloos
en onheilspellend als een beeld der wraak Alfons, de verlaten
minnaar. Zijne fonkelende oogen straalden betooverend naar de
paarden, en, o schrik! de paarden, als door eene bovennatuurlijke
kracht overheerscht, kwamen schielijk verwilderd met den wagen naar
hem toegesprongen. O ijselijke stond! de wagen bij den put! Een nare
kreet van angst weergalmde, de hinnikkende rossen, driftig op hunne
achterpooten gesteigerd, de manen te berge gerezen, schenen in een
oogenblik van onuitsprekelijke worsteling als over den put te
hangen; een dof, een akelig geplons deed het bruisend water spatten,
men zag, men hoorde iets afschuwelijks, en den stond daarna was de
schitterende wagen, waarop de boever[1] en de beide echtgenooten als
verstomd van schrik genageld bleven, in den vreeselijken put verzonken,
om er nooit meer uit te komen... Nooit... want daar, in de onpeilbare
diepte des waters, ligt hij steeds nog, met menschen en paarden,
zooals hij er in gevallen is, en daar ligt ook Alfons nevens zijne
minnares, de schoone maar trouwelooze Helena.