"Verduiveld snel!" herhaalde de boer, verrukt het hoofd schuddende
met nog vooruit gestoken arm; "nog sneller dan op
Onderdaele-kermis!" En hij deed haar vleiend weer bij hem komen, en
eens "bescheid" doen van zijn bier. Er heerschte eene poos stilte.
Zieneken was bij het venster gaan zitten, en keek naar het slecht
weder buiten. De boer, werktuigelijk en eenigszins gedwongen in het
vuur staroogend, streelde zijn ros en wit gevlekt hondje, waarop
Zieneken's katje strak, met ronde, gele oogen en verdikten staart,
van onder tafel al grollende keek. Beiden op het gerucht omkijkend,
blikten met eenen glimlach naar de twee vijanden. "Poes!" riep
Zieneken op half vermanenden toon en als om iets te zeggen; zij ook
was zoo wat onthutst, zonder te weten waarom. Van Daele boog neder.
"'t Is nog een dul[1], geloof ik," sprak hij, zijnen regenscherm
tusschen de pikkels stekende. "Vfoe! Vfoe!" blaasde de poes en
vluchtte weg met hoogen rug, door 't hondje achtervolgd. De boer en
Zieneken moesten lachen.
Buiten regende het hoe langer hoe heviger. "Is dat nu toch een
weder!" herbegon na eene poos het meisje, terwijl zij ernstig over
den grijzen boomgaard tuurde, "al wie in de zware landen woont, moet
waarlijk nu op zaaien niet meer peinzen."
"Dat zal waar zijn," antwoordde de boer, ongeduldig haren blik
volgend. "Wee voor de bulken[2] langs onze kanten!" sprak hij. Zijne
stem klonk verkropt en ontroerd in zijne keel. Eensklaps stond hij
recht. Hij kwam voor Zieneken staan. Het meisje keek verwonderd op: