Zoo was de koude winter heen, alsook weldra de lieve lente, en met
den feestelijken zomer waren de dorpskermissen aangekomen. Gedurende
enkele weken had boer De Vliegher in de vertrouwelijkheid vaak eene
vraag op de tong gehad: "Zou boer Van Daele dit jaar de Lootens naar
zijne kermis vragen of zou hij niet?" Hij, De Vliegher, was als oude
vriend steeds genoodigd geweest, zelfs het jaar te voren, toen de
Lootens uit hoofde van 't geschil door Triphon's huwelijk met
Valerie ontstaan, t'huis hadden moeten blijven; maar de rijke boer
was somtijds "een vies man," zoo zei De Vliegher, en wel in staat,
al ging het thans veel beter tusschen hem en de Lootens, nog een
jaartje over te schrikkelen. Zoo was het echter niet gegaan. Op
zekeren achternoen, een dag of veertien vóór Onderdaele-kermis, was
een roode en dikke, rosharige jongeling op een bruin, dik
boerenpaard De Vliegher's hoeve komen opgereden; het was een van Van
Daele's stalknechten; met de "kobbelementen" van zijn baas kwam hij
boer De Vliegher en het nichtje, dat zijn baas vernomen had bij hem
thans in te wonen, naar Onderdaele-kermis nooden, zegde hij. En
zonder van zijn ros te willen stijgen, of den druppel of 't glas
bier, waarop Zieneken hem onthalen wilde, te aanvaarden, was hij
rechtstreeks naar de hoeve der weduwe Lootens getrokken, om aldaar
ook zijne boodschap af te geven.
Zieneken's eerste gevoel bij die tijding was eene onvrijwillige
blijdschap geweest; het tweede, eene soort van treurigheid en den
lust deze uitnodiging van de hand te wijzen; het derde, een gevoel
van twijfel en de herhaalde en tegenovergestelde aarzeling of zij
aanvaarden zou of niet.
Natuurlijk werden deze aarzelingen door De Vliegher en Marie
bestreden, en al hare voorwendsels, dat zij die menschen niet kende,
dat zij even graag tehuis zou blijven, enz., als van geener waarde
zijnde weêrlegd. Ook Guustje had zich zeer ijverig getoond om haar
te doen aanvaarden en er zelfs, tot Zieneken's verwondering, een
gansch uitzonderlijk belang aan schijnen te hechten; doch ik weet
niet, wel waren al hare redenen onjuist en ongegrond tegenover die
van haren oom en vrienden, maar niettemin zij had als een geheimen
weêrzin gevoeld; dat vooruitzicht eener kermis had haar deze, die
zij vroeger in haars ouders huis bijwoonde, doen herdenken en dan
van zelfs alles wat er sinds in haren toestand zoo al veranderd was,
en steeds was 't bitter einde harer innige redeneringen het zelfde
geweest:"Jawel, ik versta het voor Guustje, die daar bij zijn lief
zal zijn, alsook voor oom en Siednie, die vrienden en familie gaan
bezoeken; maar wat zou ik gaan doen op eene kermis, waar ik niemand
ken en waar ik gansch alleen zal zitten?"
Zulks waren de onbepaalde en schier instinctmatige beweegredenen
die, met eene soort van weemoedige gemoedsstemming gepaard, haar tot
op den laatsten morgen toe, alhoewel zij 's avonds te voren
halvelings toegestemd had, nog deden aarzelen,--aarzelingen en
redenen echter, die slechts oppervlakkig bestonden, daar de luimige
grap van den barbier voldoende was geweest om ze allen in eens te
overwinnen en haar, eens heur besluit genomen, tot oprechten
vermaaklust te stemmen.