Het meisje echter had geweigerd, en haastig, zonder eenig onderzoek
geweigerd,--hetgeen De Vliegher zelfs nog al verwonderd had, daar
de pretendent, wel is waar met zijn vuurrood aangezicht en zijne
stotterende uitspraak niet al te verleidend van uiterlijk, doch van
een anderen kant nog al rijk en van aanzienlijke boerenfamilie was.
--Maar zeker meende Zieneken toch wel, dat zij en haar oom de
eenigsten ter wereld waren die van de zaak iets wisten en onmogelijk
kon zij begrijpen, hoe Guustje het vernomen had; althans, zoodra zij
zich sinds dien dag nog eene zinspeling op Emerance veroorloofde,
kreeg zij er onmiddellijk vanwege Guustje eene op Lowie Billiet
terug.
Zelden is de gemoedsstemming er nader bij tot zwartgalligheid over
te gaan als wanneer zij door geveinsde blijdschap opgewonden is. Was
het niet zonderling, dat die herhaalde, wederzijdsche kluchten, in
plaats van de beiden jongelieden lot nauwere vertrouwelijkheid te
leiden, van lieverlede eene zekere gedwongenheid, eene soort van
vervreemding tusschen hen te weeg brachten; dat Guustje soms een gansche
avond zijne opgeruimdheid kon verliezen, wanneer Zieneke wat al te
hardnekkig beweerde, dat hij heel zeker op dien of dien zondag namiddag
naar Onderdaele moest geweest zijn; dat Zieneken, toen iemand opwierp
dat, lief en jong gelijk ze was, zij vroeg gehuwd zou zijn, er als
het ware eene bittere moedwilligheid in stelde om te zeggen dat zij
nimmer trouwen zou; en dat, toen beiden, Zieneken en Guustje, als
door eene zwijgende overeenkomst, het schertsen en zelfs het spreken
over al deze dingen schielijk staakten, er niettemin, en al bleven
hunne betrekkingen steeds zeer vriendelijk, eene koele, onuitgelegde
ernstigheid tusschen hen bleef bestaan, zoo verschillend van hunne
vroegere vertrouwelijkheid, dat eenieder tot De Vliegher's het met
verwondering opmerkte? Was hun lachen en schertsen dan slechts
gemaaktheid geweest? hadden zij elkander door woorden gekwetst,
elkaar iets misdaan? Guustje had toch eens gezegd: "Hoor, gij zult
mij van naar Onderdaele te gaan niet meer moeten verdenken, want ik
zal opzettelijk des zondags 't hof niet meer verlaten."
Ofwel was het enkel schaamte, schaamte en bedeesdheid, dat zij in
elkanders tegenwoordigheid gevoelden? God! wat waren zij toch in
korten tijd veranderd!