IV.

Zieneken, gansch op haar uiterst best gekleed, in 't zwart, met

witten schitterenden onderrok en witte frissche kousen, met goudwerk

op de borst en in de ooren en een bloemrijk hoedje op het hoofd,

stond reisvaardig in de keuken bij haren oom, toen Guustje met de

chees, waarin Kamiel en Sidonie reeds zaten, aan het hofgat kwam.

Boerenmeisjes hebben slechts geringen tijd en middelen om zich

schoon aan te kleeden, en vaak is hare malsche gezondheid haar

hoogste sieraad; edoch, wanneer zij, reeds vanzelven lief en door

bet vooruitzicht van een harer grootste vermaken op voorhand

opgetogen, in haar lachend feestgewaad verschijnen, hebben zij wel

iets frisch, iets verleidend over zich, dat onvrijwillig oog en hart

verrukt en als het ware aan de geurige roos harer bloemtuintjes, aan

de dagende zon in het oosten, aan den dauw op het land, aan de

vogels in 't veld, aan ik weet niet wat al bekoorlijke dingen doet

peinzen.

Of het een dezer denkbeelden was dat in Guustje oprees, toen het

blozend meisje, hem met eenen straal harer sprekende oogen

begroetend, heur kleed opraapte om met medehulp van zijne hand in

het rijtuig te stijgen, weten wij niet; maar dat Guustje zeer rood

en bewogen werd, en tot tweemaal toe zich omkeerend vroeg, of allen

wel gezeten waren en niet eenmaal het herhaalde antwoord: "Ja, rijdt

maar voort," kon verstaan, werd door eenieder der gasten, en door De

Vliegher bijzonderlijk, schertsend opgemerkt.

Zij reden voort.--September, en vooral het einde van september

heeft soms van die dagen, welke beginnen, met een blauwen nevel in

't verschiet, met eenen dauw van zilver over 't land en met eene

frischheid in de lucht, die alle harten opbeuren en verkwikken en

alle gemoederen tot gemeenzaamheid en opgeruimdheid stemmen. Zulk

een morgen hadden zij gelukt; door de malsche Vlaamsche velden heen

voerde hen het open rijtuig; het koren was weg of stond in schelven

op het land; maar in de plaats tintelde het reeds jeugdig

rapenloover en rechts en links golfden de bruine omgewrochte akkers.

De boer verstaat niet zooals wij de schoonheid der natuur, edoch,

wanneer hij bij een heerlijk weder eene vruchtbare streek doorreist,

wanneer hij prachtig vet vee in de weiden en rijke oogsten te velde

aantreft, dan heeft hij opmerkingen van goedkeuring, uitdrukkingen

van bewondering, schattingen over veronderstelden opbrengst; dat is

zijn poëzij. Zoo wezen Guusje en De Vliegher aan elkaar de schoone

hoeven, hier den rijkdom der landen prijzend, daar de kennis van den

boer aanhalend, en de meisjes luisterden, ook al eene opmerking

wagende, alles af, een vluchtigen goeden dag knikkende tegen de

wiedsters op het veld, die enkele stonden zang en werk staakten, om

hen met afgunstige nieuwsgierigheid na te kijken.

Naarmate zij nochtans op het grondgebied van Onderdaele kwamen, viel

het onderhoud van zelfs op den rijken boer Van Daele en zijn

huisgezin en poogde De Vliegher, steeds opgeruimd en spotziek, om de

meisjes te doen lachen, met Guusje over Emerance te spreken, iets

waarin hij echter mislukte, daar Guusje enkel, en dat hardnekkig,

met des boeren schoone beesten ingenomen scheen.

Zij naderden. Het dorp, dat zij op zijde lieten, stak reeds in het

verschiet boven de boomen zijnen spitsigen toren uit; zij volgden

eene lange, overlommerde dreef, waar het gedruisch ven het rijtuig

als het ware eenen weerklank had en waar de schielijke koelte--want

in de vlakte begon het verschrikkelijk warm te worden--hen goed

deed, kwamen luider rammelend weêr op den kasseiweg, dien zij nog

eens een eindje verder verlieten, om schier onmiddellijk aan het

uiteinde van een met lange eiken afgezoomden slag, voor een

witgeverfd, tusschen twee grillig gevormde pilaren hangende hek te

blijven stilstaan.

Zij waren er. Het geblaf en gejoel der driftige honden, een

stalknecht die haastig het hek kwam openen en een reusachtig man in

hemdsmouwen, die met groote gebaarden en rood, lachend gelaat, van

uit het woonhuis over den boomgaard gestapt kwam, heetten den gasten

al te zamen het "welkom." Het was aldra zichtbaar wie hier de baas

was. Nauwelijks hadden de dikke boer en het rijtuig elkander

ontmoet, of de verwarde kreten "Ha! dag nonkel, dag Ivo, dag

"peetje," dag baas Van Daele!" klonken verheugd en verward uit de

chees, terwijl de reus, in eenen en zelfden groet al zijne gasten

vereenigende, met donderende stem het voor een boer, die zijne

genoodigden gul en hartelijk aanvaarden wil, onontbeerlijk:

"Jongens, gij zijt altemaal welgekomen op de kermis!" liet hooren.

Maar na den eersten stond bleef zijne gansche aandacht op Zieneken

gevestigd. "Is dit het nichtje dat bij u is komen wonen, Bruno?"

vroeg hij, met eene soort van naïeve bewondering het blozend meisje

aanschouwende. "Ja, ja't," antwoordde De Vliegher, lachende om des

boers verbazing. "'t Is het van eigen; is het er misschien niet wel

genoeg voor?" De dikke pachter stak de hand uit tot 't beschaamde

meisje. "Mijn zoetekind," herhaalde hij afzonderlijk voor haar, en

het aangezicht onder een reusachtigen glimlach ontloken, "gij zijt

welgekomen op mijne kermis, zult-de; maar ik ben eenigszins verlegen

voor u, want ik vrees waarlijk dat gij met alzoo een "muiltje"--en

hij tikte haar lichtjes met de andere hand op de wang--"te

Onderdaele zult gestolen worden." En, luidop lachend om zijne eigene

klucht, stapte hij naar het woonhuis vooruit, "om zijnen gasten den

weg te toonen," schertste hij.

Er zijn van die menschen, welke groot, vet en grof, er in gelukken

het afstootelijke en misvormige van hun lichaam en zelfs het ruwe en

onbeschaafde hunner manieren te doen vergeven, door hun opgeruimd en

vriendelijk karakter. Zoo was boer Van Daele. Hij was vijf en

vijftig jaar oud en had het hart van een van driemaal zeven; hij

woog iets meer dan honderd vijf en twintig kilos en zou nog de

uitspanningen hebben gedeeld van een, die er maar zestig droeg.

Zijne uitdrukkingen waren slechts eene aaneenschakeling van ruwe,

soms zeer sterk gewaagde grappen en hij gelegenheid zou hij ook wel

eens iemand "den kop in gezegd hebben," want lichtgeraakt was hij

nogal, gelijk meestal de rijke boeren en spotte ook zeer graag;

doch, niets was bij hem zoo gauw vergeten als een smaad,--getuige

zijne spoedige verzoening met zijne ongehoorzame dochter--en, moest

een buurman eenen dienst van hem ontvangen, kwam er een arme duivel

aan zijn hofgat bidden, kijk, daar in de stallingen stonden wagens

en paarden en ginds in de keuken, bij het vrouwvolk, was er vleesch

en brood. Maar wie vaak iemand begekt, staat ook vaak aan begekking

bloot, en hieraan ontsnapte Van Daele niet steeds, al geschiedde dit

immer derwijze dat hij er in 't oog zijner geburen met alle eer van

afkwam. Sinds enkele jaren was hij weduwenaar en daar hij nog zoo

oud niet was en zeer vermogend, mocht het wel zonderling heten dat

hij van geen hertrouwen sprak; ook werd hem door zijne buren soms

schertsend verweten, dat hij geen "vrouwmensch" meer krijgen zou.

Maar toen kon Van Daele eens lachen! Hij, geen vrouwmensch meer

krijgen? Soms vergenoegde hij zich met daarvoor de schouders op te

halen, maar andermalen, toen men in den twijfel te volharden scheen,

haalde hij uit zijn binnenzak eene lederen brieventesch te

voorschijn, legde die op tafel open en baalde er grimmend enkele

door inkt en vet gevlekte brieven uit, welke er in staken. Of men

daarop eens het oog wilde slaan? vroeg hij toen. Hé! en wat men er

van dacht? Of men haar kende die weduwe Corijn, van Baevel, die hem

sinds meer dan twintig jaren "geerne zag"[1] en hem daags na de

begrafenis van zijne vrouw dezen brief geschreven had:

Guustje en Zieneken: Schetsen uit het boerenleven · 第 17 / 30 题