Zieneken, gansch op haar uiterst best gekleed, in 't zwart, met
witten schitterenden onderrok en witte frissche kousen, met goudwerk
op de borst en in de ooren en een bloemrijk hoedje op het hoofd,
stond reisvaardig in de keuken bij haren oom, toen Guustje met de
chees, waarin Kamiel en Sidonie reeds zaten, aan het hofgat kwam.
Boerenmeisjes hebben slechts geringen tijd en middelen om zich
schoon aan te kleeden, en vaak is hare malsche gezondheid haar
hoogste sieraad; edoch, wanneer zij, reeds vanzelven lief en door
bet vooruitzicht van een harer grootste vermaken op voorhand
opgetogen, in haar lachend feestgewaad verschijnen, hebben zij wel
iets frisch, iets verleidend over zich, dat onvrijwillig oog en hart
verrukt en als het ware aan de geurige roos harer bloemtuintjes, aan
de dagende zon in het oosten, aan den dauw op het land, aan de
vogels in 't veld, aan ik weet niet wat al bekoorlijke dingen doet
peinzen.
Of het een dezer denkbeelden was dat in Guustje oprees, toen het
blozend meisje, hem met eenen straal harer sprekende oogen
begroetend, heur kleed opraapte om met medehulp van zijne hand in
het rijtuig te stijgen, weten wij niet; maar dat Guustje zeer rood
en bewogen werd, en tot tweemaal toe zich omkeerend vroeg, of allen
wel gezeten waren en niet eenmaal het herhaalde antwoord: "Ja, rijdt
maar voort," kon verstaan, werd door eenieder der gasten, en door De
Vliegher bijzonderlijk, schertsend opgemerkt.
Zij reden voort.--September, en vooral het einde van september
heeft soms van die dagen, welke beginnen, met een blauwen nevel in
't verschiet, met eenen dauw van zilver over 't land en met eene
frischheid in de lucht, die alle harten opbeuren en verkwikken en
alle gemoederen tot gemeenzaamheid en opgeruimdheid stemmen. Zulk
een morgen hadden zij gelukt; door de malsche Vlaamsche velden heen
voerde hen het open rijtuig; het koren was weg of stond in schelven
op het land; maar in de plaats tintelde het reeds jeugdig
rapenloover en rechts en links golfden de bruine omgewrochte akkers.
De boer verstaat niet zooals wij de schoonheid der natuur, edoch,
wanneer hij bij een heerlijk weder eene vruchtbare streek doorreist,
wanneer hij prachtig vet vee in de weiden en rijke oogsten te velde
aantreft, dan heeft hij opmerkingen van goedkeuring, uitdrukkingen
van bewondering, schattingen over veronderstelden opbrengst; dat is
zijn poëzij. Zoo wezen Guusje en De Vliegher aan elkaar de schoone
hoeven, hier den rijkdom der landen prijzend, daar de kennis van den
boer aanhalend, en de meisjes luisterden, ook al eene opmerking
wagende, alles af, een vluchtigen goeden dag knikkende tegen de
wiedsters op het veld, die enkele stonden zang en werk staakten, om
hen met afgunstige nieuwsgierigheid na te kijken.
Naarmate zij nochtans op het grondgebied van Onderdaele kwamen, viel
het onderhoud van zelfs op den rijken boer Van Daele en zijn
huisgezin en poogde De Vliegher, steeds opgeruimd en spotziek, om de
meisjes te doen lachen, met Guusje over Emerance te spreken, iets
waarin hij echter mislukte, daar Guusje enkel, en dat hardnekkig,
met des boeren schoone beesten ingenomen scheen.
Zij naderden. Het dorp, dat zij op zijde lieten, stak reeds in het
verschiet boven de boomen zijnen spitsigen toren uit; zij volgden
eene lange, overlommerde dreef, waar het gedruisch ven het rijtuig
als het ware eenen weerklank had en waar de schielijke koelte--want
in de vlakte begon het verschrikkelijk warm te worden--hen goed
deed, kwamen luider rammelend weêr op den kasseiweg, dien zij nog
eens een eindje verder verlieten, om schier onmiddellijk aan het
uiteinde van een met lange eiken afgezoomden slag, voor een
witgeverfd, tusschen twee grillig gevormde pilaren hangende hek te
blijven stilstaan.
Zij waren er. Het geblaf en gejoel der driftige honden, een
stalknecht die haastig het hek kwam openen en een reusachtig man in
hemdsmouwen, die met groote gebaarden en rood, lachend gelaat, van
uit het woonhuis over den boomgaard gestapt kwam, heetten den gasten
al te zamen het "welkom." Het was aldra zichtbaar wie hier de baas
was. Nauwelijks hadden de dikke boer en het rijtuig elkander
ontmoet, of de verwarde kreten "Ha! dag nonkel, dag Ivo, dag
"peetje," dag baas Van Daele!" klonken verheugd en verward uit de
chees, terwijl de reus, in eenen en zelfden groet al zijne gasten
vereenigende, met donderende stem het voor een boer, die zijne
genoodigden gul en hartelijk aanvaarden wil, onontbeerlijk:
"Jongens, gij zijt altemaal welgekomen op de kermis!" liet hooren.
Maar na den eersten stond bleef zijne gansche aandacht op Zieneken
gevestigd. "Is dit het nichtje dat bij u is komen wonen, Bruno?"
vroeg hij, met eene soort van naïeve bewondering het blozend meisje
aanschouwende. "Ja, ja't," antwoordde De Vliegher, lachende om des
boers verbazing. "'t Is het van eigen; is het er misschien niet wel
genoeg voor?" De dikke pachter stak de hand uit tot 't beschaamde
meisje. "Mijn zoetekind," herhaalde hij afzonderlijk voor haar, en
het aangezicht onder een reusachtigen glimlach ontloken, "gij zijt
welgekomen op mijne kermis, zult-de; maar ik ben eenigszins verlegen
voor u, want ik vrees waarlijk dat gij met alzoo een "muiltje"--en
hij tikte haar lichtjes met de andere hand op de wang--"te
Onderdaele zult gestolen worden." En, luidop lachend om zijne eigene
klucht, stapte hij naar het woonhuis vooruit, "om zijnen gasten den
weg te toonen," schertste hij.
Er zijn van die menschen, welke groot, vet en grof, er in gelukken
het afstootelijke en misvormige van hun lichaam en zelfs het ruwe en
onbeschaafde hunner manieren te doen vergeven, door hun opgeruimd en
vriendelijk karakter. Zoo was boer Van Daele. Hij was vijf en
vijftig jaar oud en had het hart van een van driemaal zeven; hij
woog iets meer dan honderd vijf en twintig kilos en zou nog de
uitspanningen hebben gedeeld van een, die er maar zestig droeg.
Zijne uitdrukkingen waren slechts eene aaneenschakeling van ruwe,
soms zeer sterk gewaagde grappen en hij gelegenheid zou hij ook wel
eens iemand "den kop in gezegd hebben," want lichtgeraakt was hij
nogal, gelijk meestal de rijke boeren en spotte ook zeer graag;
doch, niets was bij hem zoo gauw vergeten als een smaad,--getuige
zijne spoedige verzoening met zijne ongehoorzame dochter--en, moest
een buurman eenen dienst van hem ontvangen, kwam er een arme duivel
aan zijn hofgat bidden, kijk, daar in de stallingen stonden wagens
en paarden en ginds in de keuken, bij het vrouwvolk, was er vleesch
en brood. Maar wie vaak iemand begekt, staat ook vaak aan begekking
bloot, en hieraan ontsnapte Van Daele niet steeds, al geschiedde dit
immer derwijze dat hij er in 't oog zijner geburen met alle eer van
afkwam. Sinds enkele jaren was hij weduwenaar en daar hij nog zoo
oud niet was en zeer vermogend, mocht het wel zonderling heten dat
hij van geen hertrouwen sprak; ook werd hem door zijne buren soms
schertsend verweten, dat hij geen "vrouwmensch" meer krijgen zou.
Maar toen kon Van Daele eens lachen! Hij, geen vrouwmensch meer
krijgen? Soms vergenoegde hij zich met daarvoor de schouders op te
halen, maar andermalen, toen men in den twijfel te volharden scheen,
haalde hij uit zijn binnenzak eene lederen brieventesch te
voorschijn, legde die op tafel open en baalde er grimmend enkele
door inkt en vet gevlekte brieven uit, welke er in staken. Of men
daarop eens het oog wilde slaan? vroeg hij toen. Hé! en wat men er
van dacht? Of men haar kende die weduwe Corijn, van Baevel, die hem
sinds meer dan twintig jaren "geerne zag"[1] en hem daags na de
begrafenis van zijne vrouw dezen brief geschreven had: