"'t Is een zwartje, Guustje!" riep zij wel eens lachend uit, wanneer
de jonge boer onder 't kaarten Pijkenvrouw troef maakte.
Zieneken had vernomen dat Emerance zwart van haar was. Toen ook
lachte Guustje, die hare zinspeling verstaan had, en werd rood, doch
schudde 't hoofd, bewerend dat er niets van was. Zoo plaagde
Zieneken hem hoe langer hoe sterker; maar eens kreeg Guustje de
gelegenheid zich hierover te wreken en, wie alsdan wel zweeg van
Emerance, was Zieneken. Zekeren avond dat zij naar gewoonte aan het
kaarten waren, had Guustje weêrom al Pijkenvrouw troef gemaakt, en
Zieneken, die zulks niet licht voorbij liet gaan zonder eens
schertsend te zeggen: "Emeranske, Guustje," Zieneken was op hare
beurt ook aan den deel geraakt en had nu Pijkenzot omgekeerd.
"Zieneken!" schaterde Guustje, spottend naar het bladje wijzend,
"Zieneken, kijk eens, Lowie Billiet!"--Een luid gelach ontstond en
allen keken op het meisje, dat in eens zeer rood geworden was. "Ha! ha!"
riep Guustje zegepralend, "gij meent dat ik van niets weet, he!"
En het geschater herbegon. Zieneken, verbluft, wist niet wat antwoorden,
maar prettig was de scherts toegegaan, dat was stellig. Inderdaad,
een jongman, Lodewijk Billiet, in den omgang Lowie genoemd, die sinds den
dood van zijne moeder alleen op eene schoone hoeve zat en naar een
vrouwmensch[1] zocht, was vóór enige dagen Zieneken in huwelijk komen
vragen.