"Ha! Zieneken heeft geenen lust naar Onderdaele-kermis meê gaan,"
schertste hij, het meisje schalks aanschouwend; "wel, dat geeft
niet, dat zij haren onkel schere, 'k zal ik in hare plaats meegaan."
En terwijl de aanwezigen in een gullen lach schoten, legde hij
grimmend zijn koperen scheerbekken, met het wit en blauw geruite
doek en de schaarzen er boven, op haren schoot neder.
Zieneken was overwonnen; zij kon zich niet houden van ook luidop te
lachen bij de gedachte dat zij haren oom zou scheren. Ja, zij zou
meegaan, aangezien men het toch volstrekt wilde en al vond zij het
toch zoo zonderling, bij menschen, die zij nog nooit had gezien,
naar de kermis te gaan. En, terwijl de jonge boer verrukt
heenstapte, zeggende dat hij binnen een kwartiertje met zijne chees
terug zou zijn, en de barbier op zijne ruwe en verweerde hand het
schaars, waarmede hij boer De Vliegher scheren wou, begon te wetten,
trok Zieneken naar haar slaapkamertje nevens de keuken, om er zich
aan te kleeden.
Gaan wij met haar in het plekje maar mede, en vernemen wij ook eens
wie dat Zieneken was en waarom zij eerst zoo ongraag naar
Onderdaele-kermis scheen te willen medegaan.
Zij was achttien jaar oud. Eenig kind van welstellende boeren,
teederlijk bemind door hare ouders, lief en gezond, schenen haar het
leven en de toekomst aan te lachen, toen eensklaps het onheil onder
eene verschrikkelijke gedaante op haar huisgezin gevallen was. Hare
ouders hadden nagenoeg al hun gewonnen geld op de bank van
Langrand-Dumonceau geplaatst. Het springen dezer bank, die bijna
algemeene ramp voor 't dweepzuchtige Vlaanderen, bracht plotselings
hunnen ondergang te weeg. Haar vader kon zich in dit ongeluk niet stellen,
hij stierf; hare moeder, door deze beide ruwe slagen onherstelbaar
terneêrgedrukt, volgde hem weldra in 't graf, en zij, het ongelukkig
weeskind, bleef alleen, zonder ondersteuning, zonder nog andere
verwanten op aarde dan haar voogd en vaders broeder, haar ouden oom
De Vliegher. Deze, gelukkiglijk tot het diepste medelijden voor zijn
nichtje bewogen, had haar met vaderlijke teederheid onder zijne
bescherming genomen, alles wat zij nog bezat doen veilen, en haar
met de enkele duizenden franken, die zij er nog uittrok, bij hem, te
Meerhem, op zijn klein pachthofje laten inwonen.
Somber en treurig verliepen daar echter voor Zieneken de eerste
tijden, hoezeer de oude boer en zijne oude meid Marie zich ook
beijverden om hare droefheid te verzachten. De mindere bedrijvigheid
van het klein pachthofje, de verandering van woonst en omgeving,
zoowel als de treurigheid der korte winterdagen, onderhielden lang,
in de droevige stemming van haar gemoed, de smart van het
onherstelbaar verlies, dat zij had ondergaan.
Nochtans er komt een einde aan de hevigheid der smart. De
lijdenskracht van den mensch is niet zonder palen; als het oog is
uitgeweend, de boezem uitgezucht, komt er een oogenblik van
bewustloozen stilstand en keert allengs, als bij lichamelijke
genezing, het gemoed tot zijn natuurlijken staat terug.
Als zulke stond voor Zieneken gekomen was, begon zij, tot groote
vreugd van haren oom, op de hoeve alles wat ter harte te nemen,
zooals zij bij hare ouders deed, en, naarmate hare bezigheden heur
verdriet verstrooiden, daalde ook, met een stil gevoel van
onderwerping, een zachte vrede in heur hart terug. Weldra zag men
hare verbleekte wangen met een lichten blos kleuren, een flauwen
straal herleven in heur uitgedoofde oog, en haar verzwakte lichaam
weêrom de rondheid en de veerkracht van de frissche jeugd bekomen.
Toen ook begon zij eerst met hare geburen zoo wat kennis te maken.
Deze waren niet talrijk; oom De Vliegher's koeplaats stond op een
afgelegen wijkje van het dorp en, behalve enkele werkmanshuisjes,
die hem toebehoorden en wier huraars soms bij hem werkten, had de
boer daar geene andere geburen dan de bewoners van een groot
pachthof langs den overkant der straat, namelijk de weduwe Lootens
en hare kinderen. Op den buiten, onder zoo nauwe en zoo van andere
afgezonderde, aan denzelfden stand behoorende geburen, ontstaat er
schier onvermijdelijk of vriendschap of vijandschap, geene
onverschilligheid. Hier waren het vrienden; ten allen tijde had er
eene welwillende overeenkomst en eene wederkeerigheid van goede
diensten bestaan tusschen de Lootens en de De Vlieghers. Wanneer De
Vliegher, bij voorbeeld, eenen boom te halen had of een schip mest
te lossen aan de vaart, dan stelde de weduwe Lootens hare wagens en
paarden te zijner beschikking, en hij, van zijnen kant, die fijne
kenner was van hoornvee, had heur reeds dikwijls uit den nood
geholpen en haar de onkosten van een veearts gespaard bij het kippen
of ziek worden harer koebeesten.
De weduwe Lootens was maar eene oude, ziekelijke vrouw en had sinds
lang het beheer harer hoeve aan hare kinderen overgelaten. Deze
waren, na het huwelijk van Triphon den oudste, nog gedrieën thuis:
Guustje, Sidonie en Kamiel.
Als Zieneken 's avonds van moeders begraving voor de eerste maal
binnen de woning kwam, waar zij voortaan zou leven, zaten zij alle
drie met Marie, De Vliegher's oude meid, in de keuken bij een
tafeltje te kaarten. Zij hadden hun spel gestaakt, terwijl Zieneken
weenend in de slaapkamer trad, en haar een stillen "goên avond"
gewenscht. Oom had gepoogd haar te troosten. "Dat zijn de kinderen
der weduwe Lootens, onze geburen," had hij gezegd; "zij zijn zeer
braaf en komen hier des winters schier elken avond kaarten; Guustje
heet de oudste, Kamiel de jongste, en Siednie, het meisje, is van
uwe jaren; gij zult al gauw al te zamen goede vrienden zijn."--En
zoo gebeurde het.--Hoezeer ook Zieneken zich in den eerste van hare
jonge buren afgezonderd hield, hoezeer zij soms, om in haar beddeken
alleen met hare treurige gedachten te gaan weenen, tersluips de
keukenplaats verliet, waar al de anderen luidruchtig speelden, toch
was allengerhand de dag gekomen, op welken zij van verre eens
glimlachend het spel afgekeken had, op welken zij er zelve belang in
had gesteld, op welken eindelijk zij tot aller vreugd in plaats van
Marie voor de eerste maal de kaarten ter hand had genomen.
Van dan af was het ijs gebroken geweest; van dan af had zij elken
avond meêgekaart en waren haar allengs het spel en het gezelschap
harer jonge buren eene behoefte geworden. Weldra kon de grijze
winterschemering niet gauw genoeg het lage keukentje versomberen,
het zuinig avondmaal niet gauw genoeg genut zijn, om het met een
doek afgeveegde dischje bij den warmen haard te schuiven, onder den
gelen blik van 't olielampje aan de schouw, nevens De Vliegher's
zetel in den hoek, die, het pijpje in den mond, den fijnen glimlach
op 't gelaat, op zijn gemak de ontknoping van het jasspel volgde en
soms door raad of opmerking een klein geschil, eene lachwekkende
misgreep, te rechte wist te brengen. En van zelven waren ook die
avondstondjes steeds vroolijker geworden, naarmate de jongelieden
elkaar beter kenden. Van 't jassen was wel eens "'t Pijke-zot-jagen"
gekomen, van 't Pijke-zot-jagen, 't voor panden spelen. Toen
speelden boer De Vliegher en Marie ook meê, en zelfs Basiel en Leo,
de beide zonen uit de werkmanshuisjes. Op Dertienavond[1] waren zij