wel met tien of twaalf geweest, en, God! wat zonderlinge,
lachwekkende toevallen hadden zich dan soms niet voorgedaan! Wie had
dan niet moeten proesten van 't lachen, toen Marie, om zich uit te
panden, met geveinsde ernstigheid en de handen gevouwen, heur "akte
van armoe" had moeten opzeggen:
/*
Mijn Heer en mijn God,
'K en hebbe geen brood in mijn kot,
'K hebbe nog vijf eens in mijn hand,
'K moet z'uitgeven zonder verstand.
Twee eens koffie en twee eens suikerijen,
En 'ne eens om er naar Lauwegen omme te rijen.
Blootshoofd en in mijn hemdemouwen.
Had ik het geweten, 'k en wilde van mijn leven trouwen.
Naam de paling,
Droogen haring,
Puipke toebak,
'K zal 't ontsteken als ik geëten heb.
*/