zwarte slaaf moet in het Turksche land den blanken slaaf van vroeger
vervangen. Ook wordt de verfoeilijke handel door kooplieden van
allerlei landaard in het groot gedreven. Zij vullen op die wijze het te
kort aan, dat bij de rassen voorkomt, die uitsterven en eenmaal geheel
zullen verdwijnen, omdat zij zich niet door den arbeid herstellen. Deze
slaven worden, evenals ten tijde van Bonaparte dikwijls soldaat. Bij
zekere volken van den Boven-Niger, maken zij voor de helft de legers
der Afrikaansche opperhoofden uit. In dezen toestand is hun lot niet
veel slechter dan dat der vrije menschen. Wanneer overigens de slaaf
geen soldaat is, is hij een munt die koers heeft en zelfs in Egypte, en
Bornoe, worden officieren en ambtenaars met deze munt betaald. Willem
Lejean heeft het gezien en het ons medegedeeld.
Zoodanig is dus de tegenwoordige toestand van den slavenhandel.
Moeten wij er nog bijvoegen dat een aantal lasthebbers der groote
Europeesche mogendheden zich niet schamen een betreurenswaardige
toegevendheid voor dien handel aan den dag te leggen? Niets is
zekerder, en terwijl de kruisers de hutten van de Atlantische zee en
den Indischen oceaan bewaken, wordt in het binnenland geregeld handel
gedreven, gaan de karavanen onder de oogen van zekere ambtenaren huns
weegs en hebben de moorden, waarbij tien zwarten omkomen om één slaaf
te leveren, op geregelde tijden plaats!
Ook begrijpt men nu, welke vreeselijke beteekenis in de woorden lag
opgesloten, door Dick Sand uitgesproken:
"Afrika! Midden-Afrika! Het Afrika der slavenhandelaars en der slaven!"
En hij bedroog zich niet: Het was het Afrika met al zijne gevaren
voor zijn reisgenooten en voor hem.
Maar op welk gedeelte van het Afrikaansche vasteland had een
onverklaarbaar noodlot hem doen aanlanden? Op de westkust blijkbaar,
en wat deze treurige omstandigheid nog treuriger maakte, was dat
de jeugdige leerling tot de overtuiging kwam dat de Pelgrim juist
gestrand was op de kust van Angola, waar de karavanen aankomen,
die dit geheele gedeelte van Afrika voorzien.
En werkelijk was dit zoo. Het was het land, dat eenige jaren later
Cameron ten zuiden en Stanley ten noorden zouden doortrekken, ten koste
van bovenmenschelijke inspanning! Van dat uitgebreide grondgebied,
dat uit drie provinciën bestaat, Benguela, Congo, en Angola, kende
men toen slechts het kustland. Het strekte zich uit van den Nourse
ten zuiden, tot den Zaïre ten noorden, terwijl twee voorname steden
er twee havens bezitten, Benguela en St. Paul de Loanda, hoofdstad
der kolonie, die aan het koninkrijk Portugal toebehoort.
Het binnenland van deze uitgestrekte streek was toen bijna
onbekend. Weinige reizigers hadden er zich durven wagen. Een noodlottig
klimaat, een warme en vochtige bodem, die koortsen doet ontstaan,
barbaarsche inboorlingen waar van eenige nog menscheneters zijn,
een aanhoudende oorlog van de stammen onderling, het wantrouwen der
slavenhandelaars tegen iedereen vreemdeling, die de geheimen van
hun schandelijken handel tracht te doorgronden, zoodanig zijn de
moeilijkheden en de gevaren die overwonnen moeten worden in deze
provincie van Angola, een der gevaarlijkste van Midden-Afrika.
Tuckey was in 1816 den Congo tot boven de watervallen van Yellala
opgevaren, 't geen slechts een tocht was van hoogstens twee honderd
mijlen. Dit eenvoudig uitstapje was niet voldoende om het land grondig
te doen kennen en toch had het den dood gekost van de meeste geleerden
en officieren die den tocht medemaakten.
Zeven en dertig jaren later was Livingstone van de Kaap de Goede
Hoop tot den boven-Zambesi doorgedrongen. In de maand November 1853,
reisde hij met een ongehoorde stoutmoedigheid, Afrika van het zuiden
naar het noordoosten door, stak den Coango, een der zijtakken van den
Congo over, en kwam den 31n Mei 1854 te St.-Paul de Loanda aan. Het
was de eerste doortocht door de onbekende groote Portugeesche kolonie.
Achttien jaren later zouden twee stoutmoedige ontdekkers Afrika van
het oosten naar het westen doorreizen en ten koste van ontzettende
moeilijkheden, de een ten zuiden, de andere ten noorden van Angola
weder uitkomen.
De eerste dezer reizigers was de luitenant der Engelsche marine
Verny-Howet Cameron. In 1872 had men alle reden om te meenen dat
het met den tocht van den Amerikaan Stanley, die ter opsporing van
Livingstone naar de landstreek om de groote meren was uitgezonden, zeer
hachelijk gesteld was. Luitenant Cameron bood aan hem op te zoeken. Het
aanbod werd aangenomen. Cameron, vergezeld van dokter Dillon, den
luitent Cecil Murphy en Robert Moffat, neef van Livingstone, vertrok
van Zanzibar. Na den Ougogo te zijn overgetrokken, ontmoette hij het
lijk van Livingstone, dat door zijn getrouwe bedienden naar de oostkust
gevoerd werd. Daarna zette hij zijn tocht naar het westen voort, met
den onwrikbaren wil, van de eene kust naar de andere te trekken. Hij
doorreisde Ounyanyembé, Ougoenda, Kahouélé waar hij de papieren van
den grooten reiziger verzamelde, stak het Tanganyika-meer, de bergen
van Bambarré, den Loualaba over, dien hij niet kon afzakken en na al
deze provincies, die door den oorlog verwoest, door den slavenhandel
ontvolkt waren, verder Kilemmba, Ouroua, de bronnen van den Lomané,
Oulouda, Lovalé bezocht te hebben, na Coanza en de onmetelijke bosschen
doorkruist te hebben, waarin Harris Dick Sand en diens reisgenooten had
doen verdwalen, zag de onvermoeide Cameron eindelijk den Atlantischen
oceaan vóór zich en kwam te St.-Phillippe de Benguela aan. Deze reis
van drie jaar en vier maanden had het leven gekost aan twee zijner
reisgenooten, dokter Dillon en Robert Moffat.
Bijna onmiddellijk daarop zou de Engelschman Cameron in deze
reeks van ontdekkingen opgevolgd worden door den Amerikaan Henry
Moroland Stanley. Men weet dat deze stoutmoedige korrespondent van
den _New-York Herald_, uitgezonden om Livingstone op te sporen, hem
den 30n October 1971 te Oujiji aan de oevers van het Tanganyika-meer
gevonden had. Maar hetgeen Stanley uit een oogpunt van menschelijkheid
zoo gelukkig volbracht had, wilde hij in het belang der geografische
wetenschap opnieuw beginnen.
Zijn doel was toen de algeheele verkenning van den Loualaba-stroom
dien hij slechts even gezien had. Cameron bevond zich nog in de
provinciën van midden-Afrika, toen Stanley, in November 1874,
Bagamoyo op de oostkust verliet, en een-en-twintig maanden later,
den 24n Augustus 1876, uit Oujiji door de pokken ontvolkt, vertrok, in
vier-en-zeventig dagen den overtocht van het meer te Nyangwé volbracht,
een groote slavenmarkt, die reeds door Livingstone en Cameron bezocht
was, en de vreeselijkste tooneelen bijwoonde op de strooptochten,
ondernomen door de officieren van den Sultan van Zanzibar, in de
landen der Maroungous en Marryouemas.
Stanley nam toen de noodige maatregelen om den loop van den
Loualaba te verkennen en dezen stroom tot aan zijn monding af te
zakken. Honderd veertig lastdragers, te Nyangwé gehuurd, en negentien
booten vormden het materieel en personeel van zijn tocht. In het
begin reeds moest hij de menscheneters van Oegousoe bestrijden
en zich al dadelijk bezighouden met het overdragen der booten,
teneinde onbevaarbare watervallen om te gaan. Onder den evenaar, op
het punt waar de Loualaba zich naar het noord-oosten kromt, werd de
kleine vloot van Stanley aangevallen door vier-en-vijftig booten,
bemand met verscheidene honderden inboorlingen, die op de vlucht
werden gedreven. Daarna bevestigde de moedige Amerikaan, die tot
den tweeden graad N.B. de rivier weder opvoer, dat de Loualâba niet
anders was dan de Boven-Zaïre of Congo en dat hij, door den loop
dezer rivier te volgen, rechtstreeks naar de zee zou afzakken. Dit
ondernam hij onder een bijna dagelijksch gevecht tegen de stammen
aan de oevers. Den 3n Juni 1877, bij den overtocht der watervallen
van Massassa, verloor hij een zijner reisgenooten, Francis Prook,
en hij zelf werd den 18n Juli met zijn boot in de watervallen van
M'bélo medegesleept en ontsnapte als door een wonder aan den dood.
Eindelijk kwam Henry Stanley, den 6n Augustus, bij het dorp van Ni
Sanda aan, nog vier dagen van de kust verwijderd. Twee dagen later,
vond hij te Banza M'bouko de levensmiddelen, die twee kooplieden
van Emboma daarheen hadden gezonden, en eindelijk rustte hij uit in
deze kleine stad van de kuststreek, verouderd op vijfendertig-jarigen
leeftijd door vermoeienissen en ontberingen, na het Afrikaansche vaste
land van de eene kust naar de andere dwars te zijn doorgetrokken,
een reis die hem twee jaren en negen maanden van zijn leven gekost
had. Maar de loop van den Loualâba was nu tot den Atlantischen Oceaan
bekend geworden, en indien de Nijl de groote slagader van het noorden
is en de Zambesi die van het oosten, dan weet men nu dat Afrika in het
westen nog een derde rivier bezit, een van de grootste der wereld,
de rivier namelijk die in haar loop van twee duizend negen honderd
mijlen [25], onder de namen van Loualâba, Zaïre en Congo de streek
der meren vereenigt met den Atlantischen oceaan.
Intusschen was, niettegenstaande deze twee reizen, die van Stanley
en van Cameron, de provincie van Angola nagenoeg onbekend gebleven
in het jaar 1873, het tijdperk waarop de _Pelgrim_ op de kust van
Afrika gestrand was. Het eenige wat men er van wist, was, dat zij
het tooneel van den slavenhandel in het westen was, dank zij haar
belangrijke markten van Bihé, Cassange en Kazondé.
En in dit land was het, dat Dick Sand tot op meer dan honderd mijlen
van de kuststreek was medegevoerd, met eene vrouw, uitgeput door
vermoeienis en smart, een bijna stervend kind en reisgenooten,
die als geboren negers een gereede prooi waren voor de roofzucht
der slavenhandelaars.
Ja, het was Afrika en niet dat Amerika waar noch de inboorlingen,
noch de wilde dieren, noch het klimaat wezenlijk geducht zijn. Het
was niet de gelukkige en welvarende streek tusschen de Cordilleras en
de kust waar talrijke dorpen worden aangetroffen en de vestingen der
zendelingen gastvrij voor iederen reiziger openstaan. Helaas! zij waren
veraf, de provincies van Peru en Bolivia waar de storm de _Pelgrim_
ongetwijfeld zou gebracht hebben, indien een misdadige hand hem
niet van zijn weg had doen afwijken en waar voor schipbreukelingen
zoovele gemakkelijke gelegenheden bestonden om naar hun vaderland
terug te keeren!
Het was het vreeselijke Angola en niet het gedeelte van de kust dat
rechtstreeks door de Portugeesche overheid bewaakt werd, maar het
middelpunt der kolonie die doorkruist werd door de slavenkaravanen
onder de zweep der havildars.
Wat wist Dick Sand van het land waar het verraad hem geworpen had? Niet
veel. Alleen maar wat de zendelingen der XVIe en XVIIe eeuw en de
Portugeesche kooplieden, die den weg volgen van St.-Paul de Loanda
naar den Zaïre over San-Salvador, er van gezegd hadden en wat dokter
Livingstone er van verhaald had ten tijde van zijn reis van 1853,
en dat was voldoende om een minder sterke ziel dan de zijne geheel
uit het veld te slaan.
En werkelijk was de toestand verschrikkelijk.
TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
HARRIS EN NEGORO.
Den dag volgenden op dien toen Dick Sand en zijn reisgenooten hun
laatste halte in het bosch hielden, hadden twee mannen drie mijlen
van daar een vooraf door hen beraamde samenkomst.
Deze twee mannen waren Harris en Negoro, en men zal zien wat op
rekening van het toeval moest geschreven worden, dat den Portugees
van Nieuw-Zeeland samenbracht met den Amerikaan dien zijn vak van
slavenhandelaar verplichtte dikwijls deze provincie van West-Afrika
te doorkruisen.
Harris en Negoro waren aan den voet van een reusachtige vijgeboom
gaan zitten, aan den oever eener snel vlietende beek, die tusschen
een dubbele haag stroomde.
Het gesprek nam een aanvang, want de Portugees en de Amerikaan
hadden elkander pas ontmoet en al dadelijk had het geloopen over de
omstandigheden die in de laatste uren waren voorgevallen.
"En dus, Harris," zeide Negoro, "heb je den kleinen troep van kapitein
Sand, zooals zij dien leerling van vijftien jaar noemden, niet verder
in Angola mee kunnen nemen!"
"Neen, kameraad," antwoordde Harris "en 't verwondert me zelfs
dat ik ze nog, honderd mijlen ver minstens, van de kust heb kunnen
meetronen! Sedert verscheiden dagen keek mijn jonge vriend Dick Sand me
met een wantrouwend oog aan, zijn vermoeden ging allengs in zekerheid
over, en waarachtig...."
"Nog honderd mijlen verder, Harris, waren die menschen nog zekerder
in onze handen geweest! Ze moeten ons toch daarom niet ontsnappen!"
"En hoe zouden ze dat kunnen?" antwoordde Harris, die de schouders
optrok. "Ik zeg je nog eens, Negoro, 't was meer dan tijd me stilletjes
uit de voeten te maken! 'k Heb tien maal in de oogen van mijn jongen
vriend gelezen dat hij lust had me een kogel door den kop te jagen en
mijn maag kan die pruimen van twaalf in een pond niet best verteren!"
"Nu, goed!" zei Negoro. "Ik heb ook een rekening met dien leerling
te vereffenen...."
"Ga je gang en vereffen je rekening met den interest er bij,
kameraad. Wat mij betreft, 't was me best gelukt hem deze provincie te
laten slikken voor de woestijn van Atacama, die ik vroeger bezocht heb,
maar daar had je die kleine aap, die om zijn caoutchouc-speelgoed en
zijn kolibries riep, de moeder die om haar kina zanikte, de neef die
volstrekt lichtkevers wilde vinden!.... 'k Was waarachtig ten einde
raad, en nadat ik hun met groote moeite struisvogels voor giraffen
had verkocht.... dat 's een mooie, die, Negoro!--wist ik niets meer
te verzinnen! Nu, ik merkte heel goed dat mijn jonge vriend niets
meer van al mijn verklaringen geloofde! Daarna zijn we op sporen van
olifanten gevallen en zijn er zich nijlpaarden mee gaan bemoeien! En
je weet, Negoro, nijlpaarden en olifanten in Amerika, dat's even goed
als eerlijke lui in de gevangenissen van Benguela! En ziedaar, om 't
spel te volmaken, krijgt die oude neger 't in zijn kop, aan den voet
van een boom jukken en stukken ketting op te schommelen, waarvan eenige
slaven zich ontdaan hadden om te vluchten! Op 't zelfde oogenblik brult
de leeuw, om alles te bederven, want 't is moeielijk zijn gebrul voor
't miauwen van een poesje te laten doorgaan! 'k Heb daarom net nog
tijd gehad om op mijn paard te springen en me uit de voeten te maken!"
"'k Vat het!" antwoordde Negoro. "Toch zou 'k ze liever honderd mijlen
dieper 't land in willen hebben!"
"Men doet wat men kan, kameraad," antwoordde Harris. "Wat jou aangaat,
die onze karavaan van de kust af, op den voet volgde, 't is maar goed
dat je op een afstand gebleven bent. Ze roken je! Er is een zekere
Dingo, die niet veel van je schijnt te houden. Wat heb je dat dier
toch gedaan?"
"Niets," antwoordde Negoro, "maar 't zal niet lang duren of ik zal
'm een kogel door zijn kop jagen."
"Zooals jij er een van Dick Sand zoudt gekregen hebben, als je maar
een klein stukje van je persoon op twee honderd passen van zijn geweer
hadt laten zien. Hij schiet goed mijn jonge vriend, en onder ons moet
ik zeggen dat hij in zijn soort een degelijke jongen is!"
"Al is hij nog zoo degelijk, Harris, hij zal me zijn onbeschaamdheid
duur betalen," antwoordde Negoro, op wiens gelaat een onverzoenbare
wreedheid te lezen stond.
"Komaan," mompelde Harris, "mijn kameraad is dezelfde gebleven! Het
reizen heeft hem niet veranderd!"
Daarna hernam hij na een oogenblik stilte:
"Zeg eens, Negoro, toen ik je daar zoo onverwachts op het tooneel van
de schipbreuk, aan de monding van de Longa ontmoette, had je juist dien
tijd om me die brave menschen aan te bevelen en me te verzoeken ze
zoo ver mogelijk door dat gewaande Bolivia te geleiden, maar je hebt
me niet gezegd, wat je sedert twee jaar alzoo hebt uitgevoerd! Twee
jaar van ons afwisselend bestaan, dat's een heele tijd, kameraad! Op
zekeren dag, nadat je het geleide van een trein slaven op je genomen
hebt, voor rekening van den ouden Alvez, van wien we weinig meer dan
de nederige agenten zijn, heb je Cassange verlaten en niets meer van je
laten hooren! 'k Heb dikwijls gedacht dat je misschien onaangenaamheden
gehad hadt met de Engelsche kruisers en dat ze je opgehangen hadden!"
"'t Heeft niet veel gescheeld, Harris."
"'t Zal je nog wel eens gebeuren, Negoro."
"'k Dankje zeer!"
"Wat zal 'k je zeggen?" antwoordde Harris met wijsgeerige
onverschilligheid, "'t is een van de kansen van 't vak! Men drijft
geen slavenhandel op de kust van Afrika zonder er zijn nek aan te
wagen! Hebben ze je gepakt?...."
"Ja."
"De Engelschen?"
"Neen! de Portugeezen."
"Vóór of na de lading gelost te hebben?" vroeg Harris.
"Na...." antwoordde Negoro, die een weinig met zijn antwoord
aarzelde. "Die Portugeezen hangen tegenwoordig de braven uit! Ze
willen van geen slavernij meer weten, hoewel zij er langen tijd tot
hun voordeel van hebben gebruikt gemaakt! Ik was verraden en werd
nagegaan. Ze hebben me ingerekend...."
"En veroordeeld?...."
"Om mijn dagen te eindigen in de gevangenis van St.-Paul de Loanda."
"Bij alle duivels!" riep Harris uit. "Een gevangenis! Een ongezonde
plaats voor menschen als wij, gewoon om in de open lucht te leven! Ik
voor mij was liever maar gehangen!"
"Men ontsnapt niet aan de galg," antwoordde Negoro, "maar wel uit
de gevangenis...."
"Heb je kunnen ontvluchten?...."
"Ja, Harris! Pas veertien dagen nadat ze me gevangen gezet hadden,
kon ik me verstoppen in 't hol van een Engelsche stoomboot, met
bestemming naar Auckland op Nieuw-Zeeland. Een vaatje water, een kist
met geconserveerd voedsel, waar tusschen ik gekropen was, hebben me
gedurende den ganschen overtocht eten en drinken verschaft. Je kunt
begrijpen dat ik, toen we eens in zee waren schrikkelijk geleden
heb in mijn gedwongen schuilhoek. Maar als 'k onbezonnen genoeg
geweest was me te vertoonen, zou 'k naar 't scheepshol teruggebracht
zijn en, vrijwillig of niet, zou de pijniging 't zelfde geweest
zijn! Daarenboven zou men me bij mijn aankomst te Auckland, opnieuw
in handen van de Engelsche overheden gesteld hebben en me naar de
gevangenis van Loanda teruggebracht, of misschien wel opgehangen
hebben, zooals je straks zei! Daarom reisde 'k liever incognito."
"En zonder je overtocht te betalen!" riep Harris lachend uit. "Jongen,
dat 's wat al te erg, voeding en overtocht gratis!...."
"Ja," hernam Negoro, "maar dertig dagen in het scheepsruim!...."
"Nu ja, dat's voorbij, Negoro. Dus ben je naar Nieuw-Zeeland gegaan,
naar 't land der Maoris! Maar je bent er van teruggekomen. Heeft de
terugkeer op dezelfde wijze plaats gehad?"
"Neen, Harris, je kunt begrijpen dat ik, toen 'k daar was, geheel
vervuld rondliep met de gedachte om naar Angola terug te keeren en
mijn vak van slavenhandelaar weer op te nemen."
"Ja!" antwoordde Harris, "men heeft zijn vak lief.... door gewoonte!"
"Achttien maanden lang...."
Nauwelijks had Negoro deze woorden uitgesproken, of hij zweeg
eensklaps. Hij had den arm van zijn makker beetgepakt en luisterde.
"Harris," zei hij met gesmoorde stem, "heb je daar in die biezen geen
geruisch gehoord?"
"'k Meende 't ook te hooren," antwoordde Harris, die zijn geweer opnam,
waarvan de haan altijd gespannen was.
Negoro en hij sprongen op, keken om zich heen en luisterden met de
grootste aandacht.
"'t Is niets," zei weldra Harris. "'t Is de beek die door den stroom
gezwollen is en nu meer geruisch maakt. Je bent in die twee jaren de
geluiden van het woud ontwend, maar dat zal wel weer terugkomen. Ga
dus voort met verhaal van je avonturen. Als ik met het verleden bekend
ben, zullen we over de toekomst praten."
Negoro en Harris hadden zich wederom aan den voet van den vijgeboom
geplaatst. De Portugees hernam het gesprek met deze woorden:
"Gedurende achttien maanden heb ik te Auckland een plantenleven
geleid. Toen de stoomboot eenmaal was aangekomen, had ik zonder
gezien te worden van boord kunnen gaan, maar zonder een piaster,
zonder een dollar op zak! 'k Heb om te leven allerlei ambachten bij
de hand moeten nemen...."
"Zelfs het ambacht van eerlijk man, Negoro?"
"Zooals je zegt, Harris."
"Arme jongen!"
"Nu wachtte ik wel altijd op een gelegenheid, die zich maar niet
voordeed, toen de _Pelgrim_, een walvischvaarder, in de haven van
Auckland binnenviel."
"Is dat het vaartuig dat op de kust van Angola gestrand is?"
"Hetzelfde, Harris, en dat waarop Mevr. Weldon, haar kind en haar neef
den overtocht zouden meemaken. Nu zag ik er in mijn hoedanigheid van
zeeman, ik was zelfs tweede stuurman aan boord van een slavenhaler
geweest, volstrekt niet tegen op om weer dienst op een vaartuig te
nemen.... 'k Bood dus den kapitein van de _Pelgrim_ mijn diensten
aan, maar de equipage was voltallig. Zeer gelukkig voor mij, was de
kok van de schoenerbrik gedeserteerd. Nu is er geen zeeman of hij kan
koken. Ik bood me dus aan als kok. Bij gebrek aan beter nam men me aan,
en eenige dagen later had de _Pelgrim_ de kust van Nieuw-Zeeland uit
het gezicht verloren."
"Maar," vroeg Harris, "naar mijn jonge vriend me verteld heeft, was
volstrekt niet de kust van Afrika de bestemming van de _Pelgrim_. Hoe
ben je daar dan toch aangeland?"
"Dick Sand zal het zich zeker nog niet kunnen begrijpen en misschien
zal hij 't wel nooit begrijpen," antwoordde Negoro; "maar 'k zal je
vertellen wat er gebeurd is, Harris, en als je wilt kan je 't hem
wel overbrengen."
"Hoe dan?" antwoordde Harris. "Zeg op, kameraad, zeg op."
"De _Pelgrim_," hernam Negoro, "zette koers naar Valparaiso. Toen
'k me inscheepte, dacht ik niet verder dan tot Chili te gaan. Dat was
altijd een goede helft van den weg tusschen Nieuw-Zeeland en Angola
en 'k was dan verscheiden duizenden mijlen dichter bij de kust van
Afrika. Maar 't toeval wilde dat drie weken, na Auckland verlaten te
hebben, kapitein Hull, die den _Pelgrim_ commandeerde, bij de jacht
op een walvisch met zijn equipage omkwam. Van dien dag af bleven er
maar twee zeelieden aan boord over, de leerling en de kok Negoro."
"En jij hebt het commando van 't schip op je genomen?" vroeg Harris.
"Dat was ik eerst van plan, maar 'k merkte dat men mij wantrouwde. Er
waren vijf sterke negers aan boord, vrije mannen! 'k Zou geen meester
geweest zijn en bij nadere overweging bleef ik wat ik bij 't vertrek
was, de kok van den _Pelgrim_."
"Dus was 't toeval dat dit schip koers deed zetten naar de kust
van Afrika?"
"Neen, Harris," antwoordde Negoro, "er was in dit geheele avontuur
geen ander toeval dan onze ontmoeting bij een van je uitstapjes als
slavenhandelaar en dat nog wel juist op dit gedeelte van de kust waar
de _Pelgrim_ gestrand is. Maar wat nu het in 't gezicht komen van
Angola betreft, dat is geheel en al met mijn wil, mijn geheimen wil
geschied. Je jonge vriend, die nog zeer onbedreven in de zeevaartkunde
is, kon zijn positie niet verkennen dan door middel van de log en het
kompas. Welnu, op zekeren dag is de log verloren gegaan terwijl er 's
nachts iets met het kompas is gebeurd, zoodat de _Pelgrim_, door een
hevigen storm beloopen, een verkeerden koers genomen heeft. De lange
duur van den overtocht was dus onverklaarbaar voor Dick Sand en zou
dit voor den bekwaamsten zeeman geweest zijn. Zonder dat de leerling
het kon weten, noch zelfs vermoeden, werd Kaap Hoorn omgevaren, maar
ik Harris, ik herkende hem in dichte nevels gehuld. Toen heeft de
kompasnaald door mijn toedoen haar ware richting hernomen en is het
schip door dien geduchten orkaan naar het noord-oosten voortgejaagd
en op de kust van Afrika geworpen, juist op het strand van Angola
waar ik wilde aankomen!"
"En op dat zelfde oogenblik, Negoro," antwoordde Harris, "heeft het
toeval mij naar die plaats gevoerd om je te ontvangen en die brave
menschen naar 't binnenland te geleiden. Zij meenden en konden niets
anders meenen dan in Amerika te zijn, en 't is me niet moeielijk
geweest hen deze provincie voor Beneden-Bolivia te doen houden,
waarmede ze juist eenige overeenkomst heeft."
"Ja, ze hebben 't geloofd, zooals je jonge vriend het Paasch-eiland
meende te verkennen, toen ze in 't gezicht van Tristan d'Acunha
voorbijstormden in vliegend weer."
"Iedereen zou er zich in vergist hebben, Negoro."