"Dat zou vreemd zijn," zei Harris. "Maar als je wilt, zullen we 't
kreupelhout doorzoeken. 't Kan wezen dat de arme drommel hulp behoeft,
dat hij in nood is...."
"'t Is onnoodig, mijnheer Harris," antwoordde Dick Sand. "Als Negoro
den weg hierheen heeft kunnen vinden, zal hij wel verder terecht
komen. Hij is mans genoeg!"
"Zooals je wilt," antwoordde Harris.
"Koest, stil, Dingo," zei Dick gebiedend tot den hond, om een eind
aan het gesprek te maken.
De tweede opmerking van den leerling had betrekking op het paard van
den Amerikaan.
Het bleek niet "dat hij den stal rook," zooals paarden gewoonlijk
doen. Het snoof geen lucht op, verhaastte zijn stap niet, het blies
niet door zijn neusgaten, liet geen gehinnik hooren, zooals zij
gewoonlijk doen als zij den stal naderen. Hij scheen even onverschillig
alsof de hacienda, die hij toch goed moest kennen, eenige honderden
mijlen daar vandaan geweest was.
"Het is geen paard dat thuis komt!" dacht de leerling.
En evenwel had Harris den vorigen dag reeds gezegd, dat zij nog slechts
zes mijlen van hun doel af waren en van die zes mijlen hadden zij er
zeker vier afgelegd.
Behalve dat nu het paard niets van den stal rook, dien het toch
zeker hoog noodig had, was er ook niets waaruit zij de nabijheid
eener groote nederzetting konden opmaken, zooals toch de hacienda
van San-Felice moest zijn.
Hoe onverschillig Mevr. Weldon ook moest zijn voor alles wat haar
kind niet betrof, was zij toch getroffen door de verlatenheid
der streek. Hoe! geen enkele inlander, geen enkele bediende van
de hacienda, en nog wel op zulk een kleinen afstand! Was Harris
verdwaald? Neen, dat denkbeeld verwierp zij. Een nieuwe vertraging
zou de dood van haren kleinen Jack zijn?
Intusschen ging Harris altijd vooruit; maar hij scheen de diepten
van het bosch te peilen en naar rechts en links te kijken, als iemand
die niet zeker van zich zelven.... of van den weg is!....
Mevr. Weldon sloot de oogen om hem niet meer te zien!
Na een vlakte van omstreeks een mijl te zijn doorgetrokken, kwamen
zij weder in het bosch, dat hier evenwel niet zoo dicht meer was als
in het westen en zette de kleine troep haren marsch onder de groote
boomen voort.
Ten vier ure 's avonds kwam men bij een kreupelbosch, waar niet lang
geleden een troep machtige dieren zich een doortocht had gebaand.
Dick Sand nam alles om zich heen met de grootste attentie op.
Op een hoogte, die de menschelijke lengte ver overtrof, waren de
takken afgescheurd of gebroken. Daarbij was het groen met geweld van
een gerukt en waren er op den eenigszins moerassigen grond, die nu
bloot gekomen was, voetstappen van jaguars of conguars te zien.
Zouden het "ai's" of andere luiaards geweest zijn, welke die indrukken
op den grond hadden achtergelaten? Doch hoe dan de gebroken takken
op zulk een hoogte te verklaren?
Alleen olifanten hadden dergelijke indrukken, zulke breede
sporen kunnen achterlaten en een verwoesting in het kreupelbosch
aanrichten. Maar olifanten zijn er niet in Amerika. Die ontzaglijke
dikhuidige dieren worden in de Nieuwe-Wereld niet gevonden en zijn
er ook nooit geweest, terwijl men ze er ook nooit heeft kunnen
acclimatiseeren.
De onderstelling dat daar olifanten zouden doorgetrokken zijn, was
dus volstrekt onaannemelijk.
Hoe het zij, Dick Sand liet niet blijken wat dit onverklaarbare
feit hem zoo al te denken gaf en te overwegen. Hij ondervroeg zelfs
den Amerikaan niet meer in dit opzicht. Wat toch kon hij verwachten
van iemand die getracht had hem giraffen voor struisvogels te doen
aanzien? Harris zou ook daarvan de een of andere meer of minder goed
verzonnen verklaring hebben gegeven, die toch niets aan den toestand
veranderd had.
Hoe het zij, de meening van Dick omtrent Harris was gevestigd. Hij
was nu overtuigd dat hij te doen had met een verrader en wachtte
slechts op een gelegenheid om zijn valschheid aan de kaak te stellen,
alles zeide hem dat deze gelegenheid zich weldra zou voordoen.
Maar wat kon het geheime doel van Harris zijn? Welke toekomst gingen de
overlevenden van de _Pelgrim_ te gemoet? Dick Sand gevoelde dat zijn
verantwoordelijkheid met de stranding van de _Pelgrim_ niet geëindigd
was. Hij moest altijd, en meer dan ooit, zorgen voor het heil van hen,
die de schipbreuk op deze kust geworpen had. Hij alleen was het,
die deze vrouw, dit jonge kind, deze negers, al zijn lotgenooten
moest redden! Mocht hij aan boord al iets hebben kunnen beproeven,
mocht hij als zeeman hebben kunnen handelen, welk besluit zou hij
hier nemen, te midden van de vreeselijke beproevingen die hij voorzag?
Dick Sand wilde de oogen niet sluiten voor de ontzettende werkelijkheid
die elk oogenblik onbetwistbaarder werd. In deze omstandigheid werd
hij weder de kapitein van vijftien jaren, die hij aan boord van de
_Pelgrim_ geweest was. Maar hij wilde niets zeggen, dat de arme moeder
kon verontrusten, voordat het oogenblik van handelen gekomen was!
En hij zeide niets, zelf niet, toen hij aan den oever van een vrij
breeden stroom gekomen zijnde en de kleine troep een honderd schreden
vooruit gaande, eenige reusachtige dieren zag, die zich in het hooge
riet en gewassen aan den oever verborgen.
"Nijlpaarden! nijlpaarden!" was hij op het punt om uit te roepen.
En werkelijk waren het van die dikhuiden met groote koppen en lange
gebochelde snuiten, wier bek bezet is met groote tanden, die meer dan
een voet ver uitsteken, ineengedrongen op hun korte pooten, en waarvan
de huid, onbehaard, taankleurig rood is? Nijlpaarden in Amerika!
Den geheelen dag werd de marsch voortgezet, maar bezwaarlijk. Zelfs de
sterksten konden van vermoeidheid bijna niet verder. Het werd inderdaad
tijd, dat men aankwam of wel zou men genoodzaakt zijn halt te houden.
Mevr. Weldon, die zich uitsluitend met haar kleinen Jack bezighield,
voelde misschien geen vermoeidheid, maar haar krachten waren
uitgeput. Allen waren meer of minder afgemat. Een verheven geestkracht,
in het gevoel van plicht, hield Dick Sand staande.
Tegen zes uur 's avonds vond de oude Tom in het gras een voorwerp
dat zijn aandacht trok. Het was een wapen, een soort van mes, van
bijzondere gedaante, gevormd uit een breed, gebogen lemmet en gevat
in een ivoren heft van vrij ruwe bewerking.
Tom gaf dit mes aan Dick Sand, die het nauwkeurig bekeek en het
eindelijk aan den Amerikaan toonde, met de woorden:
"De inboorlingen zijn ongetwijfeld niet ver meer!"
"Inderdaad," antwoordde Harris, "en toch...."
"Toch?...." herhaalde Dick Sand, die Harris strak aankeek.
"We moesten nu zeer dicht bij de hacienda zijn," hernam Harris
aarzelend, "en 'k weet niet...."
"Waar we zijn?" zei Dick Sand driftig.
"We kunnen nu niet verder dan drie mijlen van de hacienda meer af
zijn. Maar ik wilde den kortsten weg door het bosch nemen en ik heb
misschien ongelijk gehad!"
"Misschien!" herhaalde Dick Sand.
"'t Zou dunkt me niet kwaad zijn als ik vooruit ging," zei Harris.
"Neen, mijnheer Harris, we gaan niet van elkaar," antwoordde Dick
Sand op stelligen toon.
"Zooals ge wilt!" hernam de Amerikaan. "Maar in den nacht zal 't me
moeilijk vallen u te geleiden."
"Dat doet er niet toe!" antwoordde Dick Sand. "We zullen halt
houden. Mevr. Weldon zal 't zeker goedvinden nog één nacht in het
bosch door te brengen, en morgen, als 't helder dag is, gaan we weer
op weg! Nog twee of drie mijlen, die we in een uurtje zullen afleggen!"
"Goed," antwoordde Harris.
Op dit oogenblik liet Dingo een woedend geblaf hooren.
"Hier, Dingo, hier!" riep Dick Sand. "Je weet wel dat er niemand is,
en dat we hier in de wildernis zijn!"
Men besloot dus nog eens halt te houden. Mevr. Weldon liet haar
metgezellen hun gang gaan, zonder een woord te zeggen. Haar kleine
Jack was met de koorts in haar armen ingesluimerd.
Men zocht naar een goed plaatsje om er den nacht door te brengen.
Dick Sand was druk bezig met onder het dichte gebladerte van eenige
bijeenstaande boomen alles voor den nacht in gereedheid te brengen,
toen de oude Tom, die hem hierin te hulp kwam, plotseling stil hield,
uitroepende:
"Mijnheer Dick, kom eens gauw hier en kijk eens!"
"Wat scheelt er aan, ouwe Tom?" vroeg Dick Sand op den bedaarden toon
van iemand, die op alles voorbereid is.
"Daar.... daar...." zei Tom, "op die boomen.... bloedvlekken!.... En
op den grond.... verminkte leden!...."
Dick Sand vloog naar de plaats die de oude Tom hem aanwees. Toen,
tot zich zelven komende, zeide hij:
"Zwijg toch, Tom, zwijg."
En werkelijk lagen daar op den grond afgesneden handen, en bij die
menschelijke overblijfselen, eenige gebroken jukken, en een gesprongen
ketting!
Mevr. Weldon had gelukkig niets van die afschuwelijke voorwerpen
gezien.
Wat Harris aangaat, hij hield zich ter zijde en wie hem op dit
oogenblik bespied had, zou getroffen zijn geweest door de verandering
die bij hem plaats greep. Zijn gelaat had iets woests.
Dingo had zich bij Dick Sand gevoegd en blafte als razend tegen die
bloedige overblijfselen.
Het kostte den leerling moeite den hond weg te jagen.
Intusschen was de oude Tom, op het gezicht van die jukken, van dien
gebroken ketting onbeweeglijk, als in den bodem vastgeworteld, blijven
staan. De oogen bovenmate wijd gesperd, de handen saamgewrongen,
keek hij strak vóór zich en mompelde deze onsamenhangende woorden:
"Heel klein.... als heel klein kind, heb ik die jukken gezien!...."
En ongetwijfeld kwamen de herinneringen uit zijn eerste kindsheid,
als in nevelen gehuld, bij hem op. Hij trachtte zich zekere zaken te
binnen te brengen!... Hij was op het punt te spreken!....
"Spreek niet, Tom!" herhaalde Dick Sand. "Voor mevrouw Weldon, voor
ons allen, zwijg!"
En de leerling nam den ouden neger mede.
Een andere plaats op eenigen afstand, werd nu gekozen en voor den
nacht in gereedheid gebracht.
Ofschoon de maaltijd toebereid was, had niemand lust er deel aan
te nemen. Zij waren te zeer afgemat om te eten, maar daarenboven
verkeerden allen onder den indruk eener ongerustheid die aan schrik
grensde.
Allengs begon het nacht te worden, die dezen keer buitengewoon
donker was. De hemel was met dikke onstuimige wolken bedekt. Men zag
tusschen de boomen door aan de westerkim, tengevolge van de warmte,
eenige bliksemflitsen flikkeren. De wind was gaan liggen, geen blad
bewoog zich. Een diepe stilte volgde op het geruisch van den dag,
en het was alsof de zware dampkring, met electriciteit verzadigd,
ongeschikt werd tot het overbrengen van geluiden.
Dick Sand, Austin en Bat waakten te zamen. Zij trachtten in dien
stikdonkeren nacht te zien, te hooren of eenig lichtschijnsel, eenig
verdacht geluid hun oogen of ooren trof. Maar niets verstoorde de
stilte noch de duisternis van het woud.
Tom was niet ingesluimerd, maar in zijn herinneringen verdiept, zat
hij met gebogen hoofd onbeweeglijk, alsof hij door een plotselingen
slag was getroffen.
Mevr. Weldon wiegde haar kind in haar armen en had slechts gedachten
voor hem.
Alleen neef Benedictus sliep misschien, want hij was de eenige die den
algemeenen indruk niet deelde. Zijn voorgevoelens gingen zoo ver niet.
Plotseling tegen elf uur, deed zich een langgerekt, grootsch gebrul
hooren.
Tom richtte zich in zijn volle lengte op en strekte zijn hand uit naar
een dicht kreupelbosch, op zijn hoogst een mijl van daar verwijderd.
Dick Sand pakte hem bij den arm, maar kon niet beletten dat Tom
luidkeels uitriep:
"De leeuw! de leeuw!"
De oude neger had het gebrul herkend, dat hij zoo dikwijls in zijn
kindsheid had gehoord!"
"De leeuw!" herhaalde hij.
Dick Sand kon zich niet langer inhouden en vloog met den hartsvanger
in de hand op de plaats toe, door Harris ingenomen....
Maar Harris was weg, en zijn paard verdwenen met hem.
Als door den donder getroffen, had er nu een soort van omkeering
plaats in het gemoed van Dick Sand.... Hij was niet waar hij gemeend
had te zijn!
De _Pelgrim_ was dus niet op de Amerikaansche kust gestrand? 't Was
dus niet op het Paasch-eiland welks ligging de leerling had opgenomen,
maar een ander eiland, juist ten westen van dit vasteland gelegen,
evenals het Paascheiland ten westen van Amerika ligt.
Het kompas had hem gedurende een gedeelte van de reis bedrogen, men
weet hoe! Door den storm op een verkeerden weg gebracht, was hij kaap
Hoorn omgevaren en van de Stille zuidzee in den Atlantischen Oceaan
geraakt. De snelheid van zijn schip, die hij slechts onvolkomen kon
berekenen, was, buiten zijn weten, door de kracht van den orkaan
verdubbeld geworden!
Dat was de reden waarom er geen caoutchouc- noch kinaboomen waren en
de voortbrengselen van Zuid-Amerika aan dat land ontbraken, dat noch
de hoogvlakte van Atacama, noch de Boliviaansche pampa was!
Er was nu geen twijfel aan, het waren giraffen en geen struisvogels,
die bij de open plek in het woud op de vlucht waren gegaan! Het
waren olifanten die door het dichte kreupelhout trokken! Het waren
nijlpaarden, wier rust in het hooge gras door Dick Sand gestoord
was! Het was wel degelijk de tsetsé-vlieg, dat tweevleugelig insect,
door Benedictus gevangen, de geduchte tsetsé die de dieren der
karavanen door haar steken doet bezwijken!
En om de kroon op dit alles te zetten, het was wel het gebrul van
den leeuw, dat door het bosch weerklonk! En de jukken, die ketens,
dat wonderlijk gevormde mes, dat alles was het gereedschap van
den slavenhandelaar! Die afgesneden handen, het waren handen van
opgevangen menschen!
De Portugees Negoro en de Amerikaan Harris moesten het samen eens zijn!
En het vreeselijk woord, door Dick geraden, ontsnapte eindelijk aan
zijn lippen:
"Afrika! Midden-Afrika! Het Afrika der slavenhandelaars en der slaven!"
NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
DE SLAVENHANDEL.
De slavenhandel! Iedereen kent de beteekenis van dit woord, dat nooit
in de menschelijke taal had moeten opgenomen worden. De afschuwelijke
handel die langen tijd gedreven werd ten voordeele der Europeesche
volken, in 't bezit van overzeesche koloniën, is reeds sedert een
aantal jaren verboden. Toch wakkert het menschonteerend misbruik nog
steeds voort op uitgebreide schaal en voornamelijk in Midden-Afrika. En
nog altijd, in onze XXe eeuw, de eeuw van verlichting en beschaving,
ontbreekt de handteekening van eenige zoogenaamde christelijke staten
aan het verbond, gesloten tot afschaffing der slavernij.
Men zou misschien meenen dat er geen slavenhandel meer is, dat
nu koop en verkoop van menschelijke wezens hebben opgehouden te
bestaan! Helaas in geenen deele! en dit is het wat de lezer moet
weten, indien hij het belang in het vervolg dezer geschiedenis wil
stellen, dat het onderwerp verdient. Hij moet weten dat nog in den
tijd waarin wij leven, de menschenjachten werkelijkheid zijn, die een
geheel vasteland dreigen te ontvolken, om te voorzien in het onderhoud
van eenige slaven-koloniën, waar en hoe die barbaarsche strooptochten
plaats hebben, het bloed dat zij kosten, wat al branden en plunderingen
zij uitlokken en eindelijk ten voordeele van wie zij plaats hebben.
De geschiedenis leert, dat de handel in negers het eerst in de XVe
eeuw in zwang kwam en wel onder de volgende omstandigheden:
Na uit Spanje verdreven te zijn, hadden de Mohamedanen de wijk genomen
naar de kust van Afrika, aan gene zijde der straat. Hier werden zij
evenwel hardnekkig vervolgd door de Portugeezen, die toen dit gedeelte
van het kustland bewoonden. Een zeker aantal dezer vluchtelingen werd
gevangen genomen en naar Portugal gevoerd. Tot slavernij gebracht,
maakten zij de eerste kern uit van Afrikaansche slaven, die sedert
de Christelijke jaartelling in westelijk Europa is gevormd geworden.
Nu behoorden deze Muzelmannen meerendeels tot rijke families,
die hen tegen hooge prijzen wilden los koopen, 't geen evenwel de
Portugeezen weigerden, hoe hoog het losgeld ook ware, dat hun werd
aangeboden. Zij wilden het vreemde goud niet, maar wel de armen die
hun ontbraken voor den arbeid der opkomende koloniën, of beter gezegd,
zij hadden slavenarmen noodig.
Daar nu de Muzelmaansche familie hun gevangen bloedverwanten niet
konden loskoopen, boden zij aan hen in te ruilen tegen een grooter
aantal Afrikaansche negers, waarvan zij zich maar al te gemakkelijk
konden meester maken. Dit aanbod werd aangenomen door de Portugeezen,
die hun voordeel in dezen ruilhandel vonden, en ziedaar de wijze
waarop de slavenhandel in Europa ontstond.
Tegen het einde der XVIe eeuw was deze schandelijke handel algemeen in
zwang gekomen en geenszins in strijd met de nog barbaarsche zeden. Alle
staten beschermden hem, teneinde des te sneller en zekerder de eilanden
der Nieuwe-Wereld te koloniseeren. Want het waren juist de negerslaven
die het dáár konden uithouden, waar de blanken, niet aan het klimaat
gewoon en nog ongeschikt om de hitte van de tropische luchtstreek te
verdragen, bij duizenden waren omgekomen. Het vervoer der negers naar
de Amerikaansche koloniën had dus geregeld plaats met bijzondere,
daartoe bestemde vaartuigen en deze overzeesche handelstak gaf
het aanzijn aan belangrijke kantoren op verschillende punten der
Afrikaansche kust. De "koopwaar" kostte weinig aan het land van
uitvoer en de winsten waren aanzienlijk.
Maar hoe noodig in alle opzichten de stichting der overzeesche
koloniën ook ware, kon zij toch die markten van menschenvleesch
niet rechtvaardigen. Weldra verhieven zich edelmoedige stemmen,
die openlijk tegen den slavenhandel der negers opkwamen en bij de
Europeesche gouvernementen aandrongen uit naam der menschelijkheid
er de afschaffing van uit te vaardigen.
In 1751 stelden de kwakers zich aan het hoofd der afschaffingsbeweging,
in den boezem zelf van dat Noord-Amerika, waar honderd jaren later de
oorlog tusschen de noordelijke en zuidelijke Staten zou losbarsten,
waarvan deze kwestie der slavernij de aanleiding was. Verschillende
Staten van het Noorden: Virginië, Connecticut, Massachusets,
Pennsylvanië vaardigden de afschaffing der slavernij uit en stelden
de slaven in vrijheid, die met groote kosten naar hun bezittingen
gevoerd waren.
Maar de strijd door de kwakers begonnen, bepaalde zich niet tot de
noordelijke Staten der Nieuwe-Wereld. De voorstanders der slavernij
werden hevig bestreden tot aan gene zijde van den Oceaan. Frankrijk,
en meer in het bijzonder Engeland, wierven aanhangers voor deze
rechtvaardige zaak.
"Mogen de koloniën te gronde gaan, eerder dan een beginsel!" was
de leus die door de gansche oude wereld weerklonk, en, ondanks de
groote staatkundige en commercieele belangen in de zaak betrokken,
verspreidde zij zich door Europa.
De stoot was gegeven. In 1807 schafte Engeland den slavenhandel in
zijn koloniën af en Frankrijk volgde dat voorbeeld in 1814. De twee
machtige natiën sloten een verbond betreffende deze zaak, dat door
Napoleon gedurende de Honderd Dagen werd bevestigd.
Intusschen was dit nog niets meer dan een zuiver theoretische
verklaring. De slavenhalers doorkruisten onophoudelijk de zeeën en
losten hun "ebbenhouten lading" in de koloniale havens.
Om een einde te maken aan dezen handel, moesten meer praktische
maatregelen worden genomen. De Vereenigde Staten in 1820, Engeland in
1824, verklaarden den slavenhandel als een daad van zeerooverij en als
zeeroovers hen die hem dreven. Als zoodanig beliepen zij de doodstraf
en werden hardnekkig vervolgd. Frankrijk trad weldra toe tot dit
nieuwe verbond. Maar de Zuidelijke Staten van Amerika, de Spaansche en
Portugeesche koloniën namen geen deel aan het afschaffingsverbond en de
uitvoer der negers duurde ten hunnen voordeele voort, niettegenstaande
het algemeen erkende recht van visitatie, dat zich bepaalde tot het
onderzoek naar de vlag der verdachte schepen.
Evenwel had de nieuwe wet der afschaffing geen terugwerkende kracht
meer. Men maakte wel geen nieuwe slaven meer, maar de ouden hadden
hun vrijheid nog niet teruggekregen.
In deze omstandigheden was het, dat Engeland het voorbeeld gaf. Den
14n Mei 1833 stelde een algemeene verordening alle negers der
koloniën van Groot-Brittannië in vrijheid en in Augustus 1838, werden
zeshonderd-zeventigduizend slaven vrij verklaard.
Tien jaren later, in 1848, stelde de Republiek de slaven der Fransche
koloniën vrij, ten bedrage van tweehonderd zestig duizend negers.
In 1864 brak de oorlog uit tusschen de Noordelijke en Zuidelijke Staten
van Noord Amerika, het Noorden volbracht het werk der vrijmaking en
verspreidde haar over geheel Noord-Amerika.
Het waren dus de drie groote machten, die dit werk van
menschlievendheid hadden tot stand gebracht. Thans wordt de
slavenhandel alleen nog maar gedreven ten behoeve der Spaansche of
Portugeesche koloniën en om aan de behoeften te voldoen der Oostersche,
Turksche of Arabische volkeren. Moge Brazilië zijn oude slaven nog
niet in vrijheid gesteld hebben, het verkrijgt althans geen nieuwe
en de kinderen der zwarten worden er vrij geboren.
Het is in de binnenlanden van Afrika, na de bloedige oorlogen die
tusschen de Afrikaansche opperhoofden wegens de menschenjacht gevoerd
worden, dat gansche stammen tot slavernij gedoemd worden. De karavanen
gaan dan in twee tegengestelde richtingen op weg: de eene naar het
westen, naar de Portugeesche koloniën van Angola; de andere naar het
oosten, naar Mozambique. Van deze ongelukkigen, waarvan slechts een
klein gedeelte hun bestemming bereikt, worden eenigen naar Cuba of
naar Madagascar, anderen naar de Arabische of Turksche provinciën
van Azië, naar Mekka of Mascate gezonden. De Engelsche en Fransche
kruisers kunnen dezen handel slechts onvoldoende beletten, tengevolge
van de moeilijkheid om zulk een uitgestrekte kustlijn te bewaken.
Maar is het cijfer van dien schandelijken uitvoer nog aanzienlijk?
Ja! Men schat op niet minder dan tachtig duizend het aantal slaven dat
op de kust aankomt en dit getal schijnt slechts het tiende gedeelte der
vermoorde inboorlingen te bedragen. Na die afgrijselijke slachtingen
zijn de verwoeste velden verlaten en de verbrande dorpen ontvolkt,
de stroomen voeren lijken mede en wilde dieren waren overal rond in
het land. Na den afloop dezer menschenjachten herkende Livingstone
de provinciën niet meer, die hij eenige maanden vroeger bezocht
had. Al de overige reizigers, Grant, Speke, Burton, Cameron,
Stanley spreken in denzelfden geest over de boschrijke hoogvlakte
van Midden-Afrika, het voornaamste tooneel van de oorlogen tusschen
de verschillende opperhoofden. In de streek der groote meren, over de
gansche uitgestrekte landstreek, die de markt van Zanzibar voorziet,
in Bernoe en Fezzan, verder ten zuiden, op de oevers van de Nyassa
en de Zambesi, meer ten westen, in de distrikten van de boven-Zaïre
die de stoutmoedige Stanley nog voor niet lang is door getrokken,
overal hetzelfde schouwspel, verwoesting, moord, ontvolking. Zal
dan de slavernij in Afrika eerst ophouden met de verdwijning van
het zwarte ras en zal het gaan met dit ras als met het Australische
in Nieuw-Holland?
Maar eens zal de markt der Spaansche en Portugeesche koloniën gesloten
zijn en deze uitvoerhandel een einde nemen; beschaafde volken kunnen
den slavenhandel niet langer dulden!
En inderdaad moet ditzelfde jaar, waarin dit geschreven wordt, 1878,
de vrijmaking zien van al de slaven die zich nog in het bezit der
Christen-Staten bevinden. Evenwel zullen de Mohamedaansche volken
den handel, die het Afrikaansche vasteland ontvolkt, nog gedurende
vele jaren instandhouden. Naar Turkije toch heeft de belangrijkste
uitvoer van zwarten plaats, daar het cijfer der inboorlingen, die
aan hun land ontrukt en naar de oostkust opgezonden worden, jaarlijks
meer dan veertigduizend bedraagt. Vele jaren vóór den veldtocht van
Egypte, werden de negers van Sennaar bij duizenden aan de negers
van Darfoer verkocht en wederkeerig. Generaal Bonaparte kocht zelfs
een vrij groot aantal dezer zwarten, waarvan hij soldaten maakte,
die op de wijze der Mamelukken georganiseerd waren. Sedert dien tijd,
is in deze eeuw, waarvan het vier vijfde gedeelte reeds verloopen is,
helaas! de slavenhandel in Afrika niet verminderd. Integendeel.