"Dat weet ik, Harris, en 'k rekende wel degelijk partij van die

vergissing te trekken. Welnu, mijn doel is bereikt, mevrouw Weldon

en haar reisgenooten bevinden zich op 't oogenblik in 't binnenland

van Afrika, waarheen ik ze wilde voeren!"

"Maar nu," antwoordde Harris, "weten ze toch waar zij zijn!"

"Wat is daar nu aan gelegen!" riep Negoro.

"En welk plan heb je nu met die menschen?" vroeg Harris.

"Welk plan!" antwoordde Negoro.....

"Maar, voordat ik je dat zeg, Harris, vertel me eens wat van onzen

meester Alvez, den slavenhandelaar, dien ik in geen twee jaar gezien

heb!"

"O! die oude schurk is heel wel!" antwoordde Harris, "en 't zal hem

zeker genoegen doen, je weer te zien."

"Is hij op de markt van Bihé?" vroeg Negoro."

"Neen, kameraad, sedert een jaar woont hij in zijn nederzetting

van Kazondé."

"En hoe gaat het met de zaken?".

"Goed, voor den duivel!" riep Harris uit, "ofschoon 't hoe langer

hoe moeilijker wordt voor den handel, althans op deze kust. Zoowel

de Portugeesche overheden, als de Engelsche kruisers, maken den

uitvoer lastig. Alleen in de omstreken van Mossamedés, ten zuiden

van Angola, kan de inscheping der negers nog met eenige kans op

succes geschieden. Ook zijn op dit oogenblik de loodsen opgepropt met

slaven, die op schepen wachten om ze naar de Spaansche koloniën over

te brengen. Ze over Benguela of St.-Paul de Loanda te vervoeren, is

niet mogelijk. De gouverneurs verstaan geen reden meer, en de chefes

[26] evenmin. Men zal zich dus moeten wenden tot de factorijen in de

binnenlanden en dat denkt de oude Alvez te doen. Hij zal zich naar den

kant van Nyangwé en het Tanganyika-meer begeven, om daar zijn stoffen

tegen ivoor en slaven in te ruilen. Met Boven-Egypte en de kust van

Mozambique, die geheel Madagascar voorzien, gaan de zaken altijd

goed. Maar weldra, vrees ik, zal de tijd komen, dat de slavenhandel

een einde zal nemen. De Engelschen maken groote vorderingen in de

binnenlanden van Afrika. De zendelingen gaan steeds vooruit en werken

onze plannen tegen! Die vervloekte Livingstone zal, zegt men, na de

streek der meren doorzocht te hebben, naar Angola gaan. Dan spreekt

men van een luitenant Cameron, die plan heeft het vasteland van het

oosten naar het westen over te steken. Men vreest dat de Amerikaan

Stanley dit ook zal doen! Al die bezoeken zullen onze werkzaamheden

zeer benadeelen, Negoro, en als we onze belangen goed begrijpen, dan

moet geen van die pioniers naar Europa terugkeeren om te vertellen

wat hij in Afrika al zoo gezien heeft!"

Zou men niet gezegd hebben, als men deze schoeljes aldus hoorde

redeneeren, dat zij spraken als eerlijke kooplieden wier zaken voor

het oogenblik door een handelscrisis bedreigd werden? Wie zou denken

dat er in plaats van balen koffie of vaten suiker sprake was van

menschelijke wezens, die als koopwaren moesten verzonden worden? Die

slavenhandelaars hebben geen begrip meer van recht of onrecht. Het

zedelijk gevoel ontbreekt hun geheel, en al hadden zij het, dan zouden

zij het te midden der ijselijkheden van den Afrikaanschen slavenhandel

spoedig verliezen.

Doch, daarin had Harris gelijk, toen hij zeide dat met die stoutmoedige

reizigers, wier naam onafscheidelijk verbonden is aan de ontdekkingen

in Midden-Afrika, de beschaving allengs in die woeste streken

doordrong. Aan het hoofd staat David Livingstone, na hem komen Grant,

Speke, Burton, Cameron, Stanley, allen helden, die als weldoeners

der menschheid een onvergankelijken roem zullen achterlaten.

Toen het gesprek zoover gevorderd was, wist Harris hoe de twee laatste

levensjaren van Negoro waren doorgebracht. De oude zaakgelastigde

van den slavenhandelaar Alvez, de losgebroken gevangene van Loanda,

stond weder voor hem zooals hij hem altijd gekend had, als iemand

namelijk, tot alles in staat. Maar welke plannen Negoro had met de

schipbreukelingen van de _Pelgrim_, wist Harris nog niet; hij vroeg

het daarom zijn medeplichtige.

"En wat zal je nu met die menschen uitvoeren?" vroeg hij.

"De eene partij," antwoordde Negoro, als iemand wiens besluit reeds

sedert lang genomen is, "verkoop ik als slaven en de andere...."

De Portugees eindigde niet, maar op zijn woest gelaat stond genoeg

te lezen.

"Welke zal je verkoopen?" vroeg Harris.

"De negers, die mevrouw Weldon vergezellen," antwoordde Negoro. "Die

oude Tom is misschien niet veel waard, maar de andere zijn vier kloeke

snaken, die veel geld zullen opbrengen op de markt van Kazondé!"

"Dat zal waar zijn, Negoro!" antwoordde Harris. "Vier flinke negers,

gewoon aan den arbeid en zoo geheel anders dan het domme vee dat we

uit het binnenland krijgen! Je zult ze duur verkoopen, daar kan je

zeker van zijn! Slaven, die in Amerika zijn geboren en op de markten

van Angola te koop worden aangeboden, zijn zeldzaam!--Maar, jongen ja,

je hebt me nog niet verteld of er ook nog wat geld was aan boord van

den _Pelgrim_?"

"O! maar een honderd dollars of wat, die ik nog gered heb! Gelukkig

reken ik op eenige gelden die me nog toekomen......"

"Welke gelden, kameraad?" vroeg Harris nieuwsgierig.

"Niets!" .... antwoordde Negoro die tot zijn spijt meer gezegd had

dan hij had willen loslaten.

"Er blijft nu nog alleen maar over je van die kostbare koopwaar

meester te maken," zeide Haris.

"Zou dat dan zoo moeilijk zijn?" vroeg Negoro.

"Neen kameraad. Tien mijlen van hier, aan de Coanza, is op 't oogenblik

een karavaan gekampeerd, aangevoerd door den Arabier Ibn Hamis, die

alleen op mijn terugkomst wacht om naar Kazondé op weg te gaan. Er

zijn bij die karavaan meer inlandsche soldaten dan noodig is om Dick

Sand en zijn reisgenooten gevangen te nemen. Als nu mijn jonge vriend

maar op de gedachte komt naar de Coanza te gaan....."

"Maar zàl hij op die gedachte komen?"

"Zeker wel," antwoordde Harris, "omdat hij het gevaar niet kan

vermoeden dat hij daar loopt en te verstandig is om er aan te denken

naar de kust terug te keeren langs denzelfden weg, dien we samen hebben

afgelegd. Hij zou te midden van die onmetelijke wouden verdwalen. Hij

zal dus stellig trachten een van de rivieren te bereiken, die naar

de kust stroomen, om die dan op een vlot af te zakken. Hij kan geen

ander besluit nemen en, ik ken hem, hij zal het nemen."

"Ja.... misschien!...." antwoordde Negoro, die de zaak overdacht.

"Je moet niet 'misschien' zeggen," hernam Harris, "maar 'zeker'. Ik

voor mij ben er zoo zeker van, alsof 'k mijn jongen vriend rendez-vous

gegeven had aan de oevers van de Coanza!"

"Welnu," antwoordde Negoro, "op marsch! Ik ken Dick Sand. Hij zal

zich geen uur ophouden en we moeten hem vooruit zien te komen."

"Op marsch, kameraad!"

Harris en Negoro stonden beiden op, toen het geluid, dat reeds

eens de aandacht van den Portugees getrokken had, zich weder deed

hooren. Het was een geruisch tusschen de stengels van de hooge biezen

aan den oever.

Negoro bleef staan en greep de hand van Harris.

Plotseling deed zich een dof gebrom hooren en vertoonde zich een hond

aan den voet van den snellen oever, met geopenden bek, gereed om een

sprong te nemen.

"Dingo!" riep Harris.

"Dezen keer zal hij me niet ontsnappen!" antwoordde Negoro.

Dingo was op het punt zich op hem te werpen toen Negoro, Harris het

geweer uit de handen rukkend, driftig aanlei en vuur gaf.

Een langgerekt, klaaglijk gehuil volgde onmiddellijk op de losbranding

en Dingo verdween tusschen de dubbele rij struiken die de beek

omzoomden.

Negoro daalde dadelijk langs den steilen oever naar beneden.

De biezen waren met bloeddruppels overdekt, en een lange roode streep

was op de keisteenen van de beek zichtbaar.

"Eindelijk heb ik met dat vervloekte beest eens afgerekend!" riep

Negoro.

Harris had, zonder een woord te spreken, dit gansche tooneel

gadegeslagen.

"'t Schijnt, Negoro, dat die hond een bijzonderen hekel aan je had."

"Dat schijnt zoo, maar dat zal nu wel uit zijn!"

"En waarom had hij zoo'n pik op je, kameraad?"

"Och! een oude zaak die we samen te vereffenen hadden!"

"Een oude zaak?" drong Harris aan.

Negoro liet zich niet verder uit, en Harris besloot er uit dat de

Portugees een of ander avontuur uit zijn verleden voor hem verzweeg,

maar hij drong niet verder aan.

Eenige oogenblikken later richtten zij zich, den loop der beek volgend,

door het bosch, naar de Coanza.

AANTEEKENINGEN

[1] Typen: sprinkhanen, krekels, enz.

[2] Typen: mierenleeuwen.

[3] Typen: bijen, wespen, mieren.

[4] Typen: vlinders, enz.

[5] Typen: bladluizen, vlooien.

[6] Typen: meikevers, glimwormen, enz.

[7] Typen: muggen, muskieten, enz.

[8] Typen: stylops.

[9] Typen: myten, enz.

[10] Typen: suikergasten, enz.

[11] "Sand" beteekent "Zand" in 't Engelsch.

[12] Zeeterm voor "heen en weerslingeren".

[13] Verkorting van Bartholomeus.

[14] Militaire school van den Staat New-York.

[15] Men weet dat er nog eene andere verdeeling der gelede dieren

is, namelijk die in _vier_ klassen: de kreeftachtige, spinachtige,

duizendpooten en insecten.--Vert.

[16] Bij deze bewerking verliest het spek van den walvisch ongeveer

een tiende van het gewicht.

[17] Een kabellengte, een eigenaardige maat bij de marine, bedraagt

een lengte van honderd twintig vademen, dat is twee honderd meters.

[18] Uittreksel uit den "_Dictionnaire illustré_" van Vorepièrre.

[19] 57 kilometers.

[20] De Engelsche en Fransche barometers zijn in duimen en strepen

gegradueerd. Acht- en twintig duim zeven tiende staan gelijk met

728 millimeters.

[21] 716 millimeters.

[22] 709 millimeters.

[23] Ongeveer 166 kilometers.

[24] Eertijds vergenoegde men zich met dezen bast tot poeder te

stampen, dat den naam droeg van "Jezuïeten-poeder", omdat de Jezuïeten

van Rome er in 1640 van hun Amerikaansche zending een aanzienlijke

hoeveelheid van kregen.

[25] 4,650 kilometers.

[26] Titel, dien men geeft aan de Portugeesche hoofden der

nederzettingen van minderen rang.

Een Kapitein van Vijftien Jaar De Walvischjagers · 第 16 / 16 段