"Ge hebt gelijk, mijn jonge vriend," zei hij tot den leerling. "De

werkelijke pampa is wel degelijk zoo als de reisbeschrijvingen haar

u hebben afgeschilderd, dat is te zeggen een vrij dorre vlakte, die

dikwijls moeilijk te bereizen is. Zij doet ons denken aan onze prairiën

van Noord-Amerika,--met het onderscheid dat deze wat moerassiger

zijn. Ja, zoodanig is wel de pampa van den Rio-Colorado; zoodanig zijn

de 'Llanos' van den Orinoco en van Venezuela. Maar hier zijn we in een

landstreek welker voorkomen me zelf doet verbaasd staan. 't Is waar,

't is de eerste keer dat ik dezen weg over het bergvlak neem, omdat

hij het voordeel heeft onze reis te verkorten. Maar al heb ik de

eigenlijke pampa nog nooit gezien, weet ik toch wel dat deze streek

zeer van haar verschilt. Wat de pampa aangaat, ge zoudt haar vinden,

niet tusschen de Cordilleras van het westen en de hooge keten der

Andes, maar aan gene zijde der bergen, op het geheel oostelijk gedeelte

van het vasteland dat zich uitstrekt tot den Atlantischen Oceaan."

"Moeten we de keten der Andes overtrekken?" vroeg Dick Sand levendig.

"Wel neen, mijn jonge vriend, wel neen," antwoordde de Amerikaan

glimlachend. "'k Zei: ge zoudt haar vinden, en niet: ge zult haar

vinden. Stel je gerust, we verlaten dit bergvlak niet, waarvan

de grootste hoogten zich niet boven de vijftien honderd voet

verheffen. Als we de Cordilleras hadden moeten overtrekken met de

eenvoudige middelen van vervoer waarover we beschikken, zou ik je

nooit tot een dergelijke onderneming hebben overgehaald."

"Dan zou het ook waarlijk beter zijn geweest," antwoordde Dick Sand,

"noordelijk of zuidelijk de kust te volgen."

"O! honderdmaal beter!" hernam Harris. "Maar de hacienda van San-Felice

is aan deze zijde van de Cordilleras gelegen. Onze reis zal dus

evenmin nu, als later, eenige wezenlijke moeilijkheid opleveren."

"En vreest u niet te verdwalen in de bosschen die u voor 't eerst

doortrekt?" vroeg Dick Sand.

"Neen, mijn jonge vriend, neen," antwoordde Harris. "'k Weet wel

dat zulk een woud als een onmetelijke zee is, of liever als de bodem

eener zee, waar zelfs een zeeman geen hoogte zou kunnen nemen om zijn

positie te verkennen. Maar, ik ben gewoon in de bosschen te reizen,

en heb niets noodig om mijn weg te vinden als de schikking van zekere

boomen, de richting hunner bladeren, de gedaante of de samenstelling

van den bodem, een menigte bijzonderheden die u ontgaan! Wees er

zeker van dat ik u en de uwen zal brengen waar ge wezen wilt!"

Dit alles werd zeer stellig door Harris gezegd. Dick Sand en hij

liepen vooraan en praatten dikwijls, zonder dat iemand zich in hun

gesprek mengde. Mocht de leerling soms al eens eenige zorg hebben,

die de Amerikaan niet altijd kon verdrijven, dan hield hij die liever

voor zich.

De 8e, 9e, 10e, 11e en 12e April verliepen op deze wijze zonder dat

er iets bijzonders op de reis voorviel. Men legde niet meer dan acht

of negen mijlen per twaalf uur af. De oogenblikken aan den maaltijd

of aan de rust gewijd, volgden elkander geregeld op, en hoewel zich

reeds eenige vermoeienis begon te openbaren, was de gezondheidstoestand

nog zeer voldoende.

De kleine Jack had wel wat te lijden tengevolge van dit leven in de

bosschen, waaraan hij niet gewoon was en dat zeer eentonig voor hem

werd. En daarbij was men al de beloften die men hem gedaan had niet

nagekomen. De mannetjes van caoutchouc, de vliegenvogeltjes, dat alles

scheen hoe langer zoo meer op den achtergrond te geraken. Er was ook

sprake geweest hem de prachtigste papegaaien van de wereld te laten

zien en zij moesten in deze rijke bosschen niet ontbreken. Waar waren

ze dan nu, die papegaaien met hun groen gevederte, bijna alle uit

deze streken afkomstig, de ara's met kale wangen, zeer lange puntige

staarten en schitterende kleuren, wier pooten nooit den grond aanraken,

en de camindé's, die meer bijzonder tot de tropische gewesten behooren,

verder de veelkleurige langstaartpapegaaien, met het gevederde gelaat,

en eindelijk al die snapachtige vogels die, naar het zeggen der

Indianen, nog de taal der uitgestorven stammen spreken?

Van papegaaien zag de kleine Jack slechts de jako's of ongekuifde

aschkleurige boomlorries, met rooden staart, die onder de boomen

krioelden. Maar deze jako's waren niet nieuw voor hem. Zij zijn door

de geheele wereld verspreid. In alle deelen der aarde doen zij de

huizen van hun onverdraaglijk gekakel weergalmen en van de gansche

familie der "psittacini", zijn zij het gemakkelijkst praten te leeren.

Doch, Jack was niet de eenige die ontevreden was, neef Benedictus

was het ook. Men had hem onderweg wat heen en weer laten loopen en

evenwel vond hij geen enkel insect dat waardig was zijn verzameling te

verrijken. 's Avonds weigerden zelfs de vuurvliegen hardnekkig zich

aan hem te vertoonen en hem door hun lichtgevende borstschilden aan

te trekken. De natuur scheen waarlijk den spot te drijven met den

ongelukkigen entomoloog, wiens humeur onuitstaanbaar werd.

Nog vier dagen lang bleven zij den marsch onder dezelfde omstandigheden

voortzetten. Den 16en April moest men den van de kust af aan afgelegden

weg op niet minder dan honderd mijlen schatten. Indien Harris niet

verdwaald was,--en hij verzekerde dit zonder aarzelen,--dan was de

hacienda van San-Felice niet meer dan twintig mijlen verwijderd

van het punt waar de halte dien dag gehouden werd. Nog omstreeks

acht-en-veertig uren en de kleine troep zou een veilig dak vinden,

waaronder hij eindelijk van zijn vermoeienissen zou kunnen uitrusten.

Alhoewel zij nu de hoogvlakte in haar gansche uitgestrektheid waren

doorgetrokken, hadden zij geen enkelen inboorling, geen enkelen

zwervenden Indiaan in het onmetelijk woud ontmoet.

Meermalen had Dick Sand, zonder er iets van te zeggen, spijt gevoeld

dat zij niet op een ander gedeelte der kust gestrand waren! Meer ten

zuiden of meer ten noorden zouden zij in overvloed gehuchten, dorpen

en plantages op hun weg ontmoet en Mevr. Weldon en haar reisgenooten

een schuilplaats gevonden hebben.

Maar, scheen deze streek al door den mensch verlaten te zijn, met

de dieren was dit in de laatste dagen geenszins het geval. Somwijlen

hoorde men een langgerekten klagenden kreet, dien Harris toeschreef aan

eenige van die groote luiaards, de gewone gasten van die uitgestrekte

boschachtige streken die men "ai's" noemt.

Dien zelfden dag liet zich ook, onder de middaghalte een gefluit in de

lucht hooren, zoo vreemd klinkend, dat Mevr. Weldon er zich ongerust

over maakte.

"Wat is dat?" vroeg zij, opspringende.

"Een slang!" riep Dick Sand, terwijl hij met zijn geladen geweer zich

voor Mevr. Weldon wierp.

En werkelijk kon het zeer goed zijn dat er eenig kruipend gedierte

in het gras tot nabij de plaats der halte was geslopen. Er was niets

vreemds in gelegen dat het een dier enorme "sukuru's", een soort van

boa's was, die somtijds veertig voet lengte hebben.

Maar Harris herinnerde dadelijk Dick Sand, dat de negers reeds volgden

en hij stelde Mevr. Weldon gerust.

Volgens hem had geen sukuru dit gefluit kunnen voortbrengen, omdat deze

slang niet fluit, maar het verkondigde de tegenwoordigheid van zekere

onschadelijke viervoetige dieren, die vrij talrijk in dit land zijn.

"Verontrust u dus niet," zeide hij, "en maak vooral geen beweging,

die de dieren kan doen verschrikken."

"Maar welke dieren zijn het toch?" vroeg Dick Sand, die het zich tot

wet maakte den Amerikaan te ondervragen en te doen spreken, terwijl

deze zich trouwens nooit liet bidden om hem te antwoorden.

"Het zijn antilopen, mijn jonge vriend," antwoordde Harris.

"O! wat zou ik ze graag eens zien!" riep Jack.

"Dat zal moeielijk gaan, mijn ventje," antwoordde de Amerikaan,

"zeer moeielijk!"

"Zouden we niet kunnen probeeren die fluitende antilopen te

naderen?" hernam Dick Sand.

"O! ge zoudt geen drie stappen gedaan hebben," antwoordde de Amerikaan

het hoofd schuddend, "of de gansche troep zou op de vlucht gaan! 'k

Raad je dus je niet te bewegen!"

Maar Dick Sand had zijn redenen om nieuwsgierig te zijn. Hij wilde

zien, en met het geweer in de hand, sloop hij in het gras. Onmiddellijk

vlogen een dozijn bevallige gazellen, met kleine puntige horens

bliksemsnel voorbij. De helroode kleur van hun haar teekende zich

als een vurige wolk tegen het geboomte af.

"Ik heb het je wel gezegd," zei Harris, toen de leerling zijn plaats

weder innam.

Was het wezenlijk onmogelijk deze antilopen door hun verbazende

vlugheid duidelijk te onderscheiden, zoo was dit niet het geval met

een anderen troep dieren, die denzelfden dag werden opgemerkt. Die

dieren kon men, hoewel onvolkomen, zien, maar hun verschijning gaf

aanleiding tot een vrij zonderlinge woordenwisseling tusschen Harris

en eenigen zijner metgezellen.

De kleine troep had zich tegen vier uur 's avonds een oogenblik op

een open plek in het bosch opgehouden, toen drie of vier ontzaglijk

groote beesten uit een kreupelbosch op een honderd schreden van hen

af te voorschijn kwamen en oogenblikkelijk met verwonderlijke snelheid

op de vlucht gingen.

Ondanks de aanbevelingen van den Amerikaan had de leerling vlug

zijn geweer aangelegd en op een dezer dieren vuur gegeven. Maar, op

het oogenblik dat het schot afging, was het wapen snel door Harris

afgewend en Dick Sand had, hoe handig hij ook was, zijn doel gemist.

"Geen geweerschoten! geen geweerschoten!" zei de Amerikaan.

"Maar, dat zijn giraffen!" riep Dick Sand uit, zonder iets anders op

de opmerking van Harris te antwoorden.

"Giraffen!" herhaalde Jack, terwijl hij zich op zijn zaal

oprichtte. "Waar zijn ze gebleven, die groote dieren?"

"Giraffen!" antwoordde Mevr. Weldon. "Je vergist je, mijn waarde

Dick. Er zijn geen giraffen in Amerika."

"U hebt gelijk," zei Harris, die mede verbaasd scheen, "er kunnen

geen giraffen in dit land zijn!"

"Maar hoe dan?...." zei Dick Sand.

"'k Weet waarlijk niet wat ik er van denken moet!" antwoordde

Harris. "Heeft je gezicht je niet bedrogen en zouden die dieren geen

struisvogels geweest zijn?"

"Struisvogels!" herhaalden Dick Sand en Mevr. Weldon, terwijl zij

elkander zeer verwonderd aankeken.

"Ja, eenvoudig struisvogels," herhaalde Harris.

"Maar struisvogels zijn vogels," hernam Dick Sand, "en ze hebben maar

twee pooten!"

"Welnu," antwoordde Harris, "'k meende juist te zien dat de dieren

die daar zoo snel op de vlucht gingen, tweebeenige waren!"

"Tweebeenige dieren!" herhaalde de leerling.

"Me dunkt toch dat ik beesten met vier pooten gezien heb," zei

Mevr. Weldon.

"Ik ook," voegde de oude Tom er bij, wiens woorden door Bat, Actéon

en Austin bevestigd werden.

"Viervoetige struisvogels!" riep Harris lachend uit. "Dat zou nog al

aardig zijn!"

"Ook meenden we," hernam Dick Sand, "dat het giraffen en geen

struisvogels waren."

"Neen, mijn jonge vriend, neen!" zei Harris. "Je hebt stellig verkeerd

gezien, maar dat laat zich best verklaren door de snelheid waarmee

die beesten op de vlucht zijn gegaan. 't Is trouwens jagers meermalen

overkomen zich even als gij te vergissen!"

Wat de Amerikaan zeide, was zeer aannemelijk. Tusschen een grooten

struisvogel en een giraffe van gemiddelde grootte, op zekeren afstand

gezien, is het gemakkelijk zich te vergissen. Of ze een bek of een

snuit aan het eind van hun langen naar achteren gebogen hals hebben,

is op een afstand niet zoo gemakkelijk te onderscheiden en desnoods

zoude men kunnen zeggen dat een struisvogel slechts een halve giraffe

is. De achterpooten ontbreken hem slechts. Dit tweebeenig en dit

vierbeenig dier, onvoorzien snel voorbijgaande, kunnen desnoods met

elkander verward worden.

Het beste bewijs overigens dat Mevr. Weldon en de anderen zich

vergisten is, dat er geen giraffen in Amerika zijn.

Dick Sand maakte toen de volgende opmerking:

"Maar ik dacht dat er evenmin struisvogels als giraffen in de Nieuwe

wereld zijn?"

"Ja wel, mijn jonge vriend," antwoordde Harris, "en juist bezit

Zuid-Amerika er een bijzondere soort van. Tot deze soort behoort de

'nandoe', die je daar zoo even gezien hebt!"

Harris had gelijk. De nandoe is een steltlooper, die in de vlakten

van Zuid-Amerika vrij veel voorkomt, en zijn vleesch, vooral van een

jong dier, is een zeer goed voedsel. Dit sterke dier, dat somtijds

twee vademen hoog is, heeft een rechten bek, lange vleugels, bestaande

uit dichte vederen van blauwachtige kleur, de pooten gevormd uit drie

vingers met nagels voorzien,--hetgeen hem duidelijk onderscheidt van

de struisvogels van Afrika.

Deze zeer nauwkeurige bijzonderheden werden door Harris medegedeeld,

die bijzonder goed op de hoogte van de gewoonten der nandoes

bleek. Mevr. Weldon en haar reisgenooten moesten toestemmen dat zij

zich vergist hadden.

"'t Is bovendien zeer goed mogelijk dat we nog een anderen troep

van die struisvogels ontmoeten. Mocht dat zoo zijn, kijk dan beter

en zie nooit meer vogels voor viervoetige dieren aan! Maar vooral,

mijn jonge vriend, vergeet mijn raad niet en schiet op geen dieren

meer! 't Is gelukkig niet noodig dat we jagen om ons levensmiddelen

te verschaffen.... en nog eens, de losbarsting van een vuurwapen moet

onze tegenwoordigheid in dit bosch niet verraden."

Dick Sand bleef evenwel in gedachten verzonken. Andermaal kwam twijfel

bij hem op.

Den volgenden dag, den 17en April, werd de reis hervat en verzekerde

de Amerikaan, dat nu geen vier-en-twintig uren meer zouden verloopen

of de kleine troep zou in de hacienda van San-Felice gehuisvest zijn.

"Dáár, Mevr. Weldon," voegde hij er bij, "zult u al de zorg ontvangen

die uw toestand vereischt. Eenige dagen van rust moeten u weer geheel

opknappen. Misschien zult u in die hoeve wel niet de weelde vinden,

waaraan u in uw woning te San-Francisco gewoon zijt, maar u zult zien

dat het in de woningen op onze ontginningen in het binnenland niet

aan de geriefelijkheden des levens ontbreekt. We zijn nu juist niet

heelemaal wilden."

"Mijnheer Harris," antwoordde Mevr. Weldon, "al kunnen we niet anders

dan u dankzeggen voor uw edelmoedige hulp, zoo doen we dat althans

van ganscher harte. Ja! 't is tijd dat we aankomen!"

"Gevoelt u zich bijzonder vermoeid, mevrouw Weldon?"

"Aan mij is niets gelegen!" antwoordde Mevr. Weldon, "maar ik merk

dat mijn kleine Jack langzamerhand uitgeput raakt! De koorts begint

hem tusschenbeide beet te nemen!"

"Ja," antwoordde Harris, "en ofschoon het klimaat van dit bergvlak

zeer gezond is, kan het niet ontkend worden dat er in Maart en April

tusschenpoozende koortsen heerschen."

"Dat is zeker," zei nu Dick Sand, "maar de steeds zorgende natuur

heeft dan ook weder hier het geneesmiddel voor de kwaal bij de hand!"

"En hoe dat, mijn jonge vriend?" vroeg Harris, die zich onwetend hield.

"Zijn we dan hier niet in de streek der kinasoorten?" vroeg Dick Sand.

"'t Is waar ook," zei Harris, "je hebt volkomen gelijk. De boomen

die den kostbaren kinabast verschaffen, zijn hier thuis."

"'k Heb me al verwonderd dat ik er nog geen gezien heb," hernam

Dick Sand.

"Ja, mijn jonge vriend," antwoordde Harris, "die boomen zijn zoo

gemakkelijk niet te onderscheiden. Hoewel zij dikwijls vrij hoog en

hun bladeren groot zijn, hun bloemen rooskleurig en heerlijk van

geur, ontdekt men ze toch niet gemakkelijk. Zeldzaam ontmoet men

ze in groepen. Ze zijn eerder hier en daar in het bosch verspreid,

zoo dat de Indianen die de kina inoogsten, ze niet anders dan aan

hun altijd groene bladeren herkennen."

"Zoudt u zoo goed willen zijn, mijnheer Harris," zei Mevr. Weldon,

"om, als u een van die boomen ziet, hem mij dan te wijzen?"

"Welzeker, mevrouw Weldon, maar u zult in de hacienda sulphas chinini

vinden en dat zout is nog beter om de koorts te verdrijven dan de

eenvoudige bast van een boom." [24]

Deze laatste dagreis liep zonder eenig bijzonder voorval ten

einde. De avond kwam en de gewone toebereidselen voor den nacht werden

gemaakt. Tot nog toe had het niet geregend, doch het weder scheen

te zullen veranderen, want er steeg een warme walm uit den bodem op,

die weldra in een dikken mist overging.

Men naderde nu werkelijk het regenseizoen. Gelukkig zou den volgenden

dag een geriefelijk thuis aan den kleinen troep worden aangeboden. Nog

eenige uren slechts moesten er verloopen.

Alhoewel men volgens Harris, die zijn berekening niet anders kon

maken dan naar den tijd dat de reis geduurd had, niet verder dan zes

mijlen van de hacienda kon verwijderd zijn, werden de gewone voorzorgen

voor den nacht genomen. Tom en zijn kameraden zouden om beurten wacht

houden. Dick Sand was er op gesteld dat niets in dit opzicht verzuimd

werd. Minder dan ooit wilde hij zijn gewone voorzichtigheid uit het

oog verliezen, want een vreeselijk vermoeden had in zijn gemoed wortel

geschoten, maar hij wilde nog niets zeggen.

De rustplaats voor den nacht bevond zich aan den voet van een groep

groote boomen. Tengevolge van sterke vermoeidheid waren Mevr. Weldon en

de haren reeds in slaap, toen zij door een luiden kreet gewekt werden.

"Wat is er?" vroeg Dick Sand, die de eerste van allen, onmiddellijk

overeind was.

"Ik ben het! ik heb geschreeuwd!" antwoordde neef Benedictus.

"En wat scheelt er aan?" vroeg Mevr. Weldon.

"'k Ben daar juist gebeten!"

"Door een slang....? vroeg Mevr. Weldon verschrikt.

"Neen, neen! 't Is geen slang, maar een insect," antwoordde

Benedictus. "Daar heb ik hem, ik heb 'm."

"Welnu, dood het dan, je insect," zei Harris, "en laat ons gerust

slapen, mijnheer Benedict!"

"Een insect dood maken!" riep neef Benedictus. "Verstrekt niet! 'k

moet eens zien wat het is!"

"Een muskiet!" zei Harris, de schouders ophalende.

"Welnu! 't is een vlieg," antwoordde neef Benedictus, "en zeker een

heel vreemde!"

Dick Sand had een klein zaklantaarntje aangestoken en ging er mee

naar den lastigen neef.

"Groote goedheid!" riep deze uit. "Dat maakt al mijn teleurstellingen

goed! Eindelijk heb ik dan toch een ontdekking gedaan!"

De geestvervoering van den goeden man grensde aan waanzin. Hij

beschouwde zijn vlieg met zegevierende blikken! Hij had ze wel

willen kussen!

"Maar wat is het dan toch?" vroeg Mevrouw Weldon.

"Een diptera (tweevleugelig insect) nicht, een prachtige diptera!"

En neef Benedictus liet haar een vlieg zien, kleiner dan een bij,

van een doffe kleur en aan het onderste gedeelte van haar lichaam

geel gestreept.

"Die vlieg is toch niet vergiftig?" vroeg Mevr. Weldon.

"Neen, nicht, neen, althans niet voor menschen. Maar voor dieren,

zooals voor antilopen, voor buffels, zelfs voor olifanten, is 't

wat anders!"

"Maar zeg ons nu eindelijk toch eens welke vlieg het is," zei Dick

Sand.

"Die vlieg," antwoordde de entomoloog, "die vlieg, die ik hier tusschen

mijn vingers heb, die vlieg! is een tsetsé!.... Dat is de vermaarde

diptera, de roem van haar land, maar toch wel vreemd, tot nog toe

heeft men nog nooit een tsetsé in Amerika gevonden!"

Dick Sand had den moed niet neef Benedictus te vragen in welk

werelddeel die geduchte tsetsé alleen wordt aangetroffen!

En toen zijn reisgenooten, na dit voorval, hun afgebroken slaap hervat

hadden, deed Dick Sand, ondanks zijn zware vermoeidheid, den ganschen

nacht geen oog meer dicht!

ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

HET VREESELIJK WOORD!

Het werd tijd dat de reizigers de hacienda bereikten. Ten gevolge

van buitengewone vermoeidheid was Mevr. Weldon in de onmogelijkheid

een reis te vervolgen onder zulke bezwarende omstandigheden. Het was

waarlijk een treurig gezicht, die kleine jongen met dat hoog roode

gezicht in de aanvallen van koorts, en dan weder zoo bleek in de

tusschenpoozen. Zijn moeder maakte zich zoo ongerust, dat zij Jack

zelfs niet aan de zorgen van de goede Nan had willen toevertrouwen

en hem aanhoudend half liggend in haar armen hield.

Ja! het was tijd dat zij aankwamen! Volgens den Amerikaan zouden

zij dan ook denzelfden avond van den dag, die aan den hemel kwam,

den avond van den 18n April, eindelijk in de hacienda van San-Felice

een veilige schuilplaats vinden.

Welk een moedige en sterke natuur Mevr. Weldon ook had, zoo was toch

een reis van twaalf dagen en daarbij twaalf nachten onder den blooten

hemel doorgebracht, meer dan genoeg om haar geheel aftematten. Maar

voor een kind was het nog erger en het gezicht van den kleinen zieken

Jack die zelfs de eenvoudigste oppassing moest missen, was alleen

voldoende haar geheel neer te slaan.

Dick Sand, Nan, Tom en zijn reismakkers hadden de vermoeienissen der

reis beter verdragen.

Wel begonnen de levensmiddelen te verminderen, maar gebrek hadden

zij nog geenszins gehad, zoodat hun gezondheid dan ook voldoende was.

Wat Harris aangaat, hij scheen tegen de ongemakken van die

langdurige tochten door de bosschen bestand te zijn en 't bleek dat

de vermoeienissen geen vat op hem hadden. Alleen merkte Dick Sand op,

dat hij, naarmate zij de hacienda naderden, meer in gedachten en minder

rond in zijn omgang was dan vroeger. Het tegendeel zou natuurlijker

geweest zijn. Dat was althans de meening van den leerling, die den

Amerikaan hoe langer hoe meer begon te wantrouwen. En toch, welk

belang dreef Harris aan hen te bedriegen? Dick Sand zou het niet hebben

kunnen zeggen, maar nog meer dan vroeger hield hij hun gids in 't oog.

De Amerikaan, van zijn kant, gevoelde dat Dick hem niet vertrouwde,

en dit wantrouwen deed hem in tegenwoordigheid van zijn "jongen vriend"

nog stilzwijgender zijn.

Men was weder op marsch gegaan.

In het bosch, dat nu minder dicht was, waren de boomen hier en daar

in groepen verspreid en vormden geen ondoordringbare massa's meer. Zou

dat nu de werkelijke pampa zijn, waarvan Harris gesproken had?

Gedurende de eerste uren van den dag, werd de ongerustheid van Dick

Sand door geen enkel voorval vergroot. Alleen werden er twee feiten

door hem opgemerkt. Misschien waren zij niet van groot gewicht,

maar in de omstandigheden waarin zij verkeerden, mocht geen enkele

bijzonderheid onopgemerkt voorbijgaan.

Het was vooreerst de houding van Dingo, die meer bijzonder de aandacht

van den leerling trok.

De hond namelijk, die gedurende den ganschen tocht een spoor scheen

te volgen, werd geheel anders, en dat bijna plotseling. Tot nog toe

slechts met den neus op den grond, het gras of de struiken beruikende,

zweeg hij, of deed hij een soort van klagend geblaf hooren, naar het

scheen de uitdrukking van smart of van verdriet.

Dien dag nu werd het geblaf van het zonderlinge dier weder luid

klinkend, somtijds woedend, zooals het vroeger was, toen Negoro op

het dek van den _Pelgrim_ verscheen.

Eensklaps kwam er een vermoeden bij Dick Sand op, in welk vermoeden

hij door Tom versterkt werd, die zeide:

"'t Is toch vreemd, mijnheer Dick! Dingo snuffelt niet meer langs den

grond, zooals hij gisteren nog deed! Hij loopt met den neus in den

wind, hij is ontsteld en zijn haar staat overeind! Men zou zeggen,

dat hij in de verte...."

"Negoro ruikt, niet waar?" antwoordde Dick Sand, die den arm van den

ouden neger aangreep en hem een teeken gaf om zacht te spreken.

"Negoro, mijnheer Dick. Zou 't niet kunnen zijn, dat hij ons spoor

gevolgd heeft?..."

"Ja, Tom, en dat hij op dit zelfde oogenblik niet ver af is?"

"Maar.... waarom?" zei Tom.

"Of Negoro kende dit land niet," hernam Dick Sand, "en in dat

geval had hij het grootste belang erbij ons niet uit het gezicht

te verliezen...."

"Of?...." zei Tom, die den leerling ontsteld aankeek.

"Of," hernam Dick Sand, "hij kende het, en dan...."

"Maar hoe zou Negoro dit land kennen? Hij is er nog nooit geweest!"

"Nog nooit geweest!" mompelde Dick Sand. "Maar zeker is het dat Dingo

doet alsof de man dien hij verfoeit, weder dicht bij is ons!"

Daarna viel hij zich in de rede, om den hond te roepen die aarzelend

naar hem toe kwam.

"Wel," zei hij, "Negoro, Negoro!"

Dingo beantwoordde dit met een woedend geblaf. Deze naam had de gewone

uitwerking op hem, en hij sprong vooruit, alsof Negoro zich achter

het kreupelhout had verscholen.

Harris had dit geheele tooneel gezien. Met de lippen een weinig op

elkaar gedrukt, trad hij op den leerling toe.

"Wat vraag je toch aan Dingo?"

"O! dat beteekent niet veel, mijnheer Harris," antwoordde de oude

Tom gekscheerend. "We vragen hem naar den scheepsmakker dien we

verloren hebben!"

"Ah!" zei de Amerikaan, "naar dien Portugees, den scheepskok, van

wien je me al verteld hebt?"

"Ja," antwoordde Tom. "Als men Dingo hoort, zou men zeggen dat Negoro

in de buurt is!"

"Hoe zou hij hier hebben kunnen komen!" antwoordde Harris. "Hij is

nooit in dit land geweest, voor zoover ik weet!"

Een Kapitein van Vijftien Jaar De Walvischjagers · 第 13 / 16 段