Nadat dit geregeld was, hield men zich niet meer met neef Benedictus

bezig.

Men heeft gezien dat de kleine troep goed gewapend en op haar hoede

was. Doch, zooals Harris telkens verzekerde, was er geen andere

ontmoeting te vreezen dan met zwervende Indianen en waarschijnlijk

zou men ook die niet zien.

In ieder geval waren de genomen beschikkingen voldoende om dezen des

noods in toom te houden.

De paden, die door het dichte woud liepen, verdienden dien naam

eigenlijk niet. Het waren meer sporen voor dieren dan doorgangen voor

menschen. Men kon er dan ook slechts moeielijk op vooruitkomen en

daarom had Harris den gemiddelden afstand van vijf tot zes mijlen,

dien de kleine troep zou afleggen, dan ook wijselijk op twaalf uren

berekend.

Het weer was overigens zeer schoon. De zon stond hoog en verspreidde

bijna loodrecht haar schitterende stralen. Op de vlakte zou deze

warmte onverdraaglijk geweest zijn, 't geen Harris niet verzuimde

te doen opmerken; maar onder dat ondoordringbare dak van bladeren,

verdroeg men haar gemakkelijk en ongestraft.

De meeste boomen in dit bosch waren, zoowel Mevr. Weldon als haren

zwarten en blanken medereizigers, onbekend. Toch zou een deskundige

opgemerkt hebben dat zij merkwaardiger waren door hunne hoedanigheid

dan door hunne grootte. Hier was het de "bauhinia" of ijzerhout-boom;

daar de "molompi", identisch met den pterocarpus of sandelhoutboom,

vast en licht hout, goed om pagaaien of roeiriemen van te maken, en

welks stam een groote hoeveelheid hars oplevert: verderop waren het

"geelboomen", vol beladen met hun gele kleurstof, en "pokhoutboomen,"

tot twaalf voet dik, maar van mindere hoedanigheid dan de gewone

pokhoutboomen.

Dick Sand vroeg onder het gaan den naam dezer verschillende

houtsoorten.

"Zijt ge dan nooit op de kust van Zuid-Amerika geweest?" vroeg Harris

hem, alvorens op zijn vragen te antwoorden.

"Nooit," antwoordde de leerling, "nooit was ik op mijn reizen in de

gelegenheid deze kusten te bezoeken en om de waarheid te zeggen geloof

ik niet dat iemand mij ooit als deskundige er iets van verteld heeft."

"Maar de kusten van Columbië, die van Chili of Patagonië hebt ge toch

wel bezocht?"

"Neen, nooit."

"Maar Mevr. Weldon heeft misschien dit gedeelte van het nieuwe

vasteland bezocht?" vroeg Harris. "De Amerikaansche dames zijn niet

bang om een reisje te maken en ongetwijfeld...."

"Neen, mijnheer Harris," antwoordde Mevr. Weldon. "De handelsbelangen

van mijn man voerden hem nergens dan naar Nieuw-Zeeland en ik ben

nergens anders met hem mee geweest. Geen van ons kent dus dit gedeelte

van beneden-Bolivia."

"Welnu, mevrouw Weldon, u en uwe reisgenooten, u zult een zonderling

land zien, dat zeer verschilt van de streken van Peru, Brazilië of

de Argentijnsche Republiek. Zijn bloemen- en dierenschat wekken de

verbazing op van den natuurkundige. Men kan met recht zeggen dat u op

een goede plaats schipbreuk hebt geleden, en als men ooit het toeval

mag dankzeggen...."

"'k Geloof liever dat het niet het toeval is, dat ons geleid heeft,

mijnheer Harris, maar God."

"Ja, ja, God!" antwoordde Harris, op den toon van iemand die niet veel

hecht aan de tusschenkomst der Voorzienigheid in de wereldsche zaken.

Daar dus niemand van den kleinen troep noch het land, noch zijn

voortbrengselen kende, maakte Harris er zich een waar genoegen van

om de vreemdste boomen van het woud op te noemen.

Het was waarlijk jammer dat neef Benedictus behalve entomoloog

ook niet botanist was! Had hij tot nog toe geen zeldzame of nieuwe

insecten gevonden, in plantenkunde zou hij prachtige ontdekkingen

gedaan hebben. Er was een rijkdom van planten en gewassen van allerlei

grootte, welks bestaan in de tropische wouden der Nieuwe-Wereld nog

niet vastgesteld had kunnen worden. Neef Benedictus zou anders zeker

zijn naam aan eenig voortbrengsel van het plantenrijk geschonken en

hem daardoor vereeuwigd hebben. Maar hij hield niet van de kruidkunde

en wist er ook niets van. Hij had zelfs, zeer natuurlijk, een afkeer

van bloemen, onder voorwendsel dat er waren die zich veroorloven de

insecten in haar bloemkronen op te sluiten en ze met haar giftige

sappen te dooden.

Het bosch was somtijds moerassig en overal met dunne waterstraaltjes

doorsneden, die door de kleine rivier gevormd werden. Eenige dezer

beken waren wat breeder, en konden slechts op sommige plaatsen

doorwaad worden.

Langs haar oevers groeiden bundels biezen, waaraan Harris den naam

van papyrus gaf. Hij vergiste zich niet en deze grasachtige planten

schoten in overvloed van onder den vochtigen waterkant uit.

Na het moeras, overdekte het dichte geboomte opnieuw de smalle paden

van het bosch.

Harris deed aan Mevr. Weldon en aan Dick Sand zeer schoone

ebbenhoutboomen opmerken, dikker dan de gewone ebbenboom en die zwarter

en harder hout opleveren dan het hout dat gewoonlijk in den handel

voorkomt. Verder waren het mangoboomen, die nog talrijk voorkwamen,

alhoewel zij vrij ver van de zee af waren. Zij waren als bekleed met

verfmos dat langs de stammen tot de takken opklom. Door hun dichte

schaduw, hun heerlijke vruchten, mochten zij met recht kostbare boomen

heeten en toch, zoo vertelde Harris, zou geen inlander er de soort

van durven voortplanten. "Die een mangoboom plant, sterft!" Dat was

de bijgeloovige machtspreuk van het land.

Op den middag van deze eerste dagreis, begon de kleine troep,

na een poos halt gehouden te hebben, een licht hellend terrein

te beklimmen. Het waren nog de hellingen niet van de keten op den

voorgrond, maar een soort van golvend bergvlak dat de vlakte met de

bergen verbond.

Daar zouden de iets minder dicht staande boomen, hier en daar in

groepen vereenigd, het gaan gemakkelijker gemaakt hebben, indien de

bodem niet met grasachtige planten bedekt was. Men zou zich daar in

de bamboes- en kreupelbosschen van Oost-Indië gewaand hebben. De

plantengroei scheen minder weelderig dan in de lage vallei van de

kleine rivier, maar toch nog weelderiger dan die der gematigde

luchtstreken van de Oude of de Nieuwe Wereld. De indigo groeide

er rijkelijk en volgens Harris ging deze plant met recht voor de

weelderigst groeiende plant van het land door. Niet zoodra werd er

een veld verlaten of deze woekerplant, die daar even veracht wordt

als de distel of netel bij ons, maakte er zich dadelijk meester van.

Eén boom scheen er in dit bosch te ontbreken, die in dit gedeelte

van het nieuwe vasteland zeer algemeen had moeten voorkomen. Het

was de caoutchouc-boom. Werkelijk zijn de "ficus prinoïdes," de

"castilloa elastica," de "cecropia peltato," de "collophora utilis,"

de "emeraria latifolia," en vooral de "syphonia elastica," die tot

verschillende familiën behooren, in de provinciën van Zuid-Amerika

rijkelijk voorhanden. En toch zag men er--vreemd genoeg--geen enkele.

Nu had Dick Sand juist aan zijn kleinen vriend Jack beloofd hem

caoutchouc-boomen te laten zien. Hoe groot was dus nu de teleurstelling

voor den kleinen jongen, die zich verbeeldde dat de kalbasflesschen,

de sprekende poppen, de gelede hansworsten en de elastieke ballen, heel

natuurlijk aan die boomen groeiden. Hij beklaagde er zich bitter over.

"Geduld maar, mannetje!" zei Harris tot hem. "We zullen van die

caoutchoucfiguren bij honderden, in den omtrek der hacienda vinden!"

"Van die mooie, echt elastieke?" vroeg de kleine Jack.

"Zoo elastiek mogelijk.--Maar kom, wil ik je al vast eens een lekkere

vrucht geven om je dorst te lesschen?"

En dit zeggende plukte Harris van een boom eenige vruchten die zoo

saprijk als perziken waren.

"Is u wel zeker, mijnheer Harris," vroeg Mevr. Weldon, "dat deze

vrucht niet ongezond is?"

"'k Zal u geruststellen, mevrouw," antwoordde de Amerikaan die met

smaak in een van deze vruchten beet. "'t Is een mango."

En zonder zich langer te bedenken, volgde de kleine Jack het voorbeeld

van Harris. Hij verklaarde dat "die peren" zeer lekker waren, zoodat

de boom dadelijk schatting moest betalen.

Deze mangoboomen behooren tot de soort welker vruchten in Maart

en April rijp zijn, terwijl andere het eerst in September zijn,

en bijgevolg waren hun mango's juist goed.

"Ja! dat 's lekker!" zei de kleine Jack, met den mond vol. "Maar mijn

vriend Dick heeft me caoutchouc-speelgoed beloofd, als ik zoet was,

en nu wil ik het hebben!"

"Je zult het hebben, Jack," antwoordde Mevr. Weldon, "mijnheer Harris

belooft het u immers.

"Maar dat is 't niet alleen," hernam Jack, "mijn vriend Dick heeft

me nog meer beloofd!"

"Wat heeft je vriend Dick je dan nog meer beloofd?" vroeg Harris

glimlachende.

"Vliegenvogeltjes, mijnheer."

"En je zult vliegenvogeltjes ook hebben, mijn ventje, maar verder

op.... verder!" antwoordde Harris.

Nu had de kleine Jack werkelijk het recht eenige van die bekoorlijke

kolibrietjes te vorderen, want hij bevond zich in een land waar zij in

overvloed moesten voorkomen. De Indianen, die de kunst verstaan hun

veeren te vlechten, hebben de dichterlijkste namen aan deze juweelen

van vogeltjes gegeven. Zij noemen ze of de "stralen" of "de haren der

zon." Hier is het "de kleine koning der bloemen," daar, "de hemelsche

bloem, die in haar vlucht de aardsche bloem komt liefkoozen." Dan weder

noemen zij den kolibri "de bundel edelgesteenten, die in de stralen

der zon schittert!" Men kan zelfs aannemen dat hun verbeelding voor

ieder der honderd vijftig soorten waaruit dit bewonderenswaardige

geslacht der kolibries bestaat een nieuwe dichterlijke benaming heeft

weten te vinden.

Hoe talrijk nu evenwel deze vliegenvogeltjes in de bosschen van Bolivia

hadden moeten zijn, moest de kleine Jack zich vooralsnog met de belofte

van Harris vergenoegen. Volgens den Amerikaan was men nog te dicht

bij de kust en hielden de kolibries niet van deze woeste streken, zoo

dicht bij den Oceaan. De tegenwoordigheid van den mensch verschrikte

ze niet en in de hacienda hoorde men den ganschen dag niets anders,

dan hun geschreeuw van "téretére", en het gegons hunner vleugels,

gelijk aan dat van een spinnewiel.

"O! hoe graag was ik er al!" riep de kleine Jack uit.

Het zekerste middel spoedig aan de hacienda van San-Felice te zijn,

was zich onderweg niet op te houden. Mevr. Weldon en haar reisgenooten

besteedden dus slechts den kortst mogelijken tijd aan den slaap.

Het bosch veranderde reeds van gedaante. Hier en daar vertoonden

zich reeds open plekken tusschen het minder dichte geboomte. De

bodem, die nu en dan door het grastapijt heendrong, vertoonde nu

zijn samenstelling uit rooskleurig graniet, gelijk aan vakken

lapis-lazuli. Op eenige hoogten woekerden de salsaparrilla

(steekwinde), een plant met vleeschachtige knollen, die een

onbegrijpelijke verwarde massa vormden. Dan was het bosch met zijn

smalle voetpaden ver te verkiezen.

Vóór het ondergaan der zon bevond zich de kleine troep op ongeveer

acht mijlen van het punt waarvan zij vertrokken was. Deze tocht was

zonder eenige bijzondere gebeurtenis en zelfs zonder groote vermoeienis

afgelegd geworden. Weliswaar was het de eerste dagreis en de volgende

marschen zouden ongetwijfeld vermoeiender zijn.

Met algemeen goedvinden besloot men op deze plaats halt te houden. Zij

wilden nu geen eigenlijk kamp inrichten, maar eenvoudig een plek

in orde brengen om te rusten. Eén man, die om de twee uur afgelost

werd, zou voldoende zijn om 's nachts wacht te houden, daar noch de

inlanders, noch de wilde dieren werkelijk te vreezen waren.

Men vond niets beters voor schuilplaats dan een kolossale mangoboom,

welks uitgebreide, zeer dichte takken een soort van natuurlijke

veranda vormden. Desnoods had men zich in zijn loof kunnen nestelen.

Alleenlijk deed zich bij de aankomst van den kleinen troep een

oorverdoovend concert in den top van den boom hooren.

De mangoboom diende tot verblijf van een gansche kolonie veelkleurige

papegaaien, babbelachtige, twistzieke, wreede vogels, die andere

levende vogels aanvallen, en waarin men zich als men ze wilde

beoordeelen naar haar familieleden die in Europa in kooien gehouden

worden, schromelijk zou bedriegen.

Deze papegaaien maakten zulk een geraas, dat Dick Sand er over dacht

een geweerschot op hen te lossen, om ze tot zwijgen te brengen of op

de vlucht te jagen. Maar Harris ried het hem af, onder voorwendsel

dat het beter was in deze eenzame streken zijn tegenwoordigheid door

de losbarsting van een vuurwapen niet te verraden.

"Laten we ons stil houden," zei hij "dan hebben we geen gevaar te

vreezen."

Terstond hield men zich nu bezig met het bereiden van den avondmaaltijd

zonder dat men zelfs noodig had tot het koken der spijzen over

te gaan. Het souper bestond namelijk uit ingemaakt voedsel en uit

beschuit. Een beekje dat zich door het gras kronkelde, verschafte

drinkbaar water, 't welk men echter niet dronk, zonder er eenige

druppels rum bijgevoegd te hebben. En wat het dessert betreft,

de mangoboom bood in overvloed zijn saprijke vruchten aan, die de

papegaaien evenwel niet lieten plukken zonder er door een vervaarlijk

geschreeuw tegen op te komen.

Toen het souper was afgeloopen, begon de avond te vallen. De duisternis

verhief zich langzaam van den grond naar den top der boomen, waarvan

het gebladerte zich weldra sterk tegen den nog helderen hemel

afteekende. De eerste sterren geleken op schitterende bloemen, die

aan het eind der hoogste takken glinsterden. De wind ging met den

naderenden nacht liggen en suisde niet meer in de twijgen. Zelfs de

papegaaien waren stom geworden. De natuur sliep in en noodigde alle

levende wezens uit, haar in haren diepen slaap te volgen.

De toebereidselen voor het nachtverblijf konden niet dan hoogst

eenvoudig zijn.

"Zouden we van nacht geen groot vuur aansteken?" vroeg Dick Sand

den Amerikaan.

"Waarom?" antwoordde Harris. "De nachten zijn gelukkig niet koud en

onze kolossale mangoboom zal den grond voor uitdamping bewaren. We

behoeven noch voor kou, noch voor vochtigheid bang te zijn. Nogmaals

zeg ik u, wat ik u straks zeide! Laten we ons incognito houden. Geen

vuur, noch geweervuur, of er moet nood zijn."

"Ik geloof nu ook wel," zei Mevrouw Weldon, "dat we niets van de

Indianen en zelfs van de woudloopers te vreezen hebben, waarvan u

ons vertelde, mijnheer Harris. Maar zijn er nog geen andere loopers,

op vier pooten, die het gezicht van een vuur op een afstand houdt?"

"Mevrouw Weldon," antwoordde de Amerikaan, "u doet de wilde dieren

van dit land te veel eer aan! Werkelijk zijn zij banger voor den

mensch dan deze voor hen!"

"We zijn in een bosch," zei Jack, "en er zijn altijd dieren in de

bosschen."

"Er zijn bosschen en bosschen, mijn jongen, zooals er dieren en dieren

zijn!" antwoordde Harris lachende. "Verbeeld je dat je in een groot

park bent. Inderdaad zeggen de Indianen niet zonder reden van dit land:

'Es como el paradiso!' Het is als een aardsch paradijs!"

"Zouden er dan ook geen slangen zijn?"

"Neen, Jack, er zijn geen slangen, je kunt gerust slapen," antwoordde

Mevr. Weldon.

"En leeuwen dan?" vroeg Jack.

"Geen schaduw van leeuwen mannetje!" antwoordde Harris.

"Tijgers dan?"

"Vraag eens aan je Mama, of ze ooit gehoord heeft dat er tijgers in

dit land zijn."

"Nooit," antwoordde Mevr. Weldon.

"Nu goed!" zei neef Benedictus, die bij toeval op de hoogte van

het gesprek was, "al zijn er dan geen tijgers of geen leeuwen in de

Nieuwe-Wereld, wat volkomen waar is, dan vindt men er toch conguars

en jaguars."

"Zijn die ondeugend?" vroeg de kleine Jack.

"Ondeugend?" antwoordde Harris, "één inlander durft die dieren wel

aanvallen en wij zijn niet zoo velen,--Hercules alleen is sterk genoeg

om twee jaguars tegelijk te verbrijzelen, een met elke hand!"

"Zal je goed oppassen, Hercules," zei toen de kleine Jack, "en als

je een beest ziet dat komt om ons te bijten...."

"Dan zal ik het bijten, mijnheer Jack!" antwoordde Hercules, zijn

mond met prachtige tanden gewapend, openend.

"Ja, je zult oppassen, Hercules," zei de leerling, "maar je kameraden

en ik, we zullen je om beurten aflossen."

"Neen, mijnheer Dick," antwoordde Actéon. "Hercules, Bat, Austin en

ik, we kunnen dat werk met ons vieren best af, u gaat den geheelen

nacht maar gerust slapen."

"'k Dank u, Actéon," antwoordde Dick Sand, "maar ik moet...."

"Neen! Laat die goede menschen doen zooals ze willen, waarde Dick!" zei

toen Mevr. Weldon.

"Ik zal ook de wacht houden!" voegde de kleine Jack er nog bij,

wiens oogleden zich reeds sloten.

"Ja, ja, Jack jij zult ook de wacht houden!" antwoordde zijn moeder

die hem niet wilde tegenspreken.

"Maar," zei de kleine jongen toen weder, "al zijn er geen leeuwen en

al zijn er geen tijgers in het bosch, dan zijn er toch wel wolven!"

"'t Zijn er ook wolven naar!" antwoordde de Amerikaan, "'t Zijn zelfs

geen wolven, maar een soort van vossen, of liever van die boschhonden

die men 'guara's' noemt.

"En die guara's, die bijten dan toch?" vroeg de kleine Jack.

"Kom, kom! Dingo zou die beesten in eens ophappen!"

"'t Doet er niet toe," antwoordde Jack, al geeuwende, "guara's zijn

toch wolven, omdat men ze wolven noemt!"

En daarop sliep Jack gerust in, in de armen van Nan, die tegen den stam

van den mangoboom zat geleund. Mevr. Weldon, bij haar uitgestrekt,

gaf haren kleinen jongen nog een kus en ook hààr vermoeide oogen

sloten zich weldra.

Eenige oogenblikken later bracht Hercules neef Benedictus naar

de rustplaats terug; hij was juist weggeslopen om een jacht op de

"cocuyo's" of vuurvliegen te beginnen, die de elegante dames in het

haar dragen, als zooveel levende edelgesteenten. Deze insecten, die een

helder, blauwachtig licht verspreiden uit twee onder hun borstschild

gelegen vlekjes, zijn zeer talrijk in Zuid-Amerika. Neef Benedictus

meende er dus een goeden voorraad van op te doen; maar Hercules liet

er hem den tijd niet toe, en bracht hem, ondanks zijn tegenstribbelen,

naar de halte terug. Want als Hercules een consigne had, dan bracht hij

het op militaire wijze ten uitvoer,--'t geen voorzeker een aanzienlijk

aantal lichtvliegen van gevangenschap redde in de blikken bus van

den entomoloog.

Eenige oogenblikken later waren allen, uitgenomen de reus die de

wacht hield, gerust ingeslapen.

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

HONDERD MIJLEN IN TIEN DAGEN.

Gewoonlijk worden de boschreizigers of woudloopers, die in de bosschen

onder den blooten hemel geslapen hebben, gewekt door een fantastisch

en onaangenaam gehuil. Er is van alles in dit morgenconcert, gekakel,

geknor, gekras, gegrinnik, geblaf en bijna "gepraat", als men dat zoo

noemen mag, dat de reeks van al deze verschillende geluiden besluit.

Het zijn de apen, die op deze wijze het begin van den dag in het

woud begroeten. Daar ontmoet men de kleine "marikina", de gestreepte

meerkat, de "grijze mono", wiens huid de Indianen gebruiken om het

slot hunner geweren te bedekken, de sagoe's, herkenbaar aan hunne twee

lange haarbossen en nog vele andere soorten van die talrijke familie.

Van al die vierhandige dieren zijn de "guéribas", met den grijpstaart

en het Beëlzebub-gezicht ontegenzeglijk de merkwaardigste. Zoodra de

zon opkomt, heft de oudste van den troep met indrukwekkende en sombere

stem een eentonig psalmgezang aan. Hij is de bariton van de bende. De

jonge tenors herhalen na hem de morgen-symphonie. De Indianen zeggen

dan dat de guériba's "hun paternosters opzeggen".

Maar dien morgen scheen het dat de apen hun gewoon gebed niet deden,

want men hoorde ze niet en toch hebben zij een vèr klinkende stem,

want het geluid ontstaat door de snelle trilling van een soort van

beenachtige trommel, gevormd door een uitzetting van het tongbeen.

In één woord, wegens de een of andere reden hielden noch de guériba's,

noch de sagoe's, noch de andere vierhandige dieren van dat onmetelijke

woud dien morgen hun gewoon concert.

Dat zou den zwervenden Indianen niet bijzonder bevallen zijn. Niet

omdat deze inboorlingen zoo bijzonder gesteld zijn op deze soort

van koraalmuziek, maar omdat zij gaarne jacht maken op de apen,

wier vleesch, vooral gekookt, uitmuntend is.

Dick Sand en zijn reisgenooten waren zeker niet bekend met deze

gewoonten der guériba's, want dan zou het voor hen een reden tot

verwondering geweest zijn ze niet te hooren. Zij ontwaakten dus de

een na den ander, verkwikt door die weinige uren slaap, die door geen

enkel alarm was gestoord geworden.

De kleine Jack was niet de laatste om zich uit te rekken. Zijn eerste

vraag was of Hercules 's nachts ook een wolf had opgegeten. Geen wolf

had zich vertoond en bijgevolg had Hercules nog niet ontbeten.

Dit was trouwens met allen het geval en na het morgengebed hield Nan

zich bezig met het toebereiden van den maaltijd.

De spijskaart was dezelfde als die van het souper van den vorigen dag,

maar met den eetlust, die door de morgenlucht van het bosch gescherpt

was, dacht niemand er aan om in dit opzicht lastig te zijn. Het was

vóór alles noodig kracht op te doen voor een flinken dagmarsch en dit

werd dan ook terecht door allen begrepen. Voor het eerst misschien

snapte neef Benedictus dat eten geen onverschillige of nuttelooze

verrichting van het leven was. Alleen verklaarde hij dat hij dit land

niet was komen "bezoeken", om er met de handen in de zakken in rond

te wandelen en dat, zoodra Hercules hem weer belette jacht te maken op

de cocuyo's en andere vuurvliegen, Hercules met hem, neef Benedictus,

zou te doen hebben.

Deze bedreiging scheen den reus nog al geen bijzondere vrees in te

boezemen. Evenwel nam Mevr. Weldon hem ter zijde en zeide hem dat

hij haar groot kind maar wat rechts en links moest laten rondloopen,

maar hem toch niet uit het oog verliezen. Men diende neef Benedictus

niet geheel en al de genoegens te onthouden, op zijn leeftijd zoo

natuurlijk.

Ten zeven ure 's morgens hernam de kleine troep den weg naar het oosten

en behield daarbij dezelfde orde in het marcheeren als den vorigen dag.

Nog altijd niets dan bosch. Op dien maagdelijken grond waar warmte

en vochtigheid zich vereenigden om den plantengroei sneller te doen

ontwikkelen, was het wel te denken dat het plantenrijk zich in al zijn

rijkdom zou voordoen. De parallel van dat uitgestrekte bergvlak liep

bijna ineen met de tropische breedten en de zon schoot er gedurende

eenige maanden van den zomer haar loodrechte stralen. Er was dus

een ontzaglijke warmtevoorraad in de terreinen opgestapeld, welker

ondergrond vochtig bleef. Ook was er niets prachtiger om te aanschouwen

dan die opeenvolging van bosschen of liever dat eindelooze woud.

Toch had Dick Sand het volgende opgemerkt, namelijk dat men zich in de

streek der pampa's bevond. Nu is pampa een woord uit de taal "quichna",

dat "vlakte" beteekent. En, indien zijn geheugen hem niet bedroog,

meende hij zich te herinneren dat die vlakten de volgende kenmerken

aanboden: gebrek aan water, afwezigheid van boomen, gemis aan steenen;

verder een weelderigen overvloed van distels in het regenseizoen,

distels, die in het warme jaargetijde struiken worden en alsdan

ondoordringbare kreupelbosschen vormen, dan ook dwergboompjes,

doornachtige struiken, wat vereenigd, aan deze vlakten een dor en

woest voorkomen verleent.

Nu was dit, sedert de kleine troep onder het geleide van den Amerikaan

het kustland verlaten had, geenszins het geval. Altoos bleef het woud

zich tot de grenzen van den horizon uitstrekken. Dat kon onmogelijk

de pampa zijn zooals de leerling zich die had voorgesteld. Had het

dan werkelijk de natuur behaagd om, zooals Harris gezegd had, een

afzonderlijke streek te maken van die hoogvlakte van Atacama, waarvan

hij overigens niets anders wist dan dat zij een der uitgestrektste

woestijnen van Zuid-Amerika, tusschen de Andes en de Stille Zuidzee

vormde?

Dick Sand wierp dienzelfden dag eenige vragen over dit onderwerp op

en gaf den Amerikaan zijn verwondering over dit zonderling voorkomen

der pampa te kennen.

Maar hij werd dadelijk door Harris uit den waan geholpen, die hen over

dit gedeelte van Bolivia de nauwkeurigste bijzonderheden mededeelde

en daardoor bewijzen gaf van zijn groote kennis van het land.

Een Kapitein van Vijftien Jaar De Walvischjagers · 第 12 / 16 段