levendig oog, grijzende haren en baard, een verweerde gelaatskleur
als van iemand die altijd in de open lucht, in de bosschen of op de
vlakte gezworven heeft. Een soort van kiel van gelooid leder diende
hem voor buis of jas, een breedgerande hoed bedekte zijn hoofd,
leeren laarzen reikten hem tot boven de knie en sporen met groote
wieltjes weerklonken aan de hooge hielen.
Dick Sand zag dadelijk, 't geen ook werkelijk het geval was, dat hij
niet een van die Indianen, gewone zwervers der pampa's, voor zich had,
maar een van die avonturiers van vreemd bloed, gewoonlijk niet veel
bijzonders, die men menigmaal in verafgelegen streken ontmoet. Het
scheen zelfs, aan zijn stijve houding, aan de roodachtige kleur van
eenige baardharen dat deze onbekende van anglo-saxische oorsprong
moest zijn. In dat geval was hij noch Indiaan, noch Spanjaard.
En dat bleek werkelijk zoo te zijn, toen hij Dick Sand, die hem in
't Engelsch zei "wees welkom!" in dezelfde taal zonder eenig vreemd
accent antwoordde.
"Wees ook gij welkom, jonge vriend," zei de onbekende, naar den
leerling toekomende, wiens hand hij drukte.
Wat de zwarten aangaat, vergenoegde hij zich met hun een gebaar te
maken, zonder het woord tot hen te richten.
"Zijt gij Engelschen?" vroeg hij den leerling.
"Amerikanen," antwoordde Dick Sand.
"Van het Zuiden?"
"Van het Noorden."
Dit antwoord scheen den onbekende te bevallen, die de hand van den
jongeling nog krachtiger en ditmaal goed op zijn Amerikaansch schudde.
"En mag ik weten jonge vriend," vroeg hij, "hoe ge u op deze kust
bevindt?"
Maar op dit oogenblik, nam de onbekende den hoed af en groette,
zonder te wachten dat de leerling zijn vraag beantwoord had.
Mevr. Weldon was tot aan den oever genaderd en stond toen tegenover
hem.
Zij was het die zijn vraag beantwoordde.
"Mijnheer," zeide zij, "we zijn schipbreukelingen wier schip gisteren
op die klippen verbrijzeld is!"
Een gevoel van medelijden was duidelijk op het gelaat van den
onbekende te lezen, wiens blikken het vaartuig zochten dat op het
strand was gezet.
"Er is niets meer van ons schip overgebleven!" voegde de leerling er
bij. "De branding heeft het van nacht geheel vernield."
"En onze eerste vraag," hernam Mevr. Weldon, "zal zijn waar we ons
bevinden."
"Maar weet u dan niet dat dit de kust van Zuid-Amerika is?" antwoordde
de onbekende, die verwonderd scheen over de vraag. "Hadt u eenigen
twijfel hieromtrent?"
"Ja, mijnheer, want de stroom heeft ons van onzen weg doen afwijken,
dien ik niet met de noodige juistheid heb kunnen opnemen," antwoordde
Dick Sand. "Maar 'k wilde nog wel wat nauwkeuriger weten waar we
zijn. Zijn we niet op de kust van Peru?"
"Neen, mijn jonge vriend, neen! Een beetje zuidelijker. Ge hebt op
de Boliviaansche kust schipbreuk geleden."
"O!" was de verbaasde uitroep van Dick Sand.
"En nog wel op dat zuidelijk gedeelte van Bolivia dat aan Chili
grenst."
"En welke kaap is dat dan?" vroeg Dick Sand, op het noordelijk
voorgebergte wijzende.
"Ik kan er u den naam niet van zeggen," antwoordde de onbekende,
"want al ken ik het binnenland vrij goed, omdat ik het zoo dikwijls
doorkruist heb, zoo bezoek ik voor de eerste maal dit strand."
Dick Sand dacht na over 't geen hij van den vreemdeling vernam. Het
verwonderde hem maar half, want zijn berekening had hem kunnen en
moeten bedriegen, wat de stroomen betrof; maar toch was de vergissing
niet onbelangrijk. Hij meende zich toch te bevinden ongeveer tusschen
de zeven en dertigste en dertigste parallel, volgens zijn verkenning
van het Paasch-eiland, en op de hoogte van de vijf-en-twintigste
parallel was hij gestrand. Het was volstrekt niet onmogelijk dat de
_Pelgrim_ op zulk een lange reis betrekkelijk zoo weinig ter zijde
was afgedreven.
Bovendien hadden zij volstrekt geen reden om de mededeelingen van
den onbekende in twijfel te trekken, en daar deze kust die van
Beneden-Bolivia was, was er niets vreemds in gelegen dat zij zoo
verlaten was.
"Mijnheer," zei toen Dick Sand, "ik moet uit uw antwoord besluiten
dat we hier vrij ver van Lima af zijn."
"Ohé! Lima ligt ver.... daarheen! in het noorden!"
Mevr. Weldon die eerst vrij wantrouwig was, wegens de verdwijning
van Negoro, nam den vreemdeling met de grootste attentie op, maar zij
kon noch in zijn houding, noch in zijn wijze om zich uit te drukken,
iets ontdekken, dat zijn goede trouw kon doen betwijfelen.
"Mijnheer," zeide zij, "ik hoop niet dat u mijn vraag indiscreet zal
voorkomen.... u schijnt niet van Peruviaanschen oorsprong te zijn?"
"Ik ben een Amerikaan zooals u, mevrouw....!" zeide de onbekende,
die een oogenblik wachtte totdat de Amerikaansche hem haar naam
deed kennen.
"Mevrouw Weldon," antwoordde deze.
"Mijn naam is Harris, en ik ben geboren in Zuid-Carolina. Maar 't
zal nu twintig jaar geleden zijn dat ik mijn land verliet, om naar
de pampa's van Bolivia te gaan, en het doet me genoegen landgenooten
te ontmoeten."
"Bewoont u dit gedeelte der provincie, mijnheer Harris?" vroeg
Mevr. Weldon.
"Neen, mevrouw Weldon," antwoordde Harris, "ik woon in het Zuiden
op de Chiliaansche grens, maar, op dit oogenblik ga ik naar Atacama,
in het noord-oosten."
"Zijn we dan hier op den rand van de woestijn van dien naam?" vroeg
Dick Sand.
"Juist, mijn jonge vriend, en deze woestijn strekt zich ver aan de
andere zijde der bergen uit die zich aan den horizon vertoonen."
"De woestijn van Atacama?" herhaalde Dick Sand.
"Ja," antwoordde Harris. "Deze woestijn is zooveel als een land op
zich zelf in dit uitgestrekte Zuid-Amerika, waarvan het toch in vele
opzichten verschilt. Het is tegelijk het belangrijkste en het minst
bekende gedeelte van dit vasteland."
"En reist u er alleen naar toe?" vroeg Mevr. Weldon.
"O! 't Is niet de eerste keer dat ik die reis maak!" antwoordde de
Amerikaan. "Er is op tweehonderd mijlen van hier een aanzienlijke
hoeve, de hacienda van San-Felice, die het eigendom is van een mijner
broeders, naar wien ik mij voor mijn handel begeef. Als u met mij wilt
gaan, zult u er goed ontvangen worden, en de middelen van vervoer om
naar Atacama te reizen, zullen u daar niet ontbreken. Mijn broeder
zal ze u met genoegen verschaffen."
Dit aanbod uit eigen beweging gedaan, nam Mevr. Weldon zeer voor den
Amerikaan in, die zich nu tot haar richtte met de vraag:
"Zijn deze negers uw slaven?"
En hij wees op Tom en zijn kameraden.
"We hebben geen slaven meer in de Vereenigde Staten," antwoordde
Mevr. Weldon. "Het Noorden heeft sedert lang de slavernij afgeschaft,
en het Zuiden heeft het voorbeeld van het Noorden wel moeten volgen!"
"Dat's waar ook," antwoordde Harris. "Ik had vergeten dat de oorlog
van 1862 die ernstige vraag beslist heeft.--Ik hoop dat die brave
menschen 't me zullen vergeven," voegde Harris er bij met een zweem van
spotternij die een Amerikaan uit het Zuiden, tegen negers sprekende,
altijd laat doorschemeren. "Maar toen ik die heeren in uw dienst zag,
dacht ik...."
"Ze zijn niet en waren niet in mijn dienst, mijnheer," antwoordde
Mevr. Weldon ernstig.
"We zouden ons vereerd gevoelen u te dienen, mevrouw Weldon," zei toen
de oude Tom. "Maar, mijnheer Harris moet weten dat we aan niemand
toebehooren. Ik ben slaaf geweest, 't is waar en werd als slaaf in
Afrika verkocht toen ik nog maar zes jaar oud was, maar mijn zoon
Bat, die daar staat, is de zoon van een vrijgemaakten vader en onze
kameraden zijn allen uit vrije ouders geboren."
"Ik moet er u wel zeer geluk mee wenschen!" antwoordde Harris op een
toon dien Mevr. Weldon niet ernstig genoeg vond. "Ook op dezen grond
van Bolivia hebben we geen slaven. Ge hebt dus niets te vreezen en ge
kunt even vrij hier rondwandelen als in de Staten van Nieuw-Engeland."
Op dit oogenblik kwam de kleine Jack, gevolgd door Nan, de grot uit,
zich de oogen wrijvende.
Toen hij zijn moeder in 't oog kreeg, liep hij naar haar
toe. Mevr. Weldon omhelsde hem teeder.
"Wat een aardige, kleine jongen!" zei de Amerikaan.
"Dat's mijn zoon," antwoordde Mevr. Weldon.
"O! mevrouw Weldon, u moet u dubbel ongerust gemaakt hebben, nu uw
kind in al uw gevaren deelde!"
"God heeft hem gespaard, zoowel als ons, mijnheer Harris," antwoordde
Mevr. Weldon.
"Mag ik hem een kus op zijn gezonde wangen geven?" vroeg Harris.
"Gaarne," antwoordde Mevr. Weldon.
Maar "mijnheer Harris" scheen den kleinen Jack niet bijzonder te
bevallen, want hij drukte zich nog vaster tegen zijn moeder aan.
"Wat!" zei Harris, "wil je niet dat ik je kus! Ben je bang voor me,
mannetje?"
"Neem 't hem niet kwalijk, mijnheer," haastte zich Mevr. Weldon te
zeggen, "'t Is niets anders dan verlegenheid van hem."
"Nu, we zullen wel nader kennismaken!" antwoordde Harris. "Als we
maar eens op de hacienda zijn en hij een mooien pony van me krijgt
om op te rijden, zal hij wel veel van me houden!
"Maar het aanbod van den 'mooien pony' was evenmin geschikt om Jack
te streelen als het voorstel om zich door mijnheer Harris te laten
kussen."
Mevr. Weldon, die het hinderde dat Jack zoo onaardig was, haastte
zich het gesprek op iets anders te brengen Men moest oppassen den
man niet te kwetsen, die zoo beleefd zijn diensten had aangeboden.
Dick Sand dacht intusschen over het voorstel na, dat hun zoo
ter rechter tijd gedaan werd, om de hacienda van San-Felice te
bereiken. Het was, zooals Harris gezegd had, een tocht van meer dan
twee honderd mijlen, nu eens door bosschen, dan weder door vlakten,
een zeer vermoeiende reis ongetwijfeld, omdat de middelen van vervoer
volstrekt ontbraken.
De jeugdige leerling maakte dus eenige opmerkingen in dit opzicht en
wachtte het antwoord af dat de Amerikaan hierop zou geven.
"'t Is waar, de reis is wat lang," antwoordde Harris, "maar 'k heb
daar op een honderd of wat schreden van den oever een paard dat ik
ter beschikking van mevrouw Weldon en haar zoon wilde stellen. Wat
ons betreft, voor ons is er niets bezwarends en zelfs niet veel
vermoeiends in gelegen den weg te voet af te leggen en als ik van
twee honderd mijlen spreek, wil ik daarmede zeggen door den loop dezer
rivier te volgen, zooals ik 't al eens gedaan heb. Maar, als we onzen
weg dwars door het bosch namen, zou dit den afstand minstens tachtig
mijlen verkorten. Als we dan tien mijlen per dag maakten, dunkt me
dat we de hacienda zonder veel moeite zouden bereiken."
Mevr. Weldon dankte den Amerikaan.
"U kunt me niet beter bedanken dan door mijn voorstel aan te nemen,"
antwoordde Harris. "'k Heb wel nooit dit bosch doorkruist maar ik
geloof toch wel er mijn weg in te zullen vinden, omdat ik zoo gewoon
ben in de pampa te reizen. Maar er is een ernstiger zaak te bespreken,
die der levensmiddelen namelijk. Ik heb slechts het hoog noodige om
de hacienda van San-Felice te bereiken...."
"Wat dat aangaat, mijnheer Harris," antwoordde Mevr. Weldon, "we hebben
gelukkig meer dan genoeg levensmiddelen en 't zal ons genoegen doen
ze met u te deelen."
"Als dat zoo is, mevrouw Weldon, dunkt me dat alles zich best zal
schikken en we maar vertrekken moesten."
Harris wilde nu zijn paard gaan halen op de plaats waar hij het gelaten
had, toen Dick Sand hem nog even ophield om hem een vraag te doen.
Het beviel den jeugdigen leerling niet bijzonder, de kuststreek te
verlaten, om zoover in het binnenland door te dringen. De zeeman kwam
bij hem boven en hij had liever de reis langs de kust genomen.
"Mijnheer Harris," zeide hij, "waarom, in plaats van honderd twintig
mijlen in de woestijn van Atacama af te leggen, niet liever de kust
gevolgd? Was het niet beter de dichtstbij zijnde stad te bereiken,
het zij ten noorden, hetzij ten zuiden?"
"Maar, mijn jonge vriend," antwoordde Harris, het voorhoofd licht
fronsende. "'k geloof niet dat er op een afstand van drie of vier
honderd mijlen een stad op deze kust is, die ik--het is waar--zeer
weinig ken."
"Ten noorden, ja," antwoordde Dick Sand, "maar ten zuiden?...."
"Ten zuiden," hernam de Amerikaan, "zouden we tot Chili de kust
moeten afzakken. Nu is die afstand bijna even ver, en in uw plaats
zou ik liever niet langs de pampa's van de Argentijnsche Republiek
willen reizen. Wat mij betreft, tot mijn groote spijt, zou ik u niet
kunnen vergezellen."
"Gaan dan de schepen, die van Chili naar Peru varen, niet in 't
gezicht van deze kust voorbij?" vroeg daarop Mevr. Weldon.
"Neen," antwoordde Harris. "Zij kiezen liever het ruime sop en u hebt
er ook zeker geen ontmoet."
"Dat is ook zoo," antwoordde Mevr. Weldon."--"Nu, Dick, heb je nog
iets aan mijnheer Harris te vragen?"
"Nog een enkele vraag, mevrouw Weldon," antwoordde de leerling, die
noode toestemde, "'k Wilde mijnheer Harris nog vragen in welke haven
hij denkt dat we een schip kunnen vinden om naar San-Francisco terug
te keeren?"
"Dat zou ik u waarlijk niet kunnen zeggen, mijn jonge vriend,"
antwoordde de Amerikaan. "Alles wat ik weet, is dat we u op de hacienda
van San-Felice de middelen zullen verschaffen de stad Atacama te
bereiken, en van daar...."
"Mijnheer Harris," zei nu Mevr. Weldon, "meen niet dat Dick Sand
aarzelt uw aanbod aan te nemen!"
"Neen, mevrouw Weldon, neen, ik aarzel niet," antwoordde de leerling,
"maar 't spijt me zoo dat we niet eenige graden meer ten noorden of
ten zuiden gestrand zijn! We zouden dan dichter bij een haven geweest
zijn en door deze omstandigheden niet hebben behoeven gebruik te maken
van den goeden wil van mijnheer Harris, omdat we dan gemakkelijker
naar ons vaderland hadden kunnen terugkeeren."
"Beschik vrij over mij, mevrouw Weldon," hernam Harris. "Ik zeg nog
eens, dat ik maar al te zelden in de gelegenheid ben eens landgenooten
te ontmoeten. 't Is voor mij een wezenlijk genoegen u te verplichten."
"We nemen uw aanbod aan, mijnheer Harris," antwoordde Mevr. Weldon,
"maar 'k zou u toch niet gaarne van uw paard willen berooven. 'k Ben
een goede voetgangster...."
"En ik een zeer goede voetganger," antwoordde Harris buigende, "'k Ben
aan lange marschen door de pampa's gewoon en ik zal geen vertraging
in onze karavaan brengen. Neen, mevrouw Weldon, u en uw kleine Jack
zult u van dat paard bedienen. 't Is trouwens ook mogelijk dat we
onderweg eenige bedienden van de hacienda ontmoeten, en daar deze
gewoonlijk te paard zitten, kunnen ze ons hunne paarden afstaan."
Dick Sand zag nu zeer goed in, dat hij door nieuwe tegenwerpingen te
maken Mevr. Weldon geen pleizier zou doen.
"Wanneer vertrekken we, mijnheer Harris?" vroeg hij.
"Van daag nog, mijn jonge vriend," antwoordde Harris. "De regentijd
begint met April en we moeten het mogelijke doen om vóór dien tijd
de hacienda van San-Felice te bereiken. De weg door het woud is
nog de kortste en misschien ook de veiligste. Hij is minder dan
de kust blootgesteld aan de invallen der zwervende Indianen, die
onverbeterlijke plunderaars zijn."
"Tom, mijn vrienden," zei nu Dick Sand zich tot de negers wendende,
"er blijft ons nu slechts over de toebereidselen tot het vertrek
te maken. Kiest dus uit den scheepsvoorraad, wat het gemakkelijkst
te vervoeren is, en laten we pakken maken, waarvan ieder zijn deel
moet dragen."
"Mijnheer Dick," zei Hercules, "als u 't wilt, zal ik alles wel
dragen!"
"Neen, mijn brave Hercules!" antwoordde de leerling, "'t Is beter
dat we den last onder ons verdeelen."
"Je bent een stevige kameraad, Hercules," zei toen Harris, die den
neger mat alsof deze te koop ware geweest. "Je zoudt veel opgebracht
hebben op de markten van Afrika!"
"'t Is mogelijk dat ik veel zou kosten," antwoordde Hercules lachende,
"maar de koopers zouden hard moeten loopen, als ze me vangen wilden!"
Alles was nu afgesproken en om het vertrek te verhaasten, zette ieder
zich aan 't werk. Men had slechts zooveel voorraad voor den kleinen
troep mede te nemen als noodig was voor de reis van de kust naar de
hacienda, namelijk slechts voor een tiental dagen.
"Maar, voordat we vertrekken, mijnheer Harris," zeide Mevr. Weldon,
"voordat we van uw gastvrijheid gebruik maken, wilde ik u verzoeken
de onze aan te nemen. We bieden haar u van harte aan!"
"Dat neem ik aan, mevrouw Weldon, volgaarne!" antwoordde Harris
opgeruimd.
"Binnen eenige minuten zal ons ontbijt klaar zijn."
"Goed, mevrouw Weldon. Ik maak me die tien minuten ten nutte om mijn
paard te gaan halen. Hij zal wel ontbeten hebben...."
"Wilt u dat ik met u mee ga, mijnheer?" vroeg Dick Sand den Amerikaan.
"Zooals ge wilt, mijn jonge vriend," antwoordde Harris. "Kom! Ik zal
u den loop dezer rivier leeren kennen."
Beiden vertrokken.
Gedurende dien tijd werd Hercules uitgezonden om den entomoloog op te
zoeken. Neef Benedictus verontrustte zich waarlijk wel over 't geen
rondom hem voorviel! Hij zwierf op dat oogenblik op den top van het
rotsachtige strand en zocht naar een insect dat niet te vinden was
en dat hij dan ook trouwens niet vond.
Hercules nam hem tegen wil en dank mee. Mevr. Weldon vertelde hem
dat het vertrek bepaald was en dat ze nu een tiental dagen in het
binnenland zouden reizen.
Neef Benedictus antwoordde dat hij gereed was om te vertrekken en
dat hij met pleizier geheel Amerika wilde doorkruisen als men hem
onderweg maar liet verzamelen.
Mevr. Weldon hield zich daarop bezig, om met behulp van Nan een
krachtig maal gereed te maken. Een goede voorzorg alvorens zich op
weg te begeven.
In dien tijd was Harris, vergezeld van Dick Sand, den hoek der rotsen
omgegaan. Zij volgden den oever een drie honderd schreden ver. Op
een zeker punt aangekomen, liet een paard, aan een boom gebonden,
bij de nadering van zijn meester, een vroolijk gehinnik hooren.
Het was een krachtig dier, van een ras dat Dick Sand niet kende. Met
zijn langen hals, zijn korte lenden en uitgestrekt kruis, zijn
platte schouders, zijn bijna gebocheld voorhoofd, bood dit paard de
onderscheidingskenmerken aan van Arabischen oorsprong.
"Ge ziet, mijn jonge vriend," zei Harris, "dat het een krachtig dier
is, en ge kunt er op rekenen dat hij ons onderweg niet in den steek
zal laten."
Harris maakte zijn paard los, nam het bij den toom en klom van
den steilen oever weder naar omlaag, terwijl hij Dick Sand hierbij
voorging. Deze had een vluchtigen blik geworpen, zoowel op de rivier
als op het bosch dat haar beide oevers omzoomde. Doch hij zag niets
dat hem kon verontrusten.
Toen hij zich wederom bij den Amerikaan gevoegd had, deed hij hem
evenwel plotseling de volgende vraag, die deze moeilijk had kunnen
verwachten.
"Hebt u van nacht geen Portugees ontmoet, mijnheer Harris, die zich
Negoro noemde?"
"Negoro?" antwoordde Harris op een toon van iemand die niet begrijpt
wat men wil zeggen. "Wat is er dat voor een, die Negoro?"
"Dat was de scheepskok," antwoordde Dick Sand, "en hij is eensklaps
verdwenen."
"Verdronken misschien?" zei Harris.
"Neen, neen!" antwoordde Dick Sand. "Gisteren avond was hij nog bij
ons, maar van nacht heeft hij ons verlaten en zich waarschijnlijk
langs den oever der rivier uit de voeten gemaakt. Daarom vroeg ik of u,
die van dezen kant gekomen is, hem niet ontmoet hebt?"
"'k Heb niemand ontmoet," antwoordde de Amerikaan, "en als uw kok zich
alleen in het bosch gewaagd heeft, is er veel kans dat hij verdwaald
is. Misschien nemen we hem onderweg wel op?"
"Ja.... misschien!" antwoordde Dick Sand.
Bij hun terugkomst vonden zij het ontbijt gereed. Het bestond als
het maal van den vorigen avond, uit ingemaakte voedingsmiddelen,
pekel-vleesch en beschuit. Harris deed er eer aan als iemand dien de
natuur met een flinken eetlust begiftigd heeft.
"Kom, kom," zeide hij, "ik zie dat we onderweg niet van honger zullen
omkomen! Dat zal ik niet zeggen van dien armen Portugees, van wien
onze jonge vriend me verteld heeft."
"O!" riep Mevr. Weldon uit, "heeft Dick Sand u gezegd dat we Negoro
niet terug gezien hebben?"
"Ja, mevrouw Weldon," antwoordde de leerling, "'k Wilde eens hooren
of mijnheer Harris hem niet ontmoet had."
"Neen," antwoordde Harris. "Laten we dus dien deserteur, waar hij
is, en houden we ons alleen met het vertrek bezig!--Als 't u blieft,
mevrouw Weldon!"
Ieder nam het pak op dat voor hem bestemd was. Herkules hielp
Mevr. Weldon te paard en de ondankbare kleine Jack, met zijn geweer
aan den schouderriem, zette zich schrijlings, zonder er zelfs aan te
denken den man te bedanken, die zulk een uitmuntend rijdier te zijner
beschikking stelde.
Jack, vóór zijn moeder geplaatst, zeide haar toen dat hij het "paard
van den mijnheer" zeer goed mennen kon.
Men gaf hem dus den teugel in handen, en natuurlijk twijfelde hij
geen oogenblik of hij was het hoofd der karavaan.
ZESTIENDE HOOFDSTUK.
ONDERWEG.
Niet zonder eenige bezorgdheid,--die trouwens door niets
gerechtvaardigd scheen,--drong Dick Sand, op driehonderd schreden
van den steilen oever der rivier, in het dichte woud door, welks
moeielijke voetpaden door hem en zijn metgezellen tien dagen lang
gevolgd zouden worden.
Integendeel was Mevr. Weldon, zij, die als vrouw en moeder, dubbele
reden had zich ongerust te maken, vol vertrouwen.
Zij had twee zeer ernstige redenen om gerust te zijn: vooreerst werd
deze streek der pampa's niet onveilig gemaakt door inboorlingen, noch
door wilde dieren; vervolgens, omdat men onder de leiding van Harris,
een gids zoo zeker van zich zelven als de Amerikaan scheen te zijn,
niet bevreesd hoefde zijn te verdwalen.
De marschorder, die zooveel mogelijk gedurende de reis moest
gehandhaafd worden, was de volgende:
Aan het hoofd van den kleinen troep hadden zich Dick Sand en Harris
gesteld, beiden gewapend, de een met zijn lang geweer, de ander met
zijn remmington.
Daarna kwamen Bat en Austin, insgelijks gewapend ieder met een geweer
en een hartsvanger.
Achter hen volgden Mevr. Weldon en de kleine Jack te paard; daarna
Nan en Tom.
Achteraan werd de marsch gesloten door Actéon, gewapend met een vierde
remmington-geweer en door Herkules met een bijl in den gordel.
Dingo liep heen en weer en zooals Dick Sand deed opmerken, altijd als
een hond die een spoor zocht. Sedert de schipbreuk van de _Pelgrim_
den hond op deze kust had geworpen, was hij in zijn wijze van doen
geheel veranderd. Hij scheen onrustig en bijna onophoudelijk liet hij
een dof gebrom hooren, eer klaaglijk dan woedend. Hoewel niemand het
zich kon verklaren, werd het door allen opgemerkt.
Wat neef Benedictus betreft, ook deze had men evenmin als aan Dingo
een plaats in de marschorde kunnen aanwijzen. Tenzij men hem aan een
leiband gehouden had, zou hij haar niet bewaard hebben. Zijn blikken
doos met een band over den schouder geslagen, zijn netje in de hand,
zijn groot oogglas om den hals gehangen, nu eens achter, dan weder
vooraan, kroop hij door het hooge gras, bespiedde hij de orthoptera
(rechtvleugelige insecten), of andere insecten op "ptera", op het
gevaar af van zich door de een of andere vergiftige slang te laten
bijten.
In het eerst maakte Mevr. Weldon zich ongerust en riep hem elk
oogenblik, maar niets mocht baten.
"Neef Benedict," zeide zij eindelijk, "'k verzoek u dringend u niet
te verwijderen en voor de laatste maal druk ik u op het hart mijn
waarschuwing niet in den wind te slaan."
"Maar nicht," antwoordde de onhandelbare entomoloog, "als ik een
insect zie...."
"Als u een insect ziet," hernam Mevr. Weldon, "zult u het arme diertje
wel met vrede willen laten of u zult me in de noodzakelijkheid brengen
u uw bus te ontnemen!"
"Me mijn bus ontnemen!" riep Neef Benedictus uit, alsof het gold hem
zijn ingewanden uit het lijf te scheuren.
"Uw bus en uw net," voegde Mevr. Weldon er onmeedoogend bij.
"Mijn net, nicht! En waarom niet mijn bril! U zoudt het niet
durven! Neen! u zoudt het niet durven!"
"En zelfs uw bril, dien vergat ik nog! Ik dank u, neef Benedict,
er mij aan te herinneren dat ik het middel had u blind te maken en
u daardoor te noodzaken gehoorzaam te zijn!"
Na deze driedubbele bedreiging hield neef zich een uur lang bedaard,
die ongehoorzame neef. Daarna begon hij opnieuw af te dwalen, en daar
hij het toch gedaan zou hebben, ook zonder net, zonder bus en zonder
bril, zoo was het maar het best hem zijn gang te laten gaan. Maar
Hercules nam op zich speciaal op hem te letten,--'t geen ook meer
bijzonder tot zijn taak behoorde,--en men kwam overeen dat hij met hem
zou handelen als neef Benedictus met een insect, dat hij hem namelijk,
als hij 't noodig oordeelde, zou vangen en hem even voorzichtig zou
terugbrengen als de andere met een zeldzaam exemplaar der lepidoptera
(schubvleugeligen) zou gedaan hebben.