een hut of tent, noch ten noorden aan den anderen oever van het kleine
riviertje, noch ten zuiden, noch eindelijk op den top van de steile
kust, te midden van de boomen van het dichte woud. Geen rookkolom
zag men boven het bosch ten hemel kronkelen. Geen enkel bewijs,
teeken of indruk gaf te kennen dat dit gedeelte van het vasteland
door menschelijke wezens bezocht werd.
Dick Sand was tamelijk verwonderd.
"Waar zijn we? Waar kunnen we zijn?" dacht hij bij zich zelven. "Er
is niemand wien het te vragen!"
Niemand, inderdaad, en indien zich een inboorling in de nabijheid
bevond, zou Dingo hem stellig geroken en door blaffen aangemeld
hebben. De hond liep heen en weder op de zandige kust met den neus
langs den grond, den staart omlaag, dof knorrende, ongetwijfeld met
zeer vreemde bewegingen, maar noch de nadering van een mensch, noch
die van eenig dier verradende.
"Zie Dingo toch eens!" zei Mevr. Weldon.
"Ja, 't is vreemd!" antwoordde de leerling. "Het schijnt dat hij
tracht een spoor te vinden!"
"Zeer vreemd, dat is zeker!" mompelde Mevr. Weldon.
"Wat doet Negoro?" vroeg zij.
"Hij doet, wat Dingo doet," antwoordde Dick Sand. "Hij komt, hij
gaat!.... Maar in alle geval, is hij hier vrij. 'k Heb het recht niet
meer hem bevelen te geven. Zijn dienst is geëindigd met het stranden
van den _Pelgrim_!"
Werkelijk liep Negoro met groote schreden heen en weder, keerde zich
om, bekeek het strand en de steile kust, als iemand die tracht zich
een of ander feit te herinneren. Kende hij dan dat land? Hij zou
waarschijnlijk geweigerd hebben die vraag te beantwoorden als men hem
haar gedaan had. Het beste was nog, zich niet met den ongezelligen
mensch te bemoeien. Dick Sand zag weldra dat hij zich naar de zijde
van het kleine riviertje begaf, en toen Negoro bij de bocht van den
hoogen oever verdween, dacht hij niet meer aan hem.
Dingo had wel geblaft toen de kok op den oever verscheen, maar hij
was bijna dadelijk uitgescheiden.
Men moest nu bedacht zijn op 't geen het noodzakelijkst was. Nu was
het hoog noodig een beschutting, een wijkplaats te vinden, waar men
zich voorloopig kon vestigen en eenig voedsel nemen. Daarna zou men
dan raad schaffen en beslissen wat te doen.
Over voedsel behoefde men zich niet ongerust te maken. Om niet te
spreken van de hulpbronnen die het land moest opleveren, was de
kombuis of voorraadkamer van het schip geledigd ten voordeele van
de overlevenden van de schipbreuk. De branding had hier en daar, te
midden der klippen die de eb nu bloot had gelegd, een groote menigte
voorwerpen geworpen. Tom en zijn kameraden hadden reeds eenige vaatjes
beschuit, blikken bussen met allerlei voedingstoffen en kisten met
gedroogd vleesch opgevischt. Daar het water ze niet beschadigd had,
was de voeding van den kleinen troep voor langer verzekerd dan ze
noodig zouden hebben om een dorp of vlek te bereiken. In dit opzicht
was er niets te vreezen. Deze verschillende goederen waren reeds door
hen in zekerheid gebracht, zoodat zij bij den vloed niet door de zee
hernomen konden worden.
Ook aan zoet water was geen gebrek. Dadelijk had Dick Sand zorg
gedragen door Hercules eenige pinten uit de kleine rivier te
laten halen. De sterke neger had zich echter niet met eenige pinten
vergenoegd, maar een ton op den schouder genomen en dezen met versch
en zuiver water gevuld.
Indien het noodig was vuur aan te steken, was er geen gebrek aan
dood hout in den omtrek en daarenboven konden de wortels der oude
wortelboomen al de brandstof leveren die men noodig had. De oude Tom
was een sterke rooker en als zoodanig steeds voorzien van een zekere
hoeveelheid zwam, goed bewaard in een hermetisch gesloten doos, en
als men het wilde zou men vuurslaan, al was het met de keisteenen
uit het zand aan den oever.
Er bleef dus nu nog over een plek op te sporen waar de kleine troep
zich zou kunnen verschuilen, indien zij mochten goedvinden één nacht
rust te nemen voordat zij zich weder op marsch begaven.
En daar was het nu waarlijk de kleine Jack die de bedoelde slaapkamer
vond. Terwijl hij aan den voet van den steilen oever heen en weer
trippelde, ontdekte hij achter een rotswand een van die fraaie,
ruime grotten met gladde wanden, die de zee zelf uitholt, als haar
onstuimige golven de kust beuken.
Het kind was verrukt. Hij riep zijn moeder, en juichend kwam hij haar
halen om haar zegevierend zijn ontdekking te toonen.
"Goed, mijn Jack!" antwoordde Mevr. Weldon. "Als we Robinsons waren,
die deze kust lang moesten bewonen, zouden we haar stellig naar jou
een naam geven!"
De grot was slechts tien of twaalf voet diep en even zoo breed, maar
in de oogen van den kleinen Jack, was het een ontzaglijk hol. Genoeg
dat zij ruim genoeg was om de schipbreukelingen te bergen, en--'t
geen met genoegen door Mevr. Weldon en Nan werd opgemerkt,--zij was
zeer droog. De maan was in haar eerste kwartier, en het was niet te
vreezen dat het getij den voet der steile kust en dus de grot zou
bereiken. Men kon zich dus zonder zorg eenige uren te rusten leggen.
Tien minuten later waren allen op een tapijt van zeegras
uitgestrekt. Zelfs Negoro had gemeend zich bij het troepje te moeten
voegen en zijn aandeel in den maaltijd te nemen, die gezamenlijk zou
gehouden worden. Ongetwijfeld was het hem minder aangenaam voorgekomen
zich alleen te wagen in het dichte woud, waar doorheen de bochtige
rivier kronkelde.
Het was één uur na den middag. Het in bussen bewaarde vleesch, de
beschuit, het versche water met eenige druppels rum, waarvan Bat
eenige flesschen gered had, maakten de menu van dezen maaltijd uit.
Maar al nam Negoro er deel aan, toch mengde hij zich volstrekt niet in
het gesprek, waarin over de maatregelen beraadslaagd werd, die in den
toestand der schipbreukelingen zouden moeten genomen worden. Evenwel
hoorde hij toe, zonder het te laten blijken, en trok ongetwijfeld
zijn voordeel uit hetgeen hij hoorde.
Gedurende dien tijd waakte Dingo, dien men niet vergeten had, buiten
de grot. Geen levend wezen zou zich op het strand vertoond hebben
zonder dat het getrouwe dier bij tijds gewaarschuwd had.
Mevr. Weldon, die haar kleinen Jack half liggende en bijna ingeslapen
op haar schoot hield, nam het woord.
"Dick, mijn vriend," zeide zij, "uit naam van allen zeg ik je dank
voor de zorg en opofferingen die ge u voor ons getroost hebt, maar we
laten je nog niet los. Je zult onze leidsman zijn te land, zooals je
onze kapitein aan boord waart. Al onze hoop is op je gevestigd. Spreek
dus! Wat moeten we doen?"
Mevr. Weldon, de oude Nan, Tom en zijn kameraden, allen hadden de oogen
op den leerling gevestigd. Zelfs Negoro zag hem met een zonderlinge
belangstelling aan. Blijkbaar was hij zeer nieuwsgierig naar 't geen
Dick zou zeggen.
Nadat Dick Sand eenige oogenblikken had nagedacht, zeide hij:
"Mevrouw Weldon, in de eerste plaats is het van het grootste belang te
weten, waar we zijn. Ik geloof dat ons schip geland is op dat gedeelte
van het Amerikaansche strand dat de Peruviaansche kust vormt. De winden
en de stroomen hebben het tot deze breedte gebracht. Maar.... bevinden
we ons hier in een van de zuidelijke provinciën van Peru, namelijk in
het minst bewoonde gedeelte, dat aan de pampa's grenst? Misschien. Bij
het zien van deze woeste kust, die slechts weinig schijnt bezocht te
worden, zou ik het haast zelf gaan gelooven. In dat geval, zou het
kunnen zijn dat we vrij ver van het dichtstbij zijnde dorp verwijderd
waren, 't geen zeer noodlottig zou zijn."
"Welnu, wat te doen?" herhaalde Mevr. Weldon.
"Ik zou raden," hernam Dick Sand, deze schuilplaats niet te verlaten
voor dat we goed omtrent onzen toestand zijn ingelicht. Morgen, na een
nacht rust, zouden twee van ons op ontdekking kunnen uitgaan. Zij
moeten dan trachten, zonder zich te ver te verwijderen, eenige
inlanders te ontmoeten, inlichtingen bij hen in te winnen en daarna
naar de grot terugkeeren. Het is niet mogelijk dat men binnen tien
of twaalf mijlen niemand zou vinden."
"Zouden we ons van elkander scheiden!" zei Mevr. Weldon.
"Dat komt me noodzakelijk voor," antwoordde de leerling. "Zoo we op
deze wijze volstrekt geen inlichtingen kunnen verkrijgen en wat bijna
onmogelijk is, de streek geheel verlaten blijkt, welnu! dan zullen
we ons best doen om ons op een andere manier uit onze verlegenheid
te redden."
"En wie van ons zou op ontdekking uitgaan?" vroeg Mevr. Weldon,
na een oogenblik nagedacht te hebben.
"Dat zouden we moeten bepalen," antwoordde Dick Sand. "Evenwel dunkt
me, dat u, mevrouw, Jack, mijnheer Benedictus en Nan, deze grot
niet moet verlaten. Bat, Hercules, Actéon en Austin zouden dan bij
u blijven, terwijl Tom en ik op verkenning zouden gaan.--Negoro zal
wel liever hier blijven?" voegde Dick Sand er bij, terwijl hij den
kok aankeek.
"Dat zou wel kunnen zijn," antwoordde Negoro, die de man niet was om
zich verder uit te laten.
"We nemen dan Dingo mede," hernam de leerling. "Hij zou ons op onzen
tocht nuttig kunnen zijn."
Toen Dingo zijn naam hoorde noemen, vertoonde hij zich aan den ingang
der grot en scheen door een zacht geblaf de plannen van Dick Sand
goed te keuren.
Sedert de leerling dit voorstel gedaan had, bleef Mevr. Weldon
in gedachten verdiept. Met tegenzin dacht zij aan een scheiding,
hoe kort dan ook. Was het niet mogelijk dat de schipbreuk van den
_Pelgrim_ bij de Indiaansche stammen die de kust, hetzij ten noorden
hetzij ten zuiden bezochten, bekend werd, en was het, ingeval er
strandroovers opdaagden, niet beter dat allen vereenigd waren om hen
terug te dringen.
Deze tegenwerping tegen het voorstel van Dick Sand, verdiende werkelijk
wel overwogen te worden.
Zij viel evenwel voor zijn bewijsgronden, daar hij deed opmerken dat
de Indianen niet verward moesten worden met de wilden van Afrika
of Polynesië en dat een aanval van hun zijde waarschijnlijk niet
te vreezen was. Maar dit land binnen te dringen zonder zelfs te
weten tot welke provincie van Zuid Amerika het behoorde, noch op
welken afstand zich het naaste dorp dezer provincie bevond, zou een
hoogstvermoeiende taak geweest zijn. De scheiding kon weliswaar met
ongelegenheden gepaard gaan, maar minder dan een tocht te ondernemen
door een bosch dat zich scheen uit te strekken tot den voet der bergen.
"Ook," herhaalde Dick Sand, aandringende, "kan ik niet gelooven dat
deze scheiding van langen duur zal zijn, en ik durf wel zeggen dat
zij het niet zal zijn. Als Tom en ik na twee dagen op zijn hoogst
geen woning of geen bewoner ontmoet hebben, keeren we naar de grot
terug. Maar dat zou al te onwaarschijnlijk zijn en we zullen geen
twintig mijlen in het binnenland afgelegd hebben, of we zullen
met de geographische ligging bekend zijn. 't Is mogelijk dat ik me
vergist heb, omdat de middelen om de ligging astronomisch te bepalen
me ontbroken hebben, zoodat het niet onmogelijk is, dat we op een
hoogere of een lagere breedte zijn."
"'k Moet je gelijk geven, mijn kind!" antwoordde Mevr. Weldon, die
zich zeer ongerust maakte.
"En u, mijnheer Benedict," vroeg Dick Sand, "wat dunkt u van dit plan?"
"Ik?...." antwoordde neef Benedictus.
"Ja, hoe zoudt u er over denken?"
"Ik kan geen raad geven," antwoordde neef Benedictus. "Ik vind alles
goed wat men voorstelt en ik zal alles doen wat men wil. 't Zou me
heel goed bevallen hier een paar dagen te blijven, dan kon ik dien
tijd besteden om dit strand uit een zuiver entomologisch oogpunt
te bestudeeren."
"Doe dan zoo als ge wilt," zei Mevr. Weldon tot Dick Sand. "Wij zullen
hier blijven en gij zult met den ouden Tom vertrekken."
"Dat is dus afgesproken," zei neef Benedictus met de grootste
bedaardheid. "Ik ga een bezoek aan de insecten van het land brengen."
"Verwijder u niet te ver, mijnheer Benedict," zei de leerling. "We
kunnen u dat niet genoeg op het hart drukken!"
"Maak je maar niet ongerust, mijn jongen."
"En breng ons vooral maar niet te veel muskieten mee!" voegde de oude
Tom er bij.
Eenige minuten later verliet de entomoloog de grot, met zijn kostbare
blikken bus aan een band over den schouder.
Bijna op hetzelfde oogenblik verliet ook Negoro de grot. Het scheen zoo
in het karakter van den man te liggen zich met niemand af te geven dan
met zich zelven. Maar terwijl neef Benedictus de steile kust beklom,
om den rand van het bosch te gaan doorsnuffelen, verwijderde Negoro
zich, naar de rivier terugkeerende, met langzame schreden en verdween
hij terwijl hij den steilen waterkant voor de tweede maal beklom.
Jack bleef altijd door slapen. Mevr. Weldon liet hem op den schoot
van Nan en daalde naar het strand af. Dick Sand volgde haar met zijn
kameraden. Zij wilden zich vergewissen of de toekomst der zee zou
toelaten zich naar den romp van den _Pelgrim_ te begeven, alwaar zich
nog een menigte voorwerpen bevonden die de kleine troep kon gebruiken.
De klippen waarop de schoenerbrik gestrand was, lagen nu
droog. Temidden van overblijfselen van allerlei aard vertoonde zich de
romp van het vaartuig, gedeeltelijk overdekt door de hooge zee. Dit
wekte wel eenigszins de bevreemding op van Dick Sand, want hij wist
dat de vloed op de Amerikaansche kust van de Stille Zuidzee niet hoog
is. Maar dit verschijnsel liet zich toch ook zeer goed verklaren door
den wind die op de kust stond.
Het terugzien van hun vaartuig maakte op Mevr. Weldon en haar
metgezellen een pijnlijken indruk. Daar hadden zij te zamen zoovele
dagen in lief en leed doorgebracht! Het gezicht van dat arme schip,
half gebroken, zonder mast en zeilen, op zijde liggende als een wezen
van het leven beroofd, deed hun smartelijk aan.
Maar voordat de zee dien romp geheel zou verzwelgen, moest men hem
bezoeken.
Dick Sand en de negers konden zich gemakkelijk in het ruim laten
afzakken, na zich door middel van de touwen, die langs de zijde van de
_Pelgrim_ hingen op het dek geheschen te hebben. Terwijl Tom, Hercules,
Bat en Austin zich bezighielden met alles uit de kombuis te halen wat
hun nuttig kon zijn, zoowel spijzen als dranken, drong de leerling
in de kerk door. Den hemel zij dank was het water nog niet in dit
gedeelte van het vaartuig binnengedrongen, daar het achterschip na
de branding boven was gebleven.
Daar vond Dick Sand vier geweren in goeden staat--uitmuntende
remmingtons,--alsmede een honderdtal patronen. Dit was voldoende om
zijn kleinen troep te wapenen en hen in staat de stellen weerstand
te bieden, indien zij onverhoopt onder weg door Indianen werden
aangevallen.
De leerling verzuimde ook niet een zakkompas mede te nemen; maar de
scheepskaarten, in een hut van de voorplecht geborgen en door het
water beschadigd, waren nutteloos.
Ook bevonden er zich in het arsenaal van de _Pelgrim_, eenige van
die stevige houwers of hartsvangers die dienen om den walvisch in
stukken te hakken. Dick Sand koos er zes uit, die bestemd waren om
de bewapening zijner metgezellen volledig te maken, en hij vergat
ook niet een onschadelijk kindergeweer mede te nemen dat den kleinen
Jack toebehoorde.
Wat de overige voorwerpen betreft, die het schip nog bevatte, zij lagen
hier en daar verspreid, of zij konden niet meer dienen. Bovendien was
het niet noodig zich zoo zwaar te belasten voor de weinige dagen dat de
reis zou duren. Van levensmiddelen, wapenen, ammunutie, was men meer
dan voorzien. Evenwel verzuimde Dick Sand, op raad van Mevr. Weldon,
niet om al het geld mede te nemen dat zich aan boord bevond,--ongeveer
vijfhonderd dollars.
Het was waarlijk niet veel! Mevr. Weldon had een veel grootere som
in haar bezit gehad, maar men vond ze niet terug.
Wie anders dan Negoro had gezorgd de eerste bezoeker van het schip
te zijn en wie anders dan hij had den geldvoorraad van kapitein
Hull en van Mevr. Weldon geplunderd? Niemand anders dan hij kon
verdacht worden. Toch twijfelde Dick Sand een oogenblik. Wat hij
van hem wist en opmerkte was wel geschikt om dit sombere karakter,
wien het leed van anderen een glimlach kon afpersen, te vreezen! Ja,
Negoro was een slecht mensch, maar mocht men daaruit besluiten dat
hij een misdadiger was? Zoover kon Dick Sand met zijn rechtschapen
karakter niet gaan. En toch, kon men vermoeden op iemand anders
hebben? Neen, de brave negers hadden geen oogenblik de grot verlaten,
terwijl Negoro over het strand had loopen dwalen. Hij alleen moest
de schuldige zijn. Dick Sand besloot dus Negoro te ondervragen en
des noods zijn zakken te laten doorzoeken, zoodra hij terugkwam. Hij
wilde met zekerheid weten waaraan zich te houden.
De zon neigde toen ter kim. Op dezen datum, had zij den aequator nog
niet overschreden om warmte en licht in het noordelijk halfrond te
verspreiden, maar zij naderde den evenaar. Zij viel dus bijna loodrecht
op die cirkelvormige lijn waar zee en lucht ineenliepen,--'t geen
den leerling in het denkbeeld versterkte dat hij aangeland was op
een punt van de kust, tusschen den Steenbokskeerkring en den evenaar.
Mevr. Weldon, Dick Sand en de negers keerden naar de grot terug om
eenige uren rust te genieten.
"De nacht zal onstuimig zijn," deed Tom opmerken terwijl hij naar
den horizon wees, door dikke wolken verduisterd.
"Ja," antwoordde Dick Sand, "er zal een stevige koelte waaien. Maar
wat doet het er nu toe! Ons arm schip is verloren en de storm kan
ons niet meer deren!"
"Gods wil geschiede!" zei Mevr. Weldon.
Men kwam overeen dat de negers in dezen nacht, die zeer donker
zou zijn beurt om beurt aan den ingang der grot de wacht zouden
houden. Daarenboven kon men zich veilig op de waakzaamheid van Dingo
verlaten.
Men bemerkte toen dat neef Benedictus, nog niet terug was.
Hercules riep hem met alle kracht zijner machtige longen, en bijna
onmiddellijk daarop zag men den entomoloog haastig den steilen oever
afklimmen, op gevaar af zich den nek te breken.
Neef Benedictus was woedend. Hij had geen enkel nieuw insect in het
bosch gevonden, neen, geen enkel dat waard was in zijn verzameling te
prijken! Schorpioenen, duizendpooten en andere myriapoden, zooveel
men maar wilde en zelfs nog meer! En men weet dat neef Benedictus
niet bijzonder ingenomen was met de myriapoden.
"'t Was wel de moeite waard," voegde hij er bij, "vijf of zes duizend
mijlen te hebben afgelegd, vreeselijke stormen getrotseerd te hebben,
op de kust geworpen te zijn, en dan geen enkele van die Amerikaansche
hexapoden te vinden, die den roem uitmaken van een entymoloogsch
museum! 't Was waarlijk wel de moeite waard!"
Tot besluit vroeg neef Benedictus, om maar verder te gaan. Hij wilde
geen uur langer op die ellendige kust blijven.
Mevr. Weldon trachtte haar groot kind tot bedaren te brengen. Zij gaf
hem de hoop dat hij den volgenden dag gelukkiger zou zijn, waarna
allen zich in de grot begaven om er tot zonsopgang te slapen, toen
Tom de opmerking maakte dat Negoro niet teruggekeerd was, hoewel de
nacht reeds was aangebroken.
"Waar zou hij zijn?" vroeg Mevr. Weldon.
"Wat scheelt het ons!" zei Bat.
"Het scheelt ons integendeel veel," antwoordde Mevr. Weldon. "'k Had
liever dat die man bij ons was."
"U hebt gelijk, mevrouw Weldon," zei Dick Sand; "maar, zoo hij uit
eigen beweging stil uit ons gezelschap verdwenen is, zie ik niet in
hoe we hem zouden kunnen dwingen om weer bij ons te komen! Wie weet
of hij geen reden heeft ons gezelschap voor altoos te mijden!"
En zoo, dat de anderen hem niet hooren konden, deelde Dick Sand haar
zijn vermoeden mede. Het verwonderde hem niet van haar te hooren dat
ook zij hem verdacht had. Alleen verschilden zij in één punt.
"Als Negoro terugkomt," zei Mevr. Weldon, "zal hij zijn diefstal op
een veilige plaats geborgen hebben. Mij dunkt, daar we hem toch niet
kunnen overtuigen, zal het beste zijn, hem ons vermoeden verborgen te
houden en hem daardoor in den waan te brengen dat we zijn dupes zijn."
Mevr. Weldon had gelijk. Dick Sand stemde dan ook geheel met haar in.
Evenwel riep men Negoro herhaaldelijk naar alle kanten.... Hij
antwoordde niet. Of hij was reeds te ver om te hooren of hij wilde
niet terugkeeren.
De zwarten waren er niet rouwig om dat zij van zijn tegenwoordigheid
verlost waren, maar zooals Mevr. Weldon terecht gezegd had, hij was
misschien nog meer in de verte dan dichtbij te vreezen! Maar hoe te
verklaren dat Negoro zich geheel alleen in dat onbekende land ging
wagen? Was hij misschien verdwaald, en trachtte hij in dien donkeren
nacht te vergeefs den weg naar de grot te vinden?
Mevr. Weldon en Dick Sand wisten niet wat zij denken moesten. Hoe
het zij, men mocht, om op Negoro te wachten, zich niet van de rust
berooven die allen zoo noodig hadden.
Op dit oogenblik begon de hond die op het strand liep, met kracht
te blaffen.
"Wat scheelt Dingo toch?" vroeg Mevr. Weldon.
"We moeten het volstrekt weten," antwoordde de leerling. "Misschien
is het Negoro wel!"
Onmiddellijk begaven Hercules, Bat Austin en Dick Sand zich naar de
monding der rivier.
Maar toen zij aan den oever kwamen, zagen en hoorden zij niets. Dingo
zweeg nu.
Dick Sand en de negers keerden naar de grot terug.
De slaapgelegenheden werden zoo goed mogelijk ingericht.
De zwarten maakten zich gereed om beurtelings buiten te waken.
Maar Mevr. Weldon was ongerust en kon niet slapen. Het land waarnaar
zij zoo vurig verlangde, gaf haar tot nog toe niet wat zij gehoopt had,
veiligheid voor de haren en rust voor haar zelf.
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
HARRIS.
Den volgenden morgen, 7 April, zag Austin, die met het krieken van
den dag de wacht hield, Dingo blaffende naar het kleine riviertje
snellen. Bijna op hetzelfde oogenblik traden Mevr. Weldon, Dick Sand
en de negers uit de grot te voorschijn.
Het leed geen twijfel of er was iets gaande.
"Dingo heeft een levend wezen geroken, een mensch of een beest,"
zei de leerling.
"In alle geval is het Negoro niet," deed Tom opmerken, "want dan zou
Dingo woedend blaffen."
"Als het Negoro niet is, waar zou hij dan toch kunnen zijn?" vroeg
Mevr. Weldon, terwijl zij een blik naar Dick Sand wierp die alleen
door haar begrepen werd, "en als hij het niet is, wie is het dan?"
"Wij zullen het spoedig weten, Mevr. Weldon," antwoordde de leerling.
Daarna, zich tot Bat, Austin en Hercules wendende:
"Wapent u, vrienden, en komt mee!"
De negers namen ieder een geweer en een hartsvanger, evenals Dick Sand
gedaan had. Na de geweren geladen te hebben, richtten allen zich naar
den oever der rivier.
Mevr. Weldon, Tom en Actéon bleven bij den ingang der grot, waar de
kleine Jack en Nan zich nog bevonden.
De zon kwam op. Haar stralen, die door de hooge bergen van het oosten
werden opgevangen, kwamen niet rechtstreeks tot het strand; maar tot
den westelijken horizon, zoover het oog reikte, schitterde de zee
onder het eerste licht van den dag.
Dick Sand en zijn metgezellen hielden het midden van het strand welks
kromming zich met de monding der rivier vereenigde.
Daar zagen zij Dingo onbeweeglijk als een staande hond, steeds
blaffende. Blijkbaar zag of rook hij een inboorling.
En werkelijk had de hond het dezen keer niet tegen Negoro, zijn vijand
aan boord.
Van achter den laatsten hoek van den rotsachtigen oever kwam een man
te voorschijn. Hij naderde voorzichtig en trachtte door vriendelijke
gebaren Dingo te doen bedaren. Men kon zien dat hij volstrekt niet
onverschillig was voor den toorn van het krachtige dier.
"'t Is Negoro niet!" zeide Hercules.
"We verliezen niets met den ruil!" antwoordde Bat.
"Neen," zei de leerling, "'t Is waarschijnlijk een inboorling die ons
het onaangename van onze scheiding zal besparen. Eindelijk zullen we
dan toch eens te weten komen waar we juist zijn!"
En alle vier wierpen hun geweer op den schouder en liepen snel op
den vreemdeling toe.
Toen deze hen zag naderen gaf hij in 't eerst teekenen van de
grootste verbazing. Ongetwijfeld verwachtte hij geen vreemdelingen
op dit gedeelte van de kust te ontmoeten. Blijkbaar ook had hij
het wrak van de _Pelgrim_ nog niet opgemerkt, want anders had
hij de tegenwoordigheid van schipbreukelingen zeer natuurlijk
gevonden. Trouwens had ook de branding gedurende den nacht den romp
van het schip geheel vernietigd en bleef er niets anders van over
dan wrakhout dat naar volle zee wegdreef.
Toen de onbekende de vier gewapende mannen naar zich zag toe komen,
maakte hij in het eerste oogenblik een beweging om terug te keeren. Hij
droeg een geweer aan een riem tegen den schouder en liet het snel van
zijn schouder in zijn hand en uit zijn hand weder tegen zijn schouder
overgaan. Men begrijpt licht dat hij zich niet op zijn gemak gevoelde.
Dick Sand maakte een gebaar van begroeting, dat de vreemdeling zeker
begreep, want na eenige aarzeling, deed hij eenige stappen voorwaarts.
Dick Sand kon hem toen goed opnemen.