"Dick," hernam Mevr. Weldon, "mijn man en ik, we zullen nooit vergeten,

wat je gedaan hebt."

"God heeft alles gedaan," antwoordde Dick Sand "alles."

"Mijn kind, 'k zeg nog eens dat je door je zedelijken en lichamelijken

moed je als een man gedragen hebt, als een man waard om het commando

te voeren, en spoedig, zoodra je studies geëindigd zijn,--'k weet

zeker dat mijn man geheel met mij zal instemmen,--zal je gezagvoerder

worden voor het huis James W. Weldon!"

"Ik.... ik!" riep Dick Sand uit, wiens oogen zich met tranen vulden.

"Dick!" antwoordde Mevr. Weldon, "je waart ons aangenomen kind reeds en

nu ben je onze zoon, de redder van je moeder en je broertje Jack! Mijn

waarde Dick, 'k omhels je voor mijn man en voor mij!"

De moedige vrouw had zich goed willen houden, toen ze Dick aan haar

hart drukte, maar 't was haar niet mogelijk. Doch welke pen zou

kunnen beschrijven wat Dick Sand gevoelde! Hij vroeg zich af of hij

niet meer kon doen dan zijn leven voor zijn weldoeners opofferen,

en hij nam nu reeds al de beproevingen aan, die hem in de toekomst

zouden worden opgelegd.

Na dit onderhoud gevoelde Dick Sand zich sterker. Als de wind

handelbaarder werd en het hem mogelijk zou zijn een zeil bij te zetten,

twijfelde hij geen oogenblik of hij zou zijn schip naar een haven

kunnen voeren waar allen die het droeg eindelijk gelukkig zouden zijn.

Toen de wind, den 29n een weinig bedaard was, dacht Dick er over om

de fok en het marszeil weder aan te slaan en bij gevolg de snelheid

van den _Pelgrim_ te bevorderen.

"Komaan, Tom! komaan, mijn vrienden!" riep hij uit, toen hij bij het

krieken van den dag aan dek kwam. "Kom! 'k Heb je armen noodig!"

"We zijn gereed, kapitein Sand," antwoordde Tom.

"Gereed tot alles," voegde Hercules er bij. "Er was niets te doen,

terwijl het zoo stormde en 'k begon me mooi te vervelen!"

"Je hadt moeten blazen met je grooten mond," zei de kleine Jack. "'k

Wed dat je net zoo sterk als de wind geweest waart!"

"Daar zeg je zoo wat, Jack!" antwoordde Dick Sand lachende. "Als er

windstilte is, zullen we Hercules in de zeilen laten blazen!"

"Tot je dienst, mijnheer Dick!" antwoordde de brave neger, terwijl

hij zijn wangen opblies als een reusachtige Boreas.

"We zullen beginnen, vrienden," hernam de leerling, "met een waarloos

zeil aan te slaan, want ons marszeil is in den storm weggewaaid. 't

Zal misschien wel moeilijk zijn, maar 't moet gebeuren."

"Dan zal 't ook gebeuren!" antwoordde Actéon.

"Kan ik je helpen?" vroeg de kleine Jack.

"Ja, Jack," antwoordde de leerling. "Ga jij maar naar 't roer om

onzen vriend Bat te helpen sturen."

Men kon zich voorstellen hoe trotsch Jack was op het vertrouwen door

Dick Sand in hem gesteld.

"Nu aan 't werk," hernam deze "en laten we ons zoo min mogelijk

blootstellen."

De negers gingen door Dick geleid, dadelijk aan hun moeielijken

arbeid. Een marszeil aanslaan was voor Tom en zijn kameraden een

moeielijke taak. Men moest eerst het opgerolde zeil naar boven hijschen

en het dan aan de ra bevestigen.

Evenwel commandeerde Dick zoo goed en werd zoo goed gehoorzaamd, dat

het zeil na verloop van een uur was aangeslagen, de ra geheschen en

het marszeil met twee reven behoorlijk bijgezet.

Wat de fok en stagfok betreft, die voor den storm hadden ingenomen

kunnen worden, deze zeilen werden vrij gemakkelijk bijgezet,

niettegenstaande de kracht van den wind.

Dienzelfden dag, des morgens tien uur, zeilde de _Pelgrim_ onder fok,

marszeil en stagzeil.

Dick Sand had het niet voorzichtig geoordeeld meer zeilen bij te

zetten. De zeilen toch die hij droeg, moesten hem, zoolang de wind

niet afnam, een snelheid verzekeren van tweehonderd mijlen minstens

per vier-en-twintig uur, en meer was niet noodig om over tien dagen

de Amerikaansche kust te bereiken.

De leerling was wezenlijk voldaan, toen hij het roer overnam,

na meester Jack, den onderstuurman van den _Pelgrim_ bedankt te

hebben. Hij behoefde zich nu niet meer op genade aan de golven over te

geven. De _Pelgrim_ kwam nu werkelijk goed vooruit. Iedereen die maar

een weinig met zeezaken bekend is, zal zijn vreugde kunnen begrijpen.

Den volgenden dag jaagden de wolken nog met dezelfde snelheid door

het luchtruim, maar zij lieten nu groote openingen tusschen haar over,

waar doorheen de zonnestralen de oppervlakte der wateren beschenen. De

_Pelgrim_ baadde zich somtijds in dat alles bezielende licht! Dan

weder verschool het zich achter een dichte massa dampen in het oosten,

maar in het volgende oogenblik verscheen het nogmaals om wederom te

verdwijnen, doch het weder werd opnieuw schoon.

De luiken werden geopend om de frische lucht in het inwendige van het

schip te laten stroomen, die doordrong tot in het ruim, de achterkajuit

en in het verblijf der bemanning. Men hing de natte zeilen te drogen

en spreidde ze daartoe op het waarloos rondhout uit. Ook werd het dek

geschrobd. Dick Sand wilde niet dat zijn schip een haven binnenkwam

zonder een weinig toilet te hebben gemaakt. Wilde hij de equipage

niet te veel vermoeien, dan konden slechts eenige uren per dag aan

dit werk besteed worden.

Alhoewel de leerling niet meer loggen kon, had hij door gewoonte genoeg

geleerd de vaart van een schip te schatten om zich nagenoeg rekenschap

van zijn snelheid te geven. Hij twijfelde dus niet of hij zou binnen

zeven dagen land in 't gezicht hebben en deze meening deelde hij aan

Mevr. Weldon mede, na haar op de kaart de waarschijnlijke positie te

hebben aangetoond.

"Welnu! op welk punt van de kust zullen we aankomen, Dick! vroeg

zij hem.

"Hier, mevrouw," antwoordde de leerling, terwijl hij haar de lange

kustlijn aanwees, die zich uitstrekt van Peru naar Chili. Ik kan het

niet juister aangeven. Dit is het Paasch-eiland, dat wij in het westen

hebben laten liggen, en uit de richting van den wind die bestendig

geweest is, besluit ik dat wij land in het oosten zullen zien. Er

zijn genoeg havens aan de kust, maar 't is me op dit oogenblik niet

mogelijk te zeggen, welke wij het eerst in 't gezicht zullen krijgen."

"Welnu, Dick, welke die haven zij, ze zal ons welkom zijn."

"Welzeker, mevrouw Weldon, en u zult er zeker gelegenheid vinden

om spoedig naar San-Francisco terugtekeeren. Er bestaat een

Stoomboot-Maatschappij van de Stille Zuidzee, die een zeer goed

georganiseerden dienst op deze kust heeft. Haar stoombooten doen de

voornaamste punten der kust aan en u zult zeer gemakkelijk met een

dezer booten de reis naar Californië kunnen afleggen."

"Maar is het dan je plan niet den _Pelgrim_ naar San-Francisco te

brengen?" vroeg Mevr. Weldon.

"Jawel, mevrouw, na u ontscheept te hebben. Als we ons een officier en

een equipage kunnen verschaffen, zullen we onze lading te Valparaiso

lossen, zooals kapitein Hull zou gedaan hebben. Daarna zullen we

dan naar San-Francisco terugkeeren. Maar dat zou u te lang ophouden,

ofschoon 't me zeer spijten zou afscheid van u te moeten nemen....

"Ja, ja, Dick," antwoordde Mevr. Weldon. "We zullen later zien, wat ons

te doen staat.--Zeg eens, je scheen bang te zijn om aan land te komen?"

"'k Kan dat niet ontkennen," antwoordde de leerling, "maar ik hoop

altijd een vaartuig in deze streken te ontmoeten en 't verwondert

me zeer er nog geen te zien. Zoodra er een passeerde, zouden we

't praaien, 't zou ons juist zeggen waar we ons bevinden en dat zou

onze landing zeer gemakkelijk maken."

"Zijn er dan geen loodsen die op deze kust dienst doen?" vroeg

Mevr. Weldon.

"Die moeten er wel zijn," antwoordde Dick Sand, "maar veel dichter

bij de kust. We moeten dus steeds voortgaan."

"En als we nu geen loods ontmoeten," vroeg Mevr. Weldon, die volstrekt

wilde weten hoe de leerling al die moeilijkheden dacht te boven

te komen.

"In dat geval, mevrouw, als het weer goed en de wind kalm blijft, zal

ik trachten dicht genoeg bij de kust te houden om er een schuilplaats

te zoeken, maar als de wind opsteekt, dan...."

"Dan?.... Wat zal je dan doen, Dick?"

"Dan," antwoordde Dick Sand, "zal 't in den toestand waarin de

_Pelgrim_ verkeert, eenmaal aan lager wal geraakt, zeer moeielijk

zijn hem weer in volle zee te brengen!"

"Wat zal je dan doen?" herhaalde Mevr. Weldon.

"'k Zal dan genoodzaakt zijn mijn schip op het strand te zetten,"

antwoordde de leerling, wiens gelaat een oogenblik een droevige

uitdrukking aannam. "'t Is waar, 't is een harde noodzakelijkheid,

en God geve dat het niet zover zal komen! Maar, 'k zeg u nog eens,

mevrouw Weldon, het voorkomen van de lucht is geruststellend en

't is niet mogelijk dat we geen schip of een loodsvaartuig zouden

ontmoeten! Goeden moed dus! We hebben den steven naar de kust gericht

en we zullen haar gauw zien!"

Ja, zijn schip op het strand zetten, dat is een uiterste waartoe de

flinkste zeeman slechts noode besluit! Ook verbande Dick Sand met

geweld de gedachte aan een dergelijke ramp, zoolang er maar eenige

kans voor hem was haar te vermijden.

Gedurende eenige dagen waren er in den toestand van den dampkring

afwisselingen die de leerling opnieuw zeer ongerust maakten. Steeds

bleef er een flinke bries waaien en uit zekere schommeling

der kwikkolom was duidelijk op te maken dat de wind nog zou

aanwakkeren. Dick Sand dacht er dus niet zonder vrees aan of hij zich

niet weer zou genoodzaakt zien voor top en takel te gaan loopen. Hij

had er evenwel zulk een groot belang bij althans zijn marszeil te

behouden, dat hij besloot het niet te laten bergen, zoolang het

geen gevaar liep weg te waaien. Maar om de stevigheid der masten te

verzekeren, liet hij want en stagen aanzetten. Bovenal was het zaak de

grootste voorzichtigheid in acht te nemen, want hun toestand zou nog

erger geworden zijn, indien de _Pelgrim_ masteloos rond had gedreven.

Een paar malen ook moest men, daar de barometer rees, vreezen dat

de wind geheel om zou loopen, namelijk dat hij naar het oosten zou

gaan. In dat geval zouden zij zoo dicht mogelijk aan den wind moeten

houden!

Een nieuwe zorg voor Dick Sand. Wat zou hij met tegenwind gedaan

hebben? Laveeren? Maar, zoo hij zich daartoe verplicht zag, welke

nieuwe vertraging en hoe licht kon hij dan weder in volle zee

teruggeworpen worden?

Deze vrees werd gelukkig niet bewaarheid. De wind bleef, na gedurende

eenige dagen gezocht te hebben, nu eens naar het noorden, dan weder

naar het zuiden loopende, eindelijk in het westen staan. Maar het

was altijd een stijve koelte die in het tuig van den _Pelgrim_ blies.

Het was de 5e April en dus reeds meer dan twee maanden geleden, dat de

_Pelgrim_ Nieuw-Zeeland had verlaten. Twintig dagen achtereen was zijn

loop door tegenwind en langdurige windstilte vertraagd. Vervolgens

had hij zich in gunstige omstandigheden bevonden om spoedig land te

bereiken. Zelfs had zijn snelheid gedurende den storm zeer belangrijk

moeten zijn. Dick Sand schatte de gemiddelde vaart op niet minder dan

op twee honderd mijlen per dag! Hoe kwam het dan dat men nog altijd

geen kust in het gezicht kreeg! Ontvluchtte zij den _Pelgrim_? Het

was volkomen onverklaarbaar!

En evenwel werd geen land gezien, hoewel een der negers voortdurend

op den uitkijk stond.

Dikwijls begaf Dick Sand zich zelf in het want. Daar trachtte hij

dan met den verrekijker iets van bergen te ontdekken. De bergketen

der Andes is zeer hoog en het was dus in de wolken dat aan den verren

horizont zich te midden der nevelen een top zou voorgedaan hebben.

Meermalen werden Tom en zijn kameraden door valsche teekenen van

land misleid. Dampen van vreemde vormen vertoonden zich op den

achtergrond. Het gebeurde soms dat de goede menschen halsstarrig

bleven volhouden dat zij land zagen, maar na eenigen tijd waren zij

dan genoodzaakt te erkennen dat zij de dupes van een gezichtsbedrog

geweest waren. Het gewaande land verplaatste zich, veranderde van

gedaante en verdween eindelijk geheel.

Maar den 6en April was er eindelijk geen twijfel mogelijk. Het was

acht uur 's morgens. Dick Sand was zoo even in het want geklommen. In

dit oogenblik verdichtten de nevelen zich onder de eerste stralen

der zon en klaarde de horizont geheel op.

Eindelijk deed Dick Sand den reeds zoo dikwijls geuiten kreet hooren:

"Land! land! vlak voor den boeg!"

Bij dezen kreet liep iedereen op het dek, zoowel de kleine Jack,

nieuwsgierig als men op dien leeftijd is, Mevr. Weldon, wier

beproevingen met de landing zouden ophouden, Tom en zijn kameraden,

die eindelijk het Amerikaansche vasteland weder zouden betreden,

en zelfs neef Benedictus, die hoopte een rijke verzameling nieuwe

insecten bijeen te garen.

Alleen Negoro verscheen niet.

Iedereen zag toen wat Dick Sand gezien had, deze zeer duidelijk, gene

stellig meenende dat zij het zagen. Maar voor den leerling die zoo

gewoon was den horizont waar te nemen, was er geen dwaling mogelijk

en een uur later bleek het dat hij zich niet bedrogen had.

Op een afstand van ongeveer vier mijlen strekte zich een vrij lage kust

uit of althans iets dat zich als zoodanig voordeed. Op den achtergrond

moest zich de hooge keten der Andes vertoonen, maar een wolkensluier

belette er de toppen van te zien.

De _Pelgrim_ liep rechtstreeks en snel op deze kust toe, die zich

zienderoog verder uitstrekte.

Twee uur later was hij er nog slechts drie mijlen van verwijderd.

Dit gedeelte van de kust liep in het noord-oosten uit in een vrij

hooge kaap, die een soort van open ree verborg. In het Zuid-oosten

daarentegen, verlengde zij zich tot een smalle landtong.

Eenige boomen bekroonden een reeks van niet zeer verheven rotsachtige

steilten, die zich scherp tegen den hemel afteekenden. Maar op het

geografisch karakter van het land was het duidelijk, dat de achtergrond

gevormd werd door de hooge bergketen der Andes.

Overigens was er geen woning, geen haven, geen riviermonding in

't gezicht die aan een vaartuig tot schuilplaats had kunnen dienen.

Op dit oogenblik liep de _Pelgrim_ rechtstreeks op het land toe.

Met het kleine aantal zeilen waarover hij nu beschikken kon en den

wind op de kust, was het Dick Sand onmogelijk hem er af te houden.

Vooraan liep een lange lijn klippen waartegen de hoog opbruisende

golven braken en een eind weegs het strand op, wit schuimend

uiteenspatten. Er moest daar een geduchte branding zijn.

Dick Sand, die eenigen tijd op den bak gebleven was om de kust te

observeeren, kwam op het achterschip terug en nam het roer weder

in handen.

De wind wakkerde steeds aan. De schoenerbrik bevond zich weldra nog

slechts een mijl van het strand af.

Dick Sand merkte toen een soort van kleine baai op waarin hij besloot

binnen te loopen; maar vóór haar te bereiken moest hij de lijn van

klippen door, waartusschen het moeielijk zou geweest zijn een doortocht

te vinden. De branding toonde aan dat het water overal ontbrak.

Op dit oogenblik sprong Dingo, die op het dek heen en weder liep,

naar voren en deed, met den kop naar de kust gewend, een klaaglijk

geblaf hooren. Men zou gezegd hebben dat de hond dit strand herkende

en dat zijn instinct hem een smartelijke herinnering in het geheugen

terugbracht.

Negoro hoorde het zeker, want een onweerstaanbaar gevoel drong hem

buiten de kombuis, en hoewel hij den hond moest vreezen, ging hij

bijna dadelijk over de verschansing hangen.

Zeer gelukkig voor hem, merkte Dingo, wiens droevig geblaf steeds

tot dat land gericht was, hem niet op.

Negoro scheen zich over de woeste branding volstrekt niet ongerust

te maken. Mevr. Weldon, die hem waarnam, meende op te merken dat er

zich een lichte blos over zijn gelaat verspreidde en zijn trekken

zich een oogenblik samentrokken.

Zou Negoro het punt van het vaste land herkend hebben waar de wind

den _Pelgrim_ heen dreef?

Op dit oogenblik verliet Dick Sand het roer dat hij aan den ouden

Tom overgaf. Een laatste maal nam hij den inham op, die zich allengs

opende. Toen, zich tot Mevr. Weldon wendende, sprak hij met vaste stem:

"'k Heb geen hoop meer, Mevrouw een schuilplaats te vinden! Over een

half uur zal, niettegenstaande al mijn pogingen, de _Pelgrim_ op de

klippen stooten. We moeten hem op het strand zetten! Ik zal het schip

niet meer naar een haven kunnen brengen! 'k Ben genoodzaakt het op

te offeren om u te redden! Maar tusschen uw geluk en het mijne mag

ik niet aarzelen!"

"Heb je alles gedaan wat mogelijk was, Dick?" vroeg Mevr. Weldon.

"Alles," antwoordde de leerling.

Een oogenblik later ging hij over tot de toebereidselen voor de

schipbreuk.

Vooreerst werden Mevr. Weldon, Jack, neef Benedictus en Nan met

zwemgordels voorzien. Dick Sand, Tom en de andere zwarten, bekwame

zwemmers namen eveneens maatregelen om de kust te bereiken, indien

zij misschien in zee geworpen werden.

Hercules werd speciaal belast met de zorg voor Mevr. Weldon.

De leerling zou voor den kleinen Jack zorgen. Neef Benedictus, die

overigens zeer bedaard was, verscheen op het dek, omhangen met zijn

insectendoos. De leerling beval hem aan Bat en Austin aan. Wat Negoro

aangaat, zijn zonderlinge bedaardheid deed genoeg zien dat hij van

niemand hulp behoefde.

Dick Sand liet, als uiterste voorzorg, een tiental vaten met

walvischtraan op den bak brengen.

Deze olie op het juiste oogenblik dat de _Pelgrim_ zich in de branding

zou bevinden, uitgegoten, moest de zee een oogenblik doen bedaren

door de watermolecule glad te maken, hetgeen het passeeren van het

schip tusschen de klippen misschien gemakkelijk zoude maken.

Dick Sand wilde niets verzuimen dat misschien het geluk van allen

kon verzekeren.

Nadat al deze voorzorgen genomen waren, kwam de leerling zijn plaats

aan het roerrad weder innemen.

De _Pelgrim_ was nog slechts twee kabellengten van de kust verwijderd,

in de onmiddellijke nabijheid van de klippen. Zijn bakboordszijde

baadde reeds in het witte schuim der branding. Elk oogenblik kon de

kiel van het vaartuig tegen een verborgen klip stooten.

Eensklaps zag Dick Sand aan een verandering van de kleur van het water,

dat er een doorvaart tusschen de klippen liep. Hij moest het vaartuig

zonder aarzeling in de opening sturen, om zoo dicht mogelijk bij de

kust te stranden.

De leerling aarzelde dan ook niet. Een wending van het roer wierp

het schip in de nauwe en bochtige geul.

Op deze plaats was de zee nog onstuimiger en de golven stoven tot op

het dek.

De negers waren voor, bij de vaten geposteerd, en wachtten op de

orders van den leerling.

"Stort de traan uit!" riep Dick Sand.

Als door tooverij bedaarde de zee onder deze olie, al werd zij in

het volgende oogenblik woedender dan ooit.

De _Pelgrim_ gleed snel over het gladde water en richtte zich

rechtstreeks naar het strand.

Plotseling had er een schok plaats. Het schip werd door een geduchte

golf in de hoogte getild en op het strand gezet, terwijl de masten

daarbij vielen zonder iemand te verwonden.

De romp van den _Pelgrim_, midden doorgebroken door den schok, werd

met geweld door het water overstroomd. Maar het strand was slechts

een halve kabellengte verwijderd, en langs een keten van kleine

zwartachtige rotsen was het gemakkelijk te bereiken.

Ook waren drie minuten later allen die zich op den _Pelgrim_ bevonden,

aan den voet van het rotsachtige strand ontscheept.

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

WAT MEN DOEN MOET.

Na een overtocht dus, langen tijd door windstilte belemmerd, daarna

door noord- en zuidwestenwinden begunstigd--een overtocht die niet

minder dan vier-en-zeventig dagen geduurd had,--werd de _Pelgrim_

op het strand geworpen.

Evenwel dankten Mevr. Weldon en haar metgezellen de Voorzienigheid,

zoodra zij behouden aan land waren.

Het was werkelijk een vasteland en niet een der noodlottige eilanden

van Polynesië waarop de storm hen geworpen had. Den terugkeer in

hun vaderland, op welk punt van Zuid-Amerika zij ook geland waren,

stond naar het scheen, geen ernstige beletselen in den weg.

Wat de _Pelgrim_ aangaat, deze was verloren. Het was slechts een

geraamte zonder waarde, welks overblijfselen binnen weinige uren door

de branding zouden verspreid zijn. Het zou onmogelijk geweest zijn er

iets van te redden. Maar al mocht Dick Sand het genoegen niet smaken

zijn reeder een onbeschadigd vaartuig thuis te brengen, toch waren,

dank zij hem, zij die er zich op bevonden, frisch en gezond op een

gastvrije kust aangeland en onder deze de vrouw en het kind van James

W. Weldon.

Wat nu de vraag betreft op welk gedeelte van de Amerikaansche

kust de schoener-brik gestrand was, daarover had men lang kunnen

beraadslagen. Was het, zooals Dick Sand moest veronderstellen, op

de kust van Peru? Misschien, want hij wist door de verkenning van

het Paasch-eiland, dat de _Pelgrim_ door de werking der winden en

ongetwijfeld ook onder den invloed der aequatoriale stroomen, naar het

noord-oosten was gedreven. Van den drie-en-veertigsten breedtegraad,

had hij zeer goed tot den vijftienden kunnen afdrijven.

Het was dus van belang zoo spoedig mogelijk het juiste punt der kust

te weten waar de schoenerbrik gestrand was. Gesteld dat deze kust

die van Peru was, dan ontbraken de havens, de steden en dorpen er

niet en zou het bijgevolg gemakkelijk zijn de eene of andere bewoonde

plaats te bereiken. Wat dit gedeelte van het strand betrof, het scheen

geheel verlaten.

Het was een smalle, hier en daar door zwarte rotsen afgewisselde

oever, die door een kustrand van tamelijke hoogte werd afgesloten; deze

kustrand werd zeer onregelmatig doorsneden door groote, trechtervormige

openingen, gevormd door het doorbreken der rots. Hier en daar gaven

eenige zachte hellingen toegang tot den top.

Ten noorden, op een kwart mijl van de plaats van de stranding,

bevond zich de monding eener kleine rivier, die uit volle zee niet

kon gezien worden. Langs haar oevers hingen talrijke "rhizophoren"

over het water, een soort van wortelboomen, geheel verschillende van

die van hetzelfde geslacht in Indië.

De steile kust was aan den top bedekt door een dicht bosch, dat steeds

een door den wind in golvende beweging verkeerende groene massa aanbood

en zich uitstrekte tot de bergen op den achtergrond. Wel zou neef

Benedictus, zoo hij in plaats van entomoloog botanist ware geweest,

opgetogen zijn door het ontzaglijk aantal voor hem vreemde boomen!

Het waren hooge baobabs of apenbroodboomen,--waaraan men verkeerdelijk

een buitengewoon hoogen ouderdom heeft toegeschreven,--plataanboomen,

witte pijnboomen, tamarindeboomen, peperboomen van een bijzondere

soort en honderd andere gewassen, die een Amerikaan uit de noordelijke

streken der nieuwe wereld niet gewoon is te zien.

Maar als een zonderlinge omstandigheid moet vermeld worden dat men

onder al deze boomsoorten geen enkel exemplaar ontmoet van de talrijke

familie der palmboomen, die meer dan duizend soorten telt en verspreid

zijn over bijna de geheele oppervlakte der aarde.

Boven het strand zweefde een groot aantal schel schreeuwende vogels,

die grootendeels tot verschillende soorten van zwaluwen behoorden,

zwart van veeren met een staal blauwen weerschijn, maar kastanje-bruin

van kleur boven op den kop. Hier en daar vlogen ook eenige patrijzen

op met een geheel kalen hals en grijs van kleur.

Mevr. Weldon en Dick Sand merkten op, dat al deze vogels niet zeer wild

schenen te zijn. Men kon ze naderen zonder ze te verjagen. Hadden

zij dan nog niet geleerd den mensch te vreezen en was die kust

zoo verlaten, dat de losbarsting van een vuurwapen er nog nooit

was gehoord?

Aan den rand der klippen wandelden eenige pelikanen, die zich druk

bezig hielden met den zak dien zij tusschen de takken van hun onderkaak

dragen met kleine vischjes te vullen.

Eenige meeuwen uit volle zee gekomen, begonnen om den _Pelgrim_

heen te vliegen.

Maar deze vogels waren dan ook de eenige wezens die dit gedeelte

van de kust schenen te bezoeken,--ongerekend, voorzeker, een aantal

belangwekkende insecten, die neef Benedictus wel zou opsporen. Maar,

hoe het den kleinen Jack ook ter harte ging, hun kon men den naam

van het land niet vragen, en om dien naam te weten diende men zich

wel tot een inboorling te richten.

Een Kapitein van Vijftien Jaar De Walvischjagers · 第 9 / 16 段