Werkelijk daalde de barometer den volgenden dag, 10 Maart, tot

acht-en-twintig duim twee tiende. [21] Dat voorspelde een van die

stormvlagen die tot zestig mijl per uur maken.

Het werd dringend noodzakelijk nog meer zeil te minderen, teneinde

de veiligheid van het vaartuig niet in de waagschaal te stellen.

Dick Sand besloot zijn bramsteng te strijken, zijn kluifhout in te

voeren en zijn benedenzeilen te bergen, om slechts te varen onder

stagfok en gereefd marszeil.

Hij riep Tom en de anderen om hem behulpzaam te zijn in dit moeielijk

werk, dat ongelukkig niet snel kon verricht worden.

En toch, de tijd drong, want de storm barstte reeds met hevigheid los.

Dick Sand, Austin, Actéon en Bat gingen naar boven terwijl Tom aan

het roer bleef, en Hercules op het dek, om dadelijk, als hem de order

gegeven werd, de vallen te vieren of los te gooien.

Na talrijke pogingen werd het kluifhout ingevoerd en de bramsteng

gestreken, niet zonder dat deze brave menschen door het vreeselijk

schudden der masten, tengevolge van het slingeren, honderd maal op

het punt waren in zee te storten. Nadat daarna nog een rif ingestoken

en de fok geborgen was, lag de schoenerbrik alleen onder stagfok en

het dicht gereefd marszeil.

Alhoewel zijn zeilen nu aanmerkelijk verminderd waren, bleef de

_Pelgrim_ nog altijd een buitengewoon snelle vaart houden.

Den 12en zag het er met het weder nog slechter uit. Dien dag toch zag

Dick Sand in den vroegen morgenstond den barometer tot zeven-en-twintig

duim negen tiende [22] dalen.

Het was nu een echte storm geworden, zoodanig, dat de _Pelgrim_

zelfs het weinigje doek niet meer kon dragen, dat hem nog over bleef.

Toen Dick Sand zag dat zijn marszeil zou scheuren, gaf bij bevel het

te beslaan.

Maar te vergeefs, want een nog heviger rukwind wierp zich op dit

oogenblik op het schip en scheurde het zeil los. Austin, die zich op

de marsra bevond, werd door den bakboordsschoot getroffen. Gewond,

maar vrij licht, kon hij zelf naar beneden komen.

Dick Sand was nu ten hoogste ongerust en had slechts één gedachte:

dat namelijk het schip, met zulk een woedende vaart voortgestuwd,

zich elk oogenblik kon te bersten stooten, want volgens zijn raming,

konden de klippen van het strand niet meer ver af zijn. Hij keerde

dus terug naar het voorschip, maar hij zag niets, dat zelfs den schijn

van land had en nam het roer weder op.

Een oogenblik later trad Negoro op het dek. Daar gekomen, strekte

zich zijn arm onwillekeurig uit naar een punt van den horizont. Men

zou gezegd hebben dat hij zeer in de verte door den dichten nevel

heen hoog land ontdekte!....

Nogmaals vertoonde diezelfde valsche glimlach zich op zijn gelaat,

en zonder iets te zeggen van 't geen hij misschien gezien had, ging

hij weder naar zijn verblijf terug.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

AAN DEN HORIZONT.

Het was op dezen dag dat de storm op zijn felst woedde en zijn

vreeselijksten vorm aannam, namelijk dien van orkaan. De wind was naar

het zuidoosten geloopen. De lucht verplaatste zich met een snelheid

van negentig mijlen in 't uur. [23]

Het was nu wel degelijk een orkaan, een van die vreeselijke windvlagen,

die al de schepen eener reede op de kust werpen en waaraan, zelfs aan

land, de stevigste gebouwen geen weerstand kunnen bieden. Zoodanig

een was die, welke den 25n Juli 1825 Guadeloupe verwoestte. Wanneer

vier-en-twintig ponders van hunne affuiten worden gelicht, bedenke men

eens wat er van een schip moet worden dat geen ander steunpunt heeft

dan een oproerige zee! En toch is het juist aan de beweeglijkheid van

die zee, dat het vaartuig dikwijls zijn redding te danken heeft. Het

loopt met den wind mede en mits het maar stevig gebouwd zij, is het

in staat de hevigste windstooten te weerstaan. Dit was het geval met

den _Pelgrim_. Eenige minuten nadat het marszeil aan flarden gescheurd

was, werd ook de stagfok op haar beurt weggerukt. Dick Sand moest er

toen van afzien om zelfs een stormfok, een klein zeil van sterk doek,

te stellen, hetgeen het sturen van het schip anders gemakkelijker

zou gemaakt hebben.

Er bleef dus geen enkel stukje doek aan den _Pelgrim_ meer over waarop

de wind vat kon hebben, die nu woedde tegen zijn romp, zijn masten

en zijn want; dit reeds was genoeg om hem met ontzettende snelheid

te doen voortvliegen. Somtijds scheen het schip zelfs boven de golven

te zweven en moest men aannemen dat het die slechts even aanraakte.

In dezen toestand was het slingeren van het vaartuig op de door den

storm heen en weer geschudde golven, vreeselijk. Telkens liep men

gevaar een monsterachtige stortzee achterin te krijgen. De bergen

water liepen sneller dan de schoenerbrik en dreigden den achtersteven

te treffen, zoo zij zich niet snel genoeg oprichtte. Dit is een

der grootste gevaren die een schip, dat voor den storm vlucht,

kan beloopen.

Maar, wat te doen om deze mogelijke ramp te voorkomen? Men kon

den _Pelgrim_ geen grootere snelheid mededeelen, omdat hij niet het

kleinste stukje doek zou behouden hebben. Men moest dus beproeven door

middel van het roer, waarvan de werking evenwel dikwijls onmachtig was,

aan het vaartuig dezelfde richting te blijven geven.

Dick Sand verliet het roer niet meer. Hij had zich met een touw

om het middel vastgesjord, om niet door een stortzee weggeslagen

te worden. Ook Tom en Bat hadden zich vastgebonden en hielden zich

gereed om hem te hulp te komen. Hercules en Actéon hadden zich aan

de betings vastgeklampt en waakten op het voorschip.

Wat Mevr. Weldon, den kleinen Jack, neef Benedictus en Nan aangaat, zij

bleven op verzoek van den leerling in de achterkajuit. Mevr. Weldon

was liever op het dek gebleven, maar Dick Sand had het met alle

macht tegengehouden, omdat dit zich zonder noodzakelijkheid in gevaar

begeven zou geweest zijn.

Al de luiken waren hermetisch gesloten. Het was te hopen dat zij

genoegzaam tegenstand zouden bieden ingeval het mocht gebeuren, dat

er een van die ontzaglijke zeeën over boord sloeg waartegen niets

bestand is. Indien zij ongelukkig voor het gewicht dezer stortzeeën

weken, kon het schip onderloopen en zinken. Zeer practisch was ook

de lading met zorg gestuwd, zoodat in weerwil van het vreeselijk

overhalen der schoenerbrik, haar lading zich niet verplaatste.

Dick Sand had de uren, die hij aan den slaap gaf, nog verminderd. Ook

bekroop Mevr. Weldon de vrees dat hij ziek zou worden. Zij verkreeg

van hem dat hij eenigen tijd rust zou nemen.

Nu had er juist, terwijl hij sliep, in den nacht van den 13en op den

14en Maart weder iets bijzonders plaats.

Tom en Bat waren achteruit, toen Negoro, die zich slechts zelden op

dit gedeelte van het schip liet zien, op hen toekwam en zelfs een

gesprek met hen scheen te willen aanknoopen; maar Tom en zijn zoon

gaven hem geen antwoord.

Plotseling, op het oogenblik eener vreeselijke slingering, viel Negoro,

en zou hij stellig in zee geslingerd zijn, zoo hij zich niet aan het

kompasbuisje had vastgegrepen.

Tom gaf een schreeuw, daar hij vreesde dat het kompas gebroken was.

Dick Sand was in een oogenblik wakker, hoorde den kreet en vloog op

het dek.

Negoro was reeds weder op de been, maar hij hield het stuk ijzer in

de hand, dat hij van onder het kompashuisje had weggenomen en deed

het verdwijnen voordat Dick Sand het bemerkt had.

Zou Negoro er belang bij gehad hebben dat de magneetnaald de goede

richting hernam! Ja, want deze winden uit het zuid-westen kwamen hem

nu te stade!....

"Wat is er gaande?" vroeg de leerling.

"Dat is die ongelukkige kok, die viel op het kompas!" antwoordde Tom.

Bij deze woorden, bukte zich Dick Sand, die zich zeer ongerust maakte,

naar het kompashuisje.... Het was in order, het kompas door de lampen

verlicht, lag altijd op zijn beide concentrische ringen.

Dat was een steen van het hart van Dick! Het breken van het eenige

kompas aan boord zou een onherstelbaar ongeluk geweest zijn.

Maar, wat Dick Sand niet had kunnen opmerken, was, dat sedert het

wegnemen van het stuk ijzer, de naald haar normalen stand weder had

ingenomen en juist het magnetische noorden aanwees, zooals het onder

dezen meridiaan moest zijn.

Al kon men nu evenwel Negoro niet verantwoordelijk stellen voor een

val, die onwillekeurig scheen, zoo had Dick Sand toch alle reden er

zich over te verwonderen dat de kok zich op dat uur op het achterschip

bevond.

"Wat doe je daar?" vroeg hij hem.

"Wat me bevalt," antwoordde Negoro.

"Je zegt!...." riep Dick Sand uit, die zich een oogenblik boos maakte.

"Ik zeg!...." antwoordde de kok, "dat er geen reglement is dat me

verbiedt op het achterschip te wandelen!"

"Welnu, ik maak dat reglement," antwoordde Dick Sand, "en nu verbied

ik u achteruit te komen!"

"Och kom!" antwoordde Negoro.

De man, die zich zelf gewoonlijk zoo meester was, maakte een dreigende

beweging.

De leerling haalde een revolver te voorschijn en richtte deze op den

kok, zeggende:

"Negoro, onthoud dat ik dit wapen altijd bij me draag en ik je bij

het eerste teeken van verzet door 't hoofd schiet!"

Op dit oogenblik voelde Negoro zich door een onweerstaanbare kracht

tot het dek neergebogen.

Hercules had eenvoudig zijn zware hand op zijn schouder gelegd.

"Kapitein Sand," zei de reus, "wilt u dat 'k dien kerel over boord

gooi? Het is een lekkerbeetje voor de visschen die nog al zoo kiesch

niet zijn."

"Nog niet," antwoordde Dick Sand.

Negoro richtte zich op, zoodra hij de hand van den neger niet meer

op zich voelde drukken. Maar Hercules voorbijgaande, mompelde hij:

"Dat zal 'k je betaald zetten, vervloekte neger!"

Intusschen was de wind omgeloopen en toch gaf, tot Dick's verwondering,

niets in den toestand der zee te kennen dat er een verandering op

til was. Het schip hield nog steeds koers, maar door wind en zeeën,

die nu dwars inkwamen, was Dick Sand genoodzaakt vier streken af te

houden om voor den storm te blijven wegloopen.

Maar van den anderen kant was zijn aandacht meer dan ooit opgewekt en

vroeg hij zich af of er niet eenig verband bestond tusschen den val van

Negoro en het breken van het eerste kompas. Wat was de kok daar komen

doen? Had hij er misschien eenig belang bij dat het tweede kompas

ook buiten dienst gesteld werd? Welk belang zou dat hebben kunnen

zijn? Er was geen enkele reden voor te vinden. Moest ook Negoro,

evenzeer als allen, niet vurig wenschen zoo spoedig mogelijk aan de

Amerikaansche kust te landen?

Toen Dick Sand met Mevr. Weldon over het voorval sprak, kon ook zij,

hoewel zijn wantrouwen in zekere mate deelende, geen aannemelijke

drijfveer vinden voor 't geen van den kant van Negoro een misdadig

overleg zou geweest zijn.

Intusschen werd op den kok, uit voorzichtigheid, nauwkeurig het oog

gehouden. Overigens kwam hij in zooverre de bevelen van den leerling

na, dat hij zich niet meer op het achterschip waagde, waar zijn dienst

hem nimmer riep. Bovendien nam men de voorzorg er Dingo aanhoudend

verblijf te laten houden, en men weet dat Negoro niet bijzonder op

het gezelschap van den hond gesteld was.

Gedurende de geheele week bleef de storm voortwoeden. De barometer

daalde nog altijd. Van den 14en tot den 26en Maart, was het onmogelijk,

van een oogenblikje kalmte gebruik te maken om eenige zeilen bij te

zetten. De _Pelgrim_ stormde naar het noordoosten met een snelheid die

niet onder de twee honderd mijlen in de vier-en-twintig uur kon zijn,

en nog altijd geen land! En toch, dat land was Amerika, dat als een

onmetelijke slagboom tusschen de Atlantische zee en de Stille Zuidzee

ligt, op een lengte van meer dan honderd twintig graden.

Dick Sand vroeg zich somtijds af of hij niet krankzinnig was, of hij

nog het bewustzijn had het ware van het valsche te onderscheiden, of

hij niet sedert zoo vele dagen, buiten zijn weten, in een verkeerde

richting liep! Neen, zoo erg kon hij zich niet vergissen! De zon,

die hij wel is waar in den dikken nevel niet kon onderscheiden,

kwam altijd vóór hem op, om achter hem onder te gaan!

Maar was het land dan verdwenen? Waar lag dan Amerika, waarop zijn

schip misschien te gronde zou gaan, waar was het, zoo het zich niet

daar bevond? Het mocht dan het zuidelijke of het noordelijke vasteland

zijn,--want alles was mogelijk in die verwarring,--een van beiden moest

de Pelgrim toch bereiken. Wat was er toch gebeurd sedert het begin van

dien verschrikkelijken storm? Wat geschiedde er nog, nu die kust, die

zijn heil of zijn ondergang zou zijn, nog altijd niet opdoemde? Moest

Dick Sand dan veronderstellen dat hij bedrogen was door zijn kompas,

welks aanwijzingen hij niet meer kon vergelijken, omdat het tweede

kompas hem ontbrak om die vergelijking te doen? En werkelijk zijn

vrees was gewettigd door die voortdurende totale afwezigheid van land!

Wanneer Dick Sand zich dan ook niet aan het roer bevond, was hij

onophoudelijk bezig de kaart met de oogen te verslinden. Maar

al bestudeerde hij deze nog zoo vlijtig, zij kon hem het raadsel

niet oplossen dat, in den toestand waarin Negoro hem gebracht had,

onbegrijpelijk voor hem was, zooals het voor iedereen zou geweest zijn.

Dien dag evenwel, den 27n Maart ongeveer 8 uur 's morgens deed zich

iets van het grootste gewicht voor.

Hercules voor op den uitkijk, deed den kreet hooren:

"Land! land!"

Dick Sand nam een sprong naar den bak. Zou Hercules, die geen

zeemansoogen kon hebben, zich niet bedriegen?

"Land!" riep Dick Sand.

"Dáár!" antwoordde Hercules, terwijl hij een bijna onmerkbaar punt

aan den horizont in het noord-oosten aanwees.

Men kon elkander te midden van het geloei van den storm slechts

moeielijk verstaan.

"Heb je werkelijk land gezien?...." vroeg de leerling.

"Ja," antwoordde Hercules, met het hoofd knikkend. En wederom wees

hij met de hand aan bakboord vooruit.

De leerling keek, maar zag niets.

Op dit oogenblik betrad Mevr. Weldon, die den kreet door Hercules

geuit, gehoord had, het dek, niettegenstaande haar belofte er niet

te komen.

"Mevrouw!...." riep Dick Sand.

Ook Mevr. Weldon, zich niet kunnende doen hooren, beproefde het door

den neger aangewezen land te ontdekken, en scheen haar geheele leven

in haar oogen te concentreeren.

Waarschijnlijk had de hand van Hercules naar een verkeerd punt aan

den horizont gewezen, want noch Mevrouw Weldon, noch Dick Sand konden

iets zien.

Maar eensklaps strekte ook hij de hand uit.

"Ja! ja! land!" zeide hij.

En werkelijk was op een plek, waar de nevelen voor een oogenblik

uiteen weken, een soort van top te zien. Zijn zeemansoogen konden

hem niet bedriegen.

"Eindelijk!" riep hij uit, "eindelijk!"

Hij hield zich koortsachtig aan de verschansing vast. Mevr. Weldon,

door Hercules ondersteund, keek onophoudelijk naar dat zoo vurig

verlangde land.

De kust, die door dit voorgebergte gevormd werd, verhief zich op

tien mijlen aan lij van bakboordszij. Daar er nu een blinker kwam,

kon men de kust duidelijker onderscheiden. Het was ongetwijfeld een

kaap van het Amerikaansche vasteland. De _Pelgrim_ kon zonder zeilen

niet goed koers houden, maar moest wel op het strand aanloopen.

Het was slechts om eenige uren te doen. Het was nu acht uur 's morgens

en dus zou de _Pelgrim_ voor twaalf uur dicht bij land zijn.

Op een teeken van Dick Sand, geleidde Hercules Mevr. Weldon weder

naar het achterschip, want zij zou het geweld van het stampen niet

hebben kunnen weerstaan.

De leerling bleef nog een oogenblik op den bak en keerde vervolgens

naar het roer bij den ouden Tom terug.

Eindelijk zag hij dan nu deze zoo lang weggebleven, zoo vurig begeerde

kust! maar nu helaas! met een gevoel van schrik!

En inderdaad, in den toestand waarin de _Pelgrim_ zich bevond, namelijk

vluchtende voor den storm, het land aan lij, was er niets anders te

wachten dan een schipbreuk met al haar mogelijke verschrikkingen.

Twee uren verliepen. Het voorgebergte vertoonde zich nu dwarsscheeps.

Op dit oogenblik kwam Negoro aan dek. Dezen keer keek hij met de

grootste aandacht naar de kust, schudde het hoofd als iemand die

wist waaraan zich te houden, en ging weder naar beneden, na een naam

genoemd te hebben dien niemand kon verstaan.

Wat Dick Sand betreft, hij trachtte de kust te ontdekken, die zich

achter het voorgebergte moest uitstrekken.

Opnieuw verliepen twee uren. Het voorgebergte verhief zich aan

bakboordszij van achteren, maar de kust was nog altijd niet te

onderscheiden.

Intusschen klaarde de lucht aan den horizont op, en een hooge kust,

zooals het Amerikaansche land zich juist moest voordoen in het verre

verschiet, begrensd door de ontzaglijke keten der Andes, zou op een

afstand van meer dan twintig mijlen zichtbaar geweest zijn.

Dick Sand nam zijn verrekijker en liet dien langzaam langs den geheelen

oostelijken horizont gaan.

Niets! Hij zag niets meer!

Om twee uren na den middag, was alle spoor van land achter den

_Pelgrim_ uitgewischt. Vooruit kon de verrekijker niet de minste lijn

van een hooge of lage kust ontdekken.

Toen ontsnapte aan Sand een smartelijke kreet; hij verliet onmiddellijk

het dek en begaf zich haastig naar de kajuit waar Mevr. Weldon met

den kleinen Jack, Nan en Neef Benedictus zich ophielden.

"Een eiland! 't was maar een eiland!" zeide hij.

"Een eiland, Dick! maar welk?" vroeg Mevr. Weldon.

"De kaart zal 't ons zeggen."

En even heengaande, kwam hij met de kaart terug.

"Daar, mevrouw Weldon, daar!" zei hij. "Het land dat in 't gezicht

geweest is, kan niet anders zijn dan het verloren punt te midden der

Stille Zuidzee! 't kan niet anders zijn dan het Paascheiland! Er zijn

geen andere eilanden in deze streken!"

"En hebben we 't al achter ons?" vroeg Mevr. Weldon.

"Ja, loefwaarts van ons!"

Mevr. Weldon keek aandachtig naar het Paasch-eiland, dat slechts een

onmerkbaar punt op de kaart uitmaakte.

"En hoe ver is het van de Amerikaansche kust.

"Vijf en dertig graden."

"En dat is?...."

"Ongeveer twee duizend mijlen."

"Maar is dan de _Pelgrim_ niet vooruitgegaan, omdat we nog zoo ver

van het vasteland afzijn?"

"Mevrouw Weldon," antwoordde Dick Sand, die een oogenblik de

hand aan het voorhoofd bracht, als om zijn gedachten bijeen te

houden, "'k weet.... 'k kan geen verklaring van de ongelooflijke

vertraging geven!.... Neen! ik kan niet.... of de aanwijzingen van

het kompas moeten valsch geweest zijn!.... Maar dat eiland moet

wel het Paasch-eiland geweest zijn, omdat we voor den wind naar het

noord-oosten hebben moeten loopen en de Hemel zij gedankt dat we nu

weten waar we zijn. Ja! 't is het Paasch-eiland! Ja het is nog twee

duizend mijlen van de kust af! Eindelijk weet ik dan toch waarheen

de storm ons gejaagd heeft, en zoo hij bedaart, kunnen we met eenige

kans op geluk de Amerikaansche kust aandoen! Nu althans mag ons schip

niet meer verloren heeten in de onmetelijke Stille Zuidzee!"

Dit vertrouwen, door den jeugdigen leerling geuit, werd door allen

gedeeld die hem zoo hoorden spreken. Mevr. Weldon zelve liet zich

overtuigen. Het was wezenlijk alsof die arme menschen aan het einde

van hun zorgen, van hun lijden gekomen waren en de _Pelgrim_ weldra

met goeden wind in een haven zou binnenloopen!

Het Paascheiland,--met zijn waren naam Vai-Hou geheeten,--ontdekt

door David in 1686, bezocht door Cook en Lapérouse, is gelegen op

27° Z.B. en 112° O.L. Indien de schoenerbrik op deze wijze meer dan

vijftien graden naar het noorden was verzeild, dan was dit blijkbaar

tengevolge van dien storm uit het zuid-westen waarvoor zij had

moeten lenzen.

De _Pelgrim_ was dus nog twee duizend mijlen van de kust

verwijderd. Evenwel moest hij door de kracht van den wind, die nog

altijd even hevig bleef, in minder dan tien dagen een of ander punt

van de kust van Zuid-Amerika bereikt hebben.

Maar mocht men niet hopen, zooals de leerling gezegd had, dat het

weder eindelijk toch wat zou bedaren en dat het dan mogelijk zou zijn

een of ander zeil bij te zetten, zoodra men land in 't gezicht had?

Dit was nog altijd de hoop van Dick Sand. Hij was van meening dat

die orkaan, die nu reeds zoovele dagen had aangehouden, eindelijk

toch wel zou afnemen. En nu hij, tengevolge van de verkenning van

het Paasch-eiland, juist wist waar zij zich bevonden, had hij alle

reden te vertrouwen, dat hij, eenmaal weder meester van zijn vaartuig

geworden, het naar een veilige ankerplaats zou kunnen brengen.

Nu Dick Sand als door een bijzondere gunst der Voorzienigheid dat

verlaten punt te midden der zee had kunnen verkennen, nu had Dick Sand

zijn vertrouwen, dat bijna verloren was gegaan, teruggekregen. Werd hij

altijd door een orkaan, dien hij niet beteugelen kon, voortgezweept,

dan ging dit toch niet geheel blindelings meer.

De _Pelgrim_, stevig gebouwd en getuigd, had onder deze woedende

aanvallen van den storm, weinig geleden. Zijn averij bepaalde zich

tot het verlies van het marszeil en de kleine stagstok--verliezen die

licht te herstellen waren. Geen druppel water was door de met zorg

gestopte naden van den romp en het dek gedrongen. De pompen waren

volkomen onbelemmerd. In dit opzicht was er niets te vreezen.

Doch onophoudelijk bleef de orkaan voortwoeden en niets scheen hem tot

bedaren te brengen. Kon Dick Sand zijn schip in zekere mate bestand

maken tegen den storm, hij vermocht den wind niet bevelen te gaan

liggen, den golven te bedaren, den hemel op te klaren. Was hij aan

boord na God "heer en meester," buiten boord was het God alleen die

wind en golven gebood.

DERTIENDE HOOFDSTUK.

LAND! LAND!

Intusschen zou het vertrouwen, dat Dick Sand als bij instinct bezielde,

gedeeltelijk gerechtvaardigd worden.

Den volgenden dag, 27 Maart, ging de kwikkolom in de barometerbuis aan

het rijzen. De schommeling had niet plotseling plaats en was ook niet

belangrijk, eenige strepen slechts, maar de rijzing scheen te zullen

aanhouden. De storm ging blijkbaar in het tijdperk van afneming over,

en, mocht de zee nog buitengewoon onstuimig blijven, toch kon men

zich overtuigen dat de wind afnam.

Dick Sand kon er nog niet aan denken zeilen aan te slaan. Het

kleinste zeil ware weggerukt geworden. Evenwel hoopte hij dat er geen

vier-en-twintig uur zouden verloopen zonder dat hem mogelijk was een

stormzeil bij te zetten.

En werkelijk ging de wind 's nachts vrij belangrijk liggen, vooral

als men hem vergeleek met 't geen hij tot nog toe geweest was, en

nu ook had het schip minder van het vreeselijke slingeren te lijden,

dat vroeger dreigde het te vernielen.

De passagiers begonnen zich weder op het dek te vertoonen. Zij liepen

geen gevaar meer door de stortzee medegevoerd te worden.

Mevr. Weldon verliet het eerst de kerk waar Dick Sand haar uit

voorzichtigheid gedwongen had zich den geheelen duur van den storm

op te sluiten. Zij kwam eens praten met den leerling, dien een

waarlijk bovenmenschelijke geestkracht het vermogen geschonken

had zoovele vermoeienissen te weerstaan. Vermagerd, verweerd en

bleek van gelaat, had hij verzwakt moeten zijn door het gemis aan

den voor zijn leeftijd zoo noodigen slaap! Neen! zijn krachtige

natuur weerstond alles. Eenmaal misschien zou hij dit tijdperk van

beproevingen duur moeten betalen! Maar het was de tijd niet zich

te laten ontmoedigen. Dick Sand had dit alles reeds bij zich zelven

nagegaan en Mevr. Weldon vond hem sterker en moediger dan ooit.

En daarenboven bezat de moedige Dick een hoedanigheid die, in

moeielijke omstandigheden des levens bergen verzet, hij had vertrouwen.

"Dick, mijn kind, mijn kapitein!" zei Mevr. Weldon hem de hand

reikende.

"'k Moet u zeggen, mevrouw Weldon," riep Dick Sand glimlachend uit,

"u komt de bevelen van uw kapitein niet na! U komt weer op het dek,

u verlaat uw kajuit in weerwil van zijn.... verzoek!"

"Ja, 'k ben je ongehoorzaam," antwoordde Mevr. Weldon; "maar 'k heb

als een voorgevoel dat de storm bedaart of zal bedaren!"

"Hij bedaart werkelijk, mevrouw Weldon," antwoordde de leerling. "U

bedriegt u niet! De barometer is sedert gisteren niet gedaald. De

wind is niet zoo hevig meer, en 'k heb alle reden te gelooven dat

onze ergste beproevingen voorbij zijn."

"God geve het, Dick! Wat heb je geleden, arm kind! Je hebt...."

"Niets dan mijn plicht gedaan, mevrouw Weldon."

"Maar zou je nu niet wat rust gaan nemen?"

"Rust!" antwoordde de leerling. "'k Heb geen rust noodig, mevrouw

Weldon! 'k Gevoel me zeer wel. Goddank, en 'k moet tot het einde toe

volhouden! U hebt me den kapitein genoemd, 'k zal kapitein blijven tot

het oogenblik dat al de passagiers van den _Pelgrim_ behouden zijn."

Een Kapitein van Vijftien Jaar De Walvischjagers · 第 8 / 16 段