elkander. Dick Sand raadpleegde gaarne die schrandere en moedige
vrouw. Iederen dag toonde hij haar het bestek op de kaart, dat hij bij
schatting afzette, daarbij alleen rekening houdende met den gezeilden
koers en den afstand.
"Ziet u, mevrouw Weldon," herhaalde hij haar dikwijls, "met die vaste
winden moeten wij de kust van Zuid-Amerika wel bereiken. 'k Zou het
niet durven verzekeren, maar 'k geloof wel dat, wanneer ons vaartuig in
't gezicht van land zal komen, het niet ver van Valparaiso zal zijn!"
Mevr. Weldon kon niet twijfelen of de koers was goed, vooral begunstigd
door die noord-westenwinden. Maar wat kwam de _Pelgrim_ haar nog ver
van het Amerikaansche strand voor! Welke gevaren lagen er nog tusschen
hen en het vasteland, al waren het alleen die, welke konden voortkomen
uit eene verandering in den toestand van de zee en den hemel!
Jack had met de zorgeloosheid aan zijn leeftijd eigen, weldra zijn
gewone spelen hervat. Hij liep weder op het dek, speelde met Dingo,
en vond ongetwijfeld dat zijn vriend Dick zich minder dan vroeger met
hem bemoeide, maar zijn moeder had hem aan het verstand gebracht, dat
hij den leerling niet van zijn bezigheden moest aftrekken. Jack had
genoegen met deze redenen genomen en stoorde "kapitein Sand" niet meer.
Zoo ging het met de zaken aan boord. De zwarten verrichtten met
schranderheid hun werk en werden elken dag meer bedreven in de praktijk
van het zeemansvak. Tom werd natuurlijk bootsman en ook zijn kameraden
zouden hem ongetwijfeld voor deze betrekking uitgekozen hebben. Hij
commandeerde de wacht, terwijl Dick sliep en met hem waren dan steeds
zijn zoon Bat en Austin. Actéon en Hercules maakten de andere wacht
uit onder commando van Dick Sand. Terwijl dus de een stuurde, waakten
de anderen op het voorschip.
Hoewel deze streken eenzaam waren en een aanzeiling geenszins
te vreezen was, nam de leerling gedurende den nacht de uiterste
waakzaamheid in acht. Hij voer nooit zonder zijn lichten op
te hebben,--een groen licht aan stuurboordszij, een rood aan
bakboordszij,--en hierin handelde hij wijs.
In die nachten evenwel, die Dick Sand geheel aan het roer doorbracht,
maakte zich somtijds een onweerstaanbare neerslachtigheid van hem
meester. Zijn hand stuurde dan zuiver instinctmatig. Het was het
gevolg eener afgematheid, waarvan hij niets wilde weten.
Nu gebeurde het in den nacht van den 13n op den 14n Februari dat
Dick Sand, die zeer vermoeid was, eenige uren rust moest gaan nemen
en door den ouden Tom aan het roer vervangen werd.
De hemel was met dikke wolken bezet, die tegen den avond onder den
invloed van de koude lucht gedaald waren. Het was dus zeer duister
en het was onmogelijk de bovenzeilen te onderscheiden. Hercules en
Actéon hadden de wacht op den bak.
Op het achterschip werd het zwakke schijnsel van het licht van het
kompashuisje zacht weerkaatst door het metalen bekleedsel van het
stuurrad. De boordseinlantarens, die hun lichten zijdelings deden
uitstralen, lieten het dek van het schip in diepe duisternis gehuld.
Tegen drie uur 's morgens deed zich bij Tom een soort van
helderziendheid voor, waarvan hij zich zelven niet bewust was. Zijn
oogen, die al te lang op een lichtend punt van het kompashuisje
gestaard hadden, verloren plotseling het gezichtsvermogen en hij
verviel in een soort van werkelijke anaesthetische slaperigheid.
Niet alleen zag hij niet meer, maar al had men hem aangeraakt of hard
geknepen, zou hij waarschijnlijk niets gevoeld hebben.
Hij zag dus de schaduw niet die over het dek gleed.
Het was Negoro.
Achteruit gekomen, plaatste de kok onder het kompashuisje een tamelijk
zwaar voorwerp, dat hij in de hand hield.
Na toen een oogenblik den verlichten wijzer van het kompas waargenomen
te hebben, trok hij zich terug zonder dat hij gezien was.
Indien Dick Sand den volgenden morgen het voorwerp had opgemerkt,
dat Negoro onder het kompashuisje geplaatst had, zou hij zich gehaast
hebben het weg te nemen.
En niet zonder reden, want het was een stuk ijzer, waarvan de invloed
de aanwijzingen van het kompas veranderd had. De magneetnaald was
afgeweken en in plaats van het magnetische noorden aan te wijzen,
dat een weinig van het geographische noorden verschilt, wees zij
het noord-oosten aan. Het was een afwijking van vier streken, anders
gezegd van een halven rechten hoek.
Tom was bijna dadelijk uit zijn diepe sluimering ontwaakt. Zijn oogen
wendden zich terstond naar het kompas... en hij geloofde, hij moest
wel gelooven dat de _Pelgrim_ de goede richting niet had.
Hij draaide dus het roer, teneinde den steven weder naar het oosten
te richten.... Hij dacht het althans.
Maar, bij de afwijking van de naald, die hij niet kon vermoeden,
wendde hij den schoener naar het zuidoosten.
Terwijl men dus niet anders dacht dan dat de _Pelgrim_ bij gunstigen
wind de goede richting had, vervolgde hij met een verschil van
vijf-en-veertig graden zijn weg!
ELFDE HOOFDSTUK.
STORM.
In de week die op dit voorval volgde, van den 14n tot den 21n Februari,
had er niets bijzonders aan boord plaats. De noordoostelijke wind
wakkerde allengs aan en de _Pelgrim_ liep snel, een afstand afleggende
van gemiddeld honderd zestig mijlen in de vier-en-twintig uren. Dit was
nagenoeg alles wat men van een vaartuig van deze afmeting kon vergen.
De schoenerbrik moest dus, naar de berekening van Dick, de streken
naderen waar de mailbooten van het eene halfrond naar het andere
oversteken. De leerling hoopte altijd een van die vaartuigen
te ontmoeten, en hij had het stellige voornemen, hetzij er zijn
passagiers op over te brengen, hetzij eenige matrozen en misschien
wel een officier te leenen. Maar hoewel er zeer nauwkeurig werd
uitgekeken, kon er geen enkel schip gesignaleerd worden en bleef de
zee altijd eenzaam.
Dit begon Dick Sand wel een weinig vreemd te vinden. Hij had meermalen
dit gedeelte der Stille Zuidzee op zijn drie reizen naar de zuidelijke
zeeën, om te visschen, doorkruist en bij de breedte en de lengte
waarop hij zich meende te bevinden, was het zeldzaam dat er zich
geen enkel Engelsch of Amerikaansch schip vertoonde, dat van Kaap
Hoorn naar den evenaar kwam opwerken of naar de uiterste punt van
Zuid-Amerika afzakte.
Maar Dick Sand wist niet, en hij kon het ook niet weten, dat de
_Pelgrim_ reeds op een hoogere breedte was, dat is te zeggen meer
zuidelijk dan hij vermoedde.
Dit lag aan twee redenen.
De eerste was dat de stroomen dezer streken, welker snelheid de
leerling slechts onvolkomen kon gissen, er aan hadden toegebracht,
om het schip van zijn weg af te brengen zonder dat het hem mogelijk
was er zich rekenschap van te geven.
De tweede reden was dat het kompas, geschonden door de schuldige
hand van Negoro, slechts onnauwkeurige uitkomsten gaf,--uitkomsten
die Dick Sand, sedert het verlies van het tweede kompas, niet
kon controleeren. Zoodat hij, meenende en moetende meenen dat de
steven naar het oosten gekeerd was, werkelijk naar het zuid-oosten
stevende! Het kompas werd steeds trouw door hem waargenomen. Er werd
geregeld gelogd. Met zijn twee instrumenten kon hij in zekere mate
den _Pelgrim_ besturen en het aantal afgelegde mijlen bij benadering
bepalen. Maar was dit voldoende?
Evenwel deed Dick Sand steeds zijn best om Mevr. Weldon, die zich over
de voorvallen dezer reis dikwijls ongerust maakte, moed in te spreken.
"We zullen er wel komen!" herhaalde hij telkens. "We zullen de
Amerikaansche kust bereiken, hier of daar, onverschillig waar, maar
ergens aanlanden zullen we!"
"'k Twijfel er niet aan, Dick."
"Natuurlijk, mevrouw, zouden we geruster zijn, als u niet aan boord
waart en we slechts voor ons zelven hadden te zorgen, maar...."
"Maar als ik niet aan boord was," antwoordde Mevr. Weldon, "als neef
Benedictus, Jack, Nan en ik geen plaats op den _Pelgrim_ genomen
hadden, en als van den anderen kant, Tom en zijn kameraden niet
in zee waren opgenomen, Dick, zou er niemand overgebleven zijn dan
gij en Negoro!.... Wat zou er van je geworden zijn, alleen met dien
raadselachtigen man, dien je niet vertrouwen kunt?"
"'k Zou begonnen zijn," antwoordde Dick flink weg, "met Negoro te
beletten mij te benadeelen."
"En je zoudt alleen het schip bestuurd hebben?"
"Ja....alleen.... met God's hulp!"
De moed en de geestkracht die uit deze woorden spraken, waren zeer
geschikt om Mevr. Weldon op te beuren. En toch, als zij haar kleinen
Jack aanzag, maakte zij zich dikwijls ongerust! Als de moeder niets
wilde laten blijken van 't geen de moeder gevoelde, dan kon zij
niet altijd beletten dat een heimelijke angst zich van haar hart
meester maakte.
Mocht intusschen de jeugdige leerling niet ver genoeg in zijn
hydrographische studiën gevorderd zijn om zijn bestek op te maken,
zoo bezat hij een werkelijk zeemans instinct, als er sprake van was
om naar het weer te raden. Het voorkomen van de lucht van de eene
zijde, van de andere de aanwijzingen van den barometer, deden hem
voorzorgen nemen. Kapitein Hull, die een goed meteoroloog was, had
hem geleerd dit instrument te raadplegen, dat merkwaardig zeker het
weer kan voorspellen.
Ziehier met weinige woorden wat de aanteekeningen betrekkelijk de
waarneming van den barometer bevatten. [18]
1º. Wanneer de barometer, nadat het tamelijk lang mooi weer geweest
is, plotseling en aanhoudend begint te dalen, komt er ongetwijfeld
regen; maar, als het lang mooi weer geweest is, kan de kwik twee
of drie dagen lang in de barometer-buis zakken, voordat men eenige
verandering in den toestand der atmosfeer opmerkt. Hoe meer tijd er
dan verloopt tusschen de daling van de kwik en het komen van regen,
des te langer zal de regentijd duren.
2º. Indien integendeel de barometer bij regenachtig weder, dat reeds
lang geduurd heeft, langzaam en geregeld begint te rijzen, zal het
zeker mooi weer worden, hetgeen des te langer zal duren hoe langer
tusschenpoos verloopen is tusschen het mooie weer en het begin van
het rijzen des barometers.
3º. Indien in de twee gevallen die voorafgaan, de verandering van
weer onmiddellijk volgt op de beweging van de kwikkolom, zal deze
verandering slechts kort duren.
4º. Wanneer de barometer gedurende twee of drie of zelfs meer dagen
langzaam en aanhoudend rijst, verkondigt hij mooi weer, al houdt
de regen gedurende deze drie dagen niet op, en _vice versa_; maar,
indien de barometer gedurende twee of meer dagen, terwijl het regent,
rijst en hij vervolgens, terwijl het mooi weer geworden is, wederom
begint te zakken, zal het mooie weer zeer kort duren, en _vice versa_.
5º. In de lente en den herfst, voorspelt een plotselinge daling van
den barometer wind. In den zomer, kondigt hij, als het zeer warm
weer is, dan een onweer aan. In den winter, na eenigen tijd vorst
gehad te hebben, voorspelt een snelle daling van de kwikkolom een
verandering van wind, gepaard met dooiweder en regen; maar het rijzen
van den barometer, terwijl het reeds eenigen tijd gevroren heeft,
voorspelt sneeuw.
6º. De snelle schommelingen van den barometer moeten nooit
opgenomen worden als droog of regenachtig weer van eenigen duur te
voorspellen. Deze aanwijzingen worden uitsluitend gegeven door het
rijzen of het dalen, dat langzaam en aanhoudend plaats heeft.
7º. Wanneer tegen het einde van den herfst, na aanhoudend regenachtig
en winderig weer, de barometer rijst, dan kondigt dit rijzen den
overgang aan van den wind naar het noorden en de nadering van den
vorst.
Dit zijn algemeene regelen, die men moet afleiden uit de aanwijzingen
van dit kostbaar instrument.
Dit was het wat ook aan Dick Sand zeer goed bekend was, 't geen hij
in verschillende omstandigheden van zijn zeemansleven bevestigd had
gezien en hem leerde op alle gebeurlijkheden voorbereid te zijn.
Nu begonnen, juist tegen den 20sten Februari, de schommelingen van de
kwikkolom den jeugdigen leerling, die ze verscheidene malen per dag
met groote zorg opteekende, eenigszins te verontrusten. Werkelijk
begon de barometer langzaam en aanhoudend te zakken, 'tgeen regen
voorspelde; maar daar deze regen nog niet spoedig kwam, besloot Dick
Sand daaruit dat het slechte weder zou aanhouden. Dit was dan ook
werkelijk het geval.
Maar de regen was hier de wind, en inderdaad wakkerde de bries zoo zeer
aan, dat de lucht zich met een snelheid van zestig voet per seconde,
of een en dertig mijlen per uur [19] verplaatste.
Dick Sand moest toen eenige voorzorgen nemen, om de masten en de
zeilen van den _Pelgrim_ niet in gevaar te brengen. Hij had reeds
het bovenbramzeil, het gaftopzeil en den buitenkluiver laten bergen
en besloot dit ook met het bramzeil te doen en daarna twee reven in
het marszeil te laten steken.
Dit laatste moest zekere moeielijkheid in zich hebben met een bemanning
die nog zoo weinig geoefend was. Evenwel viel er niet te talmen en
niemand talmde ook.
Dick Sand, vergezeld van Bat en Austin, ging naar boven en nam,
ofschoon niet zonder moeite, het bramzeil in. Met minder dreigend weer,
zou hij de twee raas niet hebben afgenomen, maar, daar hij voorzag
dat hij waarschijnlijk verplicht zou zijn de bramsteng te schieten
en die zelfs geheel aan dek te nemen, nam hij de beide raas af. Men
begrijpt toch dat, als de wind te sterk wordt, men niet alleen de
zeilen, maar ook het boventuig moet neernemen. Dit is een groote
verlichting voor het schip, dat, hoog getuigd, van het slingeren en
stampen niet meer zoo veel te lijden heeft.
Nadat deze eerste arbeid volbracht was,--en er gingen twee uren mede
om,--hielden Dick Sand en de zwarten zich bezig met het marszeil te
verkleinen door twee reven in te steken.
De _Pelgrim_ voer niet, als de meeste nieuwere vaartuigen, een
dubbel marszeil, hetgeen de manoeuvre gemakkelijk maakt. Men moest
dus doen als vroeger, namelijk de ra op den rand laten loopen, een
zeil door den wind geslagen naar zich toe halen en de rifseizings
stevig vastknoopen. Dat alles was moeielijk, gevaarlijk en duurde
lang, maar eindelijk gaf het gereefde marszeil minder vat aan den
wind en daardoor werd de schoenerbrik aanmerkelijk verlicht.
Dick Sand kwam met Bat en Austin weder beneden. De _Pelgrim_ bevond
zich toen in den toestand van zeewaardigheid, gevorderd door dien
staat van den dampkring, waaraan men de benaming van "stijve koelte"
heeft toegekend.
Gedurende de drie volgende dagen, 20, 21 en 22 Februari, was de wind
noch in kracht, noch in richting belangrijk gewijzigd. Intusschen
ging het kwik voort in de barometerbuis te zakken en den laatsten
dag merkte Dick op, dat het voortdurend onder acht en twintig duim
zeven tiende [20] stond.
Er was overigens volstrekt geen schijn van dat de barometer voor
eenigen tijd zou gaan rijzen. De lucht zag er slecht en buitengewoon
winderig uit. Buitendien werd zij aanhoudend door dikke dampen
bedekt. Deze laag van nevels was zelfs zoo dik, dat men de zon niet
meer kon zien en dat het moeilijk zou geweest zijn de plaats waar
zij op- en onderging aan te wijzen.
Dick Sand begon zich ongerust te maken. Hij verliet het dek niet
meer. Hij sliep nauwelijks. Evenwel had hij geestkracht genoeg om
zijn angst in het diepst van zijn hart te verbergen.
Den volgenden dag, 23 Februari, scheen de wind in den loop van den
morgen een weinig af te nemen, maar Dick Sand vertrouwde het niet,
en hij had gelijk, want in den namiddag stak de wind weer op en ging
de zee hol staan.
Tegen vier uur verliet Negoro, dien men weinig zag, het verblijf der
matrozen en begaf zich naar den voorsteven. Dingo sliep zeker ergens
in een hoek, want hij blafte niet, zooals gewoonlijk.
Negoro bleef, altijd zwijgend, een half uur lang den horizon waarnemen.
Lange golven volgden elkander op, zonder nog in botsing met elkander
te komen. Evenwel waren zij hooger dan met de kracht van den wind
overeenkwam. Men moest er uit besluiten dat er slecht weer in het
westen was, niet ver af meer misschien, en dat het weldra deze streken
zou bereiken.
Negoro liet, in gedachten verzonken, zijn blikken weiden over
de onmetelijke zee, die rondom den _Pelgrim_ in volslagen oproer
verkeerde. Daarna richtten zich zijn koude en strakke oogen naar
de lucht.
De lucht zag er verontrustend genoeg uit. De dampen verplaatsten zich
met zeer verschillende snelheden. De wolken in de bovenlucht bewogen
zich sneller dan die der benedenlagen van den dampkring. Men mocht dus
vooruitzien dat weldra deze zware massa's naar beneden zouden dalen en
wat nu nog slechts een stijve koelte was, namelijk een verplaatsing
van lucht tegen drie-en-veertig mijlen per uur, zou overgaan in een
storm en misschien in een orkaan.
Hetzij Negoro geen man was om angst te gevoelen, hetzij hij niets
begreep van het dreigende weer, hij scheen volstrekt niet ontroerd. Wel
speelde er een valsche glimlach op zijn lippen. Eigenlijk was het
of deze toestand van het weer hem eer genoegen gaf dan dat hij er
zich onaangenaam gestemd over gevoelde. Een oogenblik klom hij op den
boegspriet en kroop tot aan de woeling, om zijn blikken nog verder te
laten weiden, alsof hij eenig teeken aan den horizont zocht. Daarna
klom hij weder naar beneden en begaf zich, zonder een enkel woord
gezegd of zelfs maar een gebaar gemaakt te hebben, weder naar het
matrozenverblijf.
Evenwel was er onder al deze verschrikkelijke omstandigheden één
gelukkige zaak, die ieder aan boord wel op prijs mocht stellen,
namelijk dat de wind, hoe stevig hij werd of zou worden, gunstig was en
dus de _Pelgrim_ snelle vorderingen naar de Amerikaansche kust scheen
te maken. En zelfs kon, als het weer maar niet tot storm oversloeg,
deze overtocht zonder gevaar volbracht worden en zouden de werkelijke
gevaren eerst dan beginnen, als het oogenblik gekomen was dat zij op
eenig onbekend punt der kust land zouden bezeilen.
Dit was iets dat nu reeds dikwijls een onderwerp van Dick Sand's
overdenkingen uitmaakte. Hoe zou hij, als het land eenmaal in 't
gezicht was, manoeuvreeren, indien hij geen loods of geen zeeman
ontmoette, die met het vaarwater bekend was? Wat zou hij doen,
ingeval het slechte weder hem verplichtte een noodhaven te zoeken,
daar deze kust hem ten eenemale onbekend was? Wel is waar had hij
zich vooralsnog over deze zaak niet ongerust te maken, alhoewel er,
als het uur eenmaal gekomen was, een besluit moest genomen worden.
Gedurende de 13 dagen die verliepen, van den 24n Februari tot den 9n
Maart, veranderde de toestand van den dampkring niet belangrijk. De
hemel was altijd met zwaren nevel bezwangerd. Gedurende eenige uren
nam de wind af, om dan weder met dezelfde woede los te barsten. Twee
of driemaal ging de barometer aan het rijzen, maar zijn schommeling,
een twaalftal strepen uitmakende, was te plotseling om een verandering
van weer en een terugkeer tot zachtere winden aan te kondigen. Daarbij
kwam dat de kwikkolom bijna dadelijk weder daalde, zoodat vooralsnog
niets het einde van het slechte weder voorspelde.
Ook barstten er van tijd tot tijd geduchte onweders los, die Dick
ernstig ongerust maakten. Twee of drie malen sloeg de bliksem op
slechts eenige kabellengten van het schip af in de zee. Daarna viel dan
de regen in stroomen neder en kwamen er van die dwarrelwinden van half
verdichte dampen voor, die den _Pelgrim_ met een dichten mist omgaven.
Uren achtereen had de man op den uitkijk geen uitzicht meer en ging
men op goed geluk verder.
Alhoewel het vaartuig, niettegenstaande het sterk stampte, vreeselijk
slingerde, verdroeg Mevr. Weldon dit stampen en slingeren, zonder er
gelukkig eenigen hinder van te gevoelen. Maar haar kleine jongen was
zeer ongesteld en vereischte al haar zorgen.
Wat neef Benedictus betreft, hij was evenmin ziek als de Amerikaansche
kakkerlakken, die hij gezelschap hield, en hij bracht zijn tijd
door met studeeren, alsof hij rustig in zijn studeervertrek te
San-Francisco zat.
Zeer gelukkig hadden ook Tom en zijn kameraden weinig last van
de zeeziekte en konden zij daarom hun jeugdigen bevelvoerder hulp
blijven verleenen, die zelf volkomen gewend was aan al de ongeregelde
bewegingen van een schip dat voor den wind loopt.
De _Pelgrim_ liep snel onder zijn verminderde zeilen en reeds zag Dick
Sand aankomen dat hij nog meer zeil zou moeten minderen. Maar hij
wilde volhouden, zoolang het zonder gevaar mogelijk zou zijn. Naar
zijn berekening kon de kust niet ver meer verwijderd zijn. Men zag
dus ijverig uit. Evenwel kon Dick niet te veel op de oogen zijner
metgezellen vertrouwen om de eerste teekenen van land te ontdekken,
want hoe scherp van gezicht men moge zijn, hij, die niet gewoon
is om den horizont op zee te onderzoeken, is niet in staat om de
eerste omtrekken eener kust te onderscheiden, vooral te midden van
dikke nevels. Ook moest Dick Sand zelf uitkijken en klom hij daarom
dikwijls in het want om beter te zien. Maar niets deed zich nog voor
van de Amerikaansche kust.
Dat verwonderde hem en toen hem hieromtrent eenige woorden ontvielen,
begreep Mevr. Weldon zijn verwondering. Het was de 9e Maart. De
leerling bevond zich op het voorschip, nu eens den blik gericht op de
zee en de lucht, dan weder met het oog op de masten van den _Pelgrim_,
die onder het aanhoudend geweld van den wind begonnen te lijden.
"Zie je nog niets, Dick?" vroeg zij hem, op een oogenblik dat hij
den verrekijker liet zakken.
"Niets, mevrouw, niets," antwoordde hij, "en toch schijnt de horizont
een weinig op te klaren, onder den hevigen wind die nog meer gaat
aanwakkeren."
"En volgens u, Dick, kan de Amerikaansche kust niet ver meer af
zijn, nu?"
"Dat kan zij niet, mevrouw, en als er iets is dat me verwondert,
dan is het dat zij nog niet in 't gezicht is!"
"En toch," hernam Mevr. Weldon, "heeft het schip altijd goeden koers
gehouden."
"Altijd, vanaf de wind noord-west geweest is," antwoordde Dick Sand,
"dat is dus sedert den dag dat we onzen ongelukkigen kapitein en zijn
equipage hebben verloren. Dat was de 10e Februari, we hebben nu den 9en
Maart. Er zijn dus sedert dien tijd zeven-en-twintig dagen verloopen!"
"Maar hoever waren we toen nog van de kust verwijderd?" vroeg
Mevr. Weldon.
"Vier duizend vijfhonderd mijlen ongeveer, mevrouw. Zijn er soms
zaken, die ik zeer betwijfel, voor dit cijfer kan ik instaan op
twintig mijlen na."
"En hoe groot is de snelheid van het schip geweest?"
"Gemiddeld honderdtachtig mijlen per dag, sedert de wind zich verhief,"
antwoordde de leerling. "Ook verwondert het mij, dat we nog niet in
't gezicht van land zijn. En wat me nog vreemder voorkomt, is, dat
we zelfs geen enkel van die vaartuigen ontmoeten, die gewoonlijk deze
streken bezoeken."
"Hebt ge u niet kunnen vergissen, Dick?" hernam Mevr. Weldon, "bij
het bepalen van de snelheid van den _Pelgrim_?"
"Neen, mevrouw. Op dat punt heb ik niet kunnen dwalen. Er is om het
half uur gelogd; en 'k heb de uitkomsten zeer juist opgeteekend.--Kom,
'k zal 't op 't oogenblik weer doen en u zult zien dat we nu tien
mijlen per uur loopen, wat meer dan twee honderd mijlen per dag
bedraagt!"
Dick Sand riep Tom en beval hem te loggen,--een werk dat de oude
neger nu zeer gewoon was te doen.
De log, stevig aan het einde van de lijn bevestigd, werd gebracht en
buiten boord gegooid.
Nauwelijks waren twintig vademen afgeloopen, of de lijn in de handen
van Tom werd eensklaps slapper.
"Och! mijnheer Dick!" riep hij uit.
"Welnu, Tom?"
"De lijn is gebroken!"
"Gebroken!" riep Dick Sand uit! "En de log is verloren!"
De oude Tom liet het eind van de lijn zien, dat hij in de hand hield.
Het was maar al te waar. Zij was goed vastgebonden geweest. De lijn was
in het midden afgebroken. En toch was het touw van eerste kwaliteit. De
strengen moesten dus op het punt waar ze afbraken, zeer versleten zijn
geweest! En dat waren zij inderdaad, waarvan Dick zich kon overtuigen
toen hij het eind van de lijn in de hand hield! Maar.... waren zij
door het gebruik versleten, vroeg de leerling zich af, die wantrouwend
geworden was.
Hoe het zij, de log was verloren, en Dick Sand had nu geen enkel
middel meer om de snelheid van zijn schip juist te schatten. Het
eenige instrument dat hij nu nog bezat, was een kompas, en hij wist
niet eens dat zijn aanwijzingen valsch waren!
Mevr. Weldon zag dat hij zoo terneergeslagen was over dit ongeluk,
dat zij niet verder wilde aandringen en met een bezwaard hart zich
in haar kajuit terugtrok.
Maar, al kon de snelheid van den _Pelgrim_ en bijgevolg de afgelegde
weg niet meer bepaald worden, het was gemakkelijk zich te overtuigen
dat de vaart van het schip niet verminderde.