"'k Weet het en 'k zal er zeelieden van maken. We zullen samen

manoeuvreeren en met goed weer zal het best gaan, maar met slecht

weer,--welnu, met slecht weer, zullen we alles doen wat we kunnen en

we zullen u redden, mevrouw Weldon, u en uw kleinen Jack, allen. Ja,

'k voel dat 'k het doen zal...."

En hij voegde er bij:

"Met Gods hulp!"

"En nu, Dick, zou je juist kunnen zeggen, waar we ons op 't oogenblik

bevinden?"

"Zeer gemakkelijk," antwoordde de leerling, "'k Heb niets anders te

doen dan de kaart te raadplegen, waarop kapitein Hull gisteren nog

het bestek heeft afgezet."

"En zou je den goeden koers kunnen aangeven?"

"Ja, 'k zou den steven naar het oosten kunnen wenden, nagenoeg naar

dat punt van de Amerikaansche kust waar we moeten aanlanden."

"Maar, Dick," hernam Mevr. Weldon, "je begrijpt, niet waar, dat deze

ramp onze eerste plannen kan en zelfs moet wijzigen? Er is nu geen

sprake meer van den _Pelgrim_ naar Valparaiso te brengen. De dichtstbij

gelegen haven van de Amerikaansche kust is nu zijn bestemming."

"Ongetwijfeld, mevrouw," antwoordde de leerling. "Maak u vooral maar

niet ongerust! We kunnen niet missen de Amerikaansche kust die zich

zoo ver zuidelijk uitstrekt te bereiken."

"Waar is zij gelegen?" vroeg Mevr. Weldon.

"Daar, in die richting," antwoordde Dick Sand, het oosten met den

vinger aanwijzende.

"Welnu, Dick, 't komt er niet op aan of we Valparaiso of een ander

punt van de kust bereiken. Het voornaamste is dat we aan land komen."

"En 't zal geschieden, mevrouw Weldon, 'k zal u op een veilige plaats

ontschepen," antwoordde de leerling met vaste stem. "Bovendien geef ik

de hoop niet op om, als we dichter bij land komen, eenige vaartuigen

te ontmoeten die den kusthandel drijven. Kom! mevrouw Weldon, de wind

loopt naar het noord-oosten! God geve dat hij daar blijve, dan zullen

we flink vooruitkomen, want we zullen alle zeilen bijzetten."

Dick Sand had dit alles gezegd met het vertrouwen van den zeeman, die

weet dat hij een goed schip onder zich heeft, een schip waarvan hij

volkomen meester is. Hij ging aan het roer en riep zijn metgezellen

om de zeilen behoorlijk te stellen, toen Mevr. Weldon hem er aan

herinnerde dat hij vooral goed de plaats moest kennen waar de _Pelgrim_

zich bevond.

Dit was inderdaad iets dat geen uitstel gedoogde. Dick Sand begaf zich

naar de kajuit van den kapitein en haalde daar de kaart waarop het

bestek den vorigen dag juist was aangegeven. Hij kon dus Mevr. Weldon

toonen dat de schoener-brik zich op 43° 35' breedte en op 164° 13'

lengte bevond, want sedert vier-en-twintig uren was zij nagenoeg

stationnair gebleven.

Mevr. Weldon had zich over deze kaart heengebogen. Zij zag de

bruine tint die de aarde, rechts van den uitgestrekten Oceaan moest

voorstellen. Het was het kustland van Zuid-Amerika, dat als een

onmetelijke slagboom, van Kaap Hoorn af tot aan de stranden van

Columbia toe, tusschen de Stille Zuidzee en den Atlantischen Oceaan

geworpen is. Bij de beschouwing van deze kaart, waarop een gansche

oceaan was afgebeeld, kwam onwillekeurig de gedachte bij haar op dat

het zeer gemakkelijk zoude zijn de passagiers van den _Pelgrim_ naar

hun vaderland terug te brengen. Dit is een zinsbedrog dat zich steeds

bij iedereen voordoet die niet bekend is met de schalen waarnaar de

zeekaarten vervaardigd worden Werkelijk scheen het Mevr. Weldon toe dat

het land in het gezicht moest zijn, zooals het op dit stuk papier was.

En evenwel zou de _Pelgrim_ te midden van dit witte stuk papier,

op zijn juiste schaal afgebeeld, kleiner geweest zijn dan het

allerkleinste der infusiediertjes! Dit mathematische punt, zonder

waarneembare afmetingen, zou als verloren beschouwd zijn, zooals het

werkelijk het geval was, in de onmetelijkheid van de Stille Zuidzee!

Dick Sand zelf had niet denzelfden indruk als Mevr. Weldon

ondervonden. Hij wist dat het land ver verwijderd was en dat honderden

mijlen niet voldoende waren om den afstand, die het van hen scheidde,

te meten. Maar zijn besluit was genomen: Hij was een man geworden

door de verantwoordelijkheid, die op zijn schouders rustte.

Het oogenblik om te handelen was gekomen. Men moest van deze bries

uit het noord-oosten, die aanwakkerde, gebruik maken. De tegenwind had

eindelijk voor een gunstigen wind plaats gemaakt en eenige "cyrrhus"

wolken, hier en daar aan de kim opkomende, wezen aan dat hij althans

gedurende eenigen tijd zou aanhouden.

Dick Sand riep Tom en zijn kameraden.

"Mijne vrienden," zoo sprak hij hun toe, "ons schip heeft geen andere

equipage meer dan u. Zonder uwe hulp kan ik het niet besturen. Ge

zijt wel geen zeelieden, maar ge hebt goede armen: Stelt ze dan ten

dienste van den _Pelgrim_, dan zullen we hem kunnen besturen. Ons

aller heil is er mede gemoeid dat alles goed gaat aan boord."

"Mijnheer Dick," antwoordde Tom, "ik en mijn kameraden, wij zijn uwe

matrozen. Aan goeden wil zal het ons niet ontbreken. Alles wat mannen

vermogen, door u aangevoerd, zal gedaan worden."

"Goed gesproken, oude Tom," zei Mevr. Weldon.

"Ja, goed gesproken," hernam Dick Sand, "maar we moeten voorzichtig

zijn en 'k zal niet alle zeilen laten bijzetten, om niets in de

waagschaal te stellen. Een beetje minder snelheid, maar meer veiligheid

in acht te nemen, wordt ons dringend door de omstandigheden geboden. 'k

Zal u aanwijzen, mijne vrienden, wat iedereen te doen staat. Wat

mij betreft, ik blijf aan 't roer, zoolang ik door vermoeidheid niet

genoodzaakt wordt het over te geven. Eenige uren slaap van tijd tot

tijd zijn voldoende om me weer in orde te brengen. Maar gedurende dien

tijd, moet een van u me vervangen. Tom, 'k zal je wijzen hoe men op het

kompas stuurt. 't Is niet moeielijk en met een weinig oplettendheid,

zult ge spoedig goed kunnen sturen."

"Zoodra u maar wilt, mijnheer Dick," antwoordde de oude neger.

"Komaan," antwoordde de leerling, "blijf bij mij, aan het roer tot

van avond en als ik door den slaap overmand mocht worden, zul je me

al spoedig eenige uren kunnen vervangen."

"En ik," zei de kleine Jack, "kan ik onzen vriend Dick ook niet een

handje helpen?"

"Ja, lief kind," antwoordde Mevr. Weldon, terwijl zij Jack in hare

armen drukte, "jij zult ook leeren sturen, en 'k geloof zeker dat,

zoolang jij aan 't roer zult staan, we goeden wind zullen hebben!"

"Zeker! Zeker! moeder, 'k beloof het u!" antwoordde de kleine jongen

in de handen klappende.

"Ja," zei de jeugdige leerling glimlachende, "het spreekwoord:

'de goede scheepsjongens weten een goeden wind te houden,' is bij

onze zeelieden zeer bekend!"

Daarna wendde hij zich tot Tom en de andere negers: "Mijne vrienden,"

zei hij, "we zullen volbrassen. Doe maar wat ik je zeggen zal."

"Tot uw dienst," antwoordde Tom, "tot uw dienst, kapitein Sand."

TIENDE HOOFDSTUK.

DE VIER VOLGENDE DAGEN.

Dick Sand was dus nu de kapitein van den _Pelgrim_, en, zonder

een oogenblik te verliezen, nam hij de noodige maatregelen om zeil

te zetten.

Het spreekt van zelf dat slechts één hoop de passagiers kon bezielen,

die namelijk, om de een of andere haven op de Amerikaansche kust

te bereiken, zooal niet Valparaiso. Wat Dick Sand dacht te doen,

was den koers en de vaart van den Pelgrim op te teekenen en er een

gemiddelde uit op te maken. Daartoe was het voldoende elken dag,

zooals wij reeds zeiden, door middel van de log en het kompas den

afgelegden weg op de kaart af te zetten. Er bevond zich juist een van

die "patentlogs", met wijzers en een schroef aan boord, die voor een

bepaalden tijd de juiste snelheid aangeven. Dit nuttig instrument,

zeer gemakkelijk in 't gebruik, kon de grootste diensten bewijzen,

en daarbij waren de negers volkomen in staat het te behandelen.

Een enkele bron van dwaling zou er altijd blijven bestaan,--de

stroomen. Om haar te bestrijden, waren de log en het kompas

onvoldoende, alleen de astronomische waarnemingen zouden er een juiste

rekening van hebben kunnen geven. Maar de leerling was nog niet in

staat deze waarnemingen te doen.

Dick Sand had er een oogenblik over gedacht om met den Pelgrim naar

Nieuw-Zeeland te stevenen. De overtocht zou niet zoo lang geweest

zijn en voorzeker zou hij het gedaan hebben, indien de wind, die tot

nog toe tegen geweest was, niet gunstig was geworden.

Het was dus beter den steven naar Amerika te wenden.

En werkelijk was de wind gedraaid en woei nu uit het noord-westen,

met neiging om aan te wakkeren. Men moest er dus gebruik van maken

en zooveel mogelijk spoed maken.

Dick Sand maakte zich dus gereed om den _Pelgrim_ zijn koers te

doen vervolgen.

Op een schoenerbrik draagt de fokkemast vier vierkante zeilen; de fok,

aan den ondermast; boven, het marszeil, aan de marssteng; verder aan

de bramsteng, een bramzeil en een bovenbramzeil.

De groote mast is daarentegen minder van zeilen voorzien. Achter den

ondermast heeft hij slechts een brikzeil en daarboven een gaftopzeil.

Tusschen deze twee masten, aan de stagen, die ze van voren steunen, kan

men nog een driedubbele verdieping van driehoekige zeilen aanbrengen.

Eindelijk, op den voorsteven, aan den boegspriet en haar kluifhout

worden de drie stagzeilen bevestigd.

De stagzeilen, het brikzeil, het topzeil, de tusschenstagzeilen zijn

gemakkelijk te behandelen. Zij kunnen van dek af geheschen worden,

zonder dat het noodig is in den mast te klimmen, omdat zij niet aan de

raas bevestigd worden met beslagseizings, die men eerst moet losmaken.

Integendeel vordert het zetten der vierkante zeilen meerdere

oefening. Het is toch noodig, als men ze wil bijzetten, hetzij

in de mars van den fokkemast te klimmen, hetzij op de bramzaling,

hetzij in het bramwant van genoemden mast,--en dat zoowel om ze los

te maken of ze te bergen, als om hunne oppervlakte te verkleinen

door ze te reven. Daarvoor is men dan verplicht op de paarden te

loopen,--beweeglijke touwen onder de raas gespannen,--met ééne hand te

werken en zich met de andere vast te houden, een gevaarlijke manoeuvre

voor iedereen die het niet gewoon is. Het slingeren en stampen van het

schip, het slaan der zeilen bij een flinke bries, doen gemakkelijk

een man over boord slaan. Men kan zich voorstellen dat dergelijke

gymnastische toeren voor Tom en zijn kameraden zeer gevaarlijk waren.

Zeer gelukkig was de wind gematigd en het slingeren en het stampen

niet hevig.

Toen Dick Sand, op het signaal van kapitein Hull, zich naar het

tooneel van de ramp begeven had, lag de _Pelgrim_ alleen onder zijn

tusschenstagzeilen, brikzeil en marszeil. Om zoo spoedig mogelijk

voltebrassen, had Dick niets anders te doen dan het voortuig om

te halen, waarbij de negers hem gemakkelijk geholpen hadden. De

zeilen moesten dus nu kant worden gezet en om alles bij te zetten,

het bramzeil, het gaftopzeil en de stagzeilen worden geheschen.

"Vrienden," zei de leerling tot de vijf negers, "als ge doet wat ik

commandeer, zal alles goed gaan."

Dick Sand was aan het stuurrad gebleven.

"Hola Tom," riep hij, "vier gauw dat touw af!"

"Afvieren....?" zei Tom, die niets van deze uitdrukking begreep.

"Ja.... maak het maar los!--En jij ook, Bat!.... Goed zoo!.... Haal

aan.... Kom, trekken!"

"Zoo goed?" zei Bat.

"Ja, goed zoo. Best!.... Kom, flink aangepakt!"

Om tot Hercules te zeggen: "flink aangepakt!" was misschien

onvoorzichtig. De reus deed een ruk om alles 't onderste boven

te halen.

"Niet zoo hard, mijn jongen!" riep Dick Sand glimlachend. "Je zult

't geheele want naar beneden trekken!"

"'k Heb nauwelijks getrokken," antwoordde Hercules.

"Nu, doe maar alsof je trekt! Je zult zien dat dat genoeg is!.... Goed,

laat schieten.... vier.... Leg vast.... goed zoo!.... Goed! Haal de

brassen aan...."

En het geheele Vaartuig welks bakboordsbrassen los lagen, ging langzaam

aan 't draaien. De wind, de zeilen nu doende zwellen, deelde aan het

schip een zekere snelheid mede.

Dick Sand liet toen de voorschooten afvieren. Daarna riep hij de

negers op het achterdek.

"Ziezoo, vrienden, dat heb jelui er eens goed afgebracht! Nu moeten

we ons met het groottuig bezig houden. Maar breek niets, Hercules."

"Ik hoop het niet," antwoordde de kolos, zonder zich tot iets meer

te willen verbinden.

Deze tweede manoeuvre was nog al gemakkelijk. Nadat de boomschoot

zachtjes gevierd was geworden, nam het brikzeil den wind beter op en

voegde het zijn machtige werking bij die van de voorzeilen.

Nu werd het topzeil geheschen, en daar het eenvoudig gegeid was,

had men slechts het val door te halen. Maar Herkules trok zoo goed,

geholpen door zijn vriend Actéon, zonder nog den kleinen Jack mede

te rekenen, die zich bij hen gevoegd had, dat het touw glad afbrak.

Alle drie vielen omver,--gelukkig zonder zich te bezeeren. Jack

was verrukt!

"Dat's niets, dat's niets!" riep de leerling. "Knoop voorloopig de

twee einden aan elkaar en hijsch dan zachtjes aan."

Dit werd onder de oogen van Dick Sand verricht, zonder dat hij het roer

nog had verlaten. De _Pelgrim_ liep reeds snel voor den wind, met den

steven naar het oosten gewend en er was op 't oogenblik niets anders

te doen dan hem in deze richting te houden. Niets gemakkelijker, daar

de wind handelbaar was en men voor gieren of afvallen niet behoefde

te vreezen.

"Goed, vrienden!" zei de leerling. "Vóór het einde van den overtocht,

zult ge goede zeelieden zijn!"

"We zullen ons best doen, kapitein Sand," antwoordde Tom.

Ook Mevr. Weldon maakte haar compliment aan de goede menschen.

Zelfs de kleine Jack kreeg zijn deel in de lofspraak, want hij had

aardig meegewerkt.

"'k Geloof, jongeheer Jack," zei Hercules glimlachend, "dat u

eigenlijk het touw stuk hebt getrokken! Welke flinke sterke vuistjes

hebt u! Zonder u waren we er niet gekomen!"

En de kleine Jack, zeer trotsch op zich zelven, schudde krachtig de

hand van zijn vriend Hercules.

Evenwel ontbraken er aan de uitgespannen zeilen nog eenige die

vooral bij het zeilen vóór den wind niet te versmaden zijn. Vooral

de bovenzeilen, als het bramzeil, het bovenbramzeil, de stagzeilen

moesten allen het hunne toebrengen om den gang van de schoener-brik

te versnellen, en Dick Sand besloot daarom ze mede bij te zetten.

Deze manoeuvre moest moeielijker zijn dan de andere, niet wat de

stagzeilen aangaat, die van het dek geheschen en aangehaald konden

worden, maar wat betreft de vierkante zeilen. Men moest naar de

bramzaling om ze los te maken, en Dick Sand, die niemand van zijn

geïmproviseerde bemanning in gevaar wilde brengen, deed het liever

zelf.

Hij riep dus Tom en plaatste hem aan het stuurrad, terwijl hij hem

aantoonde hoe hij moest sturen. Toen vervolgens Hercules, Bat, Actéon,

Austin allen geplaatst waren, deze aan den bovenbramval, gene aan den

bramval, ging hij het want in. Het openteren langs de weeflijnen van

het onderwant, en langs het puttingwant en het stengwant de bramzaling

te bereiken, dat alles was slechts spel voor Dick. In één minuut,

was hij op het paard van de bramra en maakte de beslagseizings los

die het zeil bestigd hielden.

Daarna ging hij naar den hommer en vierde op de bovenbramra snel

het bramzeil.

Nadat Dick Sand zijn werk verricht had, greep hij een der pardoens

aan stuurboordszij en liet zich op het dek glijden.

Op zijn aanwijzingen werden nu de twee schooten flink aangehaald en

bevestigd en daarna de twee raas opgeheschen. Nadat vervolgens de

stagzeilen tusschen den grooten mast en den fokkemast bijgezet waren,

was ook deze manoeuvre geëindigd.

Dezen keer had Hercules niets gebroken.

De _Pelgrim_ had nu al de zeilen bij, die zijn tuig uitmaakten. Wel

had Dick Sand er nog de lijzeilen aan bakboordszijde kunnen bijvoegen,

maar dit was een moeilijke manoeuvre in de omstandigheden waarin zij

verkeerden, en indien men ze in geval van een windvlaag had moeten

bergen, zou men het niet haastig genoeg hebben kunnen doen. De leerling

bepaalde er zich dus bij.

Tom werd toen van zijn post aan het roer afgelost, dat Dick Sand

weder ter hand nam.

De bries wakkerde aan. De _Pelgrim_, die aan stuurboordszij een

weinig overhelde, gleed snel over de oppervlakte der zee en liet

slechts een vlak kielwater achter, dat voor de zuiverheid van zijn

waterlinie getuigde.

"Nu zijn wij op den goeden weg, mevrouw Weldon," zei Dick Sand,

"en nu geve God dat we dien gunstigen wind behouden!"

Mevrouw Weldon drukte de hand van den leerling. Daarna ging zij,

vermoeid van al de aandoeningen die zij in het laatste uur beleefd had,

naar haar kajuit terug en verzonk in een soort van diepe sluimering

die toch geen slaap was.

De nieuwe bemanning bleef op den bak van de schoenerbrik, gereed

om de bevelen van Dick Sand uit te voeren, namelijk om de zeilen te

wijzigen naar de veranderingen van den wind; maar, zoolang de bries

dezelfde kracht en richting bleef behouden, zou er niets te doen zijn.

Maar, waar zat toch al dien tijd neef Benedictus?

Neef Benedictus hield zich met de loupe in de hand bezig met de studie

van een geleed insect dat hij eindelijk aan boord ontdekt had, een

eenvoudig insect tot de orthoptera behoorende (rechtvleugeligen),

welks kop onder den prothorax verborgen is, een insect met platte

bovenvleugels, een ronden buik en vrij lange vleugels, dat tot de

familie der kakkerlakken en tot de soort der Amerikaansche kakkerlakken

behoorde.

Hij had deze ontdekking gedaan, juist toen hij in de kombuis van

Negoro aan 't snuffelen was, en op het oogenblik dat de kok op punt

stond het insect onmeedoogend plat te trappen. Vandaar boos worden

van neef Benedictus, waarbij Negoro trouwens zeer onverschillig bleef.

Maar.... wist neef Benedictus welke verandering aan boord had plaats

gehad van het oogenblik af dat kapitein Hull en zijn metgezellen op die

noodlottige vangst van den walvisch waren uitgegaan? Ongetwijfeld. Hij

was zelfs aan het dek, toen de _Pelgrim_ in het gezicht kwam van de

overblijfselen der walvischsloep. De equipage van de schoenerbrik

was dus onder zijn oogen omgekomen.

Nu zouden wij hem van groote ongevoeligheid beschuldigen, als wij

zeiden dat deze ramp hem niet had getroffen. Ongetwijfeld was ook zijn

hart bewogen geworden door diep medelijden met zijn evenmensch. En

evenzeer was hij ontroerd over den toestand waarin zijne nicht nu

verkeerde. Hij had de hand van Mevr. Weldon gedrukt, als om haar te

zeggen: "Vrees niets! Ik blijf bij u!"

Daarna was neef Benedictus naar zijn hut teruggekeerd, zeker wel

om na te denken over de gevolgen van dit zoo droevig ongeluk en de

krachtige maatregelen die genomen moesten worden.

Maar onderweg had hij den kakkerlak ontmoet, en daar hij tegen het

oordeel van eenige entomologen in, beweerde dat de kakkerlakken van

zekere soort, merkwaardig door hunne kleur, gewoonten hebben, zeer

verschillende van de eigenlijke kakkerlakken, had hij zich dadelijk

aan het werk gezet, vergetende dat er ooit een kapitein Hull geweest

was, die het bevel over den _Pelgrim_ voerde en dat die ongelukkig

met zijn bemanning was omgekomen!

Hij was geheel in de studie van den kakkerlak verdiept en bewonderde

hem niets minder, ja gaf er zich even veel moeite mede alsof dit

afschuwelijk insect een gouden tor geweest ware.

Het leven aan boord had dus zijn gewonen loop hernomen, alhoewel

ieder natuurlijk nog geruimen tijd onder den indruk bleef eener zoo

grievende en onverwachte ramp.

Gedurende dien geheelen dag was Dick Sand overal, om te zien of

alles op zijn plaats was en te zorgen dat hij gewapend was tegen

alles wat er gebeuren kon. De negers gehoorzaamden hem goed willig

en de volmaaktste orde heerschte aan boord van den _Pelgrim_. Men

mocht dus hopen dat alles nu zonder hinder zou gaan.

Van zijn kant deed Negoro geen nieuwe pogingen om zich aan het gezag

van Dick Sand te ontrekken. Hij scheen het stilzwijgend erkend te

hebben. Zooals altijd in zijn bekrompen kombuis bezig, zag men hem niet

meer dan vroeger. Trouwens Dick Sand had zich stellig voorgenomen hem

bij de minste overtreding, bij het eerste teeken van verzet voor de

rest van den overtocht in de boeien te zetten. Op een teeken van hem

zou Hercules den kok bij den nek gepakt hebben. Dat had zeker niet

de minste moeite gekost. In dat geval ware Nan, die goed koken kon,

in de plaats van den kok opgetreden. Negoro moest zich dus bekennen

dat hij niet onmisbaar was, en, daar men van nabij op hem lette,

scheen hij geen vat op zich te willen geven.

De wind, die tot den avond toe aanwakkerde, maakte geen verandering

in de zeilen van den _Pelgrim_ noodig. Zijn stevige masten, zijn

ijzeren tuig, dat in goeden staat verkeerde, hadden hem veroorloofd

onder dezen gang zelfs een sterkere bries te verdragen.

Het is dikwijls 's nachts de gewoonte zeil te minderen en

inzonderheid de bovenzeilen, bovenbramzeilen, boven stagzeilen,

enz. Dat is voorzichtig, in het geval dat een rukwind onverwacht in de

zeilen viel. Maar Dick Sand meende zich van deze voorzorg te kunnen

onthouden. De toestand der atmosfeer deed niets noodlottigs voorzien

en daarenboven had Dick Sand besloten dezen eersten nacht op het dek

door te brengen en het oog over alles te houden. Bovendien had het

schip een snelleren gang en zoo spoedig mogelijk wenschte hij zich

in minder eenzame streken te bevinden.

Wij hebben reeds gezegd dat de log en het kompas de eenige

instrumenten waren, die Dick Sand te zijner beschikking had, om

althans tennaastenbij den door den _Pelgrim_ afgelegden weg te ramen.

Gedurende dezen dag liet de leerling om het half uur loggen en teekende

de aanwijzingen op, die het instrument hem verschafte.

Wat den magneet aangaat, die ook den naam van kompas draagt, er

bevonden zich twee aan boord. De een was geplaatst in het kompashuisje,

onder de oogen van den man aan het roer. Zijn wijzer, op den dag door

het daglicht verlicht en des nachts door twee ter zijde geplaatste

lampen, wees ieder oogenblik aan welke richting het schip volgde.

Het andere kompas was een omgekeerde magneetnaald, bevestigd aan een

dekbalk in de kajuit die vroeger door kapitein Hull bewoond werd. Op

deze wijze kon hij, zonder het vertrek te verlaten, altijd weten of

de goede koers gestuurd werd en of de man aan het roer, hetzij door

onkunde of achteloosheid niet te veel gierde.

Trouwens is er geen schip, dat lange zeereizen moet maken, of het

heeft minstens twee kompassen aan boord, zooals het twee chronometers

heeft. Men moet deze instrumenten met elkander kunnen vergelijken en

bijgevolg hun opgaven controleeren.

De _Pelgrim_ was dus in dit opzicht voldoende voorzien, en Dick Sand

drukte zijn onderhoorigen op het hart de grootste zorg voor deze twee

kompassen, die hij zoo noodig had, in acht te nemen.

Maar ongelukkig had er in den nacht van den 12en op den 13en Februari,

terwijl Dick de wacht had en aan het roer stond, een bedroevend ongeval

plaats. Het kompas, dat in een koperen ring hing, die aan een dekbalk

der kajuit bevestigd was, raakte los en viel op den vloer. Men ontdekte

het pas den volgenden morgen.

Hoe kwam deze koperen ring te breken? Het was vrij duister. Het was

evenwel mogelijk dat hij geoxydeerd was en door het slingeren en

stampen van het schip van den balk was losgeraakt. Juist toch was

de zee in den gepasseerden nacht onstuimiger geweest. Hoe het zij,

het kompas was gebroken en kon niet gerepareerd worden.

Dick Sand was zeer teleurgesteld. Er schoot hem nu voortaan niets

meer over dan het nachthuiskompas te raadplegen. Het breken van dit

tweede kompas kon blijkbaar aan niemand geweten worden, maar het kon

treurige gevolgen hebben. Dick nam dus alle mogelijke maatregelen om

het tweede kompas voor ongelukken te bewaren.

Tot nog toe ging, behalve dat, alles goed aan boord van den _Pelgrim_.

Toen Mevr. Weldon zag hoe kalm en bedaard Dick Sand was, had ook

zij haar vertrouwen teruggekregen. Wel had zij zich nooit aan wanhoop

overgegeven en rekende zij boven alles op Gods goedheid. Ook versterkte

zij zich, als oprechte en vrome katholieke, door het gebed.

Dick Sand had het zoo weten te schikken, dat hij gedurende den

nacht aan het roer bleef. Hij sliep vijf of zes uur per dag en dat

scheen hem voldoende te zijn, daar hij zich niet al te vermoeid

gevoelde. Gedurende dien tijd werd hij door Tom of diens zoon Bat

aan het roer vervangen, die, dank zijn raadgevingen, langzamerhand

tamelijke roergangers werden.

Een Kapitein van Vijftien Jaar De Walvischjagers · 第 6 / 16 段