wijn dien men niet slikken kan!--Kom jongens, geen gepraat meer en
flink doorgezet!"
De door den bootsman bestuurde sloep, gleed zonder geruisch over
de oppervlakte van het vetachtige water, alsof zij over een laag
olie heenvoer.
De walvisch bewoog zich niet en scheen de boot, die een kring om haar
heen beschreef, niet opgemerkt te hebben.
Natuurlijk moest kapitein Hull bij het maken van dezen omweg zich al
verder en verder van den _Pelgrim_ verwijderen, die door den afstand
allengs kleiner werd.
De snelheid waarmede de voorwerpen in zee door den afstand afnemen,
heeft altijd iets zonderlings. Het is alsof men ze bekijkt door een
verrekijker dien men omgekeerd in de hand houdt. Dit gezichtsbedrog
moet blijkbaar daaraan toegeschreven worden dat de punten van
vergelijking ons in die onmetelijke ruimten ontbreken. Zoo ging het
ook met den _Pelgrim_, die zichtbaar afnam en reeds veel verder af
scheen dan dat hij het werkelijk was.
Een half uur nadat kapitein Hull en de zijnen het schip verlaten
hadden, bevonden zij zich juist aan lij van den walvisch, zoodanig
dat deze zich in het midden tusschen het schip en de sloep bevond.
Het oogenblik was dus nu gekomen om hem zoo stil mogelijk te
naderen. Het was niet onmogelijk dat men ter zijde van het dier komen
en het op den geschikten afstand kon harpoeneeren, voordat hij hen
opgemerkt had.
"Roeit wat zachter, jongens," zei kapitein Hull met gesmoorde stem.
"Me dunkt," antwoordde Howik, "dat het grondeltje iets gemerkt
heeft! want het spuit minder hard dan straks!"
"Stilte! stilte!" hernam kapitein Hull.
Vijf minuten later, bevond zich de sloep een kabellengte van den
walvisch af. [17]
De bootsman, achter in de sloep overeind staande, stuurde zoodanig dat
zij het reusachtige zoogdier aan de linkerzijde naderden, maar vermeed
daarbij met de grootste zorg in het bereik van zijn ontzaglijken
staart te komen, waarvan één slag voldoende ware geweest om de boot
te verbrijzelen.
Vóór in de boot stond kapitein Hull, met de beenen een weinig uiteen
om des te beter zijn evenwicht te kunnen bewaren, bij het doen van
den eersten worp. Men mocht gerust op zijn behendigheid rekenen,
waarvan hij weldra de bewijzen zou geven als de harpoen in de dikke
massa bleef steken, die boven het water uitkwam.
Bij den kapitein, in een balie, lag een der vijf lijnen opgeschoten,
die stevig aan den harpoen bevestigd was en waaraan achtereenvolgens
de vier andere zouden geknoopt worden, indien de walvisch zeer diep
onderdook.
"Zijn we er, jongens?" vroeg kapitein Hull zacht.
"Ja," antwoordde Howik, terwijl hij zijn riem stevig in zijn krachtige
vuisten vastklemde.
"Leg aan! leg aan!"
De bootsman voldeed aan het bevel en de sloep legde zich op ongeveer
tien voet aan de zijde van het dier.
Dit verplaatste zich niet en scheen te slapen. De walvisschen die
men op deze wijze in hun slaap verrast, kunnen gemakkelijker gevangen
worden en het gebeurt dikwijls dat de eerste worp hen reeds doodelijk
treft.
"Die onbeweeglijkheid is nog al vreemd!" dacht de kapitein. "De schelm
moet niet slapen, en toch!.... Daar zit iets achter!"
Zoo dacht de bootsman er ook over, die het dier ook aan de andere
zijde trachtte te zien.
Doch het was nu geen tijd om na te denken, men moest handelen.
Kapitein Hull, die zijn harpoen bij het midden van den steel gevat
had, hield hem meermalen in evenwicht teneinde zich des te beter van
de juistheid van zijn worp te verzekeren, terwijl hij op de zijde
van den walvisch mikte. Daarna wierp hij hem met alle kracht.
"Strijken, strijken!" riep hij dadelijk.
En de matrozen, gelijktijdig achteruit roeiende, deden de sloep snel
achteruitgaan, met het doel haar voorzichtig buiten het bereik van
het zeemonster te brengen.
Maar op dit oogenblik deed een kreet van den bootsman begrijpen
waarom de walvisch zich zoo lang en zoo zonderling onbeweeglijk aan
de oppervlakte der zee hield.
"Een walvischjong!" zeide hij.
En werkelijk had de walvisch, na door den harpoen getroffen te zijn,
zich bijna geheel op de zijde gewend, terwijl het dier op die wijze
een jong liet zien dat het bezig was te zoogen.
Deze omstandigheid, en Kapitein Hull was hiervan zeer goed bewust,
moest de vangst van den walvisch veel moeielijker maken. De moeder
zou zich natuurlijk met meer woede verdedigen, zoowel voor zich zelve
als om haar "kleintje" te beschermen--indien men althans dien naam
kan geven aan een dier dat niet minder dan twintig voet was.
Evenwel werd de vrees dat de walvisch zich onmiddellijk op de sloep
zou werpen niet bewaarheid en er was geen reden, om de lijn, waaraan
de harpoen bevestigd was, door te snijden, met het doel om dadelijk
op de vlucht te gaan. Integendeel, en zooals dit meestal gebeurt,
dook de walvisch, gevolgd door zijn jong, eerst in zeer schuinsche
richting; daarna, zich met een ontzaglijken sprong in de hoogte
werpende, begon hij met buitengewone snelheid aan de oppervlakte van
het water te zwemmen.
Maar voordat hij onderdook, hadden kapitein Hull en de bootsman,
die beiden overeind in de boot stonden, den tijd gehad hem te zien
en hem dus op zijn juiste waarde te schatten.
En werkelijk was deze "vinvisch" een walvisch van de grootste
soort. Zijn lengte bedroeg van den kop tot den staart minstens tachtig
voet. Zijn huid, van een geelachtig bruin, was als bezaaid met talrijke
vlekken van donkerder kleur.
Het ware inderdaad jammer geweest, na een gelukkigen aanval bij
het begin, in de noodzakelijkheid te zijn zulk een rijke prooi te
laten varen.
De vervolging, of liever het op sleeptouw nemen was begonnen.
De walvischsloep, met de riemen "op", snelde als een pijl op den rug
der golven voort.
Howik stuurde uitmuntend, niettegenstaande haar snelle en groote
gieren.
Kapitein Hull met het oog op zijn prooi, liet onophoudelijk zijn
eeuwig refrein hooren:
"Pas goed op, Howik, pas goed op!"
En men kon zich verzekerd houden, dat de waakzaamheid van den bootsman
geen enkel oogenblik faalde.
Daar evenwel de sloep op verre na niet met dezelfde snelheid gierde als
de walvisch, liep de harpoenlijn met zulk een verbazende snelheid af,
dat zij telkens op het punt stond bij de wrijving langs boord vuur
te vatten. Ook zorgde kapitein Hull haar nat te houden, door de balie
waarin zij opgeschoten lag, met water te vullen.
Nochtans scheen de walvisch zich niet in zijn loop op te houden,
noch hem te willen matigen. De tweede lijn werd dus aan de eerste
vastgehecht en weldra met dezelfde snelheid als de eerste ontrold.
Na vijf minuten moest de derde lijn aangeknoopt worden, die even als
de twee eerste onder het water was verdwenen.
En nog altijd verminderde de walvisch zijn vaart niet. De harpoen
was blijkbaar in geen voor het leven gevaarlijk lichaamsdeel
doorgedrongen. Men kon zelfs aan de meer schuinsche richting der lijn
opmerken, dat het dier, inplaats van aan de oppervlakte terug te komen,
tot in diepere lagen doordrong.
"Wel duivels!" riep kapitein Huil, "die schelm zal ons waarlijk onze
vijf lijnen opeten!"
"En ons een tot op goeden afstand van den _Pelgrim_
medeslepen!" antwoordde de bootsman.
"Hij zal toch aan de oppervlakte moeten terugkomen om adem te
scheppen!" hernam kapitein Hull. "Hij behoort niet tot de visschen
en heeft even goed zijn voorraad lucht noodig als ieder ander
particulier!"
"Hij zal zijn adem ingehouden hebben om beter te kunnen loopen!" zei
al lachende een der matrozen.
Werkelijk bleef de lijn met dezelfde snelheid af loopen.
Weldra werd het noodig de vierde lijn bij de derde te voegen en
werkelijk begonnen de matrozen zich wel wat ongerust te maken omtrent
hun toekomstig aandeel in de winst.
"Wel drommels!" mompelde kapitein Hull, "zoo iets heb ik nog nooit
gezien! Satansche visch!"
Eindelijk moest ook de vijfde lijn er aan, en reeds was zij tot op
de helft afgerold, toen er eindelijk wat bocht in scheen te komen.
"Komaan!" riep kapitein Hull, "de lijn is minder gespannen! De walvisch
wordt moe!"
Op dit oogenblik bevond de _Pelgrim_ zich op meer dan vijf mijlen
aan lij van de walvischsloep.
Kapitein Hull heesch nu een vlag aan het einde van een bootshaak en
gaf daarmede het afgesproken signaal om dichter bij te komen.
En bijna dadelijk kon hij zien dat Dick Sand, geholpen door Tom en
zijn kameraden, volbraste, en zoo dicht mogelijk aan den wind hield.
Maar de bries was zwak en ongestadig. Zij kwam slechts bij vlagen van
korten duur. Zeer zeker zou de _Pelgrim_ eenige moeite hebben om de
sloep te bereiken, indien het al mogelijk was.
Intusschen was de walvisch zooals men voorspeld had, aan de oppervlakte
teruggekomen om adem te halen, altijd nog met den harpoen in zijn
zijde. Hij bleef toen nagenoeg onbeweeglijk en scheen op zijn jong te
wachten, dat bij deze woeste jacht natuurlijk had moeten achterblijven.
Kapitein Hull liet hard aan roeien, om hem te naderen en weldra was
hij er weder dichtbij.
Twee riemen werden opgelicht en twee matrozen wapenden zich, zooals de
kapitein het reeds gedaan had, met lange lansen om het dier te treffen.
Howik bestuurde nu de boot zeer behendig en hield zich gereed snel af
te houden, in het geval dat de walvisch haar plotseling zou aanvallen.
"Opgepast!" riep kapitein Hull. "Laat geen worp verloren gaan! Mikt
goed, jongens! Ben je klaar, Howik?"
"Klaar, mijnheer," antwoordde de bootsman, "maar een ding maakt me
ongerust en dat is dat het dier, na zoo snel gevlucht te zijn, op
dit oogenblik zoo stil is!"
"Je hebt gelijk, Howik, dat komt me ook verdacht voor."
"Laten we op onze hoede zijn!"
"Ja, maar laten we vooruit gaan."
Kapitein Hull wond zich steeds meer op.
De boot kwam nog dichter bij. De walvisch wendde zich op de plaats
zelve rond. Zijn jong bevond zich niet meer bij hem en misschien
zocht hij het.
Plotseling maakte hij een beweging met zijn staart, die hem een dertig
voet verder bracht.
Zou hij opnieuw op de vlucht gaan en moest die eindelooze vervolging
hervat worden?
"Opgepast!" riep kapitein Hull. "Het dier neemt zijn aanloop en zal
zich op ons werpen! Houd koers, Howik, houd koers!"
De walvisch had zich werkelijk zoodanig gewend dat hij met den kop
naar de sloep gekeerd lag. Daarna de zee met zijn ontzaglijke vinnen
doende opbruisen, stortte hij zich vooruit.
De bootsman die op den rechtstreekschen aanval voorbereid was,
manoeuvreerde op die wijze dat de walvisch langs de boot heengleed,
zonder haar evenwel te raken.
Kapitein Hull en de twee matrozen brachten hem in het voorbijgaan drie
krachtige lanssteken toe en trachtten eenig levensorgaan te treffen.
De walvisch hield plotseling op en terwijl hij twee stralen water,
met bloed gemengd, tot een groote hoogte in de lucht spoot, stortte
hij zich wederom als met een vervaarlijken sprong op de boot en was
werkelijk vreeselijk om aan te zien.
Voorzeker moesten deze zeelieden koene visschers zijn om bij een
gelegenheid als deze bedaard te blijven.
Nogmaals wist Howik behendig den aanval van het dier te ontwijken
door het roer aan boord te gooien.
Door drie nieuwe, op het geschikte oogenblik toegebrachte stooten,
kreeg het dier drie nieuwe verwondingen. Maar in het voorbijgaan
sloeg hij het water zoo geweldig met zijn geduchten staart, dat een
ontzaglijke golf de sloep bijna deed omslaan en haar voor de helft
met water vulde.
"De puts, de puts!" riep kapitein Hull.
De twee matrozen lieten hunne riemen loopen en gingen snel aan het
uithoozen van de sloep, terwijl de kapitein de lijn doorsneed die nu
nutteloos geworden was.
Neen! de walvisch woedend geworden door de pijn, dacht aan geen
vluchten meer. Op zijn beurt was hij nu de aanvaller en zijn
doodsstrijd dreigde vreeselijk te zijn.
Voor den derden keer wierp hij zich om en storte zich opnieuw op
de boot.
Maar deze, half vol water, kon niet meer met dezelfde gemakkelijkheid
bestuurd worden, en hoe zou zij onder deze omstandigheden den schok
vermijden die haar dreigde? Luisterde zij niet meer naar het roer,
nog veel minder kon zij op de vlucht gaan.
En bovendien, hoeveel vaart de boot ook had geloopen, zou de vlugge
walvisch haar in weinige sprongen achterhaald hebben. Het kwam er nu
niet meer op aan aan te vallen, men moest zich nu verdedigen.
Kapitein Hull begreep het terecht.
De derde aanval van het dier kon niet geheel afgewend worden. In het
voorbijgaan raakte hij de sloep even met zijn ontzaglijke rugvin aan,
maar met zulk eene ontzettende kracht, dat Howik van zijn bank werd
geworpen.
De drie lansen die door de schommeling ongelukkig afweken, misten
dezen keer haar doel.
"Howik! Howik!" riep kapitein Hull, die zelf moeite had te blijven
staan.
"Present!" antwoordde de bootsman, zich oprichtende.
Maar op hetzelfde oogenblik merkte hij dat zijn lange of stuurriem
in zijn val doormidden was gebroken.
"Een anderen riem!" zei kapitein Hull.
"Al klaar," antwoordde Howik.
Op dit oogenblik deed zich op slechts weinige vademen van de sloep
af een borreling onder het water hooren.
Het walvischjong kwam weder te voorschijn. De walvisch zag het en
snelde naar hem toe.
Deze omstandigheid zou aan de worsteling slechts een vreeselijker
karakter mededeelen. De walvisch zou nu den strijd hervatten voor twee.
Kapitein Hull keek naar den kant van den _Pelgrim_. Zijn hand bewoog
driftig den staak met de vlag.
Wat kon Dick Sand anders doen dan hetgeen hij bij het eerste signaal
van den kapitein reeds gedaan had? De zeilen van den _Pelgrim_ stonden
bij en de wind begon ze te zwellen. Ongelukkig bezat de schoener-brik
geen schroef welker werking men kon aanzetten om sneller te loopen. Een
der booten te strijken en den kapitein met behulp der negers bij te
staan, zou een groot tijdverlies geweest zijn en bovendien had ook
de leerling bevel ontvangen niet van boord te gaan, wat er ook mocht
gebeuren. Evenwel streek hij de boot die aan het hek hing en nam die
op sleper, opdat de kapitein, zoo het noodig was, er de vlucht in
kon nemen.
Op dit oogenblik had de walvisch, het jong met zijn lichaam bedekkende,
den aanval hervat. Dezen keer scheen zijn plan te zijn rechtstreeks
op de sloep aan te vallen.
"Opgepast, Howik!" riep een laatste maal kapitein Hull.
Maar de bootsman was zoo goed als ongewapend. In plaats van een
hefboom, waarvan de lengte de kracht uitmaakte, hield hij slechts
een betrekkelijk korten riem in de hand.
Hij trachtte af te houden.
Het was onmogelijk.
De matrozen begrepen dat zij verloren waren. Allen richten zich op en
dezen een vreeselijken kreet hooren, die misschien op den _Pelgrim_
wel gehoord kon worden.
Een vreeselijke slag met den staart van het monster had de
walvischsloep van onderen getroffen.
De boot, met onweerstaanbaar geweld in de lucht geslingerd, viel in
drie stukken neder, te midden der golven, die door de sprongen van
den walvisch met woest geweld tegen elkander aanbotsten.
De ongelukkige matrozen, hoewel ernstig gekwetst, zouden misschien
de kracht gehad hebben zich, hetzij al zwemmende, hetzij zich aan
een of ander drijvend voorwerp vastgrijpende, boven water te houden.
Dit deed ook kapitein Hull, dien men een oogenblik den bootsman op
een drijvend stuk hout zag trekken....
Maar de walvisch, ten toppunt van woede, keerde zich om, maakte een
vervaarlijken sprong, misschien in de laatste oogenblikken van een
vreeselijken doodsstrijd, en sloeg met zijn geduchten staart het
woelige water waarin de ongelukkigen nog rondzwommen!
Gedurende eenige minuten zag men slechts een vloeibare waterkolom
die zich in duizende kleine waterstralen naar alle kanten verspreidde.
Toen een kwartier later Dick Sand zich met de negers in de boot
geworpen en het tooneel van het ongeluk bereikt had, waren alle levende
wezens verdwenen. Eenige overblijfselen van de walvischsloep was
alles wat er op de oppervlakte der bloedroode golven was overgebleven.
NEGENDE HOOFDSTUK.
KAPITEIN SAND.
De eerste indruk door deze verschrikkelijke ramp op de passagiers
van den _Pelgrim_ teweeggebracht, was een mengsel van medelijden en
schrik. Zij dachten slechts aan den ontzettenden dood van kapitein
Hull en zijn vijf matrozen. Dit ijselijk tooneel had zich nagenoeg
onder hunne oogen afgespeeld zonder dat zij iets hadden kunnen doen
om hen te redden! Zij waren zelfs te laat gekomen om de bemanning der
walvischsloep, hunne ongelukkige verwonde, maar nog levende makkers
op te nemen, en den romp van den _Pelgrim_ te stellen tegenover de
geduchte slagen van den walvisch! Kapitein Hull en zijne matrozen
waren voor altijd verdwenen!
Toen de schoenerbrik op de plaats van het onheil was aangekomen,
viel Mevr. Weldon op de knieën, met de handen ten hemel opgeheven.
"Laat ons bidden!" zei de vrome vrouw.
De kleine Jack knielde weenende bij zijne moeder. Het arme kind
had alles begrepen. Dick Sand, Nan, Tom en de andere negers stonden
overeind met gebogen hoofd. Allen herhaalden bij zich zelven het gebed
dat Mevr. Weldon tot God richtte, terwijl zij aan zijne oneindige
goedheid hen beval, die zooeven voor hem verschenen waren.
Daarna, zich tot haar metgezellen richtende, zei Mevr. Weldon:
"En nu, mijne vrienden, laat ons van God de kracht en den moed
afsmeeken om ons te helpen!"
Ja! zij konden niet genoeg de hulp afbidden van Hem die alles vermag,
want hun toestand was hoogst ernstig!
Het schip dat hen droeg, had geen kapitein meer om hen te commandeeren,
geen bemanning meer om het te besturen. Het bevond zich te midden van
de onmetelijke Stille-Zuidzee, op honderden mijlen van eenig land,
overgegeven aan wind en golven.
Welk noodlot had toch dien walvisch op den weg van den _Pelgrim_
geleid? Welk grooter noodlot nog had den ongelukkigen kapitein Hull,
gewoonlijk zoo verstandig, aangespoord om alles op het spel te zetten,
teneinde zijn lading aan te vullen? En welke ramp, vreeselijker
dan deze, kon er opgeteekend worden in de jaarboeken van de groote
visscherij, waarbij geen enkel matroos van de walvischsloep had kunnen
gered worden!
Ja! het was een vreeselijk noodlot!
Inderdaad was er geen enkele zeeman meer aan boord van den _Pelgrim_.
Toch! een enkele! Dick Sand, maar het was slechts een leerling,
een jongeling van vijftien jaar!
Kapitein, bootsman, matrozen, men kon zeggen dat de geheele bemanning
nu in hem alleen vereenigd was.
En aan boord bevond zich een passagier, een moeder en haar zoon,
wier tegenwoordigheid den toestand nog moeielijker maakte.
Verder waren er ook eenige negers, goede menschen, moedig en ijverig,
ongetwijfeld bereid om iedereen te gehoorzamen die in staat zou zijn
hen te commandeeren, doch ontbloot van de eenvoudigste begrippen van
het zeemansvak!
Dick Sand stond daar onbeweeglijk, de armen over elkander geslagen en
den blik gewend naar de plaats waar kapitein Hull, zijn weldoener en
beschermer, voor wien hij een kinderlijke liefde gevoelde, verzwolgen
was. Daarna doorzochten zijn oogen den horizont om naar eenig vaartuig
uit te zien, dat hij hulp en bijstand verzocht zou hebben en waaraan
hij althans Mevr. Weldon had kunnen toevertrouwen.
Hij zou daarom toch den _Pelgrim_ niet verlaten hebben, neen, voorzeker
niet, zonder alles gedaan te hebben om hen naar een veilige haven
te brengen. Maar Mevr. Weldon en haar kleine jongen waren dan in
veiligheid geweest en hij zou niet meer te vreezen gehad hebben voor
die twee wezens, aan wie hij zich met lichaam en ziel gewijd had.
De oceaan was verlaten. Sedert de verdwijning van den walvisch had
geen enkel voorwerp de onmetelijke vlakte verstoord. Niets dan water en
lucht rondom den _Pelgrim_. De jeugdige leerling wist maar al te goed,
dat hij zich buiten den gewonen weg der koopvaardijschepen bevond en
dat de andere walvischvaarders nog ver weg ter visscherij verwijlden.
Evenwel was het zaak den toestand onder de oogen te zien en de dingen
in het ware licht te beschouwen. Dit deed Dick Sand, maar vroeg
daarbij aan God, uit het binnenste zijns harten, hulp en bijstand.
Welk besluit zou hij nemen?
Op dit oogenblik verscheen Negoro op het dek, dat hij na de ramp
verlaten had. Niemand had kunnen zeggen wat zulk een raadselachtig
wezen bij dit onherstelbaar ongeluk gevoeld had. Had hij het onheil
mede aangezien zonder eenig teeken te geven en zonder een oogenblik van
zijn stomme rol af te wijken. Met de oogen had hij al de bijzonderheden
van het ongelukkig voorval verslonden. Maar indien men op zulk een
oogenblik op de gedachte gekomen was hem waar te nemen, zou men er
zich althans over verwonderd hebben dat geen enkele spier van zijn
hardvochtig gelaat zich vertrok. Zeker is het dat hij deed alsof hij
niets gehoord had toen Mevr. Weldon allen opriep om voor de gezonken
bemanning te bidden.
Negoro begaf zich naar het achterdek, naar de plaats waar Dick Sand
onbeweeglijk in gedachten verzonken stond. Hij bleef op drie schreden
van den leerling af staan.
"Moet je me spreken?" vroeg Dick Sand.
"'k Moet kapitein Hull spreken," antwoordde Negoro koel, "of als dat
niet kan, den bootsman Howik."
"Je weet wel dat beide zijn omgekomen!" riep de leerling uit.
"Wie commandeert dan nu aan boord?" vroeg Negoro onbeschaamd.
"Ik," antwoordde Dick Sand zonder de minste aarzeling.
"Gij!" zeide Negoro, de schouders optrekkende. "Een kapitein van
vijftien jaar!"
"Een kapitein van vijftien jaar!" antwoordde de leerling, op den
kok toeloopende.
Deze ging achteruit.
"Vergeet niet," zei toen Mevr. Weldon, "dat er hier slechts één
kapitein is.... kapitein Sand, en 't is goed dat iedereen wete dat
hij zich zal doen gehoorzamen!"
Negoro boog, terwijl hij op spottenden toon eenige woorden mompelde
die men niet hooren kon en hij daarna naar zijn verblijf terugkeerde.
Men ziet, Dick had een besluit genomen.
Intusschen was de schoenerbrik, door de werking van de bries die begon
op te steken, de uitgestrekte bank schaaldieren reeds voorbijgestevend.
Dick Sand nam den toestand van het tuig op. Daarna daalden zijn oogen
op het dek neder. Hij had daarbij het gevoel dat, zoo er voortaan
een geduchte verantwoordelijkheid op hem rustte, hij de kracht moest
hebben haar op zich te nemen. Hij dorst hen aanzien de overlevenden
van den _Pelgrim_, wier oogen nu op hem gericht waren. En terwijl
hij in hunne blikken las, dat hij op hen kon rekenen, zeide hij hun
in twee woorden dat zij zich op hunne beurt op hem konden verlaten.
Dick Sand had in alle oprechtheid zijn geweten onderzocht.
Mocht hij al in staat zijn om met behulp van de armen van Tom en zijn
kameraden naar omstandigheden voldoende te kunnen manoeuvreeren, toch
bezat hij natuurlijk nog al de kundigheden niet die noodig waren om
zijn bestek door berekening te bepalen.
Ware Dick Sand vier of vijf jaar ouder geweest, zoo zou hij het
schoone, maar moeielijke zeemansvak in den grond gekend hebben! Hij zou
zich hebben weten te bedienen van den sextant, het instrument waarmede
kapitein Hull de sterrenhoogte nam! Hij zou op den chronometer den
middelbaren tijd van Greenwich afgelezen en met behulp daarvan en
den bekenden uurhoek, de lengte gevonden hebben. De zon zou elken
dag zijn raadgeefster geweest zijn! De maan en de planeten zouden
hem gezegd hebben: Daar op dat punt van den Oceaan bevindt zich
uw schip! Het uitspansel waar langs de sterren zich bewegen als de
wijzers van een volkomen juist uurwerk, dat uitspansel zou hem de uren
en de afstanden geleerd hebben! Door de sterrenkundige waarnemingen,
zou hij op een mijl na de plaats hebben leeren bepalen, zooals zijn
kapitein zulk elken dag deed, waar de _Pelgrim_ zich bevond, zoowel
als den afgelegden weg en den weg die nog afgelegd moest worden!
En nu moest hij geheel op gegist bestek varen, dat wil zeggen: zich
alleen op de log en het kompas verlaten, waarvan hij de miswijzing
in rekening kon brengen.
Evenwel verloor hij den moed niet.
Mevr. Weldon had zeer goed begrepen, wat er in het moedige hart van
den leerling omging.
"Heb dank, Dick," zeide zij tot hem met vaste stem. "Kapitein Hull
is niet meer! Zijn geheele equipage is met hem omgekomen. Het lot van
het schip is in uw handen! Dick, je zult het schip met allen die het
draagt, redden."
"Ja, mevrouw," antwoordde Dick Sand, "ja, met Gods hulp zal ik het
beproeven."
"Tom en zijn kameraden zijn brave menschen die je volkomen kunt
vertrouwen."