microscopisch fijne meelkorreltjes geen goede soepen? Ja, en de natuur
heeft het zoo gewild. Wanneer een walvisch zich te midden van dat
roode water beweegt, is zijn soep gereed en heeft hij niets meer te
doen dan zijn onmetelijken bek te openen, waarin dadelijk millioenen
schaaldiertjes worden opgenomen, terwijl de talrijke baarden, waarmede
het verhemelte van het dier voorzien is, zich uitspreiden als de
netten van een visscher; niets kan er dan meer uit en een geweldige
massa schaaldiertjes verzinkt in de enorme maag van den walvisch,
als de soep van uw diner in de uwe."
"Je begrijpt licht, Jack," merkte Dick Sand op, "dat mijnheer de
walvisch zijn tijd niet verliest met een voor een die schaaldiertjes
te pellen, zooals gij garnalen pelt!"
"'k Moet er nog bijvoegen," zei kapitein Hull, "dat juist op het
oogenblik als de ontzaglijke gulzigaard op die manier bezig is,
't gemakkelijkste is hem te naderen zonder zijn wantrouwen te
wekken. Dat is dus juist het geschiktste oogenblik om hem met eenig
succes te harpoeneeren."
Op dit oogenblik, en als om kapitein Hull gelijk te geven, deed zich
de stem van den matroos op den uitkijk hooren: "Een walvisch aan
bakboordszij vooruit!"
Kapitein Hull had zich opgericht.
"Een walvisch!" riep hij uit.
En door zijn visschersinstinct aangevuurd, snelde hij naar den bak.
Mevr. Weldon, Jack, Dick Sand en zelfs neef Benedictus volgden hem
terstond.
En werkelijk gaf op vier mijlen onder lij, een zekere borreling
te kennen dat een groot dier zich te midden der roode golven
bewoog. Vooral walvischvaarders konden er zich niet in vergissen.
Maar de afstand was nog te groot om de soort te kunnen onderscheiden,
waartoe dit dier behoorde. Deze soorten zijn inderdaad zeer van
elkander verschillend.
Was het een van die echte walvisschen die bij voorkeur door de
visschers van de noordpool-zeeën opgezocht worden? Die walvisschen,
bij wie de rugvin ontbreekt, maar wier huid eene dikke laag spek
bedekt, kunnen een lengte van vier-en-tachtig voet bereiken, hoewel
de gemiddelde lengte geen zestig bedraagt, en in dit geval verschaft
een enkele van die monsters tot honderd vaten traan.
Was het integendeel een "humpback", die tot de soort der baleinoptera
behoort,--een woord waarvan de eindlettergreep hem althans de gunst van
den entomoloog had moeten doen verwerven? Zij zijn het die rugvinnen
bezitten, wit van kleur en zoo lang als de halve lengte des lichaams,
die als een paar vleugels uitzien en hem daardoor wel eenigszins op
een vliegenden walvisch doen gelijken.
Had men niet waarschijnlijker een "vinvisch" in 't gezicht, een
zoogdier ook bekend onder den naam van "snavelwalvisch", die voorzien
is van een rugvin en welks lengte die van den echten walvisch kan
evenaren?
Kapitein Hull en zijn bemanning konden nog geen uitspraak doen, maar
zij beschouwden het dier nog met meer begeerte dan wel bewondering.
Zoo het waar is dat een horlogemaker geen pendule kan zien zonder de
onweerstaanbare behoefte te gevoelen haar op te winden, hoeveel meer
moet dan niet de walvischvaarder op het gezicht van een walvisch door
een dringende begeerte bezield zijn er zich meester van te maken! De
jagers op grof wild zijn, zegt men, vuriger dan die op klein wild. Hoe
grooter het dier is, des te meer wekt het de begeerlijkheid op! Wat
moeten dan niet de jagers op olifanten en de visschers op walvisschen
gevoelen! En dan bestond ook nog de teleurstelling der geheele equipage
van den _Pelgrim_ om met eene halve lading thuis te varen!...
Intusschen trachtte kapitein Hull het dier dat gesignaleerd was,
te onderscheiden. Het was op dien afstand niet zichtbaar. Evenwel
kon het geoefend oog van een walvischvaarder zich niet bedriegen in
zekere bijzonderheden die gemakkelijk van verre te ontdekken waren.
Werkelijk moest de straal, namelijk de kolom van damp en water die
de walvisch door zijne neusgaten in de hoogte spuit, de aandacht
wekken van kapitein Hull en hem de soort doen bepalen waartoe deze
walvisch behoorde.
"Dat is geen echte walvisch!" riep hij uit. "Zijn straal zou hooger
zijn en een kleiner volumen hebben. Zoo van den anderen kant het
geraas dat de straal maakt vergeleken kon worden met het verwijderd
geluid van een stuk geschut, zou ik geneigd zijn te gelooven dat deze
walvisch tot de soort der 'humpbacks' behoort; maar daar is niets
van aan en wanneer men goed hoort, dan kan men zich overtuigen dat
dit geluid van gansch anderen aard is."
"Hoe denkt gij daarover, Dick?" vroeg kapitein Hull den leerling.
"Mij dunkt, kapitein, dat we hier te doen hebben met een vinvisch. Zie
eens, met welk een geweld hij dien waterstraal in de lucht spuit. Komt
het u ook niet voor,--'t geen mijne meening zou bevestigen,--dat die
straal meer water dan verdichte lucht bevat? En dat is immers een
eigenaardige bijzonderheid van den vinvisch?"
"Je hebt gelijk, Dick," antwoordde kapitein Hull. "Er is geen twijfel
meer mogelijk! 't Is een vinvisch die aan de oppervlakte van die
roode golven drijft."
"Wat is dat een prachtig gezicht!" riep Jack uit.
"Ja, mijn jongen! En wanneer men dan bedenkt dat het groote dier daar
aan zijn ontbijt is en volstrekt niet vermoedt dat walvischvaarders
naar hem kijken!"
"'k Zou durven verzekeren, dat het een groote vinvisch is," merkte
Dick Sand aan.
"Ongetwijfeld," antwoordde kapitein Hull, die zich allengs begon op
te winden, "ik schat hem ten minste op zeventig voet lengte!"
"Ja, ja!" voegde de bootsman er bij. "Een half dozijntje walvisschen
van die grootte en een schip als het onze zou genoeg hebben!"
"Je hebt gelijk!" antwoordde kapitein Hull, die op de boegspriet klom
om beter te kunnen zien.
"En als we dezen hadden," voegde de bootsman er bij, "zouden we in
weinige uren de helft der twee honderd vaten traan kunnen inschepen,
die ons nog ontbreken."
"Ja! inderdaad.... ja!...." mompelde kapitein Hull.
"Dat is waar," hernam Dick Sand, "maar 't is geen gemakkelijke taak,
somtijds, die geweldige vinvisschen aan te vallen!"
"Niet gemakkelijk, niet gemakkelijk!" antwoordde kapitein Hull. "Ze
hebben geduchte staarten, die men niet te dicht moet naderen! De
sterkste sloep zou aan een goed gerichten slag geen weerstand
bieden. Maar het voordeel beloont de moeite!"
"Nu!" zei een der matrozen, "een prachtige vinvisch is toch ook een
prachtige vangst!"
"En winstgevend!" antwoordde een ander.
"'t Zou jammer zijn dezen in 't voorbijgaan niet even te groeten!"
Het was duidelijk dat de brave zeelieden op het gezicht van den
walvisch hoe langer hoe meer bezield werden met den wensch hem te
vangen. Een gansche lading traan maar voor het grijpen? Er bleef
volgens hen niets anders meer te doen dan de vaten in het ruim van
den Pelgrim te stuwen om de lading er van aan te vullen!
Eenige matrozen die in het want van den fokkemast geklommen waren,
deden kreten van begeerlijkheid hooren. Kapitein Hull sprak niet en
stond op zijn nagels te bijten. Het was alsof een onweerstaanbare
magneet den _Pelgrim_ en zijn geheele equipage aantrok.
"Mama, mama!" hoorde men kleine Jack roepen, "'k zou zoo graag den
walvisch hebben om te zien hoe hij er uit ziet!"
"Zoo, zoo, zou je dien walvisch willen hebben, mijn jongen? Wel! waarom
niet, vrienden!" antwoordde kapitein Hull, die eindelijk aan zijn
geheime begeerte toegaf. "De hulpvisschers ontbreken ons wel, dat is
waar, maar wij alleen...."
"Ja, ja!" riepen de matrozen als uit één mond. "'t Zou de eerste keer
niet zijn dat ik als harpoenier fungeer," voegde kapitein Hull er bij,
"en dan zult ge kunnen oordeelen of ik den harpoen nog kan werpen!"
"Hoera! hoera! hoera!" was het antwoord der bemanning.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
TOEBEREIDSELEN.
Men begrijpt licht dat het gezicht van dit reusachtig zoogdier zeer
geschikt was om de bemanning van den _Pelgrim_ in zulk een opgewonden
stemming te brengen.
De walvisch, die zich te midden der roode golven bewoog, scheen
ontzettend groot te zijn. Het was voorzeker zeer verleidelijk hem te
vangen en de lading op deze wijze vol te maken! Konden visschers een
dergelijke gelegenheid laten ontsnappen?
Evenwel meende Mevr. Weldon aan kapitein Hull te moeten vragen of er
geen gevaar voor de bemanning en voor hem in gelegen was een walvisch
onder zulke ongunstige omstandigheden aan te vallen.
"In het minst niet, mevrouw Weldon," antwoordde kapitein
Hull. "Meermalen is het mij gebeurd dat ik den walvisch met een enkele
boot vervolgde en 'k heb hem altijd meester kunnen worden. 'k Zeg
u nogmaals, er is in 't geheel geen gevaar voor ons en dus ook niet
voor u."
Mevrouw Weldon was volkomen gerust gesteld en drong nu niet meer aan.
Kapitein Hull nam nu dadelijk maatregelen om den walvisch te
vangen. Hij wist bij ondervinding dat de jacht op deze soort van
walvisschen met vrij ernstige moeilijkheden gepaard gaat en hij wilde
deze allen trachten te voorkomen.
Wat vooral deze vangst minder gemakkelijk maakte, was dat de equipage
van de schoenerbrik slechts met een enkele boot kon werken, alhoewel
de _Pelgrim_ een sloep bezat die in haar davits tusschen den grooten
en den fokkemast hing, daarenboven drie walvischsloepen, waarvan twee
langs bakboords- en stuurboordszijde waren opgehangen en de derde
aan het hek.
Gewoonlijk werden deze drie walvischsloepen gelijktijdig bij de
vervolging der walvisschen gebruikt. Maar gedurende het vischseizoen
werd, zooals men weet, een hulpequipage, ontleend aan sommige
factorijen op Nieuw-Zeeland, aan boord genomen.
Doch in de omstandigheden waarin de _Pelgrim_ voor het oogenblik
verkeerde, waren er slechts vijf matrozen beschikbaar, juist genoeg
om een enkele der walvischsloepen te wapenen. De hulp van Tom en
zijn kameraden aan te nemen, die zich dadelijk hadden aangeboden,
was onmogelijk, want het besturen van een whaleboot vordert bijzonder
daartoe afgerichte zeelieden. Een verkeerde manoeuvre met het roer of
een riem kan bij den aanval het behoud van de sloep in gevaar brengen.
Van den anderen kant wilde kapitein Hull zijn schip niet verlaten
zonder er althans een man der bemanning achter te laten in wien hij
vertrouwen stelde. Men moest op alle mogelijkheden bedacht zijn.
Nu was kapitein Hull verplicht om ter bemanning der sloep flinke
zeelieden te kiezen en moest zich daarom voor de zorg om op den
_Pelgrim_ de wacht te houden op Dick Sand verlaten.
"Dick," zei hij tot dezen, "u belast ik om in mijn afwezigheid,
die naar ik hoop, niet lang zal zijn, aan boord te blijven!"
"Goed, mijnheer," antwoordde de leerling.
Dick had nu eigenlijk wel gaarne deel willen nemen aan die visscherij,
die een groote aantrekkelijkheid voor hem had, maar hij begreep dat
eensdeels de armen van een volwassen man beter geschikt waren voor
de bediening der walvischsloep dan de zijne en dat anderdeels hij
alleen kapitein Hull kon vervangen. Hij onderwierp zich dus.
De bemanning der sloep zou uit vijf man bestaan, bootsman Howik
er onder begrepen, die de geheele bemanning van den _Pelgrim_
uitmaakten. De vier matrozen zouden de riemen hanteeren en Howik den
langen riem houden, die dient om een boot dezer soort te besturen. Van
een eenvoudig roer zou de werking niet snel genoeg zijn en bijaldien
de riemen buiten dienst gesteld worden, kan de lange of stuurriem,
zoo hij goed gehanteerd wordt, de sloep buiten het bereik der slagen
van het monster brengen.
Wat kapitein Hull aangaat, deze had voor zich den post van harpoenier
bewaard en zooals hij reeds zei, het zou niet de eerste maal zijn. Hij
moest het eerst den harpoen werpen, daarna het afloopen van de lange
lijn bewaken die aan zijn uiteinde was bevestigd en vervolgens het
dier, zoodra het zich aan de oppervlakte van den oceaan vertoonde
met lanssteken afmaken.
De walvischvangers maken somtijds gebruik van vuurwapenen voor deze
soort van visscherij. Door middel van een daartoe ingericht werktuig,
een soort van klein kanon, of aan boord van het vaartuig, of voor in
de boot, werpen zij, hetzij een harpoen die de lijn aan zijn uiteinde
bevestigd medevoert, of ontplofbare kogels die groote verwoestingen
in het lichaam van het dier aanrichten.
Maar de _Pelgrim_ was niet van toestellen dezer soort voorzien. Het
zijn trouwens vuurwapenen van hoogen prijs, die vrij moeielijk te
behandelen zijn, en de visschers die niet veel met nieuwigheden op
hebben, schijnen het gebruik der van ouds gebruikelijke wapenen te
verkiezen, waarvan zij zich behendig bedienen, namelijk den harpoen
en de lans.
Het is dus met de gewone middelen, den walvisch namelijk met de
blanke wapenen aan te vallen, dat kapitein Hull zou beproeven den
vinvisch, die op vijf mijlen van zijn vaartuig gesignaleerd was,
machtig te worden.
Overigens zou het weder dezen tocht begunstigen. De zee was zeer kalm
en gunstig voor de manoeuvres van een walvischvanger. De wind was
aan het afnemen en de _Pelgrim_ zou slechts zeer weinig afdrijven,
terwijl zijn equipage zich in volle zee bezighield.
De walvischsloep aan stuurboordszijde werd dus dadelijk gestreken en
de vier matrozen bemanden het ranke vaartuigje.
Howik reikte hun twee van die lange werpspiesen over, die als harpoenen
moeten dienen en daarna twee lange lansen met scherpe punten. Bij deze
aanvalswapenen voegde hij vijf strengen, buigzame en sterke touwen,
die de walvischvangers "lijnen" noemen en die een lengte hebben van
zeshonderd voet. Korter mogen zij niet zijn, want het gebeurt meermalen
dat al deze "lijnen" aan elkander gebonden, niet toereikend zijn om
den walvisch bij zijn vaart naar de diepte genoeg te kunnen vieren.
Dat waren de verschillende toestellen die met zorg vóór in de sloep
gereed gelegd werden.
Howik en de vier matrozen wachtten nog slechts op de order om den
sleper los te gooien.
Een enkele plaats vóór in de sloep,--die van kapitein Hull,--was
nog onbezet.
Het spreekt van zelf dat de equipage van de _Pelgrim_, alvorens van
boord te gaan, het schip bijgedraaid had. Met andere woorden, de raas
werden zoodanig gebrast, dat de zeilen, tegen elkander in werkende,
de schoenerbrik nagenoeg op dezelfde plaats hielden.
Op het oogenblik dat kapitein Hull zich zou inschepen, wierp hij nog
een laatsten blik op zijn vaartuig. Hij overtuigde zich dat alles
in orde was, met behoorlijk gestelde zeilen. Daar hij den leerling
gedurende een afwezigheid van misschien eenige uren aan boord liet,
wilde hij met recht dat Dick Sand, tenzij uit noodzakelijkheid geen
enkele manoeuvre had uit te voeren.
Op het punt van te vertrekken, gaf hij hem zijn laatste instructies.
"Dick," zei hij, "ik laat je alleen. Zorg voor alles. Zoo 't, wat zeer
onwaarschijnlijk is, noodig werd het schip te manoeuvreeren ingeval
we te ver bij de vervolging van den walvisch werden meegevoerd, zouden
Tom en zijn kameraden je zeer goed kunnen helpen. Door ze goed aan hun
verstand te brengen wat ze te doen hebben, ben ik er zeker van dat ze
't doen zouden."
"Ja, kapitein Hull," antwoordde de oude Tom, "en mijnheer Dick kan
op ons rekenen."
"Beveel, beveel!" riep Bat. "We zouden zoo graag willen helpen!"
"Waaraan moeten we trekken?..." vroeg Hercules, terwijl hij de wijde
mouwen van zijn wambuis opstroopte.
"Aan niets op 't oogenblik," antwoordde Dick Sand glimlachende.
"Tot uw dienst," hernam de kolossale kerel.
"Dick," hernam, kapitein Hull, "'t is mooi weer. De wind is gaan
liggen. Geen enkel teeken zie ik dat hij weer aan zal wakkeren. Wat
er gebeure, strijk geen boot en verlaat het schip niet!"
"Dat beloof ik u, kapitein."
"Als het noodig mocht worden dat de _Pelgrim_ naar ons toekwam,
zou ik je waarschuwen door een vlag aan een bootshaak te hijschen."
"Wees gerust, kapitein, 'k zal de sloep niet uit het oog verliezen,"
antwoordde Dick Sand.
"Goed, mijn jongen. Moed en koelbloedigheid. Je bent nu tweede
kapitein. Houd je graad in eer. Nooit heeft iemand van dien leeftijd
hem bekleed!"
Dick Sand antwoordde niet, maar een blos van vergenoegen verspreidde
zich over zijn gelaat. Kapitein Hull begreep dezen blos en dezen
glimlach.
"Die brave jongen," dacht hij, "bescheiden en vergenoegd, zoo is
de jongen!"
Evenwel bleek het uit deze dringende aanbevelingen duidelijk dat, al
stak er werkelijk niets gewaagds in, kapitein Hull niet gaarne zijn
schip verliet, zelfs niet voor eenige uren. Maar zijn onweerstaanbaar
visschersinstinct en vooral de vurige begeerte zijn lading traan aan
te vullen en aan de verplichtingen te voldoen die James W. Weldon te
Valparaiso had aangegaan, dat alles vuurde hem aan het avontuur te
wagen. Daarenboven was de zee op 't oogenblik zoo bijzonder geschikt om
een walvisch te vervolgen. Noch zijn equipage, noch hij zelf konden
zulk een verzoeking weerstaan. De tocht zou op die wijze nog goed
kunnen worden en deze laatste beweegreden was het vooral die hem alle
bedenkingen over het hoofd deed zien.
Kapitein Hull richtte zich naar de valreep.
"Veel geluk!" wenschte Mevr. Weldon hem.
"Heb dank, mevrouw Weldon!"
"Doe dien armen walvisch toch vooral niet te veel pijn!" riep kleine
Jack.
"Neen, mijn jongen!" antwoordde kapitein Hull.
"Vang hem heel zachtjes, mijnheer."
"Ja.... met handschoenen, Jack!"
"Somtijds," merkte neef Benedictus aan, "vindt men vrij zeldzame
insecten op den rug van die groote zoogdieren!"
"Goed, mijnheer Benedict," antwoordde kapitein Hull lachend, "u hebt
het recht om je hart als entomoloog zooveel als je maar wilt op te
halen als onze visch langs den _Pelgrim_ drijft!"
Daarna zich tot Tom wendende, zeide hij:
"Tom, 'k reken op u en je kameraden, om ons den walvisch te helpen aan
stukken houwen, als hij aan den romp van het schip is vastgesjord,--wat
niet lang zal duren."
"U zult ons volkomen bereid vinden, mijnheer," antwoordde de oude
neger.
"Goed!" antwoordde kapitein Hull.--"Dick, die goede menschen zullen
je helpen de ledige vaten gereed te maken. Terwijl we weg zijn zullen
ze die op het dek brengen en dan zal het werk bij onze terugkomst
met spoed gaan."
"'t Zal geschieden, kapitein."
Voor hen die het niet weten, zij hier gezegd dat de walvisch, eens
dood, naar den _Pelgrim_ gesleept en stevig aan stuurboordszijde moest
vastgesjord worden. Dan gaan er matrozen, wier laarzen met scherpe
haken voorzien zijn op den rug van het ontzaglijk gevaarte zitten en
hakken het in regelmatige, evenwijdig loopende strooken in de richting
van den kop naar den staart. Deze strooken worden dan in stukken van
anderhalven voet gesneden en verder in kleinere stukken verdeeld,
die, na in de vaten weggestuwd te zijn in het ruim worden geborgen.
Meestentijds tracht de walvischvaarder, zoodra de visscherij is
afgeloopen, zoo spoedig mogelijk den wal te halen, teneinde de
laatste hand aan de bewerking van den visch te leggen. De equipage
zoekt ergens aan het strand een geschikte plaats om tot het smelten
van het spek over te gaan, dat onder de werking van het vuur het
bruikbare gedeelte, namelijk de traan, levert. [16]
Maar in de omstandigheden waarin kapitein Hull op het oogenblik
verkeerde, kon hij moeielijk teruggaan, om deze bewerking te voltooien
en dacht hij het eerst te Valparaiso te doen. Bovendien hoopte hij met
dezen wind, die, voordat er twintig dagen zouden verloopen zijn, weldra
naar het westen zou loopen, de Amerikaansche kust te bereiken, en dit
tijdsverloop kon de resultaten zijner vangst niet in gevaar brengen.
Het oogenblik van vertrek was nu gekomen. Voordat de _Pelgrim_ door het
tegenbrassen der zeilen nagenoeg onbeweeglijk was geworden, had men hem
iets dichter bij de plaats gebracht waar de walvisch door het uitwerpen
van damp en water zijn tegenwoordigheid bleef te kennen geven.
De walvisch zwom altijd te midden van het uitgestrekte roode veld
van schaaldiertjes en opende automatisch zijn ontzaglijken bek om
bij elken slok millioenen diertjes op te slorpen.
Volgens de deskundigen aan boord, bestond er volstrekt geen vrees
dat hij zou ontsnappen. Hij was ongetwijfeld wat de visschers een
"vechtwalvisch," noemen.
Kapitein Hull stapte de verschansing over, liet zich langs de valreep
zakken, en stapte voor in de boot.
Mevr. Weldon, Jack, neef Benedictus, Tom en zijn kameraden riepen
den kapitein geluk en een laatst vaarwel toe.
Dingo zelfs, die op zijn achterpooten ging staan en zijn kop boven
de reeling uitstak, scheen de equipage vaarwel te zeggen.
Daarna begaven allen zich naar het voorschip, om toch vooral niets
van al de belangwekkende tooneelen eener dergelijke visscherij te
verliezen.
De walvischsloep stak van boord en begon onder de krachtige riemslagen
van haar vier riemen zich van den _Pelgrim_ te verwijderen.
"Pas goed op, Dick, pas goed op!" riep kapitein Hull een laatste maal
den leerling toe. "Een oog voor het schip, een oog voor de sloep,
mijn jongen! Vergeet het niet!"
"Wees gerust, kapitein," antwoordde Dick Sand, die bij het roer
ging staan.
De lichte boot bevond zich reeds verscheiden honderden voeten van
het schip af. Kapitein Hull, overeind op de voorplecht, kon zich
nu niet meer doen hooren, maar hernieuwde zijn aanbevelingen met de
nadrukkelijkste gebaren.
Op dat oogenblik liet Dingo, nog altijd met zijn pooten op de reeling,
een jammerlijk geblaf hooren, dat op bijgeloovige menschen een
ongunstigen indruk zou gemaakt hebben.
Dit geblaf deed zelfs Mevr. Weldon ontstellen.
"Dingo," zei ze, "Dingo! moedig je op die wijze je vrienden aan? Kom,
een helder, vroolijk geblaf!"
Maar de hond blafte niet meer, liet zich op zijn pooten neervallen en
kwam langzaam naar Mevr. Weldon toe, wier hand hij vriendelijk likte.
"Hij kwispelstaart niet!" mompelde Tom. "Een slecht teeken! Een
slecht teeken!"
Maar bijna op hetzelfde oogenblik richtte Dingo zich op en barstte
in een woedend gehuil uit.
Mevr. Weldon keerde zich om.
Negoro had zoo even het matrozenverblijf verlaten en richtte zich
naar de voorplecht, met het blijkbare doel om evenals de anderen,
de manoeuvres van de walvischsloep gade te slaan.
Dingo vloog op den kok toe, ten prooi aan de grootste, doch tevens
aan de meest onverklaarbare woede.
Negoro pakte een handspaak en nam een verdedigende houding aan.
De hond was op het punt hem naar de keel te vliegen.
"Hier, Dingo, hier!" riep Dick Sand, die zijn post van observatie
een oogenblik verliet en naar voren liep.
Ook Mevr. Weldon van haar kant trachtte den hond te doen bedaren.
Dingo gehoorzaamde, niet zonder tegenzin en kwam, een dof gebrom
doende hooren, naar den leerling terug.
Negoro had geen enkel woord geuit, maar was een oogenblik bleek
geworden. Vervolgens zijn handspaak latende vallen, ging hij naar
zijn hut terug.
"Hercules," zei Dick Sand daarop, "ik draag je dringend op het oog
op dien man te houden."
"'k Zal hem in 't oog houden," antwoordde Hercules eenvoudig, terwijl
zijn twee kolossale vuisten zich ten teeken van toestemming sloten.
Mevr. Weldon en Dick Sand sloegen den blik na dit voorval wederom op
de sloep, die door haar vier riemen snel werd voortbewogen.
Weldra was zij nog slechts een stip op de onmetelijke zee.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
DE WALVISCH.
Kapitein Hull, een man van ondervinding in de jacht op walvischen,
liet niets aan het toeval over. De vangst van een vinvisch vooral,
is een moeielijke taak en geen enkele voorzorg mag verzuimd worden. En
geen enkele werd verzuimd in deze omstandigheid.
Al dadelijk bestuurde kapitein Hull de sloep op die wijze dat zij den
walvisch aan lij zou naderen, opdat hij door niet het minste geluid
kon verontrust worden.
Howik bestuurde dus de sloep volgens de vrij uitgestrekte kromme lijn
die de roodachtige bank afteekende, te midden waarvan de walvisch
zijn ontbijt gebruikte. Men moest dus om hem heen varen.
De bootsman die deze manoeuvre ten uitvoer bracht, was een zeeman van
groote koelbloedigheid, in wien kapitein Hull het meeste vertrouwen
stelde. Men had van hem geen aarzeling, noch verstrooiing te vreezen.
"Pas op je roer, Howik," zei kapitein Huil. "We zullen probeeren den
walvisch te verrassen en hem met rust laten totdat we dichtbij genoeg
zijn om hem te harpoeneeren."
"Begrepen, mijnheer," antwoordde de bootsman. "Ik zal den omtrek,
van dat roodachtig water volgen, maar op die wijze dat we altijd aan
lij blijven."
"Goed!" zei kapitein Hull.--"Jongens, zoo stil mogelijk geroeid."
De met stroo omwonden riemen ploften dan ook bij elken slag zonder
eenig geruisch in het water.
De met behendigheid door den bootsman bestuurde sloep, had de
uitgestrekte bank der schaaldieren bereikt. Aan stuurboordszijde
dompelden zich de riemen nog in het groene heldere water, terwijl
van die aan bakboordszij, de roodachtige vloeistof als met duizenden
bloeddruppels scheen af te stroomen.
"Wijn en water!" zei een der matrozen.