den jeugdigen leerling in de verborgenheden der entomologie in te
wijden. Maar Dick Sand had niet de minste neiging voor de beoefening
dezer wetenschappen beloond. Uit gebrek aan beter, had de geleerde
zich nu tot de negers gewend, die er niets van begrepen. Tom, Actéon,
Bat en Austin waren zelfs de lessen ontloopen en de professor had
zijn toevlucht genomen tot Hercules, die hem voorkwam wel eenigen
aanleg te hebben voor natuurlijke historie.
De reusachtige neger leefde dus in de wereld der torren, vleeschetende
dieren, jagers, kanonniers, doodgravers, aardkevers, sylfen,
aardtorren, schallebijters, koorwormen, onze-Lieve-Vrouwen-beestjes,
terwijl hij de gansche verzameling van neef Benedictus bestudeerde,
niet zonder dat deze duizend angsten uitstond, als hij die teere
voorwerpen zag tusschen de dikke vingers van Hercules, die zoo hard
en sterk waren als een schroef. Maar de kolossale leerling hoorde
zoo gedwee de lessen van den professor aan, dat het wel waard was
iets te wagen.
Terwijl neef Benedictus zich op deze wijze bezighield, liet
mevr. Weldon den kleinen Jack ook niet onledig. Ze leerde hem lezen
en schrijven. Wat het rekenen betreft, was het zijn vriend Dick Sand
die er hem de eerste beginselen van inprentte.
Op den leeftijd van vijf jaar, dus nog als klein kind, leert men
misschien beter door praktische spelen dan door theoretische lessen,
die natuurlijk altijd wat zwaar zijn.
Jack leerde lezen, niet in een A.B.C.-boek. maar door middel van
beweegbare letters, die in 't rood op vierkante stukjes hout gedrukt
waren; hij vermaakte zich met deze op die wijze te rangschikken dat
er woorden van gevormd werden. Somtijds nam Mevr. Weldon deze blokjes
hout en stelde een woord samen; daarna rommelde zij ze door elkander
en moest Jack ze dan weer in orde brengen.
De kleine jongen vond het zeer prettig op deze wijze lezen te
leeren. Iederen dag besteedde hij eenige uren, nu eens in de kajuit
dan op het dek, aan het rangschikken en weer in de war brengen van
zijn alphabet.
Dit nu bracht op zekeren dag zulk een buitengewoon en onverwacht
voorval teweeg, dat het hier eenigszins uitvoerig moet vermeld worden.
In den morgen van den 9n Februari hield Jack, in half liggende houding
op het dek, zich wederom bezig met het vormen van een woord dat de
oude Tom weder moest samenstellen, nadat de letters dooreen waren
geschud. Tom hield de hand voor de oogen om niet valsch te spelen,
zooals het hoort, want hij mocht niets zien en zag dan ook niets van
't geen de kleine jongen deed.
Van deze verschillende letters, ten getale van een vijftig, waren
eenige dezer vierkante blokjes met een cijfer voorzien, 't geen diende
om getallen even goed als woorden te vormen.
Deze blokjes waren op het dek gerangschikt, en de kleine Jack nam nu
eens het eene, dan weer het andere om een woord te vormen--werkelijk
een heele taak voor het kind.
Nu draaide Dingo sedert eenige oogenblikken om den jongen heen, toen
hij plotseling bleef staan. Zijn oogen vestigden zich op een punt,
zijn linkerpoot werd in de hoogte gelicht, zijn staart bewoog zich
krampachtig. Daarna wierp hij zich eensklaps op een der blokjes,
pakte het in zijn bek en legde het op eenige schreden van Jack op
het dek neder.
Dit blokje had een hoofdletter,--de letter S.
"Dingo! Wat is dat! Dingo!" riep de kleine jongen, die eerst bang
was dat zijn S. door den hond zou ingeslikt worden.
Maar Dingo kwam terug, pakte wederom een ander blokje en legde het
naast het eerste neder.
Dit tweede blokje was de hoofdletter V.
Op het gezicht van deze V., uitte Jack een kreet.
Dadelijk kwamen Mevr. Weldon, de kapitein en de leerling, die op het
dek wandelden, toeloopen. De kleine Jack vertelde hun toen wat er
gebeurd was.
Dingo kende zijn letters! Dingo kon lezen! 't Was zeker, want Jack
had het gezien!
Dick Sand Wilde de twee blokjes opnemen, om ze aan zijn vriend Jack
terug te geven, maar Dingo liet zijn tanden zien.
Evenwel gelukte het den leerling weder in het bezit van de twee
blokjes te komen en hij voegde ze weer bij de anderen.
Doch opnieuw wierp Dingo zich op de twee zelfde letters en legde ze
weer ter zijde. Dezen keer zette hij er zijn pooten op en scheen vast
besloten ze te houden. Wat de andere letters van 't alphabet aangaat,
zij schenen voor hem niet te bestaan.
"Dat is vreemd!" zei Mevr. Weldon.
"Werkelijk zeer zonderling," antwoordde kapitein Hull, die de twee
letters met aandacht bekeek.
"S. V."--zei Mevr. Weldon.
"S. V."--herhaalde kapitein Hull.
"Dat zijn dezelfde letters als op den halsband van Dingo staan!"
Toen richtte hij zich eensklaps tot den ouden neger en vroeg:
"Tom, heb je me niet verteld dat die hond nog maar kort aan den
kapitein van de _Waldeck_ behoorde?"
"Ja, mijnheer," antwoordde Tom. "Dingo was nog maar twee jaar aan
boord."
"En zei je er niet bij dat de kapitein van de _Waldeck_ dien hond op
de westkust van Afrika had opgenomen."
"Ja, mijnheer, in den omtrek van de monding van den Congo. 'k Heb
het den kapitein dikwijls hooren vertellen."
"Dus," vroeg kapitein Hull verder, "heeft men nooit geweten aan wien
deze hond toebehoorde en ook niet van waar hij kwam."
"Nooit mijnheer. Met een verloren hond is 't veel erger gesteld dan
met een verloren kind. Hij heeft geen papieren en daarenboven kan
hij niets zeggen."
Kapitein Hull zweeg en was in diep gepeins verzonken.
"Wekken deze twee letters een herinnering bij u op?" vroeg Mevr. Weldon
den kapitein, na hem eenige oogenblikken met zijn gedachten alleen
te hebben gelaten.
"Ja, mevrouw, een herinnering, of liever een zonderlinge overeenkomst
van gebeurtenissen."
"Welke?"
"Deze twee letters zouden wel eens een zin kunnen hebben en onze
aandacht moeten vestigen op het lot van een stoutmoedig reiziger...."
"Wat wilt u daarmede zeggen?" vroeg Mevr. Weldon.
"Dit, Mevrouw. In 1871,--twee jaar geleden dus,--vertrok een Fransch
reiziger, op aansporing van het Aardrijkskundig Genootschap te Parijs,
met het doel om dwars door Afrika van het westen naar het oosten
door te dringen. Zijn punt van aankomst moest zoo dicht mogelijk
bij kaap Deldago zijn, bij de monden van de Rovouma, die hij moest
afzakken. Deze Fransche reiziger nu heette Samuel Vernon."
"Samuel Vernon!" herhaalde Mevr. Weldon.
"Ja, mevrouw, en zijn twee namen beginnen juist met de twee letters
die Dingo onder allen heeft uitgezocht en die op zijn halsband
gegraveerd zijn."
"Inderdaad!" antwoordde Mevrouw Weldon, "En hoe is 't met den reiziger
afgeloopen?"
"Die reiziger vertrok," antwoordde kapitein Hull, "en sedert zijn
vertrek heeft men niets meer van hem vernomen."
"Nooit?" vroeg de leerling.
"Nooit," herhaalde kapitein Hull.
"Wat besluit u daaruit?" vroeg Mevr. Weldon.
"Dat Samuel Vernon de oostkust van Afrika niet heeft kunnen bereiken,
hetzij hij door de inboorlingen gevangen genomen is, hetzij de dood
hem onderweg heeft getroffen!"
"En dan die hond?...."
"Die hond zal hem toebehoord hebben en gelukkiger dan zijn meester zou
hij, als mijn stelling juist is, naar het kustland van den Congo hebben
kunnen terugkomen, omdat hij op het tijdstip dat deze gebeurtenissen
hebben moeten plaats hebben, door den kapitein van de _Waldeck_
is opgenomen."
"Maar," merkte Mevr. Weldon op, "weet u of die Fransche reiziger
bij zijn vertrek een hond bij zich had? Is 't geen eenvoudige
veronderstelling?"
"'t Is werkelijk maar een eenvoudige Veronderstelling, Mevrouw,"
antwoordde kapitein Hull. "Maar zeker is 't, dat Dingo de twee
letters S. en V., die juist de beginletters zijn van de twee namen
van den Franschen reiziger, kent. Onder welke omstandigheden nu het
dier geleerd heeft ze te onderscheiden, kan ik niet verklaren, maar,
nog eens, hij kent ze ongetwijfeld en kijk, hij brengt er zijn poot
bij en schijnt ons uit te noodigen ze met hem te lezen."
En werkelijk kon men zich niet in het doel van Dingo vergissen.
"Zou Samuel Vernon dan alleen geweest zijn, toen hij het kustland
van den Congo verliet?" vroeg Dick Sand.
"Dat weet ik niet," antwoordde kapitein Huil. "Maar 't dunkt me
waarschijnlijk dat hij een geleide van inlanders heeft moeten
meenemen."
Op dit oogenblik verliet Negoro het verblijf der matrozen en kwam
aan dek. Niemand merkte in 't eerst zijn tegenwoordigheid op en zag
den zonderlingen blik dien hij wierp op den hond, toen hij de twee
letters waarnam voor welke deze, als een jachthond voor het wild,
scheen stil te staan. Maar Dingo, die den kok nu opmerkte, begon
teekenen van de hoogste woede te geven.
Negoro ging dadelijk naar het matrozen-verblijf terug, niet zonder
dat hem een dreigend gebaar tegen den hond ontsnapt was.
"Daar zit iets achter!" mompelde kapitein Hull, wien niets van dit
kleine tooneel ontgaan was.
"Maar, mijnheer," zei de leerling, "is het niet verwonderlijk dat
een hond de letters kent van 't alphabet?"
"Wel neen!" riep kleine Jack uit.
"Mama heeft me dikwijls de geschiedenis verteld van een hond die lezen
en schrijven en zelfs domino kon spelen als een ware schoolmeester."
"Die hond, lief kind, die Munito heette, was geen geleerde, zooals
je denkt. Als 'k gelooven mag wat men er me van gezegd heeft, zou hij
de letters waarmee hij zijn woorden samenstelde niet eens van elkaar
hebben kunnen onderscheiden. Maar zijn meester, een slimme Amerikaan,
had opgemerkt dat Munito een bijzonder fijn gehoor had en nu had
hij zich er op toegelegd dat zintuig te oefenen en er verwonderlijke
uitwerkselen van verkregen."
"Hoe legde hij het aan, mevrouw Weldon?" vroeg Dick Sand, die bijna
even veel belang in de geschiedenis stelde als kleine jack.
"Dat zal ik u zeggen, mijn vriend. Als Munito voor het publiek moest
'werken', werden even zulke letters op een tafel uitgespreid. De hond
liep op deze tafel heen en weer en wachtte totdat een woord werd
voorgesteld, hetzij met luide, hetzij met zachte stem. Alleen was
't een noodzakelijke voorwaarde, dat zijn meester het woord wist."
"Dus zou bij afwezigheid van zijn meester?...." zei de leerling.
"De hond niets hebben kunnen doen," antwoordde Mevr. Weldon, "en
ziehier waarom niet. Als de letters op de tafel uitgespreid lagen,
liep Munito door dit alphabet. Kwam hij dan bij de letter welke hij
moest uitkiezen om het verlangde woord te vormen, dan stond hij stil;
maar hij bleef staan omdat hij het geluid hoorde van een tandenstoker
dien de Amerikaan in zijn zak deed rammelen en dat voor ieder ander
onmerkbaar was. Dit geluid was voor Munito het teeken om de letter
te nemen en haar in de overeengekomen volgorde te plaatsen."
"En is dat nu het geheele geheim?" vroeg Dick Sand.
"Dat is 't geheele geheim," antwoordde Mevrouw Weldon, "'t Is zeer
eenvoudig, als alles in de goochelkunst. Bij de afwezigheid van den
Amerikaan, zou Munito niet meer Munito geweest zijn. 't Verwondert
me dus wel, dat, nu zijn meester er niet bij is,--zoo al de reiziger
Samuel Vernon ooit zijn meester geweest is--Dingo die twee letters
heeft kunnen onderscheiden."
"Dat is werkelijk zeer verwonderlijk," zei kapitein Hull. "Maar
u moet bedenken, dat er hier slechts sprake is van twee letters,
twee bijzondere letters, en niet van een woord dat in 't wild gekozen
wordt. En dan dunkt mij dat die hond die aan de deur van een klooster
aanbelde om zich meester te maken van den schotel die bestemd was
voor de arme voorbijgangers, en die andere, die met een van zijn
natuurgenooten belast was om den anderen dag het spit te draaien en die
weigerde dezen post waar te nemen als 't zijn beurt niet was, dat deze
honden, zeg ik, hooger verstandelijk ontwikkeld waren dan Dingo. Hoe
het zij, we staan hier voor een onbetwistbaar feit. Van al de letters
van dit alphabet heeft Dingo slechts deze twee uitgezocht: _S._ en
_V._ De andere schijnt hij zelfs niet te kennen. Men moet er dus uit
besluiten dat wegens de een of andere reden, die wij niet kennen,
zijn aandacht bijzonder op deze twee letters is gevestigd geweest."
"Och, kapitein Hull," hernam Dick, "als Dingo maar eens spreken
kon!.... Misschien zou hij ons dan zeggen wat die twee letters
beteekenen en waarom hij altijd zijn tanden aan onzen kok laat zien?"
"En welke tanden!" antwoordde kapitein Hull, op het oogenblik dat
Dingo, zijn bek opende, en dus zijn geducht gebit liet zien.
ZESDE HOOFDSTUK.
EEN WALVISCH IN 'T GEZICHT.
Wat wonder dat dit zonderling voorval meermalen het onderwerp
uitmaakte van de gesprekken, die op het halfdek van den _Pelgrim_
tusschen Mevr. Weldon, kapitein Hull en den jeugdigen leerling gehouden
werden. Deze laatste vooral voelde een instinctmatig wantrouwen jegens
Negoro, wiens gedrag evenwel niet de minste berisping verdiende.
Ook in het vooruit sprak men er over, maar men maakte daar niet
dezelfde gevolgtrekkingen. Daar, in het matrozenverblijf, ging Dingo
eenvoudig door voor een hond, die kon lezen en misschien zelfs beter
schrijven dan één matroos aan boord. Zoo hij niet sprak, dan had hij
daar waarschijnlijk goede redenen voor.
"Maar eens," zei de roerganger Bolton, "eens zal die hond ons komen
vragen, wat we voorleggen als de wind N.W. t. W. 1/2 W. is en dan
zullen we hem moeten antwoorden!"
"Er zijn dieren die spreken!" hernam een ander matroos, "zooals
eksters en papegaaien! Waarom zou een hond het ook niet kunnen, al
hij er lust toe heeft? 't Is moeielijker met een snavel te spreken
dan met een mond!"
"Zonder twijfel," antwoordde bootsman Howik. "Maar dat is nog nooit
gebeurd."
Wat zouden die goede menschen verbaasd gestaan hebben, als men
hun verteld had, dat zoo iets wel degelijk gebeurd was, en dat een
zeker Deensch geleerde een hond bezat, die duidelijk een twintigtal
woorden uitsprak. Doch tusschen dat en 't geen dit dier begreep van
wat hij zei, was een ontzaglijk verschil. Blijkbaar hechtte de hond,
wiens stemspleet op die wijze georganiseerd was, dat geregelde tonen
konden voortgebracht worden, niet meer beteekenis aan zijn woorden
dan de papegaaien, de meerkollen of de eksters aan de hunne. De
spreekwijze bij deze dieren is niets anders dan een soort van gezang
of van gesproken kreten, die ontleend zijn aan een vreemde taal,
waarvan men de beteekenis niet zou begrijpen.
Hoe het zij, Dingo was de held aan boord geworden,--waarop hij zich
evenwel geenszins liet voorstaan. Meermalen hernieuwde kapitein Hull
de proef. De blokjes hout van het alphabet werden telkens opnieuw
voor Dingo geplaatst, en steeds zonder te dwalen, zonder te aarzelen,
werden de twee letters S. en V. onder alle door het zonderlinge dier
uitgekozen, terwijl de andere nooit zijn aandacht trokken.
Wat neef Benedictus aangaat, deze proef werd dikwijls voor hem
herhaald, zonder dat zij hem belang scheen in te boezemen.
"Evenwel," verwaardigde hij zich eens te zeggen, "moet men niet
aannemen dat de honden alleen het voorrecht hebben op die wijze
met oordeel begaafd te zijn! Andere dieren evenaren ze, alleen door
hun instinkt te volgen. Zoo bijv. de ratten die het schip verlaten
dat bestemd is om in zee te zinken; de bevers die het wassen van
het water vooruit kunnen zien en hunne dijken dienovereenkomstig
verhoogen; de paarden van Nicomedes, van Scanderberg en van Oppius,
wier smart zoo bitter was, dat zij stierven bij den dood hunner
meesters; de ezels, zoo merkwaardig door hun geheugen, en zoovele
andere beesten eindelijk die den roem van het dierenrijk geweest
zijn! Wie heeft niet gehoord van die verwonderlijk afgerichte vogels,
die zonder fouten woorden schrijven door hunne meesters gedicteerd,
van kaketoe's die zeer nauwkeurig het aantal personen in een salon
weten te tellen! Is er geen papegaai geweest die met honderd gouden
kronen betaald werd en zonder zich een enkel woord te vergissen den
kardinaal, zijn meester, de Geloofsbelijdenis der apostelen opzei? En
moet eindelijk de rechtmatige hoogmoed van een entomoloog niet ten
top stijgen, als hij eenvoudige insecten de bewijzen ziet geven eener
buitengewone bevatting en welsprekendheid het axioma bevestigen:
In minimis maximus Deus:
de mieren, die een lesje zouden kunnen geven aan de magistraatspersonen
van de grootste steden; de waterspinnen, die duikerklokken vervaardigen
zonder ooit iets van werktuigkunde geleerd te hebben; de vlooien
die rijtuigen voorttrekken als echte koetspaarden, die exerceeren
als soldaten, die beter een kanon afvuren dan de geëxamineerde
artilleristen van West-Point? [14] Neen! die Dingo verdient den lof
niet die hem wordt toegezwaaid, en als hij zoo sterk in 't alphabet
is, dan behoort hij ongetwijfeld tot een ras van bulhonden, dat in de
classificatie van de zoölogische wetenschap nog geen plaats gevonden
heeft, den 'canis alphabeticus' van Nieuw-Zeeland!"
Inweerwil van deze en andere redeneeringen van den afgunstigen
entomoloog, verloor Dingo niets van de algemeene achting en bleef
hij in de gesprekken van de voorplecht behandeld worden als een
bijzonder verschijnsel.
Nochtans is het meer dan waarschijnlijk dat Negoro de ingenomenheid
met het dier van allen aan boord niet deelde. Misschien vond hij hem te
schrander. Wat hier van zij, de hond toonde altijd dezelfde vijandschap
tegen den kok en ongetwijfeld zou hij er niet best afgekomen zijn,
zoo hij van den eenen kant geen hond geweest was die van zich af kon
bijten en van den anderen kant niet beschermd werd door de sympathie
van de geheele equipage.
Negoro vermeed dus meer dan ooit zich in tegenwoordigheid van Dingo
te bevinden. Maar Dick Sand had meenen op te merken dat, sedert het
voorval der twee letters, de wederkeerige tegenzin van den mensch en
den hond was toegenomen. Dat was werkelijk onverklaarbaar.
Den 10n Februari begon de wind uit het noord-oosten merkbaar af
te nemen; reeds was deze gevolgd op die langdurige en verdrietige
windstilten, gedurende welke de _Pelgrim_ bijna stillag. Kapitein Hull
mocht dus hopen dat er zich weldra een verandering in de richting
der luchtstroomen zou voordoen. Eindelijk zou de schoener-brik
dan misschien voor den wind gaan loopen. Slechts negentien dagen
geleden hadden zij de haven van Auckland verlaten. De vertraging
was vooralsnog niet zeer belangrijk en met den wind dwars zou de
_Pelgrim_, met behulp zijner zeilen, den verloren tijd gemakkelijk
inhalen. Doch er zouden nog wel eenige dagen verloopen, voor er een
bestendige bries uit het westen ging waaien.
Dit gedeelte van de Stille-Zuidzee was altijd vrij eenzaam. Bijna
geen enkel vaartuig vertoonde zich in deze streken. Het was een
breedte die slechts hoogst zelden door de zeevaarders bezocht werd. De
walvischvaarders der Zuidelijke zeeën overschreden den keerkring nog
niet. Men kon dus op den _Pelgrim_, die door bijzondere omstandigheden
gedwongen was geweest vóór den afloop der kampanjes de plaatsen waar
gewoonlijk gevischt werd te verlaten, niet verwachten een schip dat
dezelfde bestemming had te ontmoeten.
Wat de transatlantische pakketbooten betreft, wij hebben reeds gezegd
dat zij bij haar tochten tusschen Australië en het vasteland van
Amerika niet zulk een noordelijken parallel volgden.
Doch, omdat de zee verlaten is, moet men niet verzuimen haar tot
de uiterste grenzen van den horizon gade te slaan. Zij moge voor
onachtzame geesten eentonig schijnen, voor hem die haar kent en
begrijpt, is er een oneindige afwisseling in haar op te merken. Haar
ondoorgrondelijkste veranderingen bekoren de verbeelding van hen
die de poëzie van den oceaan begrijpen. Een zeeplantje dat met den
golfslag op en neer gaat, een boschje zeekroos dat slechts een lichte
rimpeling op de oppervlakte der golven voortbrengt, een eindje plank
welker geschiedenis men zou willen raden, meer is er niet noodig om aan
die verbeelding den teugel te vieren. Voor deze oneindigheid wordt de
geest door niets belemmerd. Onze voorstellingen hebben vrij spel. Elk
van die moleculen water die de verdamping voortdurend tusschen de zee
en den hemel doet afwisselen, bevat misschien het geheim van de een of
andere vreeselijke ramp! Ook moet men ze benijden, hen wier diepste
gedachten de verborgenheden van den Oceaan weten uit te vorschen,
die geesten die zich van zijn beweeglijke oppervlakte verheffen tot
de hoogten des hemels.
En overal vertoont zich het leven, zoowel boven de oppervlakte der
zee als onder haar. De passagiers van den _Pelgrim_ konden troepen
vogels zien, die driftig jacht maakten op de kleinste vischjes;
het waren landverhuizers die voor den winter het ruw klimaat der
poolstreken verlaten. En meer dan eens gaf Dick Sand, ook hierin,
als in zoovele andere zaken, den leerling van den heer Weldon, de
bewijzen zijner verwonderlijke behendigheid met het geweer of pistool,
door eenige van die vlugge luchtbewoners neer te vellen.
Nu eens waren het witte, dan weder andere stormvogels wier vleugels
omzoomd waren met een bruin randje. Somwijlen ook trokken troepen
duiven voorbij of eenige van die vetganzen welker gang op het land
zoo zwaar en zoo belachelijk is. Evenwel kunnen deze vetganzen,
zooals kapitein Hull deed opmerken, door zich van hare stompen als
vinnen te bedienen, de vlugste visschen tarten, in die mate zelfs,
dat zij somtijds met springvisschen zijn verward geworden.
Hooger doorkliefden reusachtige albatrossen de lucht met groote
vleugelslagen en zetten zich vervolgens op de oppervlakte der zee
neder, die zij met hun bek doorwoelden om er hun voedsel te zoeken.
Al die tooneelen leverden een afwisselend schouwspel op, dat alleen
door hen wier geest gesloten is voor de schoonheden der natuur,
eentonig zou gevonden worden.
Dienzelfden dag wandelde Mevr. Weldon op het achterdek van den
_Pelgrim_, toen een vrij zonderling verschijnsel haar aandacht
trok. Bijna plotseling was de zee roodachtig geworden. Men zou gezegd
hebben dat zij met bloed was gekleurd, en deze onverklaarbare tint
strekte zich zoo ver uit als de oogen konden zien.
Op dat oogenblik bevond Dick Sand zich met kleinen Jack bij
Mevr. Weldon.
"Zie je, Dick," zei zij tot den leerling, "daar die vreemde kleur
van het water? Zou dat zijn door de een of andere zeeplant?"
"Neen, mevrouw," antwoordde Dick, "die kleur wordt voortgebracht door
millioenen kleine schaaldiertjes, waarmede de groote zoogdieren zich
gewoonlijk voeden. De visschers noemen dat met recht 'walvisch-eten'".
"Schaaldiertjes!" zei Mevr. Weldon. "Maar ze zijn zoo klein dat men ze
bijna zeeinsecten zou kunnen noemen. Neef Benedictus zou er misschien
gaarne zijn verzameling mee willen verrijken!"
"Neef Benedict!" riep zij toen.
Neef Benedictus kwam toen uit zijn hut te voorschijn, bijna
gelijktijdig met den kapitein.
"Neef Benedictus," zei Mevr. Weldon, "zie toch eens die onmetelijke
roodachtige bank, die zich uitstrekt zoover het oog reikt."
"He!" zei kapitein Hull, "dat is walvisch-eten! Mijnheer Benedict,
ziedaar een schoone gelegenheid om die vreemde soort van schaaldieren
te bestudeeren!"
"'t Zou wat!" zei de entomoloog.
"Hoe! 't Zou wat!" riep de kapitein uit. "Maar u hebt het recht niet
zulk een onverschilligheid voor te geven! De schaaldieren maken een
van de zes klassen der gelede dieren uit [15] als ik me niet bedrieg,
en als zoodanig...."
"'t Zou wat!" zei nogmaals neef Benedictus, het hoofd schuddende.
"Hoor eens! 'k Vind u vrij onverschillig voor een entomoloog!"
"Entomoloog, goed," antwoordde neef Benedictus, "maar meer bijzonder
hexapodist, kapitein, onthoud het goed!"
"Hoe het zij," antwoordde de kapitein, "dat u geen belang in die
schaaldieren stelt, mij wel, maar 't zou heel wat anders wezen, als
u een walvisschenmaag hadt. Wat een smulpartij, in dat geval! want
weet u, mevrouw Weldon, als wij, walvischvaarders, gedurende het
vischseizoen in 't gezicht komen van een bank van die schaaldieren,
dan worden onmiddellijk de harpoenen en de lijnen in orde gebracht! Wij
zijn dan zeker dat het wild niet ver af is!"
"Is 't mogelijk dat zulke kleine diertjes zulke groote kunnen
voeden?" riep Jack uit.