Nog altijd wordt de slavenhandel in tropisch Afrika op groote schaal

gedreven. Inweerwil van Engelsche en Fransche kruisers, steken elk

jaar een menigte schepen van de kusten van Angola of Mozambique af

om negers naar verschillende streken der wereld over te brengen en

dat nog wel van de beschaafde wereld.

Ook aan kapitein Hull was dit natuurlijk niet onbekend.

Alhoewel deze streken gewoonlijk niet door slavenschepen bezocht

werden, vroeg hij zich af of de negers die hij gered had niet de

overlevenden waren van een lading slaven, die de _Waldeck_ in een

kolonie van de Stille Zuidzee ging verkoopen. Hoe dit zij, was dit

zoo, dan werden deze zwarten weder vrij, zoodra zij den voet aan

boord gezet hadden en dat wenschte hij hun dadelijk te zeggen.

Intusschen had men de grootste zorg aan de schipbreukelingen van de

_Waldeck_ besteed. Mevr. Weldon, bijgestaan door Nan en Dick Sand,

had hen wat van dit heerlijk koele water toegediend, dat zij zeker

sedert eenige dagen niet genoten hadden, en dit, met eenig voedsel,

was voldoende om hen in 't leven terug te roepen.

De oudste dezer negers,--hij kon misschien een zestig jaar oud

zijn,--was weldra in staat iets te zeggen en in het Engelsch de tot

hem gerichte vragen beantwoorden.

"Het schip waarop ge u bevondt, is zeker aangezeild?" vroeg kapitein

Hull dadelijk.

"Ja," antwoordde de oude neger. "Tien dagen geleden is ons schip in

een donkeren nacht aangevaren. We sliepen...."

"Maar wat is er van de bemanning van de _Waldeck_ geworden?"

"Zij was er reeds niet meer, toen ik met mijn kameraden aan het

dek kwam."

"Maar kon de equipage dan niet aan boord van het schip overspringen,

dat tegen de _Waldeck_ aanliep?"

"'t Kan wezen en we willen het hopen!"

"En is dat schip na den schok niet teruggekomen om je op te nemen?"

"Neen."

"Is het dan zelf gezonken?"

"Het is niet gezonken," antwoordde de oude neger, het hoofd schuddende,

"want we hebben het in den donkeren nacht zich nog even kunnen zien

verwijderen."

Men zal dit feit, dat door al de overlevenden van de _Waldeck_

bevestigd werd, misschien ongeloofelijk vinden en het is toch maar

al te waar dat kapiteins, na de een of andere vreeselijke aanvaring,

door hun onvoorzichtigheid veroorzaakt, dikwijls de vlucht genomen

hebben zonder zich om de ongelukkigen te bekommeren die zij in 't

verderf gestort hebben, zonder te trachten hun hulp te verleenen.

Dat koetsiers dit doen en aan anderen op den openbaren weg de zorg

overlaten, het ongeluk dat zij veroorzaakt hebben, te herstellen,

dit moet voorzeker reeds ten strengste afgekeurd worden, ofschoon

hun slachtoffers in een dergelijk geval toch altijd verzekerd zijn

onmiddellijke hulp te verkrijgen. Maar dat men op zee elkander aan

zijn lot overlaat, dat is ongeloofelijk, dat is schande!

En toch kende kapitein Hull verscheiden voorbeelden eener dergelijke

onmenschelijkheid en hij moest het meermalen aan Mevr. Weldon

verzekeren dat zulke feiten, hoe monsterachtig ook, ongelukkig niet

tot de zeldzaamheden behooren.

"Vanwaar kwam de _Waldeck?"_ hernam hij.

"Van Melbourne."

"Ben jelui dan geen slaven?"

"Neen, mijnheer!" antwoordde snel de oude zwarte, die zich in zijn

gansche lengte oprichtte. "We zijn onderdanen van den Staat van

Pensylvanië en burgers van het vrije Amerika!"

"Mijn vrienden," antwoordde kapitein Hull, "vreest niet dat je

vrijheid in gevaar verkeert door aan boord van den _Pelgrim_ te

zijn overgegaan."

Werkelijk behoorden de vijf negers van de _Waldeck_ thuis in den staat

van Pensylvanië. De oudste, op den leeftijd van zes jaar in Afrika

verkocht, daarna naar de Vereenigde Staten overgebracht, was reeds

sedert verscheidene jaren vrij verklaard. Wat zijn metgezellen aangaat,

die veel jonger dan hij, zonen en slaven waren, vóór hun geboorte

vrij gemaakt, zij waren vrij geboren en geen blanke had ooit een

eigendomsrecht op hen gehad. Zij spraken zelfs niet in de negertaal,

waarin men het lidwoord niet gebruikt en slechts den infinitief der

werkwoorden kent,--een taal die trouwens sedert den slavenoorlog

allengs in onbruik geraakt is. Deze zwarten hadden dus eigenmachtig

de Vereenigde Staten verlaten en keerden er eigenmachtig terug.

Zij deelden kapitein Hull verder mede dat zij zich als werklieden

verhuurd hadden bij een Engelschman, die een uitgestrekt goed ter

bebouwing bij Melbourne in zuidelijk Australië bezat. Daar hadden

zij drie jaren doorgebracht en goede zaken gemaakt, waarna zij na

geëindigd huurcontract, naar Amerika hadden willen terugkeeren.

Zij hadden zich dus op de _Waldeck_ ingescheept en hun overtocht als

gewone passagiers betaald. Den 5den December verlieten zij Melbourne,

toen zeventien dagen later de _Waldeck_ in een zeer duisteren nacht

door een groote stoomboot was aangevaren geworden.

De zwarten lagen in hun kooi. Eenige seconden na de botsing die

vreeselijk was, vlogen zij naar het dek.

Reeds lagen de masten overboord en lag de _Waldeck_ op zij; maar zij

zou niet zinken, daar er niet genoeg water in het ruim was gedrongen.

Wat den kapitein en de bemanning van de _Waldeck_ aangaat, allen waren

verdwenen, hetzij dat eenigen overboord geslagen waren, hetzij dat

de anderen zich aan het touwwerk van het aanstoomende schip hadden

vastgeklampt.

De vijf zwarten waren alleen aan boord overgebleven, op een half

omgeslagen romp, op twaalfhonderd mijlen van eenig land verwijderd.

De oudste dezer negers heette Tom. Zijn leeftijd, zoowel als zijn

energiek karakter en zijn ondervinding, die gedurende een lang,

arbeidzaam leven dikwijls op de proef gesteld waren, maakten hem tot

het natuurlijke hoofd der metgezellen die zich met hem verhuurd hadden.

De andere zwarten waren jonge menschen van vijf-en-twintig à dertig

jaren, die den naam droegen van Bat [13] zoon van den ouden Tom,

Austin, Actéon en Hercules, allen flinke, krachtig gebouwde menschen,

die op de markten van Midden-Afrika duur verkocht zouden zijn. Alhoewel

zij verschrikkelijk geleden hadden, kon men gemakkelijk prachtige

typen in hen herkennen van dat sterke ras, waarop een vrijzinnige

opvoeding, in de talrijke scholen van Noord-Amerika, reeds haar

stempel gedrukt had.

Tom en zijn makkers waren dus na de aanvaring alleen op de _Waldeck_

overgebleven, zonder eenig middel om den levenloozen klomp te

lichten, daar de beide booten aan boord bij het aanvaren verbrijzeld

waren. Er schoot hun niets anders over dan geduldig een schip af te

wachten, terwijl het wrak door de werking der stroomen langzamerhand

afdreef. Deze werking verklaarde waarom men het zoover buiten den

gewonen koers had aangetroffen, want de _Waldeck_, die van Melbourne

vertrokken was, zou zich op veel lager breedte hebben moeten bevinden.

Gedurende de tien dagen die verliepen tusschen de aanvaring en het

oogenblik waarop de _Pelgrim_ in het gezicht van het verongelukte

vaartuig kwam, hadden de vijf zwarten zich gevoed met de weinige

spijzen die zij in de bakskist hadden kunnen vinden. Maar daar zij

niet in de bottelarij konden doordringen, die geheel overstroomd

was, hadden zij niet het minste geestrijke vocht kunnen machtig

worden om hun dorst te lesschen; zij hadden dus bitter geleden,

daar de op het dek vastgesjorde watervaten door den schok de bodem

was ingeslagen. Sedert den vorigen dag hadden Tom en zijn makkers,

door den dorst gekweld, hun bewustzijn verloren en het was tijd dat

de _Pelgrim_ hun te hulp kwam.

Dit was het eenvoudig verhaal van Tom aan kapitein Hull. Men had geen

reden om aan de waarheidsliefde van den ouden neger te twijfelen. Zijn

kameraden bevestigden alles wat hij verteld had en bovendien pleitten

de feiten voor de arme menschen.

Een ander levend wezen dat op het wrak gered was, zou ongetwijfeld

met dezelfde openhartigheid gesproken hebben,--indien hij de gaaf

van spreken bezeten had.

Het was de hond, dien het zien van Negoro op zulk een onaangename

Wijze scheen aan te doen. Er was hier werkelijk een onverklaarbare

antipathie in het spel.

Dingo,--dit was de naam van den hond,--behoorde tot het ras van

bulhonden, wier oorsprong op Nieuw-Holland wordt gevonden. Niet in

Australië evenwel, had de kapitein van de _Waldeck_ hem opgedaan. Twee

jaren vroeger had men Dingo, half dood van den honger, zwervende

ontmoet op het westelijk strand van de kust van Afrika, in den omtrek

van de monding der Congo-rivier. De kapitein van de _Waldeck_ had het

schoone dier opgenomen, dat, niet zeer gezellig, altijd een ouden

meester scheen te betreuren, van wien hij met geweld gescheiden

was en dien men in die woeste landstreek onmogelijk had kunnen

opsporen.--S. V.,--deze twee letters, op zijn halsband gegraveerd, was

alles wat dit dier aan een verleden bond, welks geheim men tevergeefs

gezocht had.

Dingo, een prachtig, sterk dier, grooter dan de honden der

Pyreneën, was dus een fraai specimen van het ras der bulhonden van

Nieuw-Holland. Als hij overeind ging staan en zijn kop naar achteren

wierp, kwam hij in grootte met die van een mensch overeen.

Zijn vlugheid, zijn spierkracht maakten er een van die dieren van

die zonder aarzelen jaguars of panters aanvallen en een beer durven

staan. Dicht van haar, met een langen, dikken en rechten staart als

de staart van een leeuw, donker vaal van kleur, had Dingo alleen aan

zijn snuit eenige plekken van een witachtige tint. Dit dier kon in

een vlaag van kwaadheid geducht worden en men kan licht begrijpen dat

Negoro volstrekt niet ingenomen was met het onthaal van dit krachtig

staaltje dezer hondennatuur.

Mocht Dingo nu echter niet gezellig zijn, ondeugend was hij niet. Hij

scheen eer treurig te zijn. De oude Tom had aan boord van de _Waldeck_

opgemerkt dat hij niet bijzonder op de zwarten gesteld was. Hij zou hen

juist geen kwaad gedaan hebben, maar stellig ontweek hij hen. Misschien

had hij op de Afrikaansche kust waar hij rondzwierf, eenige slechte

behandeling van den kant der inboorlingen ondervonden. En hoewel

Tom en zijn metgezellen werkelijk brave menschen waren, had Dingo

zich nooit tot hen getrokken gevoeld. Gedurende de tien dagen dat de

schipbreukelingen op de _Waldeck_ hadden doorgebracht, had hij zich

afgezonderd en zich gevoed zonder dat iemand wist hoe, maar ook hij

had bitteren dorst geleden.

Dat waren dus de overlevenden van het wrak, hetwelk de eerste hevige

golfslag zou onderdompelen. Het zou ongetwijfeld slechts lijken

naar de diepte medegevoerd hebben, indien de onverwachte aankomst

van den _Pelgrim_, zelf door tegenwind en windstilte opgehouden,

kapitein Hull niet in de gelegenheid had gesteld een menschlievende

daad te verrichten.

Door de schipbreukelingen van de _Waldeck_ die hun spaarpenningen

van drie jaren arbeid in deze schipbreuk verloren hadden, naar hun

vaderland terug te brengen, zou dit goede werk voltooid worden. Dit zou

nu geschieden. De _Pelgrim_ zou, na te Valparaiso gelost te hebben,

den Amerikaanschen wal houden tot op de hoogte van Californië. Daar

zouden Tom en zijn kameraden door James W. Weldon goed ontvangen

worden,--en zij zouden voorzien worden van alles wat zij noodig hadden

om den Staat van Pensylvanië te bereiken.

De brave menschen, verzekerd van hun aankomst, waren met innige

dankbaarheid jegens Mevr. Weldon en kapitein Hull bezield. Voorzeker

waren zij hun veel verschuldigd, en, hoewel zij slechts arme negers

waren, wanhoopten zij niet deze schuld van dankbaarheid eenmaal af

te doen.

VIJFDE HOOFDSTUK.

S.V.

Intusschen had de _Pelgrim_ zijn reis hervat en getracht zooveel

mogelijk oost te houden. Die betreurenswaardige aanhoudende windstilten

gaven kapitein Hull vrij veel zorg, niet omdat hij zich ongerust

maakte over een paar weken vertraging op een reis van Nieuw-Zeeland

naar Valparaiso, maar wegens de groote vermoeienis die deze vertraging

voor zijn passagiers zou hebben.

Evenwel beklaagde Mevr. Weldon zich niet en verdroeg het onaangename

van haren toestand zeer geduldig.

Dien zelfden dag, den 2n Februari, 's avonds, geraakte het wrak uit

het gezicht.

Kapitein Hull zorgde in de eerste plaats om Tom en zijn makkers

zoo goed mogelijk te logeeren. Het verblijf van de bemanning dat

uit een hut op het dek bestond, zou te klein geweest zijn om ze te

bevatten. Men nam dus de noodige schikkingen om hun een verblijf

onder den bak te bezorgen. Trouwens waren deze brave menschen,

aan harden arbeid gewoon, met weinig tevreden en met het schoone,

warme en heilzame weder zou dit verblijf hun gedurende den geheelen

overtocht ook voldoende zijn.

Het leven aan boord dat door dit voorval een oogenblik uit zijn

eentonigheid gewekt was, hernam zijn gewonen loop.

Tom, Austin, Bat, Actéon, Hercules zouden gaarne de handen uit de

mouw gestoken en zich verdienstelijk gemaakt hebben, maar met de

vaste winden, was er, nadat de zeilen eenmaal gesteld waren, niets te

doen. Wanneer men evenwel moest wenden, dan beijverden zich de oude

neger en zijn kameraden om de equipage bij te staan en dat is zeker

dat, als de kolossale Hercules een handje meehielp, men 't goed kon

merken. Die krachtige neger, zes voet lang, verrichtte alleen het

werk van den takel!

Wat was het een pret voor den kleinen Jack, als hij den reus in 't

gezicht kreeg! Hij was volstrekt niet bang voor hem en als Hercules

hem in zijn armen deed opspringen alsof hij slechts een kleine jongen

van kurk geweest was, dan waren het vreugdekreten die geen einde namen.

"Licht me eens zoo hoog als je kunt," zei kleine Jack.

"Daar, mijnheer Jack," antwoordde Hercules.

"Ben ik niet zwaar?"

"'k Voel je niet eens."

"Toe dan nog hooger! Zoo hoog als je arm reikt!"

Hercules hield dan de kleine voeten van het kind in zijn groote hand

en liep met hem in de rondte als een kunstenmaker in een circus. Jack

was dan in eens groot, heel groot geworden, wat hem ontzaglijk veel

pleizier deed. Zelfs deed hij zijn best om zich zoo zwaar mogelijk

te houden, hetgeen de reus niet eens opmerkte.

Dick Sand en Hercules waren dus twee vrienden van den kleinen

Jack. Weldra maakte hij zich een derden vriend.

Dit was Dingo.

Wij zeiden reeds dat Dingo geen zeer gezellige hond was. Dat kwam

misschien ook veel omdat het gezelschap aan boord van de _Waldeck_

hem niet bijzonder beviel. Met dat van den _Pelgrim_ was het een heel

andere zaak. Jack wist waarschijnlijk het hart van het schoone dier

te treffen. Dit kreeg al spoedig pleizier om met den kleinen jongen

te spelen, wien dit spelen zeer beviel. Men zag gauw dat Dingo een

van die honden was die veel van kinderen houden. Nu deed Jack het

dier nooit kwaad. Zijn grootste plezier was om Dingo de rol van

een vluggen harddraver te laten spelen, en wij mogen vrij aannemen

dat een harddraver dezer soort te verkiezen is boven een viervoetig

dier van bordpapier, al heeft dit rolletjes onder de pooten. Jack

galoppeerde dus, op den rug van den hond gezeten, die het gaarne

toeliet en inderdaad woog Jack voor hem niet meer dan de helft van

een jockey voor een renpaard.

Maar wat een bres elken dag in den voorraad suiker der kombuis!

Dingo werd weldra de lieveling van de geheele bemanning. Negoro alleen

bleef elke ontmoeting met het dier vermijden, welks antipathie tegen

hem even onverklaarbaar bleef.

Daarom had kleine Jack om Dingo zijn vriend van vroeger, Dick Sand,

niet verzuimd. Al den tijd buiten zijn diensten aan boord, bracht de

kweekeling met den kleinen jongen door.

Dat Mevr. Weldon die vertrouwelijkheid zeer gaarne zag, kan men zich

licht voorstellen.

Eens, den 6n Februari, sprak zij over Dick Sand met kapitein Hull,

die den jongen zeer prees.

"Die jongen," zei hij tot mevr. Weldon, "zal eens een flink zeeman

zijn, dat verzeker ik u! Hij heeft wezenlijk het instinct van de zee,

en door dat instinct vult hij aan wat hem natuurlijk nog ontbreekt aan

de theoretische zaken van het vak. Wat hij reeds weet is verwonderlijk,

als men bedenkt hoe weinig tijd hij gehad heeft om het te leeren."

"U moogt er nog wel bijvoegen," antwoordde Mevr. Weldon, "dat het ook

een beste jongen is, die, zoolang we hem nu kennen, geen berisping

verdiend heeft."

"Ja, ja, 't is een goede jongen," hernam kapitein Hull, "met recht

bemind en geacht door iedereen."

"Als deze kampanje geëindigd is," zei Mevr. Weldon, "weet ik dat

mijn man van plan is hem les in de hydrographie te laten nemen,

om hem later een brevet van kapitein te doen verkrijgen."

"Mijnheer Weldon heeft gelijk," antwoordde kapitein Hull. "Dick Sand

zal eens de Amerikaansche marine eer aandoen."

"Die arme wees is het leven treurig begonnen!" merkte Mevr. Weldon

op. "Hij is in een harde leerschool geweest!"

"Ongetwijfeld, mevrouw Weldon, maar die lessen zijn voor hem niet

verloren gegaan. Hij heeft begrepen dat hij zich zelven moet helpen

in deze wereld en hij is op het rechte pad."

"Waarvan hij niet zal afwijken."

"Zie eens, mevrouw," hernam kapitein Hull, "hoe de jongen daar aan het

roer staat, het oog op den fokkehals gevestigd. Geen verstrooidheid

van den jongen, dus ook geen gieren van het schip! Dick Sand heeft nu

reeds de vastheid van een ouden roerganger! Een goed begin voor een

zeeman! Ons vak, mevrouw, moet reeds als kind geleerd worden. Wie geen

scheepsjongen is geweest, zal nooit een volleerd zeeman worden, althans

bij de koopvaardij. Alles moet geleerd worden, en, bijgevolg moet

alles instinctmatig en te gelijk beredeneerd bij den zeeman gaan,--het

nemen van een besluit zoowel als het uitvoeren van een manoeuvre.

"En toch, kapitein Hull," antwoordde Mevr. Weldon, "zijn er ook in

de oorlogsmarine goede officieren in menigte."

"Ja," antwoordde kapitein Hull, "maar de besten zijn bijna allen

als kind bij het vak gekomen, en, om van Nelson en eenige anderen

niet te spreken, zijn de slechtsten niet zij die als scheepsjongens

begonnen zijn."

Op dit oogenblik zag men neef Benedictus voor den dag komen, altijd in

zich zelven gekeerd en evenmin met zijn gedachten op deze wereld als

de profeet Elias het zal zijn als hij eenmaal op de aarde terugkomt.

Neef Benedictus liep op en neer op het dek als een ziel in nood,

terwijl hij de reten in de verschansing doorsnuffelde, onder de

kippenhokken keek en zijn hand tusschen de naden van het dek stak op

plaatsen waar het pek verdwenen was.

"Wel, neef Benedict," vroeg Mevr. Weldon, "blijf je altijd wel?"

"Ja.... nicht Weldon.... 'k ben wel gezond.... maar 'k verlang zeer

aan land te komen."

"Wat zoekt u toch onder die bank, mijnheer Benedict?" vroeg kapitein

Hull.

"Insecten, mijnheer!" hernam neef Benedictus. "Wat wil je dat 'k

anders zoek dan insecten?"

"Insecten! U zult het u moeten getroosten dat u op zee uw verzameling

niet verrijken zult!"

"En waarom niet, mijnheer? 't Is immers niet onmogelijk aan boord

een of ander soort van...."

"Neef Benedict," zei Mevr. Weldon, "geef kapitein Hull gerust de

schuld! Zijn schip wordt zoo zindelijk gehouden, dat je platzak van

je jacht zult terugkomen!"

Kapitein Hull begon te lachen.

"Mevrouw Weldon overdrijft," antwoordde hij. "Maar toch geloof

ik, mijnheer Benedict, dat u je tijd met snuffelen in onze kooien

verliezen zoudt."

"'k Weet het!" riep neef Benedictus uit, de schouders ophalend,

"'k Mag doen wat ik wil!...."

"Maar in 't ruim van den _Pelgrim_," hernam kapitein Hull, "zult u

misschien eenige kakkerlakken vinden, die evenwel niet veel bijzonders

als insecten opleveren."

"Niet veel bijzonders, die nachtelijke, zesvleugelige insecten die

zich de verwenschingen van Virgilius en Horatius op den hals gehaaid

hebben!" hernam neef Benedictus, zich daarbij in zijn geheele lengte

oprichtend. "Niet veel bijzonders, die naaste bloedverwanten van de

'periplaneta orientalis' en van den Amerikaanschen kakkerlak, die de

schepen bewonen...."

"Verpesten...." zei kapitein Hull.

"Aan boord regeeren...." hernam neef Benedictus fier.

"Een liefelijke regeering!...."

"Is u geen entomoloog, mijnheer?"

"Neen, gelukkig!"

"Kom, neef Benedict," zei Mevr. Weldon glimlachend, "verlang nu niet

dat we uit liefde voor de wetenschap verslonden worden!"

"'k Wensch niets anders, nicht Weldon," antwoordde de driftige

entomoloog, "dan mijn verzameling met het een of ander zeldzaam

exemplaar te verrijken!"

"Ben je dan niet tevreden met je aanwinst op Nieuw-Zeeland?"

"Wel zeker, nicht Weldon, 'k Ben zoo gelukkig geweest een van die

nieuwe staphylini machtig te worden, die tot nog toe slechts eenige

honderden mijlen verder, in Nieuw-Caledonië, gevonden werden."

Op dit oogenblik kwam Dingo, die met Jack speelde, al springende,

wat dicht bij neef Benedictus.

"Voort! voort!" zei deze, het dier wegduwende.

"Veel ophebben met kakkerlakken en een hekel hebben aan honden!" riep

kapitein Hull uit. "Hoe is 't mogelijk, mijnheer Benedict!"

"Een goede hond toch!" zei kleine Jack, die den grooten kop van Dingo

in zijn handjes nam.

"Nu ja, 'k heb niets tegen den hond!..." antwoordde neef

Benedictus. Maar dit zal 'k je zeggen. Dat drommelsche dier heeft de

hoop teleurgesteld, die 'k bij zijn eerste ontmoeting had."

"Maar, lieve Hemel!" riep Mevr. Weldon uit, "had je dan gehoopt hem

te kunnen rangschikken in de orde der tweevleugeligen of in die der

vliesvleugeligen?"

"Neen," antwoordde neef Benedictus ernstig. "Maar is die Dingo, die

van Nieuw-Zeelandsch ras is, niet gevonden op de westkust van Afrika?"

"Dat is ongetwijfeld zoo," antwoordde Mevr. Weldon, "en Tom heeft

het den kapitein van de _Waldeck_ dikwijls hooren zeggen."

"Welnu, 'k had gedacht.... 'k had gehoopt.... dat die hond misschien

eenige vlooien van een bijzonder ras, eigenaardig aan de Afrikaansche

fauna, zou hebben meegebracht...."

"Groote goedheid!" riep Mevr. Weldon uit.'

"En dat misschien...." ging neef Benedictus verder, "de een of andere

culex penetrans of irritans.... van een nieuwe soort...."

"Hoor je, Dingo?" zei kapitein Hull. "Hoor je, mijn hond? je hebt

volstrekt je plicht niet gedaan!"

"Maar 'k ben een uur bezig geweest met hem te vlooien...." voegde

de entomoloog op spijtigen toon er bij, "'k heb geen enkel insect

kunnen vinden."

"En dat zoudt u toch zeker wel onmiddellijk en meedoogenloos ter dood

gebracht hebben, hoop ik!" riep kapitein Hull uit.

"Mijnheer." antwoordde neef Benedictus droogjes, "weet dat Sir John

Franklin zich angstvallig wachtte het geringste insect te dooden,

al was het een Amerikaansche muskiet, wier beten heel wat geduchter

zijn dan die van de vloo, en toch zult u me toestemmen dat Sir John

Franklin een zeeman was zooals er weinige gevonden worden!"

"Dat zal waar zijn!" zei kapitein Hull, even buigend.

"En eens, toen hij vreeselijk gehavend werd door een tweevleugelig

insect, tot de orde der diptera behoorende, (muggen, muskieten,

vliegen), blies hij het weg, zeggende: Ga heen! De wereld is groot

genoeg voor u en voor mij!"

"Wel, wel!" zei kapitein Hull.

"Ja mijnheer!"

"Welnu, mijnheer Benedict," hernam kapitein Hull, "een ander, lang

voor Sir John Franklin, heeft dit al gezegd!"

"Een ander!"

"Ja en die andere is oom Tobias."

"Een entomoloog?" vroeg neef Benedictus levendig.

"Neen! Oom Tobias van Sterne, en die waardige man heeft juist dezelfde

woorden gesproken toen hij een muskiet liet vliegen die hem kwelde:

'Ga, arme duivel,' zei hij, 'de wereld is groot genoeg om jou en mij

te bevatten!'"

"Een braaf mensch die oom Tobias!" antwoordde neef Benedictus. "Is

hij dood?"

"Dat geloof ik wel," hernam kapitein Hull ernstig, "want hij heeft

nooit bestaan."

Allen lachten, terwijl zij neef Benedictus aankeken.

Onder dergelijke en vele andere gesprekken, die zoodra neef

Benedictus er deel aan nam, altijd over een of ander punt der

entomologische wetenschap liepen, vervlogen de lange uren dezer

langdurige zeereis. Met een altijd schoone zee, maar met winden

die de schoenerbrik verplichtten zoo dicht mogelijk bij den wind te

houden. De _Pelgrim_ kon bij de zwakke bries niet spoedig het oosten

halen en meer dan ooit verlangde hij die streken te bereiken, waar

de wind hem gunstiger zoude zijn.

Een Kapitein van Vijftien Jaar De Walvischjagers · 第 2 / 16 段