Dick Sand--zooals hij heette--was waarschijnlijk afkomstig u

Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed

Proofreading Team at http://www.pgdp.net/

Jules Verne

Een Kapitein van Vijftien jaar

De Walvischjagers.

Amsterdam

Uitgevers-Maatschappij "Elsevier"

1920

Gedrukt bij de N.V. Drukkerij Schilt Utrecht

EERSTE HOOFDSTUK.

DE SCHOENERBRIK PELGRIM.

Den 2n Februari 1873 bevond zich de Schoener-brik _Pelgrim_ op 43°

57' Z.B. en op 165° 19' W.L. van den meridiaan van Greenwich.

Dit vaartuig van vierhonderd ton, uitgerust te San-Francisco voor de

groote visscherij in de zuidpoolzeeën, behoorde in eigendom aan James

W. Weldon, een rijken Californischen reeder, die al sedert vele jaren

het bevel over dezen bodem toevertrouwd had aan kapitein Hull.

De _Pelgrim_ was een van de kleinste, maar de beste vaartuigen die

James W. Weldon ieder jaar uitzond zoowel door de Behringstraat naar

de noordpool-zeeën als naar de streken van Van Diemensland of van

kaap Hoorn, tot den zuidpool-oceaan. Het schip liep uitstekend. Het

licht te hanteeren tuig stelde het in staat, zich met een kleine

bemanning in het gezicht der ongenaakbare ijsbanken van het zuidelijk

halfrond te wagen. Kapitein Hull was geheel te huis te midden van

die ijsbergen die tot in de nabijheid van Nieuw-Zeeland of van de

kaap de Goede Hoop afdrijven, onder een veel lagere breedte dan die,

welke zij in de noordpool-zeeën van den aardbol bereiken. Weliswaar

worden daar slechts ijsbergen van geringe afmetingen aangetroffen,

die reeds afgebrokkeld waren door de schokken en ingevreten door het

warmer water, en waarvan het grootste gedeelte in de Stille Zuidzee

en den Atlantischen Oceaan door warmer lucht of water wordt opgelost.

Onder de bevelen van kapitein Hull, die een goed zeeman en daarenboven

een der bekwaamste harpoeniers der vloot was, stond een bemanning van

vijf matrozen en een leerling. Dit was voorzeker een kleine bemanning

voor de walvischvangst, die een vrij talrijk personeel vordert. Er

is volk noodig zoowel om de booten die den walvisch moeten aanvallen

te besturen als om de gevangen dieren in stukken te hakken. Maar,

naar het voorbeeld van zekere reeders, vond ook James W. Weldon het

veel zuiniger om te San-Francisco slechts het tot het bestuur van

het vaartuig benoodigde aantal matrozen aan te werven. Nieuw-Zeeland

leverde genoeg harpoeniers, zeelieden van allerlei natiën, deserteurs

en allerlei slag van volk op, die hij voor den tocht kon huren en

als zeer bekwame visschers te boek stonden. Was de kampanje eenmaal

afgeloopen, dan werden zij afgemonsterd en wachtten dan tot dat

de walvischvaarders het volgend jaar opnieuw hunne diensten kwamen

inroepen. Op deze wijze werd er een beter gebruik van de beschikbare

zeelieden gemaakt en grooter voordeelen van hun medehulp getrokken.

Zoo had men aan boord van den _Pelgrim_ gehandeld.

De schoenerbrik had haar kampanje op de grens van den zuidpoolcirkel

afgelegd. Maar haar volle lading van vaten traan en walvischbaarden had

zij niet kunnen verkrijgen. Toen reeds werd de vangst moeielijk. De

tot het uiterste vervolgde walvisschen werden schaarsch. De echte

walvisch, die den naam draagt van "Nordcaper" in den noordelijken

Oceaan en dien van "Sulpher-boltone" in de zuidelijke zeeën, verdween

al meer en meer. De visschers hadden zich moeten vergenoegen met

den "vinvisch" of "snavelwalvisch", een reusachtig zoogdier, welks

aanvallen niet zonder gevaar zijn.

Hiertoe nu had kapitein Hull zich gedurende dezen tocht verplicht

gezien; maar op zijn volgende reis was hij van plan een hoogere

breedte te halen en als het moest, zich in het gezicht te begeven

van Clarie-land en Adelie-land waarvan de ontdekking, die door den

Amerikaan Wilkes betwist werd, wel degelijk te danken is aan den

beroemden kommandant der _Astrolabe_ en der _Zelée_, den Franschman

Dumont d'Urville.

Over het geheel was de kampanje niet gelukkig voor den _Pelgrim_

geweest. In het begin van Januari, namelijk tegen het midden van

den noordelijken zomer, en hoewel de tijd voor den terugkeer van

de walvischvaarders nog niet gekomen was, had zich kapitein Hull

gedwongen gezien het vischwater te verlaten. Zijn hulp-equipage,--een

samenraapsel van vrij ongelukkige sujetten,--begon weerspannig te

worden, zoodat hij er zich zoo spoedig mogelijk van moest afmaken.

De _Pelgrim_ wendde dus den steven naar het noord-westen, naar de

kust van Nieuw-Zeeland, die hij den 15en Januari in het gezicht

kreeg. Hij liet het anker vallen te Waitemata, in de haven van

Auckland, gelegen in de golf van Chouraki, op de oostkust van het

noordelijk gelegen eiland en ontscheepte daar de visschers die voor

den tocht gehuurd waren.

De bemanning was niet tevreden. Er ontbraken ten minste twee honderd

vaten traan aan de lading van den _Pelgrim_. Nooit had men slechter

vangst gehad. Kapitein Hull kwam dus thuis met de teleurstelling van

een voortreffelijk jager, die voor 't eerst van zijn leven platzak

terugkomt, of althans bijna. Zijn eigenliefde, zeer geprikkeld, was er

mede gemoeid en hij vergaf dien schoeljes niet, wier weerspannigheid

de resultaten zijner kampanje op het spel had gezet.

Tevergeefs beproefde men te Auckland een nieuwe visschersbemanning

aan te werven. Al de beschikbare zeelieden hadden zich op de andere

walvischvaarders ingescheept. Men moest dus de hoop opgeven de

lading van den _Pelgrim_ vol te maken en kapitein Hull was op het

punt Auckland te verlaten, toen hem door iemand verzocht werd den

overtocht mede te mogen maken, 't geen hij niet kon weigeren.

Mevrouw Weldon, de vrouw van den reeder van den _Pelgrim_, bevond zich

toen juist te Auckland met haar zoontje Jack, een jongen van 5 jaar,

en een harer bloedverwanten, haar neef Benedictus. James W. Weldon, die

wegens handelszaken somtijds verplicht was Nieuw-Zeeland te bezoeken,

had hen er alle drie gebracht en meende hen natuurlijk met zich mede

naar San-Francisco terug te nemen.

Maar op het oogenblik dat de familie zou vertrekken, werd de kleine

Jack vrij ernstig ziek en moest zijn vader, die door zijn zaken

gedwongen was te vertrekken, Auckland verlaten en zijn vrouw, zijn

zoon en zijn neef Benedictus achter laten.

Drie maanden waren verloopen,--drie lange maanden van scheiding, die

voor Mevrouw Weldon zeer pijnlijk waren. Evenwel herstelde haar kind

en zij kon nu vertrekken, toen men haar de aankomst van den _Pelgrim_

berichtte.

Om nu naar San-Francisco te vertrekken, bevond Mevr. Weldon

zich dezer dagen in de noodzakelijkheid in Australië een van de

vaartuigen op te zoeken van de transatlantische compagnie, de

"Golden Age", die van Melbourne over Papeiti naar de landengte van

Panama varen. Daarna, eenmaal te Panama, moest zij op het vertrek

wachten van de Amerikaansche stoomboot, die een geregelden dienst

daarstelt tusschen de landengte en Californië. Van daar dan vertraging,

overscheping, allerlei bezwaren in één woord die voor een vrouw en een

kind zeer onaangenaam zijn. Op dit oogenblik liep de _Pelgrim_ Auckland

binnen. Zij aarzelde niet en vroeg aan kapitein Hull haar aan boord te

nemen om haar, haren zoon, neef Benedictus en Nan, een oude negerin

die sedert hare kindsheid bij haar in dienst was, naar San-Francisco

over te brengen. Drie duizend zeemijlen op een zeilschip! Maar het

schip van kapitein Hull was zoo behoorlijk in orde en de moesson was

nog zoo goed aan weerszijden van den aequator! Kapitein Hull nam het

volgaarne aan en stelde dadelijk zijn eigen kajuit ter beschikking

van Mevr. Weldon. Hij wilde dat zij gedurende den overtocht, die een

veertig à vijftig dagen kon duren, zoo goed mogelijk aan boord van

zijn walvischvaarder gelogeerd zou zijn.

Er waren dus voor Mevr. Weldon eenige voordeelen in gelegen, om den

overtocht in deze omstandigheden te ondernemen. Het eenige nadeel

was dat deze noodzakelijk eenige vertraging zou ondervinden door

de omstandigheid dat de _Pelgrim_ te Valparaiso in Chili moest gaan

lossen. Daarna had hij slechts langs de Amerikaansche kust te houden,

met den wind van de landzijde, die de vaart in deze streken zeer

aangenaam maakt.

Mevr. Weldon was overigens een moedige vrouw, die niet bang was op

zee. Zij had den leeftijd van dertig jaren bereikt, was flink en

gezond en gewoon lange zeereizen te maken, daar zij met haren man de

vermoeienissen van talrijke tochten gedeeld had; zij had daarom geen

vrees voor de meer of minder gewaagde kansen van een verblijf aan

boord van een vaartuig van middelmatige afmeting. Zij kende kapitein

Hull als een uitmuntend zeeman, in wien James W. Weldon het meeste

vertrouwen stelde. De _Pelgrim_ was een stevig vaartuig, een snelle

zeiler en stond goed aangeteekend in de vloot der Amerikaansche

walvischvaarders. De gelegenheid bood zich aan, men moest er gebruik

van maken en Mevr. Weldon maakte er gebruik van.

Neef Benedictus,--dat spreekt van zelf,--zou haar begeleiden.

Deze neef was een goede man van omstreeks vijftig jaren. Doch in

weerwil van zijn vijftigjarigen leeftijd, zou het niet voorzichtig

geweest zijn hem alleen te laten uitgaan. Hij was eer lang dan groot,

eer smal dan mager, met een beenachtig gelaat, een ontzaglijk hoofd

en lange haren; men herkende in zijn eindeloos figuur een van die

waardige geleerden met gouden bril, onschadelijke en goede wezens,

die bestemd zijn hun gansche leven groote kinderen te blijven en zeer

oud te worden, als honderdjarigen die als zuigelingen sterven.

"Neef Benedictus,"--zooals men hem steeds en niet alleen in zijn

familie noemde, en werkelijk was hij een van die goede wezens

die door iedereen met den naam van "neef" begroet worden,--neef

Benedictus, die altijd in de war scheen te zijn met zijn lange armen

en beenen, zou zich, zelfs in de meest gewone omstandigheden van het

dagelijksch leven, niet hebben kunnen redden. Hij was niet hinderlijk,

volstrekt niet, maar eer lastig voor anderen en verlegen met zich

zelven. Gemakkelijk in den omgang overigens, met alles tevreden,

vergetende te eten of te drinken, als men hem niet te drinken of te

eten bracht, ongevoelig voor koude of warmte, scheen hij minder tot

het dierenrijk dan tot dat der planten te behooren. Men stelle zich een

boom voor, zonder eenig nut, zonder vruchten en bijna zonder bladeren,

niet in staat om te voeden of te beschutten, maar met een goed hart.

Zoodanig was neef Benedictus. Hij zou gaarne iedereen diensten bewezen

hebben, indien, zooals Prudhomme zou zeggen, hij in staat ware geweest

ze te bewijzen.

Eindelijk, men had hem lief juist terwille van zijn

zwakheid. Mevr. Weldon beschouwde hem als haar kind,--als een grooten

oudere-broeder van haar kleinen Jack.

Wij moeten hier nog bijvoegen dat neef Benedictus evenwel noch

werkeloos, noch onledig was. Hij was integendeel een werkzaam

mensch. De natuurlijke historie waarin hij zich geheel kon verdiepen,

was zijn eenige hartstocht.

Nu is "de natuurlijke historie" een woord van grooten omvang.

Men weet dat de verschillende onderdeelen, waaruit deze wetenschap

bestaat, zijn de dierkunde, de botanie, de delfstofkunde en de

aardkunde.

Nu kon neef Benedictus volstrekt geen botanicus, noch mineraloog,

noch geoloog genoemd worden.

Was hij dan een zoöloog in de geheele beteekenis van het woord, een

soort van Cuvier der nieuwe wereld, die het dier door analyse ontleedde

of het door synthese weder opbouwde, een van die diepzinnige geleerden,

die geheel doorgedrongen zijn in de studie der vier typen waartoe

de nieuwere wetenschap het geheele dierenrijk, gewervelde dieren,

weekdieren, gelede dieren en straaldieren brengt? Had de naïve maar

werkzame geleerde, van de vier afdeelingen de verschillende klassen

bestudeerd en de orde, de families, de rassen, de geslachten, de

soorten, de variëteiten, die ze onderscheiden, nagegaan?

Neen.

Had neef Benedictus de gewervelde dieren, de zoogdieren, vogels,

kruipende dieren en visschen, tot het onderwerp zijner nasporingen

gemaakt?

Geenszins.

Had hij bij voorkeur de weekdieren, van de cephalopoden (de

koppootigen) af tot de bryozoën (mosdiertjes) toe, bestudeerd en had

de malacologie (de studie der weekdieren) geen geheimen meer voor hem?

Evenmin.

Het waren dus de straaldieren, de stekelhuidigen, de schijfwallen,

koraaldieren, ingewandswormen, sponsen en infusiediertjes, die hem

zooveel olie in zijn studielampje gekost hadden?

Nu waren het niet de straaldiertjes, en daar er in de zoölogie niets

meer op te noemen overblijft dan de afdeeling der gelede dieren,

zoo spreekt het van zelf, dat het deze afdeeling is waarop neef

Benedictus zich met hart en ziel had toegelegd.

Maar ook dan nog is het noodig te specificeeren.

De afdeeling der gelede dieren telt zes klassen: de insecten, de

duizendpootigen, de spinachtigen, de kreeftdieren, de rankpootigen,

en de ringwormen.

Nu had neef Benedictus wetenschappelijk geen aardworm van een

bloedzuiger, geen steenbreker van een zee-eikel, geen huisspin van

een schorpioen, geen garnaal van een kikvorsch kunnen onderscheiden.

Maar wat was neef Benedictus dan?

Een eenvoudig entomoloog, niets meer of minder.

Ongetwijfeld zal men hierop antwoorden, dat in haar etymologische

beteekenis, de entomologie (leer der insecten) dat gedeelte der

natuurkundige wetenschap is dat al de gelede dieren bevat. Dit is waar

in algemeenen zin, maar de gewoonte heeft bepaald dit woord slechts in

meer beperkten zin op te vatten. Men past het dus toe op de eigenlijk

gezegde studie der insecten, dat wil zeggen "van al de gelede dieren

welker lichaam, uit aan elkaar geplaatste ringen samengesteld, drie

verschillende segmenten vormt en die drie paren pooten bezitten,

hetgeen hun den naam van hexapoden (zespootigen) verleend heeft."

Daar nu neef Benedictus zich bepaald had tot de studie der gelede

insecten dezer klasse, was hij slechts een eenvoudig entomoloog.

Maar men achte dit niet gering! In deze klasse van insecten telt men

niet minder dan tien orden: de orthoptera [1] (rechtvleugeligen), de

neuroptera [2] (netvleugeligen), de hymenoptera [3] (vliesvleugeligen),

de lepidoptera [4] (schubvleugeligen of vlinders), de hemiptera [5]

(halfvleugeligen), de coleoptera [6] (schildvleugeligen of torren),

de diptera [7] (tweevleugeligen), de rhipiptera [8] (vakvleugeligen),

de parasieten [9] (woekerinsecten), en de tysanura [10]. Nu heeft men

in sommige dezer orden, de coleoptera bijvoorbeeld, dertig duizend

soorten en zestig duizend in de diptera; de onderwerpen tot studie

ontbreken dus niet en men zal toestemmen, dat er genoeg voorraad is

om een mensch alleen bezig te houden.

Het leven van neef Benedictus was dan ook eenig en alleen aan de

entomologie gewijd.

Al zijn tijd zonder uitzondering, zelfs zijn tijd om te slapen,

besteedde hij aan deze wetenschap; steeds droomde hij van

"hexapoden". De spelden in de mouwen en den kraag van zijn jas, in den

bodem van zijn hoed en de omslagen van zijn vest, waren ontelbaar. Als

neef Benedictus van een wetenschappelijke wandeling terugkwam, was

vooral zijn kostbaar hoofddeksel niet meer of minder dan een doos

met voorwerpen van natuurlijke historie, daar het van binnen en van

buiten bezaaid was met doorstoken insecten.

Wanneer wij nu nog hierbij voegen, dat hij juist uithoofde van

zijn entomologischen hartstocht den heer en mevr. Weldon naar

Nieuw-Zeeland vergezeld had, zal dit voldoende zijn om dezen zonderling

te schetsen. Zijn verzameling was daar verrijkt geworden met eenige

zeldzame voorwerpen en men begrijpt licht dat hij haast had ze in de

loketkas van zijn kabinet te rangschikken.

Daar nu Mevr. Weldon en haar kind met den _Pelgrim_ naar Amerika

terugkeerden, was niets natuurlijker dan dat neef Benedictus hen op

hunne terugreis vergezelde.

Maar hij was de man niet voor mevr. Weldon op wien ze in hachelijke

oogenblikken kon rekenen. Zeer gelukkig zou het een gemakkelijke reis

zijn in het schoone jaargetijde, aan boord van een vaartuig welks

gezagvoerder al haar vertrouwen verdiende.

Gedurende de drie dagen dat de _Pelgrim_ Waitemata aandeed, maakte

Mevr. Weldon in groote haast toebereidselen, want zij wilde het vertrek

van de schoenerbrik geen oogenblik vertragen. De inlanders die haar

gedurende haar verblijf te Auckland bediend hadden, kregen hun afscheid

en den 22en Januari scheepte zij zich aan boord van den _Pelgrim_

in, met haar zoon Jack, neef Benedictus en Nan, haar oude negerin.

Neef Benedictus nam in een bijzonder daartoe ingerichte bus zijn

gansche vreemde verzameling insecten mede. In deze verzameling

bevonden zich onder anderen eenige van die pas ontdekte staphylini,

een soort van vleeschetende coleoptera (schildvleugelige insecten),

welker oogen boven op den kop geplaatst zijn en die tot nog toe

alleen op Nieuw-Caledonië gevonden werden. Men had hem ook een zekere

vergiftige spin aanbevolen, de "kapipo" der Maori's, welker beet voor

de inlanders dikwijls doodelijk is. Maar een spin behoort niet tot de

orde der eigenlijk gezegde insecten, zij heeft haar plaats in die der

arachniden (spinachtigen) en was in de oogen van neef Benedictus zonder

eenige beteekenis. Daarom had hij haar ook versmaad en was het juweel

van zijn verzameling een merkwaardige Nieuw-Zeelandsche staphylinus.

Het spreekt van zelf, dat neef Benedictus zijn lading hoog had laten

verzekeren; zij was voor hem kostbaarder dan de geheele lading traan

en baarden in het ruim van den _Pelgrim_.

Toen het schip zeilree lag en mevr. Weldon en haar reisgenooten zich

op het dek van de schoenerbrik bevonden, sprak kapitein Hull zijn

passagiers aan met de woorden:

"'k Behoef u niet te zeggen, mevrouw, dat u onder uw eigen

verantwoordelijkheid plaats neemt aan boord van den _Pelgrim_."

"Waarom maakt u me deze opmerking mijnheer Hull?" vroeg mevr. Weldon.

"Omdat ik in dit opzicht geen order van uw man gekregen heb, en geen

schoenerbrik u ooit de waarborgen van den gemakkelijken overtocht

kan aanbieden van een pakketboot, die uitsluitend bestemd is tot het

varen van passagiers."

"Als mijn man hier was," antwoordde Mevr. Weldon, "zoudt u dan

denken, mijnheer Hull, dat hij zou aarzelen zich op den _Pelgrim_

in te schepen, in gezelschap van zijn vrouw en zijn kind?"

"Neen, mevrouw, hij zou niet aarzelen," zei kapitein Hull, "neen,

stellig niet! evenmin als ik zelf zou aarzelen! De _Pelgrim_ is

een goed schip, al heeft het een slechte reis gemaakt, en ik ben er

zeker van, zoo zeker als een zeeman het zijn kan van een vaartuig,

dat hij sedert verscheidene jaren commandeert. Ik zeg het alleen,

Mevr. Weldon, om mijn verantwoordelijkheid te dekken en u nogmaals

te zeggen dat u aan boord niet het gemakkelijke leven zult vinden,

waaraan u gewoon zijt."

"Als het niets anders is, mijnheer Hull," antwoordde Mevr. Weldon,

"dan kan mij dit niet terughouden. Ik ben niet een van die lastige

passagiers, die onophoudelijk klagen over de bekrompen kooien of de

karige tafel."

Toen, na op haren kleinen Jack, dien zij aan de hand hield, een

liefdevollen blik geworpen te hebben, zeide zij:

"Laat ons vertrekken, mijnheer Hull!"

Het bevel werd gegeven dadelijk onder zeil te gaan en de _Pelgrim_

manoeuvreerde weldra met het doel om langs den kortsten weg uit de golf

te geraken, terwijl hij den steven naar de Amerikaansche kust wendde.

Doch drie dagen later na haar vertrek was de schoenerbrik tengevolge

van een sterke bries uit het oosten, verplicht in den wind op te

werken.

Ook bevond kapitein Hull zich den 2en Februari op een hoogere breedte

dan hij wel gewild had en wel in den toestand van een zeeman die

eerder trachtte kaap Hoorn om te zeilen dan langs den kortsten weg

de nieuwe wereld te bereiken.

TWEEDE HOOFDSTUK.

DICK SAND.

Inmiddels was de zee kalm en ging alles, zonder de vertraging te

rekenen, naar wensch.

Mevr. Weldon was zoo aangenaam en gemakkelijk mogelijk aan boord van

den _Pelgrim_ gehuisvest. Geen bovenhut nam het achterdek in. Er was

geen eigenlijke kajuit, maar slechts een eenvoudige hut van kapitein

Hull in het achterschip, waarmede zij zich moest vergenoegen. En

zelfs had de kapitein er nog op moeten aandringen om haar dit

nederig verblijf te doen aannemen. Hier in deze bekrompen ruimte was

Mevr. Weldon met haar kind en de oude Nan gehuisvest. Daar nam zij

haar maaltijden, in gezelschap van den kapitein en neef Benedictus,

voor wien men een soort van kamer ergens tusschendeks had ingericht.

Wat den kapitein van den _Pelgrim_ aangaat, hij logeerde in een hut

der bemanning die door den stuurman zou bewoond geweest zijn, indien

er een stuurman aan boord geweest ware. Maar de schoenerbrik voer,

zooals men weet, onder omstandigheden, die de diensten van nog een

officier hadden kunnen besparen.

De matrozen van den _Pelgrim_, goede en vertrouwde zeelieden,

waren door de gemeenschap hunner denkbeelden en gewoonten innig

met elkaar verbonden. Het was de vierde tocht dien zij samen op de

groote visscherij deden. Het waren allen mannen uit het westen van

Noord-Amerika die elkander sinds jaren kenden en dezelfde kuststreek

van Californië bewoonden.

Deze brave menschen waren zeer voorkomend voor Mevr. Weldon, de

vrouw van hunnen reeder, wien zij een onbepaalde toegenegenheid

toedroegen. Het is waar dat zij zeer veel belang hadden in de winsten

van het schip en tot nog toe met groot voordeel hadden gevaren. Dan

ook moesten zij tengevolge van hun klein getal hard werken, maar

hun arbeid deed bij het opmaken der rekening na elke kampanje, hun

winsten toenemen. Ditmaal evenwel zou het voordeel bijna nul zijn

en daarom waren zij niet ten onrechte verbitterd tegen die schoeljes

van Nieuw-Zeeland.

Een enkel man aan boord was niet van Amerikaansche afkomst. Portugees

van geboorte, maar het Engelsch vloeiend sprekend, noemde hij zich

Negoro en nam aan boord van de schoenerbrik het nederig ambt van

kok waar.

Toen de kok van den _Pelgrim_ te Auckland gedeserteerd was, kwam

deze Negoro, die destijds geen betrekking had, zich aanbieden om

hem te vervangen. Hij was een stil man, weinig mededeelzaam, die

zich steeds op den achtergrond hield, maar behoorlijk zijn taak

waarnam. Kapitein Hull scheen het goed met hem getroffen te hebben,

toen hij hem huurde, want de kok had sedert zijn inscheping nog geen

enkele reden tot klagen gegeven.

Toch had kapitein Hull spijt dat hem de tijd ontbroken had zich

behoorlijk inlichtingen over zijn verleden te verschaffen. Zijn

gelaat of liever zijn blik beviel hem maar half en wanneer het gold

een onbekende in het beperkte, intieme leven aan boord in te leiden,

mocht men niets verzuimen om zich met zijn verleden bekend te maken.

Negoro kon op het oog veertig jaar oud zijn. Mager, gespierd,

van gemiddelde lengte, donker bruin van haar, met door de zon

verbrande huid, moest hij sterk zijn. Had hij eenig onderwijs

genoten? Ongetwijfeld. Dat bleek uit zekere opmerkingen, die hem

nu en dan ontsnapten. Overigens sprak hij nooit over zijn verleden

of liet hij zich uit over zijn familie. Waar hij van daan kwam,

waar hij gewoond had, men kon het niet raden. Wat wachtte hem in

de toekomst? men wist het evenmin. Hij gaf alleen zijn voornemen

te kennen om te Valparaiso te ontschepen. Het was voorzeker een

zonderling mensch. In ieder geval scheen hij geen zeeman te zijn. Hij

scheen zelfs minder van zaken, de zeevaart betreffende, te weten dan

een kok, wiens leven grootendeels op zee is doorgebracht.

Evenwel wist hij niets van het slingeren of het stampen van het schip,

zooals menschen die nooit gevaren hebben en dit is voor een scheepskok

een zaak van het hoogste belang.

In het algemeen zag men hem weinig. Op den dag bleef hij gewoonlijk

in zijn bekrompen kombuis, voor het kookfornuis dat er de meeste

plaats van innam. Als tegen den nacht het fornuis was uitgedoofd,

begaf Negoro zich naar zijn kooi achter in het verblijf der bemanning

en sliep dadelijk in.

Wij hebben reeds gezegd dat de equipage van den _Pelgrim_ uit vijf

matrozen en een leerling bestond.

Deze vijftienjarige leerling was het kind van onbekende ouders. Dit

arme, van zijn geboorte af aan verlaten wezen was door de openbare

liefdadigheid opgenomen en door haar groot gebracht.

Dick Sand--zooals hij heette--was waarschijnlijk afkomstig uit den

staat New-York en ongetwijfeld uit de hoofdstad van dien Staat.

De naam van Dick,--verkorting van Richard,--was ontleend aan dien van

den liefdadigen voorbijganger die hem had opgenomen, twee of drie

uur na zijn geboorte. Wat den naam van Sand aangaat, men had hem

dien gegeven ter herinnering aan de plaats waar hij gevonden was,

namelijk op de landengte van Sandy-Hook [11], die den ingang vormt

van de haven van New-York, aan de monding der Hudson.

Dick Sand zou, geheel volwassen, de gemiddelde lengte niet

overschrijden, maar hij was krachtig gebouwd. Ongetwijfeld was hij van

Anglo-Saxische afkomst. Hij was bruin, maar had blauwe oogen die als

vuur schitterden. Als zeeman had hij reeds vroeg den strijd des levens

leeren kennen. Zijn schrander gelaat ademde geestkracht. Het was niet

dat van een stoutmoedige, maar van iemand die "durft". Dikwijls haalt

men deze drie woorden van een vers van Virgilius aan:

Audaces fortuna juvat,

maar men haalt ze onjuist aan. De dichter zegt:

Audentes fortuna juvat.

Hun, die durven, niet den stoutmoedigen, lacht bijna altijd het

geluk toe. De stoutmoedige kan onbedacht handelen. Hij die durft

denkt eerst en handelt daarna. Daarin is het verschil gelegen.

Nu was Dick Sand _audens_. Op vijftienjarigen leeftijd kon hij

reeds een besluit nemen en tot het einde toe uitvoeren wat zijn

onverschrokken geest beslist had. Zijn levendig en tegelijk ernstig

voorkomen trok de aandacht. Hij was zeer spaarzaam in woorden en

gebaren, het tegengestelde van jongens op zijn leeftijd. Al vroeg,

in een tijdperk des levens dat men de groote vraagstukken van ons

bestaan nog niet bespreekt, had hij zijn ellendigen toestand goed

ingezien en zich vast voorgenomen zichzelven te vormen.

En hij had zich gevormd, daar hij reeds bijna een man was op den

leeftijd dat anderen nog kinderen zijn.

Daarbij zeer vlug, zeer bekwaam in alle lichaamsoefeningen, was Dick

Sand een van die bevoorrechte wezens, van wie in de wandeling gezegd

wordt dat zij met vier handen geboren zijn.

Men weet dat de openbare liefdadigheid den kleinen wees had

opgevoed. Hij was eerst in een van die kinderhuizen geweest,

waar in Amerika altijd een plaats voor de kleine verlatenen wordt

opengehouden. Daarna, toen hij vier jaar oud was, leerde Dick lezen,

schrijven en rekenen op een van die scholen in den staat New-York,

die door liefdadige inschrijvingen onderhouden worden.

Toen hij acht jaar oud was, deed zijn begeerte om op zee te gaan

hem dienst nemen als kajuitsjongen op een mailboot der zeeën van het

Zuiden. Daar leerde hij het vak van zeeman, en zooals men het moet

leeren, van den vroegsten leeftijd af aan. Langzamerhand onderwees

hij zich onder de leiding van officieren, die belang in het kleine

ventje stelden. Ook moest de kajuitsjongen weldra leerling worden,

in het vooruitzicht van beter ongetwijfeld. Het kind dat al vroeg

begrijpt dat de arbeid de wet des levens is, hij die al bij tijds leert

dat het brood slechts verdiend wordt in het zweet zijns aanschijns,

zoo iemand is waarschijnlijk voorbeschikt tot groote dingen, want

hij zal eenmaal met den wil, de kracht hebben ze te volbrengen.

Toen Dick Sand kajuitsjongen aan boord van een koopvaardijschip was,

werd hij opgemerkt door kapitein Hull. Deze brave zeeman gevoelde

zich dadelijk tot den knaap aangetrokken en bracht hem in kennis

met zijn reeder James W. Weldon. Deze stelde het levendigste belang

in den wees, wiens opvoeding hij te San-Francisco voltooide en dien

hij in den Katholieken godsdienst, waartoe zijn familie behoorde,

liet groot brengen.

Onder al de vakken zijner studie was het vooral de aardrijkskunde,

waarvoor Dick Sand een sterke voorliefde gevoelde, totdat hij

den ouderdom bereikte om dat gedeelte der mathesis te leeren dat

betrekking heeft op de zeevaart. Bij dit theoretische gedeelte van

zijn onderricht, verzuimde hij niet de praktijk te voegen. Voor

het eerst kon hij als leerling de reis aan boord van den _Pelgrim_

mede maken. Een goed zeeman moet even goed de groote visscherij

leeren als de groote vaart. Het is een goede voorbereiding voor alle

mogelijke gebeurtenissen die het zeemansvak medebrengt. Bovendien

ging Dick Sand mede op een schip van James W. Weldon, zijn weldoener,

en gecommandeerd door zijn beschermer, kapitein Hull. Hij bevond zich

dus in de gunstigste omstandigheden.

Het is overbodig te zeggen hoever zijn toegenegenheid voor de familie

Weldon, waaraan hij alles verschuldigd was, gaan zou. Beter is het de

feiten te laten spreken. Maar men begrijpt hoe gelukkig de jeugdige

leerling was, toen hij vernam dat Mevr. Weldon aan boord van den

_Pelgrim_ den overtocht mede zou maken. Mevr. Weldon was gedurende

eenige jaren een moeder voor hem geweest en in Jack zag hij een

broertje, terwijl hij zijn positie tegenover den zoon van den rijken

reeder daarbij niet uit het oog verloor. Doch--zijn beschermers hadden

het wel voorzien,--het goede zaad dat zij gezaaid hadden, was in goede

aarde gevallen. Het hart van den wees was met dankbaarheid vervuld,

en zoo hij eenmaal zijn leven moest geven voor hen die hem geleerd

hadden zich te onderrichten en God lief te hebben, zou de jeugdige

leerling niet geaarzeld hebben. In één woord, op vijftienjarigen

leeftijd te denken en te handelen als iemand van dertig jaren, was

een van de kenmerken van Dick Sand's karakter.

Mevr. Weldon wist dat karakter naar waarde te schatten. Zij kon hem

zonder de minste ongerustheid den kleinen Jack toevertrouwen. Dick

Sand van zijn kant had het kind hartelijk lief dat zich door dien

"grooten broeder" bemind wist en hem opzocht. Gedurende de lange uren

van rust die zoo menigvuldig op een zeereis voorkomen, als de zee kalm

is en de eenmaal gestelde zeilen niet verwisseld behooren te worden,

in zeemanstermen: als het tuig kant staat, waren Dick en Jack bijna

altijd te zamen. De jeugdige leerling liet den kleinen jongen alles

zien wat hem genoegen kon geven. Zonder eenige de minste vrees zag

Mevr. Weldon Jack in gezelschap van Dick Sand het want openteren,

naar de voormars, of de kruiszalings klauteren en als een pijl uit

den boog langs het touwwerk naar beneden glijden. Dick Sand ging hem

vooruit of volgde hem altijd, gereed hem te ondersteunen of hem vast te

houden zoodra zijn armen van vijf jaar hem in deze lichaamsoefeningen

in den steek lieten. Dat alles nu deed den kleinen Jack goed, die door

de ziekte bleek en zwak geworden was; maar weldra kreeg hij zijn kleur

aan boord van den _Pelgrim_ terug, dank zij de versterkende zeebries

en die dagelijksche gymnastiek.

Zoo stonden dus de zaken. Onder deze omstandigheden had de overtocht

plaats, en ware de wind gunstiger geweest, dan zouden noch de

passagiers, noch de bemanning van den _Pelgrim_ zich ergens over te

beklagen hebben.

Maar juist de hardnekkige oostenwinden boezemden kapitein Hull

eenige ongerustheid in en beletten hem het schip op den goeden weg te

brengen. Later, bij den Steenbokskeerkring, vreesde hij windstilte

te ontmoeten, die hen nog meer zou tegenwerken, om niet te spreken

van den aequatoriaalstroom die hen onweerstaanbaar naar het westen zou

medevoeren. Hij maakte zich dus, vooral voor Mevr. Weldon ongerust over

deze vertraging waarvoor hij evenwel niet verantwoordelijk was. Hij

dacht er dan ook over, om zoo hij op zijn weg eenig transatlantisch

vaartuig mocht ontmoeten op reis naar Amerika, zijn passagier aan te

raden, zich aan boord er van te begeven. Ongelukkig werd hij door de

hooge breedte opgehouden om te kruisen met een stoomboot die koers

zette naar Panama en daarenboven was in dien tijd de vaart over de

Stille Zuidzee tusschen Australië en de Nieuwe-Wereld niet zóó druk

als ze later geworden is.

Men moest zich dus aan Gods genade overgeven en niets scheen dezen

eentonigen overtocht te zullen verstoren, toen juist op dien datum

van den 2n Februari op de bij het begin dezer geschiedenis aangegeven

breedte en lengte iets bijzonders voorviel.

Ten negen ure 's morgens, bij zeer helder weer, hadden Dick Sand en

Jack zich op de bramzaling neergezet. Van daar uit konden zij het

geheele schip en een gedeelte van den oceaan overzien. Naar achteren

vertoonde zich de horizon aan hun blikken, slechts afgebroken door

den grooten mast met het brikzeil en gaftopzeil. Hierdoor was een

gedeelte van de zee en de hemel voor hen onzichtbaar. Vooruit zagen

zij den boegspriet zich boven de golven uitstrekken met zijn drie

stagzeilen, die zoo strak mogelijk aangehaald, zich als drie groote

ongelijke vleugelen spanden. Onder breidde zich de fok uit en boven

het kleine voormarszeil en het kleine bramzeil, waarvan de staande

lijken door het in- en uitloopen van de lichte bries kilden. [12]

De schoenerbrik zeilde dus zoo dicht mogelijk bij den wind.

Dick Sand verklaarde dus Jack hoe de _Pelgrim_, goed geballast, goed

in evenwicht gehouden in al zijn deelen, niet kon omslaan, ofschoon

hij vrij sterk overhelde, toen de kleine jongen hem in de rede viel.

"Wat zag ik daar toch?" zeide hij.

"Zag je iets, Jack?" vroeg Dick Sand, die zich geheel overeind op de

zaling oprichtte.

"Ja, daar!" antwoordde de kleine Jack, terwijl hij naar een punt

van de zee wees, dat telkens vrij kwam tusschen de schooten van den

kluiver en den jager.

Dick Sand keek oplettend naar het aangewezen punt en riep onmiddellijk

met luide stem:

"Een wrak, te loevert op, aan stuurboordszij vooruit!"

DERDE HOOFDSTUK.

HET WRAK.

Bij den kreet van Dick Sand, was onmiddellijk de geheele bemanning op

de been. De mannen die de wacht niet hadden, kwamen aan dek. Kapitein

Hull verliet zijn kajuit en begaf zich naar voren.

Mevr. Weldon, Nan, zelfs de onverschillige neef Benedictus, kwamen aan

stuurboordszij over de verschansing leunen om het door den jeugdigen

leerling gesignaleerde wrak goed te kunnen zien.

Negoro alleen verliet de hut niet, die hem tot kombuis diende, en

zooals altijd was hij van de geheele bemanning de eenige, die geen

belang in de ontmoeting van een wrak scheen te stellen.

Aller oogen waren toen op het drijvende voorwerp gericht dat op drie

mijlen van de _Pelgrim_ door de golven gewiegd werd.

"Wat zou het wel zijn?" zei een matroos.

"Een verlaten vlot misschien!" antwoordde een.

"Misschien zijn er op dat vlot wel ongelukkige schipbreukelingen?" zei

Mevr. Weldon.

"We zullen 't gauw weten," antwoordde kapitein Hull. "Maar dat wrak

is geen vlot. 't Is de romp van een schip dat overzij ligt."

"Maar zou 't niet eer een zeedier zijn, een groot zoogdier?" deed

neef Benedictus opmerken.

"'k Geloof het niet," antwoordde de leerling.

"Wat zou jij er van denken, Dick?" vroeg Mevr. Weldon.

"Een omgekeerde romp, zooals de kapitein zei, Mevrouw." "'k Geloof

zelfs dat 'k zijn gekoperde huid in de zon zie schitteren."

"Ja.... waarlijk...." antwoordde kapitein Hull.

Daarna tot den man aan het roer:

"Een tikje loeven, Bolton, om dichter bij het wrak te komen."

"En ik," hernam neef Benedictus, "ik houd vol wat ik gezegd heb. 't

Is bepaald een dier!"

"Dan zou 't een koperen walvisch moeten zijn," antwoordde kapitein

Hull, "want ook ik zie hem in de zon schitteren!"

"Hoe het zij, neef Benedict," voegde Mevr. Weldon er bij, "u zult

moeten toestemmen dat die walvisch dan toch dood is, want het is

zeker dat hij niet de minste beweging maakt."

"He! nicht Weldon," antwoordde neef Benedict, die gewoonlijk stijf

op zijn stuk stond, "'t zou de eerste keer niet zijn dat men een

walvisch ontmoette die op de oppervlakte der zee sliep!"

"Wel mogelijk," antwoordde kapitein Hull, "maar we hebben nu met geen

walvisch, maar met een vaartuig te doen."

"We zullen zien," antwoordde neef Benedictus, die eerder al de

zoogdieren der noord- en zuidpoolzeeën zou gegeven hebben voor een

zeldzaam insect.

"Goed sturen, Bolton, goed sturen!" riep wederom kapitein Hull,

"en loop niet tegen het wrak aan. Blijf er op een kabellengte van

af. 'k Heb geen lust de zijden van den _Pelgrim_ er aan te wagen met

tegen dien romp aan te varen.--Loef een beetje, Bolton, loef wat!"

De steven van den _Pelgrim_, die naar het wrak gewend was geweest,

week door een lichte beweging van het roer een weinig af.

De schoenerbrik bevond zich nog een mijl van den omgeslagen romp af. De

matrozen hadden er gretig het oog op gevestigd. Misschien bevatte hij

een kostbare lading die mogelijk op den _Pelgrim_ kon overgeladen

worden? Men weet, dat bij de berging van gestrande goederen, het

derde van de waarde aan de bergers toekomt, en indien in dit geval

de lading niet beschadigd was, zou de bemanning, zooals men zegt,

"een goeden slag slaan!" Het zou een prachtige vergoeding zijn voor

hun ongelukkige vangst!

Een kwartier later bevond zich het wrak nog een halve mijl van den

_Pelgrim_ af.

Het was wel degelijk een vaartuig dat geheel over bakboord lag. Tot

aan de verschansing toe omgeslagen, lag het zoover op zijde, dat het

bijna onmogelijk was zich op het dek staande te houden. Men zag niets

meer van de masten. Aan de rusten hingen nog slechts eenige eindjes

gebroken trossen en gesprongen kettingen.

In den boeg aan stuurboordszij bevond zich een groot gat tusschen de

spanten en de ingedrukte buitenhuid.

"Dit schip is aangezeild!" riep Dick Sand uit.

"Dat is niet twijfelachtig," antwoordde kapitein Hull, "en 't is een

wonder dat het niet onmiddellijk gezonken is."

"Zoo er aanzeiling geweest is," merkte Mevr. Weldon op, "mag men

hopen dat de bemanning van dit vaartuig opgenomen is door hen die

het aangezeild hebben."

"'t Is te hopen, mevrouw Weldon," antwoordde kapitein Hull, "of de

equipage moet zich, na de botsing met zijn eigen sloepen gered hebben,

als het aanzeilende schip althans zijn koers vervolgd heeft--'tgeen

helaas! somtijds gebeurt!"

"Hoe is 't mogelijk! Dat zou toch een staaltje van verregaande

onnmenschelijkheid zijn, mijnheer Hull!"

"Ja, mevrouw Weldon.... ja! En toch zijn er vele voorbeelden van! Wat

me zou doen gelooven dat de bemanning van dit schip het al vroeg

verlaten zal hebben, is dat 'k geen enkele boot zie en zoo de menschen

aan boord niet opgenomen zijn, zou ik eerder gelooven dat ze getracht

hebben aan land te komen! Maar bij den afstand waarop we ons hier van

het Amerikaansche vaste land of van de eilanden van Australië bevinden,

vrees ik dat ze hierin niet zullen geslaagd zijn!"

"Misschien," zei Mevr. Weldon, "zal men nooit achter het geheim van

dit ongeluk komen! Toch zou 't mogelijk zijn dat er nog iemand van

de equipage is achtergebleven!"

"Dat is niet waarschijnlijk, mevrouw Weldon," antwoordde kapitein

Hull. "Men zou ons reeds herkend hebben en ons eenig signaal

maken. Maar we zullen er ons van verzekeren.--Loef een beetje,

Bolton, loef!" riep kapitein Hull, terwijl hij met de hand den te

volgen koers aanwees.

De _Pelgrim_ was nog slechts drie kabellengten van het wrak verwijderd

en er was geen twijfel aan of de romp was door de geheele bemanning

verlaten.

Doch op dit oogenblik maakte Dick Sand een gebaar dat onmiddellijk

stilte gebood.

"Hoor! hoor!" zeide hij.

Iedereen luisterde.

"'t Is alsof ik geblaf hoor!" riep Dick Sand uit.

En werkelijk deed zich binnen in den romp een verwijderd geblaf

hooren. Er was inderdaad daar een levende hond, opgesloten misschien,

want het was mogelijk dat de luiken hermetisch gesloten waren. Maar

men kon hem niet zien, daar het dek van het omgeslagen vaartuig nog

niet zichbaar was.

"Al was er niets anders dan een hond, mijnheer Hull," zeide

Mevr. Weldon, "zouden we hem immers redden!"

"Ja.... ja!...." riep de kleine Jack, "we zullen hem redden!.... 'k

zal hem te eten geven!.... Hij zal veel van ons houden.... Mama,

'k zal een stukje suiker voor hem gaan halen!....."

"Blijf hier, mijn kind," antwoordde Mevr. Weldon glimlachende. "Me

dunkt, 't arme dier moet haast van honger sterven en 't zal liever

een goed stuk vleesch hebben dan je stukje suiker!"

"Welnu, laten ze hem mijn soep geven!" riep de kleine Jack uit. "Ik

kan er best buiten!"

Op dit oogenblik deed zich het geblaf duidelijk hooren. Drie honderd

voeten slechts waren de twee schepen van elkander verwijderd. Bijna

onmiddellijk vertoonde zich een groote hond op de verschansing aan

stuurboordszij en klampte er zich aan vast, terwijl hij wanhopend

bleef blaffen.

"Howik," zei kapitein Hull en wendde zich tot den bootsman van den

_Pelgrim_, "laat bijdraaien en de kleine boot strijken."

"Houd je goed, hond, houd je goed!" riep de kleine Jack het dier toe

dat hem nu door een half gesmoord geblaf scheen te antwoorden.

De zeilen van den _Pelgrim_ werden dadelijk zoo gesteld dat het schip

genoegzaam onbeweeglijk bleef, op minder dan een halve kabellengte

van het wrak.

De boot werd gestreken en dadelijk lieten kapitein Hull, Dick Sand

en twee matrozen er zich in zakken.

De hond bleef blaffen. Hij trachtte zich aan de verschansing vast

te houden, maar viel telkens op het dek terug. Men zou gezegd hebben

dat zijn geblaf zich niet meer tot hen richtte die hem naderden. Gold

het de matrozen of passagiers die in het schip opgesloten waren?

"Zou er zich dan aan boord een schipbreukeling bevinden, die het

overleefd heeft?" zei Mevr. Weldon bij zich zelve.

De boot van den _Pelgrim_ bereikte met eenige riemslagen de omgeslagen

kiel.

Maar eensklaps kwam er een verandering in de houding van den hond. Op

het eerste geblaf dat de redders uitnoodigde tot hem te komen, volgde

nu een woedend gebrul. Het zonderlinge dier werd nu door den hevigsten

toorn bewogen.

"Wat scheelt dien hond toch?" zei kapitein Hull, terwijl de boot

achterom ging, teneinde dat gedeelte van het dek aan te doen dat

onder water lag.

Noch kapitein Hull, noch zij die zich aan boord van den _Pelgrim_

bevonden, konden opmerken dat de woede van den hond zich op dat

oogenblik het hevigst uitte, toen Negoro zijn kombuis verliet en zich

naar den bak begaf.

Kende en herkende dan de hond den kok? Het was zeer onwaarschijnlijk.

Hoe het zij, na den hond aangekeken te hebben, zonder eenige

verwondering te doen blijken, ging Negoro, die de wenkbrauwen toch

een oogenblik fronste, naar het verblijf der equipage.

Intusschen was de boot het achterschip omgevaren alwaar de naam

_Waldeck_ op den spiegel te lezen stond.

_Waldeck_, maar geen naam van de haven waar het schip te huis

behoorde. Doch aan de vormen van den romp, aan zekere bijzonderheden

die een zeeman dadelijk in 't oog vallen, had kapitein Hull herkend

dat het vaartuig van Amerikaanschen bouw was. De naam bevestigde dat

trouwens. En nu was er van die groote brik van vijfhonderd ton niets

meer overgeschoten dan de romp.

Een groot gat in den boeg van de _Waldeck_ wees de plaats aan waar de

schok had plaats gehad. Tengevolge van het op zij vallen van den romp,

bevond die opening zich toen op vijf of zes voet boven het water,--'t

geen verklaarde waarom de brik nog niet gezonken was.

Op het dek dat kapitein Hull in al zijn uitgestrektheid overzag,

was niemand.

De hond, die nu de verschansing verlaten had, liet zich nu naar

het grootluik glijden dat open was en blafte nu eens naar binnen,

dan weder naar buiten.

"Dat dier is stellig niet alleen aan boord!" merkte Dick Sand aan.

"Dat geloof ik ook niet!" antwoordde kapitein Hull.

De boot voer nu langs de verschansing aan bakboordszij, die half

onder water lag. Ware de deining maar iets sterker geweest, dan zou

de _Waldeck_ binnen eenige oogenblikken gezonken zijn.

Het dek der brik was van het eene eind naar 't andere schoongeveegd. Er

bleef niets anders over dan de stompen van den grooten mast en den

fokkemast, die beiden op twee voet boven de vissing waren afgebroken en

zeker bij den schok gevallen waren, hoofdtouwen, stagen en loopend want

medeslepende. Evenwel waren, zoover het oog reikte, geen overblijfselen

in den omtrek van de _Waldeck_ te bespeuren,--'t geen wel scheen aan

te duiden dat het ongeluk reeds voor eenige dagen had plaats gehad.

"Als soms eenige schipbreukelingen de botsing overleefd hebben,"

zei kapitein Hull, "zullen ze wel van dorst en honger bezweken zijn,

want het water heeft de kombuis moeten bereiken. Er kunnen niets

anders dan lijken meer aan boord zijn!"

"Neen!" riep Dick Sand uit, "neen, dan zou de hond zoo niet blaffen! Er

zijn levende wezens!"

Op dit oogenblik liet het dier op den roep van den leerling zich in

zee glijden en zwom met moeite naar de boot, want hij scheen uitgeput.

Men nam hem op en hij wierp zich gretig, niet op een stuk brood dat

Dick Sand hem dadelijk voorhield, maar op een tobbe die een weinig

zoet water bevatte.

"'t Arme dier sterft van dorst!" riep Dick Sand uit.

De boot zocht toen een gunstige plaats op om de _Waldeck_ gemakkelijker

langzij te kunnen komen en verwijderde zich met dit doel eenige

vademen. De hond moest blijkbaar denken dat zijn redders niet aan

boord wilden gaan; want hij pakte Dick Sand bij zijn baaitje terwijl

zijn klagend geblaf met nieuwe kracht weer begon.

Men begreep hem. Zijn gebaren, zijn taal waren even duidelijk als

de taal van een mensch. De boot naderde dadelijk den kraanbalk aan

bakboord. Daar legden de twee matrozen haar stevig vast, terwijl

kapitein Hull en Dick Sand den voet op dek enterden tegelijk met

den hond en zich niet zonder moeite naar het luik tusschen de twee

maststompen in de hoogte werkten.

Beiden lieten zich door dit luik in het ruim zakken.

Het ruim van de _Waldeck_, half vol water, bevatte geen lading. De

brik had slechts ballast in,--een ballast van zand dat over bakboord

geslagen was en het schip op zijde hield. Aan dezen kant viel er dus

niets te redden.

"Niemand hier!" zei kapitein Hull.

"Niemand," antwoordde de leerling, na zich naar het voorste gedeelte

van het ruim begeven te hebben.

Maar de hond, die op het dek was, bleef altijd blaffen en scheen nog

dringender de aandacht van den kapitein op zich te willen vestigen.

"Laat ons weer naar boven gaan," zei kapitein Hull tot den leerling.

Beiden verschenen weder aan dek.

De hond liep op hen toe en trachtte hen naar de dekhut mee te voeren.

Zij volgden hem.

Daar lagen vijf lichamen,--vijf lijken zeker,--op den vloer

uitgestrekt.

Bij het daglicht dat door den koekoek naar binnen stroomde, herkende

kapitein de lijken van vijf negers.

Dick Sand, die van het eene lijk naar het andere liep, meende op te

merken dat de ongelukkigen nog ademhaalden.

"Naar boord, naar boord!" riep kapitein Hull.

De twee matrozen, die de boot bewaakten, werden nu geroepen en hielpen

hen de schipbreukelingen uit de dekhut te brengen.

Dit geschiedde niet zonder moeite; maar na een paar minuten waren

toch de vijf zwarten in de boot overgebracht, zonder dat een hunner

slechts het geringste teeken van bewustzijn gaf. Eenige druppels van

een hartsterkend middel, daarna een weinig koud water, voorzichtig

toegediend, kon hen misschien in het leven terugroepen.

De _Pelgrim_ bleef tot op een halve kabellengte van het wrak af,

zoodat de boot het schip weldra bereikt had.

Dadelijk werd er een gording van de groote ra afgehaakt waaraan

de negers een voor een opgeheschen en op het dek van den _Pelgrim_

neergevlijd werden.

De hond had hen vergezeld.

"Die ongelukkigen!" riep Mevr. Weldon uit, bij het zien van die

arme menschen.

"Ze leven, mevrouw Weldon! We zullen hen redden! Ja, we zullen ze

redden!" riep Dick Sand uit.

"Wat is er toch met hen gebeurd?" vroeg neef Benedictus.

"Wacht totdat ze kunnen spreken," antwoordde kapitein Hull, "en ze

zullen ons hun geschiedenis vertellen. Maar laten we hun dadelijk

wat water geven, waarbij we een druppel of wat rum zullen voegen."

"Negoro!" riep hij toen.

Bij het hooren van dien naam richtte de hond zich op, met opgeheven

kop en geopenden muil.

Intusschen kwam de kok niet te voorschijn.

"Negoro!" riep kapitein Hull nogmaals.

Wederom gaf de hond teekenen eener buitengewone woede.

Negoro verliet de kombuis.

Nauwelijks had hij zich op het dek vertoond of de hond vloog op hem

aan en wilde hem naar de keel springen.

De kok echter had zich met een pook gewapend en sloeg daarmede het

dier terug dat door eenige matrozen in bedwang werd gehouden.

"Ken je dien hond?" vroeg kapitein Hull den kok.

"Ik!" antwoordde Negoro, "'k heb hem nooit gezien!"

"Dat is iets vreemds!" mompelde Dick Sand.

VIERDE HOOFDSTUK.

DE OVERLEVENDEN VAN DE "WALDECK".

Een Kapitein van Vijftien Jaar De Walvischjagers · 第 1 / 16 段