Kunnende met recht gezegd worden dat zij zig voor den wandelaar als een
aardsch paradijs opdoen; waar hij de oogen ook heen sla, overal lacht
het aangenaamste groen hem toe: de dorpen zijn indedaad eene ter
wederzijde met huizen, of boerenwooningen bebouwde allée van
wilgenboomen, van de belendene landen, door smalle en heldere
wegslooten afgescheiden, zijnde meestal den zoom der gezegde landen ter
rechterhand, mede met een rij zulke boomen beplant, waardoor men
derhalven van die zijde bestendig eene dubbele rij boomen heeft; de
bewoonde erven aan wederzijden liggen mede meest allen in ’t groen
geboomte, en hebben hunne moes- en bloem-tuinen: nabij de kerken, zijn
de getimmertens wel het meeste in behoorelijke orde; daar geen
wooningen staan, wordt het oog verrukt door de heerelijkste weilanden,
of de aangenaamste bebouwde akkers; ziet men ter linker zijde, (van
Loenen af gerekend,) verder heen, dan wordt men gestreeld, door het
gezicht van de bebouwde Gooische heide, (aangenaamst als de boekweit
bloeit, of het goudgeel graan op de bevalligste wijze golft;) vooral
aan dien kant alwaar men op Hilversum en deszelfs bebouwde omtrek ziet:
het jagthuis van den Heere Van Loon, waarvan wij in onze beschrijving
van ’t gezegde dorp, (zie bladz. 15) gesproken hebben, maakt, van hier
gezien, ook eene aangenaame vertooning: in de Oude Loosdrecht, doch
eigenlijk niet algemeen in het dorp, maar meest op den zogenaamden
Veendijk, zijnde eene waterkeering, ziet men ter eene zijde niet dan
uitgeveende plassen, en overal stapels gedekte turf, terwijl aan den
anderen kant, eene lange rij meer en min gevulde turfschuuren staat; om
welke reden men ook aldaar met geen brandende tabakspijp voorbij mag
gaan, op de boete van drie guldens: deeze schuuren bevatten dikwijls
een capitaal van veele duizenden: in dit gedeelte van Oud-Loosdrecht
wordt de aandacht van den wandelaar, zo hij zijne wandeling niet op
een’ zondag doet, bezig gehouden met het baggeren, of verder bereiden
van de turf, aan den eenen kant; en aan den anderen met het inbrengen
of uithaalen van dezelve in of uit de schuuren; met één woord niemand
zal ’t zig beklaagen de beide Loosdrechten een bezoek gegeven te
hebben.
Men verzekert dat zij van den dom te Utrecht af gezien, zig als een
digte, langwerpige bosschaadje vertoon.
Oud-Loosdrecht ligt voords ten noorden aan Kortenhoef (in de Provincie
Utrecht) en meer oostwaards aan ’s Graaveland, (in de Provincie
Holland;) ten oosten heeft het, langs een kromme bogt, het gerecht van
Hilversum, tot aan Tienhoven, en Breukelenveen; ten oosten paalt de
Oude Loosdrecht, met Loenderveen, Oudover en Muieveld [21], aan Loenen,
vanwaar ze door de Vecht wordt gescheiden: „In deeze strekking”, leest
men te recht in den Tegenwoordigen Staat van Holland, „maaken de
Loosdrechten een zeer langwerpigen bogt, die van binnen aan de
westzijde voor het grootste gedeelte is uitgeveend, zo dat er niet
anders dan smalle akkers of strooken lands zijn overgelaten, die nog
jaarlijks uitgeveend worden.”