BEZIGHEDEN.

Deezen bestaan voornaamlijk in de weverijen—vóór het jaar 1766 werden

hier meestal lakenweverijen gevonden, die voor rekening liepen van

Amsteldamsche Kooplieden, dan thans zijn dezelve geheel vervallen—de

ingezetenen zijn niet onvernuftig in het uitvinden, van dat geen ’t

welk tot hun bestaan dienen kan; bijzonder houdt men zig thans op met

het weeven van zogenaamd Hilversumsch wit en gestreept—sinds eenige

jaaren is men ook hier met goed succes begonnen met het weeven van

gang-kleeden en karpetten, welke fabriek meer en meer toeneemt—ook

vindt men hier een fabriek van Doorniksche kleeden, en Schotsche

tapijten, waar mede de gebroeders Reijn niet weinig roems behaald

hebben, terwijl de Oeconomische Tak van Haarlem, tot aanmoediging,

eerst per el, ’t welk gedebiteerd werd, twee stuivers, daar na één

stuiver geschonken hebben, het geen binnen weinige jaaren eene somma

van meer dan drie duizend gulden bedragen heeft—welke fabriek tot nog

toe met goed gevolg aan den gang is; als mede die van éénen Petrus

Haan, die sinds 2 a 3 jaaren dezelve fabriek begonnen, en ook voorleden

jaar in de vergadering van den Oeconomische tak niet weinig roems

behaald heeft—men telt hier 76 fabrikeurs, en men rekent dat er ruim

500 getouwen aan den gang zijn—in meer dan ééne droevige omstandigheid

van ons dierbaar Vaderland, waarin elders fabrieken kwijnden, zijn de

Hilversumsche fabrieken boven anderen voorspoedig gegaan, dan, indien

het oorlog nog lange moet blijven voordduuren, is er reden om te

vreezen, dat dezelve ook wel rasch aan het kwijnen geraaken zullen; en

hier door zoude niet alleen deeze plaats, maar ook eenige omliggende,

eenen gevoeligen slag worden toegebragt, terwijl te Amersfoort voor die

van Hilversum, veel wol gesponnen wordt, in de omliggende Dorpen

katoen, en bijzonder te Laaren het hair, waarom ook van daar bijna

ieder dag een vrachtwagen komt, waarmede de specie gehaald, en het

afgewerkte t’huis gebragt wordt—men vindt hier ook aan het einde der

Gooische vaart een loojerij, die niet onvoorspoedig is—verder telt men

hier 60 a 70 boerderijen.

De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8) · 第 269 / 455 题