VOORRECHTEN.

De Hilversumsche gemeente verkiest zelve haaren Leeraar——de regeerende

Kerkenraad, vereenigd met de laatst afgegaane Ouderling en Diacon,

formeert een twaalftal, en daar uit een nominatie van vier Predikanten,

uit welk viertal, door de mans ledemaaten, in de kerk daar toe

bijeenvergaderd, eenen nieuwen Leeraar verkozen wordt——of men de

zogenaamde Buurtspraaken, ook als een bijzonder voorrecht kan

aanmerken, kan niet zeker gezegd worden, maar dit weeten wij uit

onderscheidene aantekeningen, die daarvan ter deezer plaatse nog

voorhanden zijn, dat voortijds in gewigtige gevallen, vooral dan

wanneer het op de kasse des Dorps aankwam, ’t zij door den Bailluw, ’t

zij door de Buurtmeesters, het volk geraadpleegd werd, hoe daar in te

handelen, terwijl de gemeente zonder onderscheid van godsdienst, in de

kerk werd bijeenvergaderd, waarin de zaak voorgesteld en met

meerderheid van stemmen daar omtrent gehandeld wierd.

Eindelijk moeten wij hier nog melding maaken van het voorrecht der

Hilversummers op het stuk der Erfgoojers, (zie onze beschrijving van

Laaren:) de Hilversumsche meent of weide ligt aan de Noordzijde van ’s

Graaveland, is groot, gelijk wij boven zeiden, circa 500 morgen, door

de runderpest, welke weleer zo streng hier te land woedde, was dezelve

in merkelijk verval geraakt, dan thans is dezelve in een veel beteren

staat, terwijl men daar op niet zelden 600 beesten telt, ’t geen een

beter inkomen tot onderhoud oplevert——ieder erfgoojer, hier woonende,

heeft het recht daar op te mogen brengen 5 koejen, en een paard, en

voor ieder beest, betaalen zij, alle onkosten door elkanderen gerekend,

twee guldens——volgends resolutie op Stad en Landen genomen, hebben de

Hilversummers, tot herstelling van hunne in vorige jaaren zo vervallen

meente, de vrijheid, om van de inwooners der andere Gooische Dorpen,

doch Erfgoojers zijnde, jaarlijks eenige veersen en pinken aanteneemen.

Over deeze meent zijn gesteld twee Schaarmeesters, die, terwijl hier

een molen op deeze meent gevonden wordt, ook wel Molenmeesters genoemd

worden—deeze menschen hebben het opzicht over de molen, merken het vee,

’t welk op de meent gebragt wordt, en ontvangen de penningen, waarvan

zij jaarlijks voor de Regeering des Dorps verantwoording doen moeten.

Verder heeft men hier 4 Bekeurders, die vooral het opzicht hebben over

de gemeene gronden, om wel toetezien, dat hiervan door niemand eenig

misbruik gemaakt worde: oudtijds werden deeze menschen boschbewaarders

genoemd, onder welke benaaming zij nog jaarlijks worden aangesteld,

zekerlijk om dat zij in vorige eeuwen het opzicht gehad hebben over een

zeker bosch, gelegen tusschen de bouwlanden van Hilversum en de landen

van Maartensdijk, het welk geschat wordt groot geweest te zijn 314

morgen; doch welk bosch bijna geheel reeds verdweenen was, in het begin

der zeventiende eeuw———zonderling is het, dat thans hiervan geen

overblijfsel meer gevonden wordt, echter heeft de landstreek, die

tegenwoordig bergachtig en met heide begroeid is, nog den naam van

Goojerbosch behouden.

De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8) · 第 268 / 455 题