Deezen vinden wij, voor zoo veel het vroegere gedeelte daarvan betreft,
kortlijk dus beschreven: „In de tweespalt, tusschen Holland en
Gelderland, terwijl Filips van Oostenrijk, nu Koning van Spanje
geworden, naar Duitschland gereisd was, deed Hertog Karel van Egmond,
die zijnen eisch op Gelderland levendig hield, in den jaare 1505, eenen
inval in Gooiland, en verbrandde het dorp Hilversum, zonder dat hij
echter groote buit van de inwooneren kreeg, alzo dezelven met alle
hunne goederen weggevlugt waren.”
„Het jaar 1672 was mede voor dit dorp zeer ongelukkig; in het laatst
van de maand September, werd het door de Franschen geheel en al
uitgeplonderd, en alles wat zij niet konden wegneemen, vernield.”
Wat de laatere geschiedenis des dorps betreft, deeze is niet minder
ongelukkig: op den eersten mai 1725 ontstond te Hilversum een zwaaren
brand, waar door meer dan 50 huizen in de assche gelegd werden—dan, dit
alles was nog weinig bij de ramp, welke deeze plaats in het jaar 1766
door den brand geleden heeft—het was op den 25 junij van het gemelde
jaar, ’s namiddags tusschen een en twee uuren, dat dees geweldige brand
eenen aanvang nam, en, ’t geen opmerkelijk is, juist in het zelfde
huis, waarin de voorige brand ontstaan was, waarin thans een Joodsche
Vleeschhouwer woonde; één van zijne huisgenooten, zegt men, had de
onvoorzichtigheid gehad, om eenen aschpot met vuur te digt bij
brandbaare stof of hooi te zetten——weldra was alles in beweeging, om,
ware het mogelijk, den brand in deszelfs beginselen te stuiten; dan
eene sterke oostenwind op eene langduurende droogte volgdende,
verijdelde alle de pogingen der werkzaame ingezetenen—het vuur werd met
een ongelooflijk geweld door de lucht heen gevoerd, ’t geen als een
regen op de huizen nederviel, en daardoor dezelve, die toen meest allen
in het dorp met riet gedekt waren, zelfs op eenen verren afstand,
weldra in vlam zettede, zodat veelen van hun, welke, geen gevaar voor
hunne eigene wooningen vreezende, en die tot hulpe van anderen waren
toegeschooten, spoedig de droevige tijding ontvingen, dat ook hunne
woningen door de vlam waren aangestoken——binnen weinig uuren waren meer
dan 150 huizen, en een aantal schuuren, gevuld met koorn en andere
goederen, behalven het raadhuis, de pastorij, ’t schoolhuis, en de
kerk, waarin eenige ingezetenen hunne goederen geborgen hadden, doch
die ook een prooi der vlamme werden, in de assche gelegd: allerakeligst
was de toestand der ingezetenen; van alles beroofd zworven zij als
raadeloos tusschen de puinhoopen van hunne ingestorte wooningen door:
duizenden lieden van de omliggende plaatsen, maar vooral van Amsteldam,
zakten derwaards om het jammerlijk tooneel van verwoesting in
oogenschouw te neemen, niet alleen, maar ook om de geruïneerde
inwooners, ieder naar zijn vermogen, met eene gifte te vertroosten; en
zo ergens, ter dier plaatse, en in die allerjammerlijkste
omstandigheid, heeft de Barmhartigheid haare hand in zegening geopend;
want de meeste inwooners waren van geheel hunne bezittingen en middelen
van bestaan beroofd.
Niet lang na deezen brand, werden eenigen uit de Regeering van
Hilversum afgezonden, om bij Hun Ed. Gr. Mog. verlof te verzoeken tot
het doen eener collecte, welke gedeputeerden zig naar den Prins
Erfstadhouder begaven, om zijne hooge intercessie in deezen te
verzoeken, ’t welk hun door Zijn Doorl. Hoogheid niet alleen terstond
beloofd werd, maar daar en boven ontvingen zij van Zijne Hoogheid, tot
ondersteuning der ongelukkige ingezetenen, de somma van duizend
ducaaten—weldra kreeg men verlof, om zig te mogen vervoegen aan de
Regeeringen in de Steden en Dorpen, tot het verzoeken van vrijheid om
eene collecte te doen, ’t geen bijna overal zeer wel geslaagd is: in
Amsteldam alleen werd gecollecteerd ƒ 54605–19–2; in de gantsche
provincie van Holland, bragt de collecte op eene somma van ƒ
100739–5–0; in de provincie Utrecht collecteerde men zamen ƒ 7560–:–14,
dit gevoegd bij de voorgaande somme, bedroeg de generale collecte ƒ
108299–6–8: niet weinig hielp zekerlijk zulk een aanmerkelijke som, dan
dezelve was echter niet toereikende tot eene volkomene vergoeding der
schade, terwijl ieder, welke met eene beëedigde verklaring zijn verlies
moest opgeven, en van de collecte profiteeren wilde, van elken gulden
omtrent zes stuivers en zes penningen ontvangen heeft: gelukkig
intusschen dat de zulken zig niet alleen verbinden moesten tot de
opbouwing van hunne afgebrande woningen, maar ook dat hunne huizen,
volgends de resolutie van gecomm. Raaden, met pannen gedekt moesten
worden: eene wijze voorzorg voorzeker! daar tog de ondervinding in het
jaar 1766 te Hilversum geleerd heeft, hoe de brand, doordien de meeste
huizen met riet gedekt waren, niet te blusschen was, en men integendeel
ten dien tijde sommige huizen, waaronder zelfs het koepeltjen der
pastorij, om dat zij met pannen gedekt waren, schoon zij van alle
zijden als omringd waren van de vlam, heeft kunnen behouden.
Verder wierd de Regeering van Hilversum tot opbouw der publieke
gebouwen, nog toegelegd door hun Ed. Gr. Mog. gelijk wij verneemen uit
het geestlijk comptoir, eene somma van tien duizend guldens—terwijl
daarteboven de Heeren Staaten van Holland en Westvriesland vrijdom
vergunden, van ordinaire en extraordinaire verpondingen van de
afgebrande huizen, voor den tijd van 20 jaaren, als mede van den impost
op de grove waaren en rondemaat, van de materialen, welken niet alleen
tot den opbouw van de kerk, pastorij, school en rechthuis, maar ook van
de afgebrande huizen zouden worden gebruikt.
Onbegrijpelijk is het dat zulke beklaagenswaardige gebeurtenissen, die
zeker op het platte land van onze Republiek niet zeldzaam zijn, (immers
hebben wij binnen weinige jaaren, de dorpen Westmaas en Amstelveen,
door den geessel des vuurs kort na elkander allerjammerlijkst zien
teisteren?) ’t is onbegrijpelijk, zeggen wij dat dergelijke
gebeurtenissen nog niet kunnen doen besluiten tot het daarstellen van
reddingsmiddelen, in zulke gevallen alleen dienstig zijnde, als een
behoorelijke voorraad van water, en een toereikend getal van
brandspuiten—elders in ons werk hebben wij daartoe, naar ons oordeel,
den besten raad aan den hand gegeven, dan, wij hebben het genoegen nog
niet mogen hebben dat dezelve ingevolgd is, althans niet in het
voornaamste gedeelte daarvan; wel zijn op het eene en andere dorp,
meerdere en betere brandspuiten aangelegd; maar nog nergens heeft men
voorraad van water aangeschaft; dit nu aanwezig zijnde, zal men niet
ligtlijk weder een geheel dorp, of het grootste gedeelte deszelven,
door het vuur zien verteeren; immers is zulks zelden, of liever nooit,
het lot der steden? een voorbeeld daarvan verstrekt het digtbebouwd
Amsteldam; hoe zeer geheel de stad als maar één eenige wooning schijne
te weezen, zo dat er meestal tusschen huis en huis, zelfs de lucht niet
kan doordringen, wordt echter, hoe zwaar een’ brand er ook moge
ontstaan, nooit meer dan het erf waarop het ongeluk voorvalt, door het
vuur verteerd; en dit zoude ook op het platte land gebeuren, ware het
dat men de benoodigde middelen daartoe aanschafte: wat Amsteldam
aangaat; treffender voorbeeld, ten bewijze van ons gestelde, zoude niet
aangevoerd kunnen worden, dan dat van den overal bekenden eisselijken
brand in den Hollandschen Schouwburg; ene oceaan van vuur, geweldiger
dan ergens bij menschen geheugen heeft plaats gehad, was echter niet
vermogend om de aangevoerde en te werk gestelde brandspuiten te
overheerschen; de werking van deezen triumpheerde op het geweld des
vuurs, tot zo verre, dat volstrekt geen van de belendene huizen,
waarvan de Schouwburg echter rondsom geheel digt omgeven was, een prooi
der vlamme werd; de schouwburg, ja, brandde ten gronden toe af, maar
niet meer!
In de jongstledene beroerten heeft Hilversum mede zijn deel gehad; ook
hier heeft men Pruissisch krijgsvolk gekregen: eerst rukte de
avantgarde aan: men zegt, dat even voor derzelver intrek, door een van
het genootschap van Wapenhandel ’t welk ook hier gevonden werdt, of
door eenen anderen, geschoten was, en dat dit ten gevolge had dat de
Pruissen, dit gehoord hebbende, hierom op drie huizen der voornaamste,
die zeer voor den wapenhandel ijverden, aanvielen, welke huizen weldra
met de goederen die daarin gevonden werden, grootlijks werden vernield:
hier op volgde omtrent 5000 man, zo kavallerij als infanterij, onder
commando van den Grave van Van Lottum, welk krijgsvolk, zo lang Naarden
zig nog niet had overgegeeven, niet ver van Trompenberg zig gelegerd
had, zijnde het hoofdkwartier aan het einde der Gooische vaart; na de
overgaaf van Naarden, zijn een groot aantal Pruissische soldaaten bij
de burgers, geduurende eenige weeken, geinquartierd geweest.
Verder gedragen zig de ingezetenen, hoe zeer in denkbeelden
verschillende, zeer wèl.