Wanneer Muiden gesticht zij, is niet te bepaalen, alzo het van een
visschers dorp of vlek, tot den rang der steden verheven is:
onbetwistbaar is het intusschen dat men deeze stad den toenaam van
grijs of oud mag geeven; want in den jaare 953 wordt reeds van dezelve
gewaagd.
Wat de grootte betreft, vòòr den jaare 1632 vinden wij er 146 huizen
voor aangetekend; en honderd jaaren laater, telde men er 205; anderen
geeven er negen minder op, naamlijk slechts 196: de verpondingen welken
dezelven opbrengen, beloopen weinig meer dan zeven honderd guldens.
Behalven wegens de gemelde groote sluis, is Muiden onder de sterke
steden van Nederland te plaatsen: het heeft drie van boven open
poorten; behalven de zogenaamde Sortiepoorten van het beruchte slot, ’t
welke aldaar gevonden wordt, (hier van nader;) de vestingwerken der
stad zijn zodanig dat men dezelve weerbaar mag noemen, en weleer wilde
men dat Muiden, behoorelijk versterkt, en met tweeduizend man bezet,
geen hond in of uit de stad zoude kunnen komen: in den beginne der
zestiende eeuw, getuigt men, had Muiden noch poorten noch muuren;
daarna heeft het beiden gekregen, en van tijd tot tijd is het noodig
bevonden om ’t steedjen te versterken, en de versterking te verbeteren,
vooral ook het slot: in 1629, toen de Spanjaarden in de Veluwe
stroopten, was men desaangaande met ernst bedacht, echter is tot de
daad zelve geen besluit genomen; in onze jongstledene troublen, toen
menig dapper patriot naar Muiden getrokken is, om zijn hoofd voor de
zaak, die toen van dien kant gedreven werd, ten pande te stellen, is
het steedjen in volkomenen staat van tegenweer gebragt, schoon het zig
aan de Pruissen heeft moeten overgeeven.
’T WAPEN
Is een blaauw veld, met een zilveren dwarsbalk er door.