NAAMSOORSPRONG.

Diemermeir wordt dit verrukkelijk oord genoemd, om dat het nabij Diemen

ligt; doch de oorsprong van den naam Watergraftsmeir is geheel onzeker;

wij zouden echter met sommigen eene bedenking kunnen maaken over de

mogelijkheid, of niet het water van deeze Meir eerst bestaan heeft in

een graft, die door de overstrooming tot een Meir is aangegroeid,

waardoor voor den naam van Watergrafts-meir, dat is de Meir, die weleer

slechts een graft, een watergraft was, eenen oorspronk zoude gevonden

weezen. Hoe het hier mede zij, dit is zeker dat de waterplas, vóór de

bedijking, groot genoeg geweest is, en ook diepte genoeg gehad heeft om

met oorlogschepen bevaren te kunnen worden: niet ten onpasse wordt ten

bewijze daarvan het volgende bijgebragt: „Omtrent den jaare 1508,” zegt

men, „in den Gelderschen oorlog, die Hertog Karel tegen de Hollanders

voerde, na den dood van Filips van Oostenrijk, verweerden zig die van

Amsteldam, uit eene schans bij de IJpe-sloot, weleer een buurt, daar

het Nieuwe diep de landen sedert heeft overstroomd; deeze schans werd

gedekt door verscheidene schepen, op het IJ, en één op de Diemer-Meir;

waardoor de Gelderschen genoodzaakt werden aftewijken—en dergelijk

middel van galeiën op de Meir,” vervolgt men, „met onderstand van

schepen op het IJ, verdreef ook, in den jaare 1573, het volk van

Sonnoij, het welk den Diemerdijk bemagtigd had, om Haarlem te verligten

en Amsteldam, ’t welk toen de Spaansche zijde hield, te benaauwen; doch

deeze benden werden zelven benaauwd, en een wakkere tegenstand konde

haar niet bevrijden van den hongersnood door het missen van toevoer,

waarom zij de opgeworpene schans bij IJpe-sloot moesten verlaaten.”

De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8) · 第 136 / 455 题