De aanleg deezer Meir moet zekerlijk gebragt worden op den tijd haarer
bedijking, en droogmaaking: reeds vóór gezegde bedijking was de plas
een eigendom van Burgemeesteren van Amsteldam, „die in den jaare 1624,”
dus luidt de beschrijving desaangaande: „met kennis en goedvinden van
den Raad der stad, besloten deeze Meir te bedijken, en tot land te
maaken; waartoe zij, in den zelfden jaare, octrooi van de Staaten van
Holland en Westfriesland verkregen, met vele vrijdommen, die gemeenlijk
bij dergelijke onderneemingen worden vergund: dit octrooi werd in den
jaare 1626 uitgebreid, door de vergunningen van de landen, kaden,
wegen, als anderszins, ’t welk tot de bedijking nodig was van de
eigenaars te mogen overneemen: volgends deeze octroojen, werd het werk
der bedijking en droogmaaking tot stand gebragt, en de Meir was droog
in den jaare 1629,” weshalven de aanleg van dit verrukkelijke oord moet
gesteld worden tusschen 1624 en 1629: Burgemeesteren van Amsteldam
verkochten ook aanstonds de drooggemaakte landen, die naderhand, op de
31 julij des jaars 1631, gekaveld, en dus bij kavelingen van tien
morgen, aan de koopers toegedeeld werden; en ten opzichte van die
landen welken langs den ringmuur liggen, met eene toegift van omtrent
één morgen, voor het oude land, aan den voorigen zoom van de Meir.
Wat de grootte van dit Amstels paradijs betreft, de dijk waarin
hetzelve begrepen is, gemeenlijk de ringdijk genaamd, heeft eenen
omtrek van 2500 roeden, en is rondsom, behalven aan den Amstel en het
Nieuwe-diep, omvangen van eene bekwaame ringsloot, waarvan de
visscherij aan de stad Amsteldam behoort, doch Burgemeesteren van die
stad, zijn gewoon dit recht aan Dijkgraaven en Heemraaden der Meir,
voor een zekere somme gelds in ’t jaar, ten behoeve dier plaatse, in
pacht te laaten, die dit water in verscheidene parten weder aan
visschers verhuuren.
Verder vinden wij wegens de grootte der Meir het volgende aangetekend:
„Bij het kavelen der landen in de Meir, werden 705 morgen lands
uitgegeven; waarvan echter maar 662 morgen 301¾ roeden in de omslagen
en gemeene lasten gelden: Burgemeesteren behielden alleen 30 morgen ten
behoeve der stad Amsteldam, en uit dien hoofde het recht om als
Hoofdingelanden zitting te hebben, tot het hooren van de jaarlijksche
rekeningen, en te helpen beraadslaagen en besluiten over zaaken, die ’t
Heemraadschap betreffen.”
De aanleg is zeer regelmaatig geschiedt; de grond in zijn geheel is
kruiswijs doorsneden, met twee breede gemeene wegen, waardoor de Meir
in vier deelen gedeeld wordt: de voornaamste deezer doorsneden is de
Middenweg, langs welke verscheidene lantaarns, tot gerief van de
bewooneren en de reizigers geplaatst zijn; er staan ook lantaarns langs
den Ringdijk van de Schulpbrug tot aan het Rechthuis; de gezegde
schoone breede laan, loopt van de Outewaaler, of zogenaamde Tolbrug,
naar de Hartsvelder of Diemer-brug; gezegde Outewaaler-brug, draagt den
naam van Tolbrug, om dat op dezelve een tolhek staat, aan ’t welke voor
ieder Rijtuigen, een paard of hoornbeest, enz. dat er overgaat, iet
moet betaald worden. Voor de schaapen betaalt men geen tol.
De kruisweg, die den middenweg omtrent het midden doorsnijdt, begint
aan het zandpad over den grooten Duivendrechtschen polder, en eindigt
aan het Nieuwe-diep: beide deeze hoofdlaanen zijn grootendeels met
opgaande ijpen- en linde-boomen beplant, die een schoon sieraad geeven,
door de netheid waarmede zij onderhouden worden; „Verscheidene laanen,”
dus luidt eene beknopte beschrijving deezer Meir, welke beschrijving
echter veeleer nog te flaauw is dan dat zij eene onwaarheid zoude
bevatten; „(Verscheidene laanen,) vermeerderen den luister deezer
bedijking; de Schagerlaan is eene der aanzienlijksten, en heeft eenen
rijweg naar de midden- en kruis-weg; zij strekt voor eene aangenaame
wandeling onder het lommer der net geschorene ijpen-boomen, ter
wederzijde van den weg, tot verlustiging van de wandelaaren die hier in
den zomer menigvuldig zijn; de andere der voornaamste laanen die er
gevonden worden zijn de Paauwenlaan, de Groene- of Burghorst-laan, en
de Klooster- of Schulp-laan, die echter geenen doortogt hebben: alle
deeze laanen en wegen, pronken met aangenaame tuinen, en deftige
lusthoven, waarvan veele der landhuizen elkander in pracht trotseeren;
ook wordt de bekoorelijkheid vermeerderd door de verscheidenheid der
gezichten over de vruchtbaare weilanden, en net beplante moestuinen,
terwijl het oor in de lente gestreeld wordt, door ’t gezang der schelle
nachtegaalen, die in deeze oord bijzonder haaren zetel verkozen
hebben.” Zegt dan de zoetvloejende Willink wel te veel, wanneer hij van
deeze Meir dus zingt:
Zie hier het groene Diemermeir,
Met al zijn hoven, al zijn tuinen,
Hier over ’t veerijk veld, zo zeer
Verheft zijn hooggestegen kruinen;
Het ruime meir dat, prat en fier,
Zijn hollen boezem ziet ontslagen
Van ’t zeenat, dat, met woest getier,
Zijn ouden erfgrond zit te knaagen,
Door dijken veilig afgeweerd,
Op dat geen vloed zijn welvaart deert.
Verrukkend Meir, dat ieder wenkt
En nodigt op uw hofbanketten,
Waarmeê ge uw minnaars voedt en drenkt,
Zo mild en rijklijk voortezetten,
Gij lokt, gij trekt mij derwaards aan,
Om door uw breede en groene dreeven,
Naar uwe ruime maliebaan,
Langs veld en hoven heen te streeven,
Bij ’t klinken van het zoet geluid,
Van ’t nachtegaalen orgelfluit.
Aan iederen toegang tot de Meir, als ook aan het nieuwe diep en bij de
kruislaan, aan het zandpad of de weespervaart, is een wachthuis
geplaatst, tot verblijf der nachtwachten; voorheen werd door hen ronde
gedaan, doch dit is sinds verscheidene jaaren niet meer in gebruik: er
houden nu in ieder wachthuis twee man, en alzo tien zamen post; in den
zomer van negen uuren des avonds, en ’s winters van half negen uuren,
tot ’s morgens een half uur na het openen der poorten te Amsteldam:
voords is ieder nachtwacht met een geladen geweer, een rondstok, en een
hond gewapend. Er wordt in de Meir ook een goede brandspuit
onderhouden, ten dienste van welke de inwooners verpligt zijn, ten ware
zij voor het ontslag van dien dienst betaalen.
Het getal der huizen, waaronder met recht gezegd wordt, dat veele
deftige en aanzienlijke landhuizen behooren, werdt in den jaare 1730
bepaald, op 227; dit getal is merkelijk verminderd, om dat sinds eenige
jaaren verscheidene aanzienlijke buitenplaatsen gesloopt, en tot wei-
of warmoesiers-land gemaakt zijn: deeze huizen worden bewoond, indien
men er de gezinnen welken op de buitenplaatsen den zomer komen
doorbrengen, bij telt, door 250 huisgezinnen; de eigenlijke bewooners
der Meir, schat men op een tal van 500, de dienstboden daaronder niet
begrepen: deezen zijn nagenoeg voor de helft den Gereformeerden
Godsdienst toegedaan, die te Diemen of te Amsteldam ter kerke gaan; de
overige bewooners zijn van den Roomschen Godsdienst, (uitgezonderd
eenige weinige Lutherschen,) behoorende voor een gedeelte onder Diemen,
een gedeelte te Amsteldam, en het overige onder de kerk op het
Hoedemaakerspad.