Deezer bekoorelijke plaats, kan gezegd worden te zijn, ten noorden aan
den Outewaaler polder, ten oosten, en gedeeltelijk ten zuiden aan de
banne van Diemen, en verder ten zuiden aan de Duivendrechtsche polder,
in de banne van Ouderkerk; ten westen wordt zij door den Amstelstroom
afgescheiden van de rechtbanne van Amstelveen—zo vermaaklijk als de
Meir zelve is, zo vermaaklijk zijn ook de wegen derwaards, van
Amsteldam af; deezen zijn naamlijk, een langs de rivier de Amstel
voornoemd, tot op een vierde uurs, of omtrent 400 roeden van de stads
cingel, alwaar de zogenaamde Schulpbrug ligt, en de ringdijk waarin de
Meir besloten is, zijn begin neemt; hetzelfde pad vervolgende, naamlijk
langs den Weesperweg, komt men aan het begin van den Kruisweg der Meir,
alwaar men derhalven ook daarin kan komen: de andere weg, die de
Oudewaaler weg geheten wordt, ligt op meer dan een vierde minder ver
van de stad af, naamlijk buiten de Muiderpoort, en is een zeer
vermaaklijke weg, aan wederzijde beplant met boomen; aan den eenen kant
is een genoegzaam breed pad voor de wandelaars door een tweede rei
boomen afgebakend, welk pad weleer zeer zindelijk onderhouden werd met
smids koolen; nog was in vroegere jaaren tusschen gezegde boomen, eene
heining van haagedoorn geplant, die, vooral als zij bloeide, eene zeer
aangenaame vertooning maakte; ook waren de bestuurders der Meir tot zo
verre daarmede vooringenomen, (en niet zonder reden,) dat op zondag, en
vooral op hoogtijdsdagen, met naame hemelvaartsdag, een oppasser langs
dezelve ging, om, (wegens de bij zulks gelegenheid ongemeenen toevloed
van wandelaars,) alle baldaadigheden te voorkomen; doch sedert is die
cieraad der Meir geheel te niet gegaan, zo dat men thans, dat hoogst te
beklaagen is, niets meer van die haag ontmoet.—Zie verder ons artijkel
aanleg en grootte.
De grond van deeze droogmaak, is ongemeen vet en vruchtbaar, men heeft
er de schoonste wei- en warmoes-landen: de landen liggen ter diepte van
14 voeten beneden het buitenwater, zo dat het overige polderwater, ter
hoogte van 15 voeten, moet worden opgemalen: tot in den jaare 1743,
geschiedde zulks met vier watermolens, welken elkander het water
toemaalden, doch ten gemelden jaare, of daaromtrent, gaf zekere
Anthonij de Jong, Koopman te Amsteldam, aan Dijkgraaf en Heemraaden van
de Meir, een middel aan de hand om het gezegde opmaalen te doen met
slechts twee molens, mits de schepladen uit dezelven te ligten, en
zijne nieuw uitgevondene en geoctrooieerde waterschijven in derzelver
plaatse te stellen, waarvan hij eene proef, ten zijnen koste, aan bood:
dit werd toegestaan, en na dat men, den gehelen winter door dezelve in
’t werk gesteld, en aan de verwachting beantwoordende bevonden had,
besloot het collegie van Dijkgraaf en Heemraaden, een beding met
gemelden uitvinder, en zijnen medestander Huibert Ketelaar, te maaken;
om de Meir met twee schijfmolens te bemaalen en droog te houden;
waartoe hij in de herfst van den jaare 1744, moest gereed weezen: deeze
overeenkomst heeft sedert, zelfs boven verwachting, aan het oogmerk
beantwoord; blijkens twee getuigschriften, een de dato 13 Mei des jaars
1745, en een van den 25 Mei 1747: „Beiden deeze molens,” leezen wij,
„op eenen behoorelijken afstand geschikt, doen niet alleen het werk van
de voorige vier molens; maar geraken ook met den minsten wind aan den
gang, en slaan het water met veel gemak, uit, in den gemeenen boezem
van Amstelland; zij blijven zelfs in den hardsten vorst doormaalen, en
zijn instaat de Meir, vroegtijdig, van het overtollig water te
ontlasten:” het gemak dat deeze molens, behalven de vermindering van
kosten, aanbrengen, verdient, naar onze gedachte, alle mogelijke lof,
en navolging.