Deeze bestaat voor zo veel Amstelveen zelf aangaat, uit den Balliuw,
Schout en zeven Schepenen: eene Ambachtsheerlijkheid van Amsteldam
zijnde, is er ook eene Ambachtsheer over gesteld, die de zaaken, het
Ambacht bijzonderlijk betreffende waarneemt; bestaande de crimineele
rechtbank aldaar eigenlijk uit Bailluw en Schepenen voornoemd; welke
eerstgemelde ook Bailluw van Amstelland is.
Tot het bestuur der Polderzaaken, wordt volgends octrooi van keizer
Karel den Vijfden, dato 31 December 1520, een Dijkgraaf- en
Hoog-Heemraadschap opgericht, dat met en benevens het Gerecht van
Amstelveen het opzicht zoude hebben, over de dijken, bruggen,
dijkslooten en andere polderwerken; volgends deeze handvest, zouden van
de vijf Landrijksten, vier Heemraaden, en de oudste dier vijf, tot
Dijkgraaf verkoozen worden: de Keizer noemde hen Dijkgraaf en Heemraden
van de Landen en Dorpen van Amstelveen, doch hedendaags noemt men dat
Collegie Dijkgraaf en Heemraaden van Nieuwer-Amstel; het aanstellen van
dat opzicht is zijne geboorte verschuldigd aan de klagten die eenigen
der Landrijksten bij den Keizer inbragten, daarover dat de vloeden der
Zuiderzee, dagelijks aanwiessen, en die van het sticht van Utrecht
hunne wateren ook dagelijks door molens uitwierpen, en deeden loopen op
de landen van Amstelveen, waardoor de opgezetenen aldaar, indien er
niet in voorzien werd, scheenen te zullen bedorven worden, en ten
eeuwigsten dage verloren blijven, verzoekende derhalven dat hetzelve
door het aanstellen van het bovengemelde Collegie, om desaangaande de
noodige voorzorgen te doen neemen, mogt voorgekomen worden; de Keizer
het gewigt deezer klagten inziende, willigde hun verzoek in.
De verkiezing van deeze Dijkgraaf en Heemraaden geschiedde weleer door
de Rekenkamer der Graaflijkheids Domeinen, doch thans geschiedt het
door Gecommitteerde Raaden van de Staaten van Holland, op aanschrijving
van Burgemeesteren van Amsteldam.