KERKLIJKE GEBOUWEN.

Onder deezen kunnen geene anderen geteld worden dan de Kerk zelve, het

Diaconie-Weeshuis, en ’t algemeene Armehuis; in het Diaconie-Weeshuis

zijn niet meer dan twintig kinderen, en weinige oude lieden, en het

Armehuis is in tweeën gescheiden; zijnde het voorste gedeelte ten

dienste der Gereformeerden, en het achterste voor de Roomschen en

Lutherschen, als mede voor de oude lieden van beide gezindheden: voor

het Armehuis leest men:

Den armen wees tot nut, bragt men dit huis tot stand,

Den ouden tot een stut, in Nieuwer Amstelland.

Boven den ingang van het Diaconiehuis staan de volgende woorden in een

vierkanten steen uitgehouwen: „Door de weldaadigheid van Nieuweramstel

en Amsteldam, is dit Diaconie Weeshuis gebouwd, in het jaar 1765.

„De Heere houdt de Weezen en Weduwen staande: Ps. 126 vs. 9.”

Weleer stond boven de poort of ingang, naast het zelve huis nog een

versjen, ’t welk door ’t schilderen daarvoor van daan geraakt is: dus

luidde het:

De liefde omhelst ’t verlaten weesken alhier,

Om z’in haar schoot te voên en te onderwijzen,

Verkwikt, versterkt met wijs bestier,

De Oude, Arme, en afgewerkte grijzen:

O Amstelland! wie roemt en volgt u niet,

Als men dit huis met zijn bewooners ziet!

De Kerk staat op een bemuurd kerkhof, dat met schoon geboomte beplant

is; het gebouw pronkt met een aartig spits torentjen, waarin slag en

uurwerk is: onder de weinige sieraadjen van binnen munt zeer uit het

eeregraf van den beroemden Nederlandschen Dichter, Johan van

Broekhuizen, zijner nagedachtenisse geschonken door den Wel Ed. Heer,

Mr. Abraham Calkoen, Heer van Kortenhoef, ten tijde der oprichting

(1767) Baljuw en Dijkgraaf van Amstelland, naderhand Hoofdofficier der

Stad Amsteldam: hetzelve bestaat in eene aloude lijkbus van blaauw

arduinsteen, rustende op een dergelijk voetstuk, voor hetwelk een

Latijnsch vers van den Hoogleeraar Burman, op een wit marmer tafreel is

uitgehouwen, zijnde van deezen inhoud:

„Ter gedachtenisse van

Johan van Broekhuizen,

Overleden in het Jaar 1707.

„Gij alle die de Dichtkunst en Wapenoefening bemint, strooit

lauren, mirten en veil op dit gewijde graf: Broekhuizen, wiens

gedichten die van Propertius evenaarten, ligt hier in de

Amstelveensche Kerk begraven; op dat hij ruste in dien zelfden

oord, waarin hij, ontslagen van zijne krijgsamten, die hij met

eere bekleed had, zig, in stilte, met geleerde oefeningen bezig

gehouden heeft: de erkentenis die men aan zijnen asch, waarvoor

men zo schandelijk verzuimd had eenig gedenkteken opterichten,

na zestig jaaren verloops, de verschuldigde eer bewijst, hebbe

haaren verdienden lof, en verstrekke ten treffelijken voorbeelde

voor de dankbaare nakomelingschap; doch schoon dit grafteken,

gelijk alle anderen, zelfs zulken die uit het kostbaar marmer

gehouwen zijn, eindelijk vergaan moet, zullen nogthans de werken

van zo groot eenen geest alleen zijnen naam onstervelijk maaken.”

Tot genoegen van onze Leezers, maar voornaamlijk tot genoegen van de

bewooners van Amstelveen, zullen wij hier eene kleine schets van de

levensbeschrijving diens voortreffelijken mans bijvoegen; ’t kan

gezegde bewooners tog niet onverschillig zijn te weeten wie hij

eigenlijk was die verdiend heeft, dat hun Kerkjen met zijn eereteken

pronkt.

Johan van Broekhuizen, was dan een Amsteldammer, ter dier stede geboren

den 20 November des jaars 1649; de zoon van een Hoedestoffeerder, die

daarna ook klerk ter Secretarij van de Admiraliteit aldaar was; zijne

moeder Eva Vos, was aan de aanzienlijke geslachten van Witsen en Hudde,

vermaagschapt: Broekhuizen werd van jongs af der studie toegewijd;

maakte groote vorderingen in de geleerde taalen, en betoonde al vroeg

eene ongemeene zucht voor de dichtkunde der Latijnen; en deeze zucht

was in onzen dichter zelfs zo brandend, dat hij, meer dan vijftig

versen, in die taale gedicht, slechts één maal gehoord hebbende,

dezelven van buiten kende; inderdaad een doorslaand bewijs van eene

wonderbaare natuurgaaf, die zo vermaaklijk als in andere gevallen,

(doch voor den dichter altoos hoogstwenschlijk,) lastig is; want

Broekhuizen kon met geene mogelijkheid de regelen der Logica, eene

drooge schoolsche studie, in zijn geheugen prenten; leevende

voorbeelden zouden den man van ondervinding van deeze waarheid meer dan

hij verlangde overtuigen: zo geheugt het mij, toen ik lessen in de

Wiskunst gaf, meermaals leerlingen gehad te hebben, die uitmuntten in

allerleie werken van genie, als daar is het maaken van tooneelspellen,

en zamenstellen van romans, dat deezen, spijt alle mijne aangewende

moeite, geen denkbeeld van eene rekening van proportie, of zogenaamde

regel van drieën konden verkrijgen.

Van de schoole gekomen zijnde, besteedde zijn Oom, die hem na den dood

zijns Vaders, tot tweeden Vader verstrekte, hem in een Apotheek, waarin

hij eenige jaaren doorbragt, zonder echter de dichtkunde van zijne

geliefde Latijnen te vergeeten: deeze slaafsche verbinding konde hem,

zeer natuurlijk, niet lang behagen; hij kreeg er tegenzin in, en begaf

zig tot een vrijer leven, tot den krijgsdienst naamlijk, waarin hij

welhaast tot den rang van Vendrig bevorderd werd; hoe zou ook een

lievelingskind der Natuur in allerleie standen geene bevordering

verkrijgen! intusschen vergat hij zijne waarde Latijnen niet; ook niet

toen hij vervolgends onder den dapperen De Ruiter, een togt ter zee

deed, of toen hij, in 1673, in zijne geboortestad, Lieutenant werd over

een Vendel van de stads bezetting: behalven dat woonde hij verscheidene

veldtogten in Duitschland en de Nederlanden bij: hij zettede zig, na

het sluiten van den vrede te Nijmegen, met er woon te Utrecht neder, en

gaf zig aldaar geheel aan de boekoefening over: van daar kwam hij te

Amsteldam, en had het geluk zijne studie voordtezetten in gezelschap

van zijne beroemde tijdgenooten de Heeren Hulst, Huijdecooper, Heinck,

Geelvink, en anderen: Burgemeester Hudde bezorgde hem de

Capiteinsplaats van één der Vendelen van meergemelde stads bezetting:

toen na het sluiten van den Rijswijkschen vrede, dat Vendel afgedankt

werd, verkoos onze Broekhuizen een aangenaam buitenverblijf, onder het

gebied van Amstelveen ter wooning, alwaar hij bij aanhoudendheid van de

voornaamste Geleerden bezocht werd, en zijne studiën met onvermoeiden

vlijt voordzettede; na lang gesukkeld te hebben, overleed hij aldaar

den 15 van Wintermaand des jaars 1707, en werd op den vijfden dag na

zijn overlijden, in gevolge van zijnen laatsten wil, in de Kerk te

Amstelveen begraven.—Wat zijn arbeid betreft, Propertius en Tibullus,

zijn fraai door hem verbeterd, in ’t licht gegeven, als mede de

gedichten van Sanesarius en anderen: zijne eigene Latijnsche poëzij is

door den beroemden David van Hoogstraaten in den jaare 1711 ter persse

bezorgd, en weinige jaaren daarna ook zijne Nederduitsche gedichten,

voor welken ’t verhaal van ’s dichters leven geplaatst is: kort na zijn

overlijden deed de Hoogleeraar P. Burman eene redevoering daarop

toepasselijk: welke eere ’s mans nagedachtenis is aangedaan, hebben wij

boven gezien.

Het Kerkjen is gesticht in den jaare 1594, heeft geen orgel, en is de

eenigste die in de banne van Amstelveen gevonden wordt; ofschoon zij

bijna 1100 ledemaaten kan tellen: daarentegen zijn er op het zelfde

grondgebied wel vier Roomsche Kerken; een van dezelve staat op den

Amstelveenschen Weg, tusschen den Overtoom, en de Kalfjeslaan, die geen

van de kleinste is, een mooi orgel heeft, en door twee Pastoors bediend

wordt: hij bevat onder zig wel 800 ledemaaten, behalven de menigte van

vreemdelingen, welken des zomers aldaar ter Kerke gaan.

De eerste Predikant op dit dorp is (1586) geweest Gerard Pauli, zijnde

hetzelve alstoen gecombineerd met Ouderkerk, doch in 1588 is die

combinatie gescheiden—voor eenige jaaren heeft de zonderlinge Leeraar

van der Zouw, door zijne wijze van den volke het Euangelium te

verkondigen, dit dorp geen gering voordeel aangebragt, door de menigte

van stedelingen, en omliggende bewooners, welken hem kwamen hooren

prediken; zijn toon en wijze van verhandelen waren even zonderling;

dikwijls brak hij zijne reden af, om de in- en uitgaande menigte te

zeggen dat zij minder opschudding moesten maaken; om te zeggen dat men

deezen of geenen vermoeiden boêr, welke te weinig begrips van zijne

verklaaring konde maaken, en dien hij derhalven in de slaap gepredikt

had, optewekken; om aan den koster te klaagen dat de zon, door de

kerkglazen schijnende, hem geweldig hinderden, en dat derhalven de

glasgordijnen toegeschoven moesten worden; om bij het verschijnen van

een of ander gezelschap welgeklede lieden, uitteroepen: „Kijk, kijk!

daar komen weêr Amsteldammers aan! maar met geen hart, hongerende en

dorstende naar de geestelijke spijs en drank des Euangeliums,” of iet

dergelijks—’t geheugt mij zijn Wel Eerwaarden eens het gebod der Wet,

Gij en zult niet steelen, te hebben hooren verklaaren, en hem in die

verklaaring hooren stellen, dat alle menschen, van wat staat en stand,

van wat ouderdom, dieven waren; zijn Weleerwaarde begon bij de

kinderen, die zig niet zelden schuldig maaken, zeide hij, aan het

steelen van een appel of peer—tot de Diakens der Kerke gekomen zijnde,

dacht ik, de Leeraar zoude evenwel deezen uit zijn algemeen vonnis

uitsluiten, maar neen! zijn hoofd naar derzelver gewoone plaats in de

Kerk keerende, schreeuwde zijn Wel Eerwaarde uit: Er wordt niet anders

als koperen munt in ’t zakjen gevonden! hij liet de uitlegging van de

betekenis der woorden aan Diakenen zelven over, en ging voord met zijne

rol van dieven verder afteleezen.

Van de Wereldlijke Gebouwen, Amstelveen betreffende, daar het

Rechthuis, even als dat op alle andere dorpen, niets bijzonders heeft,

des juist niet in den rang van gebouwen geplaatst kan worden, hebben

wij geene aantekeningen te maaken, niet anders als dat hetzelve een

stads gebouw is; geapproprieerd tot eene wooning voor den Officier, met

eenen grooten tuin daar achter, waar voor de Officier voornoemd

jaarlijks eene zekere somme aan de stad Amsteldam moet opbrengen: het

gebouw heeft anders geen aanzien als dat het in zijn gevel pronkt met

het wapen van Amsteldam: om de drie weeken wordt er, donderdags,

rechtdag gehouden.

De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8) · 第 86 / 455 题