Deeze is in Amstelland, en kan bepaalder gezegd worden te zijn, drie
uuren gaans beoosten Haarlem, agt uuren ten noordoosten van Leiden, en
even zo veele uuren ten noordwesten van Utrecht, op een laagen, weeken,
moerassigen veengrond, die echter onderscheidene beddingen heeft:
sommigen willen dat de lucht er ongezond is, echter zijn er naar
evenredigheid geen meer zieken, of sterven er geen meer menschen dan in
eenige andere stad van Nederland: men heeft er zekerlijk gebrek aan
zoet water, (ofschoon ’t er weleer, vóór het verwijden der zeegaten,
geweest zij,) doch het wordt er ten dienste der brouwers, en der
verdere ingezetenen, bij overvloed van Weesp ingevoerd, door middel van
groote waterschuiten; ook zijn alle de huizen van regenbakken voorzien,
en zijn er bovendien sedert eenige weinige jaaren, van stads wege, op
de markten en opene pleinen groote bakken aangelegd, die bestendig vol
zoet water gehouden worden, met welk aanleggen, men nog werkelijk
voordgaat, zo dat voortaan, het gebrek aan drinkbaar water, (een gebrek
dat ter deezer stede bij koude winters al vrij nijpende plag te
weezen,) niet meer te duchten is.
Aan de noordzijde wordt de stad bespoeld door het beroemde IJ: de
breede rivier de Amstel loopt midden door de stad, en deelt dezelve in
twee deelen, de oude en nieuwe zijde genaamd: voords is de stad alomme
doorsneden met aanzienlijke, minder breede, en ook veele zeer smalle
graften, waarin ten bedwang van het veele water, verscheidene
schutsluizen liggen; er zijn ook veele zwaare buitensluizen, waardoor
het land, rondsom de stad, onder water gezet kan worden: over het
geheel draagt Amstelland met alle recht den eernaam van wereldberoemde
Koopstad: C. Huijgens, heeft van haar wel mogen zeggen,
Hoe komt gij, gulden veen! aan Hemels overdaad?
Pakhuis van Oost en West! heel water en heel straat!
Tweemaal Venetie, waar’s ’t eind van uwe wallen?
Zeg meer: zeg, vreemdeling! zeg liever niet met allen:
Roem Romen, prijs Parijs, kraai Cairo’s heerlijkheid,
Die dieplijkst van mij zwijgt, heeft allerbest gezeid.
Aan alle zijden, uitgenomen aan den IJ-kant, is de stad omgeven met
eene breede watergracht, hechten en hoogen muur, en verdere wallen, in
welken zes-en-twintig wèl geregelde en bemuurde bolwerken gelegd zijn:
rondsom de stad liggen ook een goed aantal batterijen, van fraai
geschut voorzien: in den gezegden muur zijn vijf groote en drie kleine
poorten: de eerstgemelden zijn de Haarlemmer poort, de Leidsche, de
Utrechtsche, de Weesper en de Muiderpoort; de kleinen, die alleenlijk
openingen in den muur genaamd mogen worden, zijn het Zaagpoortjen, het
Raam- en het Weterings-poortjen.