Europa’s wonderstad, aan ’t breede Scheeprijk IJ,
Schatkamer van geheel de zeven Nederlanden,
Der kunsten kweekschool, en Vorstin der Zeevaardij,
Die de armen steeds bedeelt met nooit gesloten handen:
Europa’s wonderstad, is ’t roemrijk Amsteldam,
Dat uit een Visschersbuurt zijn eerst beginsel nam.
Niet zonder huivering slaan wij de hand aan eene beschrijving, die, om
volledig genaamd te mogen worden, eenige zwaare boekdeelen kan beslaan,
daar wij om aan den aart van ons werk te voldoen, slechts weinige
bladzijden daartoe durven voor ons neemen; wij zullen derhalven alles
slechts kunnen aanstippen, en evenwel behoort dat aanstippen op zodanig
eene wijze te geschieden, dat de reiziger daaraan genoeg hebbe, om
Amsteldam, met de behoorelijke voorloopige kennis van hetzelve, te gaan
bezoeken—wij hebben hier derhalven de toegeevendheid van onze kundige
leezers noodig, en ofschoon de hoop op dezelve ons niet tot zo verre
kunne bemoedigen, dat wij onze huivering daardoor zouden gevoelen
verdwijnen, streelt ons echter de gezegde hoop genoeg, om rustig te
beginnen: