Een sledevaart het Noorden in.
Meleese had hem lief—Meleese had zijn hoofd in haar armen genomen en
hem gekust—dat was de eenige, de verterende gedachte, die Howland's
brein vervulde, toen zij hem gebonden en met een prop in den mond in
de sneeuw achterliet. In den beginne bevreemdde het hem, dat zij geen
poging had gedaan om hem te bevrijden. Hij voelde nog de teedere
aanraking van haar lippen, den druk van haar armen, de zachte warmte van
haar lokken. Het was eerst toen er opnieuw geluiden naderden, dat hij
tot het volle besef kwam van het geheimzinnige in heel dit gebeuren. Hij
vernam allereerst het knarsen van een toboggan op de harde ijskorst,
vervolgens een druk getrappel van hondepooten en ten slotte ook
menschenstemmen. Een pas of twaalf van hem af, hielden die geluiden op.
Het was met een vreemde gewaarwording, dat hij de stem van Croisset
herkende.
„Pas op, dat je je niet vergist,” hoorde hij den half-ras zeggen. „Je
gaat naar den waterval aan de bovenzijde van het meer en gooit daar
een rotsblok naar omlaag op een punt, waar het water open is en woest
opspuit. Je maakt een spoor in de sneeuw met de hooge laarzen van
M'sieur Howland en je hangt zijn hoed aan de takken van de struiken
boven den afgrond. Dan vertel je den superintendent, dat M'sieur
waarschijnlijk op dat rotsblok is gestapt, dat het onder hem uit zal
zijn gegleden en hem waarschijnlijk zal hebben meegesleurd in de
diepte. Zijn lichaam wordt nooit gevonden en het kamp vraagt om een
nieuwen ingenieur in plaats van M'sieur, die verdwenen is.”
Buiten zichzelf van afgrijzen, spande Howland zijn ooren in om nog meer
op te vangen van het wreede plan, maar de stemmen werden zachter en hij
kon niet langer verstaan wat er gezegd werd, totdat Croisset naderbij
komend, weer zei:
„Vóór je weggaat, moet je me helpen met den M'sieur, Jackpine. Hij is
erg zwaar met al die riemen en touwen.”
Croisset en de Indiaan kwamen nu uit de struiken en namen—onverschillig
als gold het een boomstronk—Howland bij het hoofd en de voeten om hem
naar het pad te dragen, waar zij hem languit op een slee legden.
„Ik hoop, dat ge geen koû hebt gevat, M'sieur, terwijl ge daar in de
sneeuw laagt,” zei Croisset, hoofd en schouders van den ingenieur goed
instoppend en een massa pelswerk over hem heen schikkend. „We hadden al
eerder terug moeten zijn, maar dat lukte niet. Hup-la, Woonga!” riep hij
zacht tegen den voorsten hond. „Sta toch op, halve wolf, die je bent!”
Toen de slee afreed met Croisset dravend naast den eersten hond van
zijn span, hoorde Howland achter zich een zwak zweepgeklap en ook een
andere stem, die andere honden aanzette. Met een poging waarbij hij zich
bijkans den hals verdraaide, wist hij zich zóó ver om te werken, dat hij
achter zich kon zien. Op een honderd yards afstand bemerkte hij een
tweede slede, die hun spoor volgde; hij zag heel flauw een gedaante aan
het hoofd van de honden loopen, maar wat of wie er in de slede zat en
wat die beteekende—daarvan had hij zelfs geen vermoeden. Gedurende vele
mijlen ging het nu zonder ophouden voort. Croisset keek niet om; er kwam
geen syllabe over zijn lippen, behalve af en toe een aansporing aan het
adres van de honden. Het Pad ging lijnrecht het Noorden in; aldra kon
Howland het niet meer volgen, maar hij merkte op, dat zij door de minst
dichte gedeelten van het oerwoud kwamen en dat de poolster nooit rechts
of links van hem, maar altijd vóór hem stond.
Zij hadden op die wijze al uren lang voortgereisd, toen Croisset op
eens een luiden schreeuw uitte tegen de slee, die achter hen aankwam en
tegelijkertijd de zijne inhield. Als één hijgende massa vielen de honden
in de sneeuw en terwijl de vermoeide dieren uitrustten, nam de half-ras
zijn gevangene het stuk geitenhuid uit den mond, dat als prop had
gediend.
„Ge moogt nu vrij spreken, M'sieur en schreeuwen zooveel ge maar wilt,”
zei hij. „Als ik uw zakken heb geïnspecteerd, zal ik uw handen vrij
maken en dan kunt ge rooken. Ligt ge gemakkelijk?”
„Naar de hel—met je gemakkelijk!” waren de eerste woorden, die Howland
over de lippen kwamen en zijn bloed kookte om de vriendschappelijke
manier, waarop Croisset tegen hem grinnikte. „Zoo—dus je hoort er ook
bij—hè? net als dat meisje met al haar leugens!”
De glimlach verdween van Croisset's gelaat.
„Meent ge, Meleese, M'sieur Howland?”
„Ja.”
Croisset boog zich en zijn zwarte oogen glinsterden als vurige kolen.
„Weet ge wat ik zou doen, als ik in haar plaats was, M'sieur?” zei hij
met een stem, die zacht klonk, maar die tegelijkertijd zóó dreigend
was, dat de ingenieur de hartstochtelijke woorden, die hem op de lippen
lagen, liever maar vóór zich hield. „Weet ge wat ik zou doen? Ik zou u
dood maken—u duim voor duim dood maken—ik zou u dood martelen. Dat zou
ik!”
„Maar om Gods wil, Croisset, zeg mij dan toch waarom—waarom—”
Intusschen had Croisset het pistool van Howland gevonden en weggenomen
en diens handen bevrijd; de ingenieur hief die smeekend op.
„Ik zou mijn leven willen geven voor dat meisje, Croisset. Ik heb het
haar daar ginds al gezegd en zij is bij mij gekomen, toen ik in de
sneeuw lag en toen—” Hij hield zich in en voegde er alleen nog aan
toe: „Er moet hier een misverstand in het spel zijn, Croisset. Ik ben
niet de man, dien zij willen dooden.”
Croisset keek hem weer aan met een glimlach.
„Rook maar, M'sieur—en denk eens goed na. Het is me onmogelijk te
zeggen, waarom ge dood moet—maar zelf zult ge dat allicht weten, tenzij
uw geheugen nog minder is dan dat van een pasgeboren kind.”
Hij ging nu naar de honden en bracht die door zweepgeklap weer op de
been. Toen Howland van die gelegenheid gebruik maakte om nog eens achter
zich te kijken, zag hij op de plek waar de tweede slee had halt
gehouden, het schijnsel van een helder vuur en kwam er van ver weg uit
de duisternis een mannestem, die Croisset in het Fransch iets toeriep.
„Hij zegt, dat ik maar alleen verder met u moet doorgaan,” zei Croisset,
nadat hij op de enkele woorden, die gesproken werden, had geantwoord in
een patois, waarvan Howland niet het minste begreep. „Zij komen later
weer bij ons.”
„Zij!” riep Howland. „Hoeveel mannen zijn er dan noodig om mij dood te
maken, mijn beste Croisset?”
De half-ras boog zich glimlachend over hem heen.
„Ik zou liever de Heilige Maagd danken voor hun bijzijn,” zei hij zacht.
„Zoo ge behalve op den hemel nog op iets anders hoopt, laat het dan zijn
op wat in de slee daar achter ons zit!”
Daarop weer naar zijn honden gaand, verschikte hij iets aan het tuig van
den voorsten en intusschen keek Howland nog eens om naar de plek in het
donkere woud, die door het vuur werd verlicht. Hij zag duidelijk een
man, die hout in den gloed wierp en iets verder op, verscholen in de
diepe schaduw van de boomen, een vage opeenhooping van honden om een
slee. Hij spande zich in om nog meer te ontdekken en nu zag hij eenige
beweging achter den man bij het vuur. Zijn hart sprong op met een
plotselinge opwelling van vreugde. Maar tegelijkertijd hoorde hij achter
zich een luiden uitroep in het Fransch van Croisset—klaarblijkelijk een
waarschuwingskreet, want dadelijk trok die tweede gedaante zich nog
verder terug. Intusschen—Howland had haar herkend en het bijna bevrozen
bloed in zijn aderen herkreeg nieuwe levenskracht, nu hij de zekerheid
had, dat het Meleese was, die op de tweede slee achter hen aankwam.
„Als je weer van plan bent om zoo te gillen, verzoek ik je om me vooruit
te waarschuwen, Jean,” zei hij koeltjes, als had hij de gestalte niet
herkend, die een oogenblik in het licht van het vuur was verschenen.
„Het is genoeg om iemand een schrik op het lijf te jagen!”
„Dat is onze manier van afscheid nemen, M'sieur,” antwoordde Croisset
met een geweldigen klap van zijn zweep. „Hup-la, vooruit jelui!” riep
hij tegen de honden en een oogenblik later was heel het vuur uit hun
gezicht verdwenen.
In den noordelijken winter breekt de dageraad omstreeks acht uur aan
en hier boven den vijftigsten breedtegraad begint het eerste rosse
schijnsel van de zon tegen negen uur den zuid-oostelijken hemel te
verwarmen. Die gloed scheen al geruimen tijd op de wouden vóór Croisset
zijn span opnieuw tot stilstaan bracht. Twee uur lang had hij geen woord
tegen den gevangene gesproken en na verscheidene vergeefsche pogingen
om het zwijgen van zijn metgezel te verbreken, had ook Howland zich in
stilte gehuld. Eerst toen hij zijn vermoeide honden verzorgd had, begon
Croisset te spreken.
„We zullen hier een paar uur halt houden,” legde hij uit. „Als ge me op
uw woord van eer belooft, dat ge geen moeite zult doen om te ontsnappen,
dan zal ik u het gebruik van uw beenen toestaan tot na ons ontbijt,
M'sieur. Wat zegt ge daarvan?”
„Hou je er een bijbel op na, Croisset?”
„Neen, M'sieur, maar ik heb een kruis van de Heilige Moeder Gods, dat de
zendeling te York Factory me gegeven heeft.”
„Dan zal ik daarop zweren, wat ik op alle kruisen en alle bijbels van de
wereld wil zweren—namelijk, dat ik geen enkele poging zal doen om te
ontsnappen. Ik ben letterlijk lam, Croisset. Ik zou nog in geen week
kunnen loopen!”
Croisset zocht in zijn zakken.
„_Mon Dieu!_” riep hij, „zou ik het verloren hebben?—O neen, daar
bedenk ik me, M'sieur, dat ik het kruisje aan mijn Mariane heb gegeven,
vóórdat ik naar het Zuiden trok. Uw woord is mij genoeg.”
„En wie is die Mariane, Jean? En zal zij ook tegenwoordig zijn bij het
„halali!””
„Mariane is mijn vrouw, M'sieur. _Ah, ma belle Mariane, ma chérie!_—Zij
is de dochter van een Indiaansche prinses en de kleindochter van een
_chef de bataillon_, M'sieur! Wat zou ik meer kunnen wenschen?—en mooi,
M'sieur?!—Zij heeft haar als de bovenzijde van een ravenvleugel, die
door de zon wordt beschenen en—”
„Je houdt veel van haar, Jean?”
„Ja, ik houd veel van haar en ook veel van de Heilige Moeder Gods—maar
toch altijd nog een beetje meer van haar.”
Croisset had intusschen het touw om de beenen van den ingenieur
losgewikkeld en toen hij de oogen ophief, zag hij hoe deze de handen
naar hem uitstak en die op zijn schouders legde.
„En op juist diezelfde wijze houd ik van Meleese,” zei Howland zacht.
„Jean, wil je mijn vriend zijn? Ik zal geen moeite doen om te vluchten.
Ik ben geen lafaard. Denk eens wat Mariane zou doen. Wil je mijn vriend
zijn? Jij zou, zoo noodig, voor Mariane willen sterven. En ik zou in den
dood willen gaan voor het meisje daar achter ons op die slede.”
Hij was met moeite op zijn voeten gestrompeld en wees naar de wouden,
waar doorheen zij gekomen waren.
„Ik zag haar bij het schijnsel van het vuur, Jean. Waarom volgt zij ons?
Waarom toch willen zij mij doodmaken? Als je me maar in de gelegenheid
stelde om te bewijzen, dat het een vergissing is—dat ik—”
Croisset greep zijn hand.
„M'sieur, ik zou u graag willen helpen,” viel hij den ingenieur in de
rede. „Ik ben dadelijk van u gaan houden op den avond, toen wij samen
terugkwamen van dat gevecht op het Pad. En sedert ben ik van u blijven
houden. En toch—als ik in hun plaats was, zou ik u dooden, hoeveel ik
ook van u houd. Het is hun dure plicht om u te dooden. Zij begingen geen
onrecht, toen zij u in de coyote opsloten. Zij begingen geen onrecht,
toen zij beproefden u op het Pad te dooden. Maar ik heb plechtig
gezworen, dat ik u niets zal vertellen; niets—behalve dit: zoo lang ik
bij u ben en zoo lang die slee achter ons is, loopt uw leven geen
gevaar. Meer zeg ik niet.—Hebt ge honger, M'sieur?”
„Wolvenhonger!” luidde het antwoord van Howland.
Hij trachtte een pas of wat voorwaarts te doen in de sneeuw, maar
de verdooving in zijn beenen noodzaakte hem om zich vast te houden
aan boomen en struiken, wilde hij niet vallen. Hij was verbaasd over
Croisset's woorden en nog meer over diens verzekering, dat zijn leven
zich niet langer in onmiddellijk gevaar bevond. Meleese had hem dus niet
alleen gewaarschuwd, zij werkte zelfs mee om hem te beschermen. Die
gevolgtrekking vermeerderde nog zijn verwarring. Wie toch was het jonge
meisje, dat hem enkele uren te voren in de macht van zijn vijanden had
gelokt en dat nu voor hem streed? Die vraag had thans voor hem een nog
zooveel diepere beteekenis dan een paar dagen geleden te Prince Albert
en toen Croisset hem riep om bij het kampvuur te komen ontbijten, kon
hij zich niet weerhouden om het verboden onderwerp nog eenmaal aan te
roeren.
„Jean, ik wil het je niet moeilijk maken,” zei hij, zich op de slee
neerzettend, „maar er zijn een paar dingen, waar ik het mijne van moet
hebben. Ik geloof, dat die Meleese van jou een slechte vrouw is!”
Croisset liep onmiddellijk in de val, die Howland hem stelde. Hij boog
zich iets voorover, zijn hand trilde op het mes, zijn oogen schoten
vuur. Onwillekeurig week de ingenieur terug voor die half-dierlijke
houding en voor den zwaren toorn, die met elk oogenblik duidelijker te
lezen viel op het gelaat van den half-ras. Intusschen bleven Croisset's
woorden zacht en kalm—ook terwijl schouders en armen zich strekten als
de woudkat, wanneer zij op het punt staat om haar sprong te nemen.
„M'sieur, dat mag niemand ter wereld van mijn Mariane zeggen en evenmin
van Meleese. Daar ginds”—en hij wees naar het Noorden—„ken ik wel
honderd mannen tusschen de Athabasca en de baai, die u zouden willen
dooden, alleen om wat gij daareven gezegd hebt. En hier is het Jean
Croisset, die het niet verdraagt. Ik maak u dood, als ge het niet
terugneemt.”
„Groote God!” riep Howland, Croisset recht in de oogen ziend—„ik ben
blij, dat het zoo is, Jean.—Begrijp je me dan niet, kerel? Ik heb haar
lief en natuurlijk meende ik allerminst wat ik daareven zei: Ook ik zou
voor haar willen dood maken, Jean. Ik zei het alleen maar om te weten te
komen, wat jij zou doen—”
Langzaam kwam Croisset weer tot zichzelf en een zwakke glimlach teekende
zich om zijn dunne lippen.
„Als het een grap is geweest, dan was het een leelijke, M'sieur.”
„Het was geen grap!” riep Howland. „Het was een ernstige poging van
mijn kant om je zóó ver te krijgen, dat je me wat van Meleese vertelde.
Luister eens, Jean,—zij zei mij daar ginds, dat er niets was, wat mijn
liefde voor haar in den weg stond en toen ik gebonden en met een prop in
den mond in de sneeuw lag, is zij bij mij gekomen en heeft zij mij
gekust. Ik begrijp niet—”
Haastig viel Croisset hem in de rede.
„Deed zij dat werkelijk, M'sieur?”
„Ik zweer het.”
„Dan zijt ge wel heel gelukkig!” zei Jean zacht, „want ik verzeker u bij
mijn hoop op een zalig hiernamaals, dat zij dat nooit eer voor een man
heeft gedaan, M'sieur. Maar het zal ook nooit weer gebeuren.”
„Ik geloof integendeel, dat dit wèl het geval zal zijn, Jean, tenzij
jelui me dood maakt.”
„En ik zal niet aarzelen om u dood te maken, wanneer gij meent, dat het
opnieuw zou kunnen gebeuren. En ook zijn er anderen, die u zouden willen
dooden, alleen al omdat het één keer gebeurd is. Maar ge moet er niet
meer over praten, M'sieur. Als ge er mee voortgaat, zal ik u het leer
weer op den mond moeten leggen.”
„En als ik me daartegen verzet—en vecht?”
„Ge hebt me uw eerewoord gegeven. Hier in de diepe sneeuw van het
Noorden geldt woord houden voor de eerste wet. Komt ge die niet na, dan
maak ik u dood.”
„Groote God! ik moet zeggen, je bent een jolige reismakker!” riep
Howland, onwillekeurig lachend. „Weet je wel, Croisset, dat deze heele
toestand evenveel van een comedie als van een tragedie heeft? Ik moet
een uiterst gewichtig personage zijn, wie dan ook. Vraag me eens wie ik
eigenlijk ben, Croisset.”
„Wie zijt ge, M'sieur?”
„Dat weet ik niet, Jean. Neen, ik weet het waarachtig niet. Ik dacht,
dat ik een heel eerzuchtig broekje was, lid van een groote technische
vennootschap te Chicago. Maar dat heb ik waarschijnlijk gedroomd.
Een gekke droom, nietwaar? Ik dacht, dat ik hier was gekomen om
een spoorweg te bouwen door deze vervl..kte—neen, ik meen prachtige
sneeuwvelden—maar mijn geest was zeker beneveld. Heb je wel eens van
krankzinnigengestichten gehoord, Croisset? Bevind ik me misschien in
een groot steenen gebouw met ijzeren tralies voor de ramen en ben jij
mijn oppasser, die gekomen is om me wat bezig te houden? Het is heel
vriendelijk van je, Croisset en ik hoop, dat ik te eeniger tijd mijn
geestvermogens tenminste in zóóverre terug zal krijgen, dat ik je
fatsoenlijk zal kunnen bedanken. Misschien word jij op een goeden dag
ook nog gek, Jean en ga jij ook droomen van jonge meisjes en spoorwegen
en wouden en sneeuwvelden—en dan zal ik jouw oppasser zijn.—Wil je een
sigaar? Ik heb er net nog twee.”
„_Mon Dieu!_” hijgde Jean. „Ja, M'sieur, ik wil wel graag rooken. Is het
rendiergebraad zoo naar uw zin?”
„En òf! Ik heb geen hap gegeten, sedert ik jaren geleden droomde, dat ik
op een kist met dynamiet zat, die op het punt was van in de lucht te
vliegen. Heb jij ooit op een kist met dynamiet gezeten, Jean, die op het
punt was in de lucht te vliegen?”
„Neen, M'sieur, maar dat moet wel heel naar zijn!”
„Dat was de droom, die mijn haar wit maakte, Jean. Zie eens hoe wit het
is! Witter dan de sneeuw—”
Onder het eten bleef Croisset zijn gevangene met angstigen blik opnemen,
totdat Howland, het bemerkend, in een luid gelach uitbarstte.
„Wees maar niet bang, Jean,” zei hij kalmeerend. „Ik ben onschadelijk.
Maar ik verzeker je, dat ik wild zal worden, tenzij er gauw iets heel
rationeels gebeurt.—Hallo! denk je al zóó gauw weer verder te gaan?”
„Onmiddellijk, M'sieur!” antwoordde Croisset, de honden al aanzettend.
„Wilt ge loopen en draven of rijden?”
„Liever loopen en draven, als je er niet op tegen hebt.”
„Best, M'sieur, maar bij de geringste poging om te ontsnappen, schiet ik
u dood. Stel u rechts van de honden, op één lijn met mij. Ik neem dezen
kant.”
Van dat oogenblik af, totdat Croisset op den middag weer halt hield,
bleef Howland telkens uitkijken of hij de tweede slee niet ontdekte;
maar steeds tevergeefs. Ook waagde hij nog één keer om het verboden
onderwerp aan te roeren; als eenig antwoord haalde Croisset de schouders
op en gaf hij den ingenieur een blik, die genoeg was om dezen verder te
doen zwijgen. Toen de reis na den tweeden maaltijd werd voortgezet,
bemerkte Howland, die af en toe op zijn kompas keek, dat het Pad zich
langzamerhand een weinig naar het Oosten wendde. Lang vóór de schemering
viel, zag hij zich door volslagen uitputting gedwongen om weer op de
slee te gaan liggen. Croisset daarentegen leek onvermoeid; hij leidde
bij het schijnsel van de eerste sterren en van een nog rood getinte maan
zijn vermoeid span steeds verder, totdat zij ten laatste stilhielden op
den top van een heuvel. Van hier af strekte een onmetelijke vlakte zich,
zoo ver het oog in de witte duisternis reikte, in noordoostelijke
richting uit.
„We gaan maar een klein eindje verder, M'sieur,” zei de half-ras. „Ik
moet het leer weer op uw mond leggen en den riem weer om uw handen
doen. Het spijt me—maar ik zal uw beenen vrij laten.”
„Dank je,” zei Howland. „Maar het is wezenlijk overbodig, Croisset. Ik
zal me maar neerleggen bij het feit, dat het noodlot besloten is om dit
interessante balspel met mijn persoon tot het einde toe uit te spelen en
daar ik niet langer weet, waar ik me bevind, wil ik je graag beloven,
dat ik niets ergers zal doen dan mijn pijp te rooken, wanneer je me wilt
toestaan om vreedzaam naast je te loopen.”
Croisset aarzelde.
„Zult ge geen poging doen om te ontvluchten—en zult ge uw mond houden?”
vroeg hij.
„Ja.”
Jean trok zijn revolver en haalde kalm den haan over.
„Denk er aan, M'sieur, dat ik u doodschiet, wanneer ge uw woord breekt.
Ge moogt voor mij uit loopen.”
En hij wees langs de helling van den berg naar omlaag.