Het Huis van den Rooden Dood.
Halfweg den heuvel deed een zachte uitroep van Croisset den ingenieur
stilstaan. Jean had zijn honden met lange, sterke strengen op den top
vastgebonden en hij keek juist naar hen om, toen Howland zich tot hem
wendde. De scherpe bovenrand van dat deel van den bergrug teekende zich
helder en duidelijk af tegen de lucht en op dien rand zaten de zes
honden van het span stil en roerloos op hun hurken, als wonderlijke
gargouilles, daar geplaatst om de onmetelijke vlakte in de laagte
te bewaken. Howland nam zijn pijp uit den mond, toen hij de steeds
aangroeiende belangstelling van Croisset bemerkte. Hij keek van den man
weer omhoog naar de honden. Er was iets in hun sphinxachtige houding, in
het strakke uitstrekken van hun snuiten, in het wonderschoone mysterie
van den stillen nacht, dat hem vervulde met een onbestemd gevoel van
eerbied en angst. En toen bereikte het geluid, dat Croisset had doen
stilstaan, ook zijn oor—een diep, smartelijk gejammer, zonder begin of
einde, dat tot hem kwam als maakte het deel uit van de zachte beweging
der lucht, die hij inademde—een toon van ongekende droefheid, die hem,
evenals Croisset, schrik aanjoeg en roerloos maakte. En juist toen hij
meende, dat het was weggestorven, begon dat gejammer opnieuw, al hooger
en hooger stijgend, totdat het ten slotte één langgerekte huilkreet
werd, die het merg in zijn beenderen deed verstijven. Het was een geluid
als dat van den wolf dien eersten avond in de wildernis en toch weer
anders. Toen was het de kreet van het roofdier, van den honger, van de
eindelooze verlatenheid geweest, die hem doortrilde. Dit was de dood.
Hij huiverde, toen Croisset weer bij hem kwam, het magere gelaat
doodsbleek in het licht van de sterren. Er was geen ander geluid
hoorbaar dan het opgewonden kloppen van hun eigen hart, toen Jean begon
te spreken.
„M'sieur, zoo huilen onze honden alleen maar, wanneer er iemand
gestorven is of gauw zal sterven,” fluisterde hij. „Het was Woonga, die
zoo jankte. Hij is al elf jaar en hij heeft zich nog nooit vergist.”
Uit zijn blik sprak hevige angst.
„Ik moet uw handen binden, M'sieur.”
„En ik heb je mijn woord gegeven, Jean—”
„Uw handen, M'sieur. De dood is al daar ginds op de vlakte—of hij zal
er gauw komen. Ik moet u binden.”
Howland legde zijn handen op den rug en Jean bond die met een sterk
touw.
„Ik geloof, dat ik je begrijp,” zei de ingenieur zacht, opnieuw
luisterend naar het angstige gehuil, dat van den bergtop kwam. „Je bent
bang, dat ik je zal doodmaken.”
„Het is in elk geval een waarschuwing, M'sieur. Ge zoudt het kunnen
probeeren. Maar waarschijnlijk zou ik meer kans hebben om u te dooden.
Zooals de zaken op het oogenblik staan, zou het, denk ik, niet Jean
Croisset zijn, die aan gindsche roepstem gehoor gaf,” en hij haalde de
schouders op, terwijl hij langs de helling afdaalde.
„Mogen al je Heiligen me behoeden, Jean—ik moet zeggen, het is hier een
vroolijke boel!” gromde Howland, half lachend zichzelf ten spijt. „Wie
anders dan ik kan tot sterven gedoemd zijn, nu je me weer gebonden
hebt?”
„Die vraag is moeilijk te beantwoorden, M'sieur,” antwoordde de half-ras
met grimmigen ernst. „Misschien is het werkelijk uw beurt. Half en half
geloof ik het ook.”
Nauwelijks waren die woorden hem over de lippen gekomen, of het klagende
gehuil liet zich opnieuw hooren.
„Je maakt me zenuwachtig, Jean—jij en die vervl..kte hond!”
„Hou uw mond, M'sieur.”
Uit de witte woestenij aan den voet van den heuvel doemde een schaduw
op, die Howland eerst voor een groote rotsmassa hield. Een paar stappen
verder en hij ontdekte, dat het een vrij groot gebouw was. Croisset
pakte hem stevig bij den arm.
„Blijf hier staan,” ordonneerde hij. „Ik kom gauw terug.”
Een kwartier lang wachtte Howland. Tweemaal in dat tijdsverloop huilde
de hond boven hem. Hij was blij, toen Croisset weer uit de duisternis te
voorschijn kwam.
„Het is zooals ik dacht, M'sieur—de dood is er al. Kom maar mee.”
De schaduw van het groote gebouw nam hen op, toen zij dichterbij kwamen.
Howland merkte al gauw, dat het was opgetrokken uit groote houtblokken
en dat er aan hun kant ramen noch deuren waren te bespeuren. En toch
voelde hij, dat zij zich bij den ingang bevonden, toen Jean een
oogenblik aarzelde bij een plek, nog donkerder dan de rest. Voorzichtig
ging de half-ras voorwaarts, met zijn dunne neusvleugels als het ware
achterdochtig de lucht opsnuivend en aldoor luisterend—met Howland zóó
dicht bij zich, dat hun schouders elkaar aanraakten. Van den heuveltop
klonk weer de sombere doodenzang van den ouden Woonga—en Jean huiverde.
Howland staarde voortdurend in de zwarte massa en al starend, volgde hij
Croisset; zij traden binnen en verloren zich in een diepe duisternis. Om
hen heen heerschte een doodsche stilte in een atmosfeer van vochtigheid
en verlatenheid. Geen enkel teeken van leven, geen ademtocht, geen
andere beweging dan die, welke van hen zelf uitging. Howland bemerkte
hoe geagiteerd Croisset was, toen deze hem bij den arm greep en zij
samen voet voor voet het zwijgende mysterie betraden. Hij hoorde al gauw
hoe de hand van den half-ras op den tast naar een klink zocht. Zij
gingen door een tweede deur en eerst nu streek Jean een lucifer af.
Een pas of zes van hen af stond een tafel en op de tafel een lamp.
Croisset stak die aan en keek met een glimlach naar den ingenieur. Zij
bevonden zich in een lange, lage, kerkerachtige kamer, zonder venster
en met slechts één deur—die waardoor zij waren binnengekomen. De tafel,
twee stoelen, een kachel en een slaapbank tegen een van de houten wanden
aangebracht, waren de eenige meubels, die Howland zag. Maar het was
niet het troosteloos ledige van wat hij meende, dat zijn gevangenis zou
zijn, wat hem een vragenden blik op Croisset deed vestigen. Dat was de
uitdrukking op het gelaat van zijn metgezel, de vaal-gele tint van den
angst, van den doodsschrik, die zich daarop afteekende. De half-ras
sloot en grendelde de deur en ging toen bij de tafel zitten met zijn
mager gelaat in het zwakke schijnsel van de lamp naar den ingenieur
gekeerd.
„M'sieur, het valt u zeker moeilijk om te raden waar gij zijt.”
Howland wachtte.
„Als ge lang in dit land hadt gewoond, M'sieur, dan zoudt ge te eeniger
tijd gehoord hebben van _la Maison de la Mort Rouge_—Het is daar, dat
we ons bevinden en wel in de kerkerkamer. Het is hier een nederzetting
van de Hudsonbaai-compagnie, die al jaren en jaren verlaten is. Toen ik
nog een kind was, kwamen de pestpokken dezen kant uit en bijna alle lui,
die hier woonden, stierven er aan. Negentien jaar geleden verscheen die
roode pest opnieuw en hier in den _Poste de la Mort Rouge_ ontkwam
niemand. Sedert is het gebouw overgelaten aan wezels en uilen. Elke
levende ziel tusschen de Athabasca en de baai schuwt het.—En juist
daarom zijt ge hier volkomen veilig.”
„Groote God!” riep Howland. „Is er nog meer, Croisset? Veilig voor wat,
man? Veilig voor wat?”
„Voor hen, die u willen dooden, M'sieur. Ge wilt niet naar het Zuiden en
daarom heeft _la belle_ Meleese u gedwongen het Noorden in te gaan.
_Vous comprenez?_”
Een oogenblik zat Howland als versteend.
„Begrijpt ge het, M'sieur?” hield Croisset aan, glimlachend.
„Ik—ik geloof van ja,” antwoordde Howland ernstig. „Je wilt zeggen, dat
Meleese—”
Maar Jean viel hem in de rede. „Ik wil zeggen, dat ge gisteravond al
zoudt zijn gestorven, als Meleese er niet was geweest. Ge zijt ontkomen
uit de coyote, maar ge zoudt niet ontkomen zijn aan het andere. Meer kan
ik u niet vertellen. Maar hier zijt gij veilig. Zij, die u naar het
leven staan, zullen gauw gelooven, dat ge dood zijt—en als het eenmaal
zoo ver is, laten we u terugkeeren naar het Zuiden. Is dat niet een
heerlijk lot voor iemand, die verdient om in stukjes gehakt en door de
raven opgegeten te worden?”
„En meer wil je me niet vertellen, Jean?” vroeg de ingenieur.
„Neen, M'sieur—behalve nog dit, dat ik sympathie voor u voel, al zou ik
u graag willen dooden. Dat komt misschien omdat ik zelf vroeger ook in
het Zuiden ben geweest. Ik was zes jaar lang bij de Compagnie te
Montreal en daar heb ik school gegaan.”
Hij stond op om den overslag van zijn buis van kariboeleer dicht te
knoopen. Daarop schoof hij den grendel van de deur en opende hij die.
Zwak en als van heel ver weg kwam het gejammer van Woonga tot hen.
„Je zei, dat de dood al hier was,” fluisterde Howland, dicht tegen
Jean's schouder geleund.
„Er was hier na de laatste pest nog één mensch overgebleven,” antwoordde
Croisset, nauw hoorbaar. „Dat was een man, die vrouw en kinderen had
verloren en wien het ongeluk krankzinnig had gemaakt. Het was daarom,
dat ik zoo heel stil met u naar beneden sloop. Hij woonde daar ginds aan
den zoom van de open ruimte en toen ik er daar straks heenging, stond er
een dennetak met een rood vlagje op de kleine hut. Waar een pestgeval
is, hangen we zoo'n vlag uit om anderen te waarschuwen. Dat is bij ons
een wet. De vlag is al door den wind aan flarden gescheurd. De man is
dood.”
Howland huiverde.
„Aan pokken?”
„Ja.”
Enkele oogenblikken bleven zij zwijgend staan. Toen voegde Croisset er
aan toe: „Ge moet hier blijven, tot ik terugkom, M'sieur.”
Hij ging weg, de deur aan de buitenzijde sluitend en grendelend en
Howland liet zich neervallen op een stoel bij de tafel. Vijftien minuten
later kwam de half-ras terug met een groot pak en een flinke kruik.
„Er ligt hout achter de kachel, M'sieur. Hier is eten en drinken voor
een en ik heb ook warme huiden voor uw bed. Nu zal ik uw handen vrij
maken.”
„Je wilt dus zeggen, dat je me hier alleen achterlaat—in deze ellendige
omgeving?” riep Howland.
„_Mon Dieu_, M'sieur, is die niet te prefereeren boven het graf? Tegen
het einde van de week ziet ge me weer verschijnen.”
De deur was nog niet heelemaal gesloten en voor het laatst drong het
droevige gejank van den ouden hond tot Howland door. Bijna dreigend
greep hij den arm van Croisset.
„Jean, wat zal er gebeuren, als je niet terugkomt?”
Hij hoorde den half-ras grinniken.
„Dan zult ge sterven, M'sieur—maar kalm en gelaten en op uw eigen
tijd—en dat is toch heel wat beter dan op een kist met dynamiet de
lucht in te vliegen. Maar ik kom zeker terug, M'sieur. _Adieu!_”
Nu werd de deur gesloten en gegrendeld en stierf het geluid van
Croisset's voetstappen snel weg buiten de houten wanden. Er gingen vele
minuten voorbij eer Howland aan zijn pijp of aan een vuur dacht. Maar
ten laatste ging hij, hoewel huiverend, toch zoeken naar het hout,
dat—zooals Jean gezegd had—achter den haard moest liggen. Al gauw
brandde er een flink vuur in de groote kachel en toen de kalmeerende
rookwolken van zijn pijp de vochtige atmosfeer met hun aroma vervulden,
kreeg Howland een gevoel van comfort, dat een wonderlijk contrast vormde
met de opwindende ondervindingen van de laatste dagen.
Eindelijk dan was hij alleen en had hij een week lang niets te doen dan
te eten, te slapen en te rooken. Hij had ruim tabak en het pak, dat
Croisset hem liet, bleek bij onderzoek overvloed van voedsel te
bevatten. Met zijn stoel achterovergewipt en zijn voeten op de tafel,
genoot hij van de opwekkende kachelwarmte, daarbij wolken van rook
opzendend en zichzelf afvragend of de half-ras alweer zuidwaarts zou
zijn getrokken. Wat zou MacDonald wel gezegd hebben, toen Jackpine
terugkwam met het bericht, dat hij—Howland—was uitgegleden en zijn
dood had gevonden in den waterval? Mac's eerste beweging zou zeker zijn
om van de Wekusko uit een flink span honden achter Gregson en Thorne aan
te zenden en hen tot terugkeer te dwingen.
Hij lachte luid en begon nu heen en weer te loopen over den rotten vloer
van zijn gevangenis, zich aldoor de consternatie voorstellend van zijn
twee oudere collega's. En daarop kwam er een blos op zijn gelaat en
begonnen zijn oogen te schitteren—want hij dacht aan Meleese. Hem zelf
ten spijt had zij hem gered van zijn vijanden en hij zegende Croisset,
omdat deze hem het doel van hun reis naar het Noorden had medegedeeld.
Opnieuw had zij hem bedrogen, maar dezen keer was het om zijn leven te
redden en zijn hart sprong op van vreugde in blij vertrouwen op dit
bewijs van haar liefde. Hij meende, dat hij heel den opzet nu doorzag.
Zijn vijanden waanden hem dood. Zij zouden de Wekusko verlaten en na een
poos, wanneer hij veilig kon terugkeeren, zou hij zijn vrijheid
herkrijgen.
Naarmate de uren voortschreden, begonnen meer sombere gedachten een
schaduw te werpen op zijn blijmoedige opvatting. Meleese toch was op
geheimzinnige wijze verbonden met de lieden, die hem naar het leven
stonden en als die verdwenen, zou zij allicht met hen verdwijnen. En hoe
zou hij haar dan ooit terugvinden? Zou zij naar het Zuiden trekken—naar
de beschaafde wereld—of zou zij nog dieper de onbekende wildernissen
van het Noorden ingaan?—Als antwoord op die vragen, schoten hem de
woorden van Jean Croisset te binnen: „M'sieur, ik weet van wel honderd
mannen tusschen de Athabasca en de baai, die u zouden willen dooden om
wat gij gezegd hebt.”—Ja, hij moest naar het Noorden, wilde hij haar
vinden. Ergens in die onherbergzame eenzaamheid, waarvan Jean hem
zooveel had verteld, zou hij haar tegenkomen—al moest hij de helft van
zijn leven geven aan dat zoeken!
Het was over twaalf, toen hij de huiden op zijn legerstede uitspreidde
en zich gereed maakte om te gaan slapen. Hij liet de kacheldeur open en
lag nog lang te kijken naar het schijnsel van het wegstervende vuur op
de houten wanden. Even vóór de slaap zijn oogen sloot, was hij zich nog
bewust van een zwak geluid—hetzelfde hongerige, jammerende gehuil, dat
hij dien eersten avond buiten Prince Albert had gehoord. Dat moest een
wolf zijn en slaperig vroeg hij zichzelf af, hoe de dikke wanden van
zijn gevangenis dien kreet konden doorlaten. Maar, toen hij een uur of
wat later de oogen opende, was het raadsel opgelost. Er viel een bleek
zonlicht in het vertrek en hij zag, dat dit door een nauwe opening dicht
bij de zoldering kwam. Niet zoodra had hij zijn ontbijt genuttigd, of
hij schoof de tafel tot onder de spleet en ging er op staan; hij kon nu
naar buiten kijken en zag allereerst, dat de zwarte zoom van een groot
dennenwoud zich op een honderd yards van het huis bevond. Tusschen dat
en het woud, half begraven onder de diepe sneeuw, stond een hut en hij
huiverde, toen hij daarboven het roode signaal van den dood zag
wapperen, waaromtrent Croisset hem den vorigen avond had verteld.
De morgenuren leken hem eindeloos; een tijdlang amuseerde hij zich met
de inspectie van alle hoeken en gaten in zijn kerker, maar hij vond
niets belangrijks, behalve wat hij reeds wist. Hij onderzocht de
buitendeur, die Croisset had gesloten en liet alle hoop op een
ontsnappen in die richting varen. Door de opening bij de zoldering
vermocht hij nauwelijks een arm te wringen. Voor het eerst sedert het
opwindende begin van zijn avonturen te Prince Albert, werd hij
overweldigd door een gevoel van eigen onmacht. Hij was een gevangen man,
opgesloten in een ellendig verblijf te midden van de wildernis. En hij,
Jack Howland, die altijd trotsch was geweest op zijn physieke kracht,
had zich door een half-ras hierheen laten brengen.
Zijn bloed begon te koken, zoo vaak hij er aan dacht. Nu, dat hij tijd
en gelegenheid had om stil te staan bij wat er gebeurd was, maakte
hij zich woedend over de tooneelen, die achtereenvolgens aan zijn
geest voorbijgingen. Hij had goed gevonden om in een vreemd en zeer
geheimzinnig spel als niet meer dan een pion gebruikt te worden. Het was
niet persoonlijke moed geweest, die hem had gered in het gevecht op het
Pad bij de Saskatchewan. Bij de coyote was hij blindelings in de val
geloopen. Nog dommer was hij geweest, toen hij zich liet leiden naar de
hinderlaag bij het kamp van de Wekusko.
Hij stapte nijdig heen en weer door het vertrek, heftig rookend en
het gelaat rood van opwinding bij de ergerlijke gedachten, die in
zijn brein opkwamen. Hij trachtte zich niet te verschuilen achter de
omstandigheden; hij had geen enkel excuus voor zichzelf. Nooit was hij
een lafaard geweest en nooit had hij vrees gekend. Zijn moed en zijn
durf hadden zelfs Meleese beangstigd en Croisset verbaasd. En toch—wat
had hij gedaan? Van het oogenblik af, dat hij een voet had gezet in het
Chineesche restaurant, waren zijn vijanden hem de baas geweest. Men had
hem gedwongen om een lijdende rol te spelen. Tot aan de hinderlaag op
het Pad bij de Wekusko had hij altijd nog verzachtende omstandigheden
voor zichzelf kunnen aanvoeren. Maar deze geschiedenis met Jean
Croisset!—Nu, dat hij zich alleen bevond en er kalm over kon nadenken,
was het bijkans genoeg om hem dol te maken! Waarom had hij Jean niet
ingerekend, zooals deze en Jackpine het hem hadden gedaan?
Hij zag nu wat hij had kunnen doen. Ergens, niet zoo heel ver terug, was
de slee met Meleese en Jackpine het onbekende ingegaan. Zij tweeën waren
dus alleen geweest. Waarom had hij Croisset niet tot zijn gevangene
gemaakt, in plaats van zichzelf als een zwakkeling te laten inpikken?
Hij vloekte luid, toen het hem meer en meer duidelijk werd, dat hij een
kostelijke gelegenheid had laten voorbijgaan. Met het pistool op de
borst had hij Croisset kunnen dwingen om de andere slee te volgen
en die in te halen. Hij had Jackpine kunnen overvallen, zooals zij
hem—Howland—op het Pad hadden overvallen. En dan? Hij glimlachte,
maar er school geen humor in dien lach. Dan zou hij tenminste de baas
zijn geweest. En wat zou Meleese in dat geval wel hebben gedaan?
Hij stelde zichzelf vraag op vraag om die snel en beslist nog in
denzelfden adem te beantwoorden. Meleese had hem lief. Daar durfde
hij zijn leven onder verwedden. Hij raakte in vervoering als hij dacht
aan de kussen, die zij hem had gegeven, toen zij bij hem was gekomen,
terwijl hij gebonden en met een prop in den mond naast het Pad lag. Zij
had zijn hoofd in haar armen genomen en door de droefheid op haar gelaat
heen had hij het licht zien schijnen van de groote liefde, die haar
trekken in alle komende tijden voor hem zou verheerlijken. Zij had hem
lief! En hij had haar laten gaan, hij had als een zwakkeling zichzelf
overgeleverd op het oogenblik, waarin hij alles, waarvan hij gedroomd
had, in zijn bezit had kunnen krijgen! Met Jackpine en Croisset in zijn
macht—
Verder ging hij niet. Was het te laat om dat alles nog te doen? Croisset
zou terugkomen. Met een zekere voldoening bedacht hij, dat zijn houding
de achterdocht van den half-ras had ontwapend. Hij meende, dat Croisset
gemakkelijk te overmeesteren zou zijn, dat hij hem zou kunnen dwingen
om het spoor van Meleese en Jackpine te volgen. En dat spoor? Het zou
waarschijnlijk leiden naar het hoofdkwartier van zijn vijanden. Maar
wat maakte dat uit? Hij stopte een nieuwe pijp en blies rookwolken uit
tot de heele kamer er mee gevuld was. Dat spoor zou hem naar Meleese
brengen, wààr zij zich ook bevond. Tot nu toe waren zijn vijanden bij
hem gekomen; nu zou hij hen opzoeken. Had hij Croisset eenmaal in zijn
macht en waren zijn vijanden onkundig van zijn tegenwoordigheid, dan zou
alles verder in zijn voordeel zijn. Hij lachte luid, want plotseling
kreeg hij een inval: in laatste instantie kon hij Croisset nog als
lokvogel gebruiken!
Hij begreep, dat het gemakkelijk zou zijn om Meleese in een val te
lokken, wanneer zij in den waan verkeerde, dat zij alleen Croisset zou
vinden. Zijn eigen tegenwoordigheid zou zijn als het inslaan van een bom
aan haar voeten. En zou zij op zulk een moment, wanneer zij zag hoeveel
hij voor haar waagde, hoezeer hij besloten was haar te bezitten, niet
toegeven aan het smeekgebed van zijn liefde? Zoo niet, dan moest hij
zijn toevlucht nemen tot iets anders—tot iets, dat hem al weer een
vroolijken lach op de lippen bracht. In den oorlog en in de liefde is
alles gepermitteerd—en hun spel was een spel van liefde. Door liefde
gedreven, had Meleese hem weggesleurd van zijn post en hem opgesloten in
de wildernis. De liefde sprak haar vrij. En diezelfde liefde zou ook hem
vrijspreken. Hij wilde haar tot zijn gevangene maken en dan zou Jean hem
terugbrengen naar de Wekusko. Meleese had het voorbeeld gegeven en hij
zou haar navolgen. Welke vrouw zou, als zij den man liefhad, zich daarna
niet naar zijn wensch schikken? Op hun sleereis zou hij haar heelemaal
voor zich hebben, niet voor een uur of wat, maar dagen achtereen. Hij
wist zeker, dat hij in dien tijd zijn pleidooi zou winnen. Misschien
zouden zijn vijanden hen vervolgen; misschien zou hij moeten vechten;
maar daartoe was hij niet ongenegen; hij begon zelfs een beetje naar
vechten te verlangen.
Hij ging dien avond naar bed met het plan om te droomen van de dingen,
die komen zouden. Een tweede dag, een derde nacht, een derde dag kwam en
ging. Met elk uur steeg zijn verlangen naar Jean's terugkomst; soms
voelde hij een koortsachtig ongeduld opkomen en wenschte hij, dat alles
al gebeurd was. Hij was vol vertrouwen op een goeden uitslag en toch
dacht hij niet te licht over de krachten van Croisset. Hij wist, dat de
half-ras was als levend staal en ijzer, vlug als een kat en meer dan
zijn evenknie in een open gevecht, niettegenstaande zijn eigen meerdere
lichaamskracht en forschheid.
Hij bedacht een dozijn plannen om Jean er onder te krijgen. Een daarvan
was om op den man af te springen, terwijl hij zat te eten; een tweede om
hem te overrompelen, terwijl hij naast zijn span knielde of het vuur
verzorgde en hem dan de keel toe te knijpen, totdat hij half bewusteloos
zou zijn; een derde om hem ongemerkt van achteren te overvallen en hem
een slag toe te brengen, die hem dadelijk machteloos maakte. Maar in
dit laatste plan was iets, dat hem tegenstond. Hij bedacht zich, dat
Jean zijn leven had gered, dat Jean hem nog nooit eenig physiek letsel
had toegebracht. Hij wilde liever op een gelegenheid wachten; hij wilde
den half-ras gebruiken, zooals deze hem gebruikt had. Het moest dezelfde
eerlijke strijd blijven, dien Jean hem geboden had en met een voorsprong
zou de flinkste man winnen.
Op den morgen van den vierden dag werd Howland gewekt door een geluid
van buiten af. Het was het bitse, doordringende geblaf van een hond—een
oogenblik later gevolgd door een nog scherper zweepgeklap en een
welbekende stem.
Jean Croisset was terug!
Met één sprong was Howland uit zijn slaapstede. Half gekleed, vloog hij
naar de deur en bukte zich daar—de spieren van zijn armen gespannen en
zijn lichaam gestrekt door de zich concentreerende krachten.
De prikkel van het oogenblik had hem een snel besluit doen nemen. Zijn
kans was gekomen, zoodra Jean Croisset den drempel overschreed!