De Samenkomst.
Het was nog bijna een uur vóór den bepaalden tijd, toen Howland bij de
eenzame plek kwam, waar hij Meleese zou ontmoeten. Hij ging, verborgen
in de schaduw van het lage hout, op den stam van een gevelden den zitten
en stak een pijp op, zorg dragend om den brandenden lucifer in de holte
van zijn handen te houden. Voor het eerst sedert zijn vreeselijke
ondervinding in de coyote, voelde hij zich vrij om te denken en meer
dan ooit begreep hij, dat kalmte en een bezadigd optreden eerste
vereischten waren bij wat hij verder dacht te doen. Hij herwon zijn
vroeger vertrouwen in Meleese, maar zijn bloed kookte van verlangen om
zich te wreken, om de menschelijke duivels te straffen, die getracht
hadden hem tot gruizelementen op te blazen. Hij hield er zich van
overtuigd, dat het jonge meisje slechts een onvrijwillige factor was in
het verraderlijke complot en dat zij zelfs alles deed wat in haar macht
stond om hem te redden. Maar tegelijkertijd besloot hij om zich niet
langer te laten beïnvloeden door haar pleiten. Hij had, als belooning
voor het in hem gestelde vertrouwen, beloofd, dat hij niemand zou
straffen, dien zij wenschte te beschermen. Die belofte zou hij
terugnemen. Vóór zij hem nog iets kon mededeelen, zou hij haar
waarschuwen, dat hij vast besloten was om de misdadigers op te
sporen, die tot tweemaal toe naar zijn leven hadden gestaan.
Het was bijna middernacht, toen hij weer op zijn horloge keek. Zou
Meleese niet verschijnen? Hij kon niet gelooven, dat zij van zijn
opsluiting in de coyote wist—van dien tweeden, ellendigen aanslag op
zijn leven. En toch—als dit wèl het geval was—
Hij stond op van zijn boomstronk en begon heen en weer te loopen in de
duisternis, zijn brein opnieuw vervuld van sombere gedachten en steeds
toenemenden angst. Zij, die hem hadden opgesloten, wisten sedert een uur
van zijn ontkoming. In dat tijdsverloop had er veel kunnen gebeuren.
Misschien waren zij het kamp al ontvlucht. Verschrikt door het mislukken
van hun plan en vreezend voor de straf, die hun deel zou zijn, wanneer
zij ontdekt werden, hadden zij zich misschien naar de noordelijke
wildernissen begeven en waren zij nu al mijlen ver weg van de Wekusko.
En dan zou Meleese zeker bij hen zijn!
Maar plotseling hoorde hij een stap—een lichten, snellen tred—en met
een blijden, herkennenden groet, sprong hij in het licht der sterren om
de slanke, witte gedaante te zien, die uit de schaduw van de zware
woudboomen op hem afkwam.
„Meleese!” riep hij zacht.
Hij strekte de armen uit en het meisje wierp er zich in, haar handen
tegen zijn borst leggend en het hoofd achterover buigend, zoodat zij met
haar groote, starende, verschrikte oogen opkeek naar zijn gelaat.
„Wil je nu—nu—weggaan?”
Zij nam haar handen weg en legde die op zijn schouders en toen Howland
haar zwijgend, steeds vaster tegen zich aan drukte, uitte zij een kreet
van wanhoop en liet zij haar hoofd tegen zijn borst vallen, heel haar
gestalte schokkend in een uiting van angst en smart, die hem
verschrikte.
„Je gaat toch?” snikte zij. „Je gaat, nietwaar?”
Hij liet zijn vingers door haar zachte lokken glijden en drukte zijn
gelaat nog dichter tegen het hare.
„Neen, liefste, ik ga niet,” antwoordde hij met diepe, vaste stem. „Na
wat er vanavond gebeurd is, ga ik stellig niet.”
Zij week terug, als deed hij haar pijn en nam haar handen uit de zijne.
„Ik hoorde—wat er een uur geleden—gebeurd is,” zei zij met half
verstikte stem. „Ik stond te luisteren en ik hoorde hoe er over
gesproken werd.”—Zij trachtte klaarblijkelijk zichzelf te beheerschen.
„Je moet vannacht nog het kamp verlaten.”
Howland toonde niet den minsten angst; integendeel, hij glimlachte, toen
hij haar gelaat weer tusschen zijn handen nam.
„Meleese, ik moet de belofte terugnemen, die ik je gisteravond deed. Ik
wil je gelegenheid geven om allen te waarschuwen, die je waarschuwen
wilt—maar ik keer niet naar het Zuiden terug. Van dit oogenblik af
begin ik een drijfjacht op de laffe duivels, die naar mijn leven staan.
Vóór het dag is, zal elke man aan de Wekusko met mij zoeken en als wij
hen vinden, zal er geen genade zijn. Wilt gij mij helpen—of—”
Zij duwde zijn handen weg van haar gelaat en sprong terug, nog vóór hij
had uitgesproken. Hij zag een plotselinge verandering in haar trekken;
haar lippen werden strak en vastberaden; de smeekende blik en de
uitdrukking van angst stierven weg op het bleeke gelaat. Er klonk
iets vreemds uit haar stem, toen zij weer sprak—iets van dezelfde
vastberadenheid, die Howland in de zijne had gelegd—maar haar toon
miste zijn zachtheid en zijn liefde.
„Wil je me alsjeblieft zeggen, hoe laat het is?”
Die vraag was wel heel zonderling. Howland haalde zijn horloge te
voorschijn en keek er op bij het licht van de sterren.
„Het is kwart over twaalf.”
Er gleed een licht glimlachje over de lippen van het jonge meisje.
„Weet je zeker, dat je horloge niet vóór is,” vroeg zij.
In sprakelooze verwondering staarde Howland haar aan.
„Want het zou voor jou en voor mij van veel gewicht zijn, wanneer het
nog niet kwart over twaalf was,” ging Meleese voort met steeds meer
ijver. Op eens kwam zij naar hem toe en legde zij haar warme handen op
zijn gelaat, daarbij zijn armen in bedwang houdend.
„Luister,” fluisterde zij, „is er dan niets, niets dat je van je
voornemen kan afbrengen—niets, dat je naar het Zuiden kan
terugdrijven—vannacht nog?”
De nabijheid van haar lief gelaat, de teere aanraking van haar handen,
de zachte adem, die van haar lippen kwam, dat alles deed bij Howland den
lust ontstaan om toe te geven. Eén oogenblik wankelde hij.
„Er is misschien maar één—en ook maar één enkele kans om mij vannacht
nog te doen vertrekken,” antwoordde hij, zijn stem trillend van de
groote liefde, die hem vervulde. „Voor jou, Meleese, geef ik alles
op—eerzucht, fortuin, roem en den bouw van dezen spoorweg. Als ik zeg,
dat ik vannacht vertrek, ga je dan met me mee? Wil je mij beloven om
mijn vrouw te worden, zoodra wij te Le Pas zijn?”
Er lichtte onuitwischbare teederheid uit de mooie oogen, zoo dicht bij
de zijne.
„Dat is onmogelijk. Je zou me niet langer liefhebben als je wist, wie ik
ben—en wat ik deed—”
Hij greep haar hand.
„Heb je dan kwaad gedaan—groot kwaad?”
Een oogenblik scheen zij te aarzelen en daarop kwam hortend en stootend
over haar lippen: „Ik—weet niet. Ik geloof van wel—Maar—het is niet
dàt!—neen, niet _dat_!”
„Meen je, dat ik je niet mag zeggen hoe lief ik je heb?” vroeg hij.
„Bedoel je, dat je niet naar me _moogt_ luisteren? Ik—ik—nam aan, dat
je ongetrouwd waart—dat—”
„Neen, neen, dat is het niet,” riep zij haastig. „Je begaat geen zonde
door mij lief te hebben.” En weer vroeg zij plotseling: „Wil je me
alsjeblieft zeggen hoe laat het is—nu—op dit moment?”
Hij keek opnieuw op zijn horloge. „Twintig minuten over twaalf.”
„Laten we wat meer naar het pad gaan,” fluisterde zij. „Ik ben hier zoo
bang.” Zij liep vooruit, snel het wegje overstekend, dat naar zijn hut
voerde. Een paar honderd meter verder lag een boomstam ter zijde van het
pad; Meleese ging er op zitten en gaf hem een teeken om haar voorbeeld
te volgen. Howland zat met den rug naar het lage hout achter hen. Hij
keek naar het jonge meisje, maar zij hield het gelaat afgewend. Op eens
sprong zij op en plaatste zij zich recht vóór hem.
„Nu!” riep zij. „Nu!” Howland voelde hoe hij van achteren werd
aangegrepen; een oogenblik worstelde hij met een paar sterke armen, die
zich als ijzeren kabels om hem heen hadden geslagen, terwijl een hand op
zijn mond den kreet verstikte, hem door den schrik ontlokt. Even nog
kreeg hij een glimp te zien van het witte gelaat van het meisje, zooals
zij daar vóór hem op het pad stond; toen trokken sterke handen hem
achterover, terwijl anderen zijn vuisten bonden en nog anderen zijn
beenen vastmaakten. Er was voor dit alles maar een paar seconden noodig
geweest. Hulpeloos en met een prop in den mond lag hij in de sneeuw,
luisterend naar het zachte gemompel, dat uit de struiken tot hem
doordrong. Hij kon niets verstaan, maar hij meende de stem van Meleese
te onderscheiden.
De geluiden werden zwakker; hij hoorde nu voetstappen, die zich
verwijderden en eindelijk wegstierven. Door een opening in de boomen
recht boven hem blikten de koude, witte sterren van den winternacht op
hem neer en hij staarde die aan tot het hem leek, alsof zij langs den
hemel dansten en sprongen. Hij wou vloeken—schreeuwen—worstelen. In
die oogenblikken, terwijl hij daar in de bevroren sneeuw terneerlag,
werden er millioenen duivels in hem geboren. Het meisje had hem weer
bedrogen! Dezen keer kon hij geen verontschuldiging voor haar vinden.
Zij had zijn liefde aangenomen—hij had haar mogen kussen, haar in zijn
armen mogen houden—en al dien tijd was zij bezig om voor de tweede maal
tegen hem te complotteeren. Zij zelve was het geweest, die na rijp
beraad het sein tot den overval had gegeven en nu—
Weer hoorde hij den vluggen, snellen tred, dien hij onmiddellijk
herkende. De struiken achter hem openden zich en bij het witte licht der
sterren viel Meleese naast hem op de knieën, het lieve gelaat over hem
buigend in een smart, zóó diep als hij nog nooit had aanschouwd en haar
oogen hem aanziend met ongekende liefde. Zonder te spreken legde zij
zijn hoofd in de holte van haar arm en drukte zij het hare er tegen
aan, hem aldoor kussend en aldoor zijn naam fluisterend.
„Vaarwel!” hoorde hij haar zeggen—„Vaarwel! Vaarwel!”
Hij trachtte te roepen, toen zij zijn hoofd weer op de sneeuw legde; hij
trachtte zijn handen te bevrijden om haar vast te houden—maar hij zag
nog slechts even het gelaat, dat zich over hem boog. Hij voelde den
warmen druk van haar lippen op zijn voorhoofd en vernam daarna alleen
nog maar de lichte voetstappen, die zich snel door het woud
verwijderden.