De Ure des Doods.
Het eerste wat Howland zag, toen hij weer tot bewustzijn kwam, was een
onbeweeglijk rood oog, dat hem uit de ondoordringbare duisternis strak
aanstaarde,—een venijnig glinsterend ding, dat hem met angst vervulde
en hem tegelijkertijd tot het leven terugriep. Het stond tegenover hem,
op één lijn met zijn gelaat,—een bol van geel-rood vuur, die hem tot in
de ziel scheen te branden. Hij trachtte te schreeuwen, maar er kwam geen
geluid over zijn lippen; hij beproefde zich om te wenden, zich terug te
trekken, maar het was of zijn leden alle beweegkracht misten. Het oog
groeide aan; hij zag nu, dat het een stralenkrans afwierp en die krans
werd grooter, tot het leek alsof de dikke duisternis er omheen wegsmolt.
Eerst toen begreep hij. Het was een lantaarn, die daar vóór hem stond op
niet meer dan tien voet afstands. Hij was nu ten volle tot bewustzijn
gekomen en deed opnieuw een poging om te roepen, om zijn armen
uit een onzichtbaren greep te bevrijden. Hij meende eerst, dat het
menschenhanden waren, die hem vasthielden, maar toen het schijnsel
van de lantaarn de dingen om hem heen en ook zijn eigen persoon beter
verlichtte, merkte hij al gauw, dat het een riem was, en dat hij niet
kon roepen, omdat er iets hards en stijfs om zijn mond zat.
En op eens werd alles hem duidelijk. Hij was op die slede naar de coyote
gekomen. Daar had men hem een slag op het hoofd gegeven. Hij herinnerde
zich, hoe mannen hem over de rotsen hadden gesleept en diezelfde mannen
hadden hem gebonden en hem een prop in den mond geduwd om hem vervolgens
te laten liggen bij die lantaarn, die hem aldoor aanstaarde. Maar waar
was hij? Hij trachtte naar de andere zijde te kijken en de duisternis te
doorboren. Vóór zich, achter het licht, zag hij een zwarten wand; hij
kon het hoofd niet geheel omdraaien, maar toch eenigszins nagaan, waar
diezelfde zwarte wand aan den linkerkant ophield. Hij keek omhoog en
zijn blik stuitte andermaal op hetzelfde onverbiddelijke rotsgesteente.
Hij keek omlaag en de kreet van afgrijzen, die in zijn keel opkwam,
verstierf in een gesmoord kreunen. Het schemerachtige licht toch viel
op een zak—op twee zakken,—op drie,—op vier,—op een stevig
opeengestapelden muur van zakken.
Nu wist hij ten volle wat er gebeurd was. Hij zat opgesloten in de
coyote en die zakken om hem heen waren gevuld met buskruit! Hij zat op
iets hards—op een kist—en die kist was gevuld met dynamiet! Het koude
zweet parelde op zijn gelaat, dat glinsterde in het schijnsel van de
lantaarn. Aan zijn voeten lag een dunne, witte, spookachtige draad, die
zich verderop verloor in de duisternis. Dat was de lont, die naar de
kist met dynamiet leidde, waarop hij zat!
Half waanzinnig van angst vocht hij met de touwen, die hem vasthielden,
totdat hij eindelijk uitgeput achterover tegen den wand van zakken
aanviel. Als vurige woorden klonk de laatste waarschuwing van Meleese
hem in het oor: „Je moet weggaan—morgen—morgen—of zij zullen je
doodmaken!” Het was dus op deze wijze, dat zij hem wilden laten sterven.
Hij zag opnieuw het vreeselijke schouwspel, waarvan hij een paar uur
vroeger getuige was geweest—een brandoffer van vuur en rook en
donder, dat een berg vaneen had gescheurd,—een chaos van strijdende,
kronkelende furiën,—en het was of zijn hart een oogenblik stokte. Was
het mogelijk, dat er menschen bestonden, duivelsch genoeg, om hem tot
zulk een uiteinde te veroordeelen? Waarom hadden zijn vijanden hem niet
op slag daar tusschen de rotsen gedood? Dat zou gemakkelijker zijn
geweest—en sneller—en eenvoudiger. Waarom wilden ze hem martelen? Wat
voor vreeselijks had hij bedreven? Was hij gek—stapelgek—en dit alles
slechts een ontzettende nachtmerrie,—een waanzinnige, onwezenlijke
verdraaiing van feiten in zijn brein? Al die vragen raasden hem
door het hoofd, zonder dat hij ook maar een enkele er van trachtte te
beantwoorden. Een korte poos zat hij stil, nauwelijks ademhalend. Hij
hoorde niets dan het kloppen van zijn eigen hart. Maar toen kwam er
een ander geluid, eerst bijna onmerkbaar en zacht, daarop scherp en
haastig—een geluid, genoeg om hem dol te maken.
Tik—tik—tik!
Het was het tikken van zijn horloge. En een nieuwe angst greep hem aan.
Hoe laat was het?
De coyote zou om negen uur worden opgeblazen. Het was vier uur geweest,
toen hij van huis ging. Hoe lang had hij bewusteloos gelegen? Was het
oogenblik al gekomen—was het nu? Stak MacDonald den vinger al uit naar
dien kleinen witten knop, die hem—Howland—de eeuwigheid in zou
slingeren?
Weer worstelde hij en beet hij in zijn woede op het ding, dat zijn mond
bedekt hield, zich het vleesch van de polsen scheurend in zijn pogingen
om de touwen af te schuiven, die hem gebonden hielden; en zichzelf bijna
worgend in zijn strijd om den riem los te maken, waarmee zijn nek aan
den wand was bevestigd. Uitgeput en al half dood, viel hij terug. Maar
terwijl hij zoo met gesloten oogen terneerlag, deed zijn gezond verstand
zich nog eenmaal gelden. Zou hij laf genoeg zijn om gek te worden?
Tik—tik—tik!
Het horloge liep nu met een razende haast. Mankeerde er iets aan?
Ging het te gauw? Hij trachtte de seconden te tellen, maar die holden
voorbij. Toen hij weer opkeek, viel zijn blik op het kleine, gele
vlammetje in de lantaarn. Het was nu niet langer het starre oog van een
minuut of wat geleden. Het sputterde flauwtjes en terwijl hij er naar
staarde, werd het zwakker en zwakker. Nog een paar minuten en het zou om
hem heen donker zijn. In den beginne besefte hij nog niet ten volle de
beteekenis van dat feit; maar op eens richtte hij zich op en wel met een
vaart, die den riem om zijn nek nog nauwer aanhaalde en hem bijkans deed
stikken. Er moesten uren voorbij zijn gegaan sedert die lantaarn op die
steenen werd geplaatst, anders zou de olie nog niet opgebrand zijn!
Hij merkte nu ook, dat zijn ademhaling al door moeilijker werd. Dat
stijve ding om zijn nek kneep meer en meer,—het was als een band van
gloeiend ijzer. Opnieuw worstelde hij en nu zakte de lap, die zijn mond
bedekt hield, op eens een duim of wat af en kon hij weer geluid geven!
„Die duivelsche riem van ongelooide huid schroeft mijn keel
dicht,”—waren zijn eerste woorden.
Zijn stem klonk hol en dof door de ruimte en hij trachtte te schreeuwen,
hoezeer ook overtuigd van het nuttelooze van zulk een poging, die zijn
lijden slechts kon verzwaren. Zijn rug deed hem folterende pijn; het was
hem als voeren er gloeiende naalden door zijn leden en als werd zijn
schedel gekloofd. Alle kracht scheen van hem geweken. Hij had geen
gevoel meer in de eerst door kramp geteisterde voeten. Hij berekende
de vorderingen van de verlamming die duim voor duim opklom in zijn
beenen,—folterende pijnen vooruitzendend,—en op eens kwam er een
ontzettende kreet over zijn lippen.
Het licht was uitgegaan!
En alsof het wegsterven van dat gele vlammetje de voorbode was geweest
van zijn eigen dood,—hij hoorde terzelfdertijd een scherp gesis, er
sprong een vonk over door de duisternis en een seconde later begon een
gloeiend puntje, op hem afkomend, langzaam voort te kruipen over de
rotssteenen aan zijn voeten.
Het uur, de minuut, de seconde was daar. MacDonald had op het witte
knopje gedrukt, dat hem de eeuwigheid in ging zenden! Hij gaf geen
geluid meer. Hij wist, dat het einde nu heel nabij was en juist dat gaf
hem kracht. Hij had eenmaal een executie bijgewoond en zich verbaasd
toen de veroordeelde, met den strop om den hals, nog met heldere stem en
onbevreesd een woord van afscheid had gesproken.
Nu begreep hij dien toestand. De lont brandde langzaam voort in zijn
richting,—een vijfde—een vierde—een derde van de lengte was al
verteerd. Toen werd het de helft en naderde zij tot bijna onder zijn
voeten. Nog twee minuten levens. Hij verzamelde al zijn krachten voor
een laatste poging om zijn handen te bevrijden—en dezen keer, met
den dood op enkele seconden afstands, was die poging kalm, vast,
meesterlijk. Het was of het hart hem in de keel klopte, toen hij merkte,
dat er speling in de banden kwam. Nog één ruk en door het aan alle
kanten ingesloten gewelf klonk een luide, doordringende triomfkreet!
Zijn handen waren vrij! Hij reikte naar de lont, maar tegelijkertijd
kwam er over zijn lippen een angstig gekreun en een zachte snik, die het
vreeselijkste bevatte, wat de menschelijke ziel in één zwakken toon
vermag te leggen. De riem van ongelooide koehuid, waarmee hij aan den
achterwand was vastgeklonken, belette hem om de lont te bereiken.
Hij tastte naar zijn mes. Hij had het thuis gelaten.—Nog zestig
seconden, nog veertig, nog dertig! Hij zag het gloeiende uiteinde van de
lont bijkans aan zijn voeten. Daar opeens kwamen zijn tastende vingers
in aanraking met het staal van zijn revolver; met een laatste opwelling
van hoop haalde hij het wapen te voorschijn en richtte hij het op de
verraderlijke vonk. Het eerste schot deed die verspringen zonder haar te
dooven, maar na het tweede schot was het glinsterende puntje verdwenen
en zat Howland, het hoofd tegen de kruitzakken gedrukt, minuten lang,
als was de dood over hem gekomen in het uur van zijn redding. Na
eenigen tijd gelukte het hem om, zij het ook langzaam en met moeite, een
hand in zijn broekzak te werken en daar een pennemes uit te halen. Maar
het duurde geruimen tijd eer hij daarmee den riem had doorgezaagd, die
zijn nek omklemd hield. Ten slotte sneed hij ook nog het touw door,
waarmee zijn enkels gebonden waren.
Hij deed nu een eerste poging om zich op te heffen, maar niet zoodra
stond hij op zijn voeten of zijn half verlamde ledematen weigerden hem
te dragen en hij zakte ineen. Eerst heel langzaam zocht het bloed
opnieuw zijn weg door de verstopte aderen en met dien omkeer in zijn
physieken toestand kwam er een gevoel van zalige rust over hem. Hij ging
op den grond liggen, het gelaat gekeerd naar den zwarten wand en dacht
alleen aan het feit, dat hij gered was, dat hij zijn geheimzinnige
vijanden opnieuw te slim af was geweest en dat hij het nu goed had.
Hij deed geen poging om te redeneeren, om plannen voor een algeheele
bevrijding te beramen. Hij lag naast kruit en dynamiet, maar dat kruit
en dat dynamiet kon niet ontbranden, vóórdat menschenhanden een nieuwe
lont hadden aangebracht. Daar zou MacDonald zeker wel gauw voor zorgen
en—Howland viel in een sluimering, die bijkans een geruste slaap was.
Toen hij uit zijn halve bedwelming ontwaakte, hoorde hij opnieuw het
tikken van zijn horloge. Het leek hem of hij daar al uren naar had
geluisterd, toen een ander en een even regelmatig geluid zich begon
hoorbaar te maken. Verbaasd richtte hij zich op om een oogenblik later
vroolijk te lachen; dat toch was het geklop van houweelen op den
buitenkant van de rotsen. MacDonald's mannen waren dus al bezig om den
ingang van de coyote open te hakken. Over een half uur zou hij—Jack
Howland—weer in de groote wereld zijn.
Die gedachte deed hem opspringen. De verdooving was uit zijn ledematen
verdwenen en hij kon zich bewegen en rondloopen. Zijn eerste daad was
om een lucifer af te strijken en op zijn horloge te kijken.
„Halfelf!”
Hij sprak die woorden overluid, denkend aan zijn afspraak met Meleese.
Over anderhalf uur dus zou hij haar ontmoeten op dezelfde plek als
gisteravond, tenminste wanneer hij vroeg genoeg bevrijd werd om zijn
afspraak na te komen. Maar hoe zou hij zijn tegenwoordigheid in de
coyote verklaren, zonder zich al te lang met MacDonald op te houden? Het
was of zijn brein sneller begon te werken, naarmate het kloppen van de
houweelen duidelijker werd. Als hij maar kans zag om de explicatie uit
te stellen tot den volgenden morgen, dan zou hij heel den verraderlijken
aanslag voor MacDonald blootleggen. Dan zou het nog vroeg genoeg zijn om
de lage boosdoeners uit te vinden en intusschen zou hij zijn samenkomst
met Meleese gehad hebben.
Al gauw had hij zijn plannen gemaakt. Hij zocht alle touwen en riemen
bijeen en verborg die tusschen de kruitzakken, zoodat zij, die de
coyote binnengingen, geen spoor zouden vinden van zijn vreeselijke
ervaring. Dicht bij den mond bevond zich een rotsblok met een diepe
spleet—waarschijnlijk een gevolg van een vroegere ontlading; daarin
zou hij zich verbergen. Als de mannen bezig waren met het onderzoek van
de lont, zou hij uit de spleet komen en zich ongemerkt bij hen voegen.
Het zou dan den schijn hebben, alsof hij achter hen aan de coyote was
binnengekropen.
Een half uur later vielen er steenen voor zijn voeten en zag hij na
enkele minuten een menschelijke gedaante als een schim door de ontstane
opening naar binnen zakken. Er volgde een tweede en toen een derde, maar
het eerste geluid, dat hij hoorde, was de stem van MacDonald.
„Geef mij de lantaarn, Bucky,” riep deze den man toe, die achter hem
liep. Er gleed een lichtstraal door de donkere ruimte. De werklieden
begaven zich voorzichtig naar de lont en Howland zag hoe de kleine
superintendent er, op zijn knieën liggend, naar keek.
„Wel vervl..kt!” hoorde hij hem zeggen en daarop volgde een diepe
stilte. Geruischloos als een kat werkte Howland zich uit de spleet en
klauterde hij een eindweegs omhoog tusschen de rotsen. Hij was het, die
den uitroep beantwoordde.
„Wat is er, MacDonald?”
Kalm voegde hij zich nu bij de kleine groep. MacDonald keek op en toen
hij zag, dat het de nieuwe chef in eigen persoon was, die zich over hem
heenboog, staarde hij dezen in grenzenlooze en angstige verbazing aan.
„Howland!” bracht hij met moeite uit en dat eene woord, gevoegd bij zijn
klaarblijkelijke agitatie, was den ingenieur genoeg. Hij keerde zich
snel naar de mannen en gaf hun zijn eerste bevel als chef van den
Hudsonbaai-spoorweg.
„Verlaat de coyote, jongens!” riep hij. „We zullen alles tot morgen
laten rusten.”
Maar tegen den superintendent zei hij zacht, terwijl de mannen voor hem
uitliepen:
„MacDonald, je moet den ingang van de mijn vannacht laten bewaken door
een half dozijn van de beste mannen. Ik weet van dingen, die maken, dat
ik deze heele kwestie morgen nader moet onderzoeken. Ik verlaat je,
zoodra we buiten zijn. Zeg aan iedereen, dat het alleen een gebrek aan
de lont is geweest. Begrepen?”
Hij kroop vóór MacDonald uit de opening en was nog eer deze de coyote
had verlaten, al verdwenen in den helder door sterren verlichten nacht,
op weg naar het mooie meisje, dat—zooals hij hoopte—in staat zou zijn
om geheel of gedeeltelijk een van de vreemdste en meest diabolische
complotten op te helderen, ooit in een menschelijk brein uitgedacht.