HOOFDSTUK VIII.

De Ure des Doods.

Het eerste wat Howland zag, toen hij weer tot bewustzijn kwam, was een

onbeweeglijk rood oog, dat hem uit de ondoordringbare duisternis strak

aanstaarde,—een venijnig glinsterend ding, dat hem met angst vervulde

en hem tegelijkertijd tot het leven terugriep. Het stond tegenover hem,

op één lijn met zijn gelaat,—een bol van geel-rood vuur, die hem tot in

de ziel scheen te branden. Hij trachtte te schreeuwen, maar er kwam geen

geluid over zijn lippen; hij beproefde zich om te wenden, zich terug te

trekken, maar het was of zijn leden alle beweegkracht misten. Het oog

groeide aan; hij zag nu, dat het een stralenkrans afwierp en die krans

werd grooter, tot het leek alsof de dikke duisternis er omheen wegsmolt.

Eerst toen begreep hij. Het was een lantaarn, die daar vóór hem stond op

niet meer dan tien voet afstands. Hij was nu ten volle tot bewustzijn

gekomen en deed opnieuw een poging om te roepen, om zijn armen

uit een onzichtbaren greep te bevrijden. Hij meende eerst, dat het

menschenhanden waren, die hem vasthielden, maar toen het schijnsel

van de lantaarn de dingen om hem heen en ook zijn eigen persoon beter

verlichtte, merkte hij al gauw, dat het een riem was, en dat hij niet

kon roepen, omdat er iets hards en stijfs om zijn mond zat.

En op eens werd alles hem duidelijk. Hij was op die slede naar de coyote

gekomen. Daar had men hem een slag op het hoofd gegeven. Hij herinnerde

zich, hoe mannen hem over de rotsen hadden gesleept en diezelfde mannen

hadden hem gebonden en hem een prop in den mond geduwd om hem vervolgens

te laten liggen bij die lantaarn, die hem aldoor aanstaarde. Maar waar

was hij? Hij trachtte naar de andere zijde te kijken en de duisternis te

doorboren. Vóór zich, achter het licht, zag hij een zwarten wand; hij

kon het hoofd niet geheel omdraaien, maar toch eenigszins nagaan, waar

diezelfde zwarte wand aan den linkerkant ophield. Hij keek omhoog en

zijn blik stuitte andermaal op hetzelfde onverbiddelijke rotsgesteente.

Hij keek omlaag en de kreet van afgrijzen, die in zijn keel opkwam,

verstierf in een gesmoord kreunen. Het schemerachtige licht toch viel

op een zak—op twee zakken,—op drie,—op vier,—op een stevig

opeengestapelden muur van zakken.

Nu wist hij ten volle wat er gebeurd was. Hij zat opgesloten in de

coyote en die zakken om hem heen waren gevuld met buskruit! Hij zat op

iets hards—op een kist—en die kist was gevuld met dynamiet! Het koude

zweet parelde op zijn gelaat, dat glinsterde in het schijnsel van de

lantaarn. Aan zijn voeten lag een dunne, witte, spookachtige draad, die

zich verderop verloor in de duisternis. Dat was de lont, die naar de

kist met dynamiet leidde, waarop hij zat!

Half waanzinnig van angst vocht hij met de touwen, die hem vasthielden,

totdat hij eindelijk uitgeput achterover tegen den wand van zakken

aanviel. Als vurige woorden klonk de laatste waarschuwing van Meleese

hem in het oor: „Je moet weggaan—morgen—morgen—of zij zullen je

doodmaken!” Het was dus op deze wijze, dat zij hem wilden laten sterven.

Hij zag opnieuw het vreeselijke schouwspel, waarvan hij een paar uur

vroeger getuige was geweest—een brandoffer van vuur en rook en

donder, dat een berg vaneen had gescheurd,—een chaos van strijdende,

kronkelende furiën,—en het was of zijn hart een oogenblik stokte. Was

het mogelijk, dat er menschen bestonden, duivelsch genoeg, om hem tot

zulk een uiteinde te veroordeelen? Waarom hadden zijn vijanden hem niet

op slag daar tusschen de rotsen gedood? Dat zou gemakkelijker zijn

geweest—en sneller—en eenvoudiger. Waarom wilden ze hem martelen? Wat

voor vreeselijks had hij bedreven? Was hij gek—stapelgek—en dit alles

slechts een ontzettende nachtmerrie,—een waanzinnige, onwezenlijke

verdraaiing van feiten in zijn brein? Al die vragen raasden hem

door het hoofd, zonder dat hij ook maar een enkele er van trachtte te

beantwoorden. Een korte poos zat hij stil, nauwelijks ademhalend. Hij

hoorde niets dan het kloppen van zijn eigen hart. Maar toen kwam er

een ander geluid, eerst bijna onmerkbaar en zacht, daarop scherp en

haastig—een geluid, genoeg om hem dol te maken.

Tik—tik—tik!

Het was het tikken van zijn horloge. En een nieuwe angst greep hem aan.

Hoe laat was het?

De coyote zou om negen uur worden opgeblazen. Het was vier uur geweest,

toen hij van huis ging. Hoe lang had hij bewusteloos gelegen? Was het

oogenblik al gekomen—was het nu? Stak MacDonald den vinger al uit naar

dien kleinen witten knop, die hem—Howland—de eeuwigheid in zou

slingeren?

Weer worstelde hij en beet hij in zijn woede op het ding, dat zijn mond

bedekt hield, zich het vleesch van de polsen scheurend in zijn pogingen

om de touwen af te schuiven, die hem gebonden hielden; en zichzelf bijna

worgend in zijn strijd om den riem los te maken, waarmee zijn nek aan

den wand was bevestigd. Uitgeput en al half dood, viel hij terug. Maar

terwijl hij zoo met gesloten oogen terneerlag, deed zijn gezond verstand

zich nog eenmaal gelden. Zou hij laf genoeg zijn om gek te worden?

Tik—tik—tik!

Het horloge liep nu met een razende haast. Mankeerde er iets aan?

Ging het te gauw? Hij trachtte de seconden te tellen, maar die holden

voorbij. Toen hij weer opkeek, viel zijn blik op het kleine, gele

vlammetje in de lantaarn. Het was nu niet langer het starre oog van een

minuut of wat geleden. Het sputterde flauwtjes en terwijl hij er naar

staarde, werd het zwakker en zwakker. Nog een paar minuten en het zou om

hem heen donker zijn. In den beginne besefte hij nog niet ten volle de

beteekenis van dat feit; maar op eens richtte hij zich op en wel met een

vaart, die den riem om zijn nek nog nauwer aanhaalde en hem bijkans deed

stikken. Er moesten uren voorbij zijn gegaan sedert die lantaarn op die

steenen werd geplaatst, anders zou de olie nog niet opgebrand zijn!

Hij merkte nu ook, dat zijn ademhaling al door moeilijker werd. Dat

stijve ding om zijn nek kneep meer en meer,—het was als een band van

gloeiend ijzer. Opnieuw worstelde hij en nu zakte de lap, die zijn mond

bedekt hield, op eens een duim of wat af en kon hij weer geluid geven!

„Die duivelsche riem van ongelooide huid schroeft mijn keel

dicht,”—waren zijn eerste woorden.

Zijn stem klonk hol en dof door de ruimte en hij trachtte te schreeuwen,

hoezeer ook overtuigd van het nuttelooze van zulk een poging, die zijn

lijden slechts kon verzwaren. Zijn rug deed hem folterende pijn; het was

hem als voeren er gloeiende naalden door zijn leden en als werd zijn

schedel gekloofd. Alle kracht scheen van hem geweken. Hij had geen

gevoel meer in de eerst door kramp geteisterde voeten. Hij berekende

de vorderingen van de verlamming die duim voor duim opklom in zijn

beenen,—folterende pijnen vooruitzendend,—en op eens kwam er een

ontzettende kreet over zijn lippen.

Het licht was uitgegaan!

En alsof het wegsterven van dat gele vlammetje de voorbode was geweest

van zijn eigen dood,—hij hoorde terzelfdertijd een scherp gesis, er

sprong een vonk over door de duisternis en een seconde later begon een

gloeiend puntje, op hem afkomend, langzaam voort te kruipen over de

rotssteenen aan zijn voeten.

Het uur, de minuut, de seconde was daar. MacDonald had op het witte

knopje gedrukt, dat hem de eeuwigheid in ging zenden! Hij gaf geen

geluid meer. Hij wist, dat het einde nu heel nabij was en juist dat gaf

hem kracht. Hij had eenmaal een executie bijgewoond en zich verbaasd

toen de veroordeelde, met den strop om den hals, nog met heldere stem en

onbevreesd een woord van afscheid had gesproken.

Nu begreep hij dien toestand. De lont brandde langzaam voort in zijn

richting,—een vijfde—een vierde—een derde van de lengte was al

verteerd. Toen werd het de helft en naderde zij tot bijna onder zijn

voeten. Nog twee minuten levens. Hij verzamelde al zijn krachten voor

een laatste poging om zijn handen te bevrijden—en dezen keer, met

den dood op enkele seconden afstands, was die poging kalm, vast,

meesterlijk. Het was of het hart hem in de keel klopte, toen hij merkte,

dat er speling in de banden kwam. Nog één ruk en door het aan alle

kanten ingesloten gewelf klonk een luide, doordringende triomfkreet!

Zijn handen waren vrij! Hij reikte naar de lont, maar tegelijkertijd

kwam er over zijn lippen een angstig gekreun en een zachte snik, die het

vreeselijkste bevatte, wat de menschelijke ziel in één zwakken toon

vermag te leggen. De riem van ongelooide koehuid, waarmee hij aan den

achterwand was vastgeklonken, belette hem om de lont te bereiken.

Hij tastte naar zijn mes. Hij had het thuis gelaten.—Nog zestig

seconden, nog veertig, nog dertig! Hij zag het gloeiende uiteinde van de

lont bijkans aan zijn voeten. Daar opeens kwamen zijn tastende vingers

in aanraking met het staal van zijn revolver; met een laatste opwelling

van hoop haalde hij het wapen te voorschijn en richtte hij het op de

verraderlijke vonk. Het eerste schot deed die verspringen zonder haar te

dooven, maar na het tweede schot was het glinsterende puntje verdwenen

en zat Howland, het hoofd tegen de kruitzakken gedrukt, minuten lang,

als was de dood over hem gekomen in het uur van zijn redding. Na

eenigen tijd gelukte het hem om, zij het ook langzaam en met moeite, een

hand in zijn broekzak te werken en daar een pennemes uit te halen. Maar

het duurde geruimen tijd eer hij daarmee den riem had doorgezaagd, die

zijn nek omklemd hield. Ten slotte sneed hij ook nog het touw door,

waarmee zijn enkels gebonden waren.

Hij deed nu een eerste poging om zich op te heffen, maar niet zoodra

stond hij op zijn voeten of zijn half verlamde ledematen weigerden hem

te dragen en hij zakte ineen. Eerst heel langzaam zocht het bloed

opnieuw zijn weg door de verstopte aderen en met dien omkeer in zijn

physieken toestand kwam er een gevoel van zalige rust over hem. Hij ging

op den grond liggen, het gelaat gekeerd naar den zwarten wand en dacht

alleen aan het feit, dat hij gered was, dat hij zijn geheimzinnige

vijanden opnieuw te slim af was geweest en dat hij het nu goed had.

Hij deed geen poging om te redeneeren, om plannen voor een algeheele

bevrijding te beramen. Hij lag naast kruit en dynamiet, maar dat kruit

en dat dynamiet kon niet ontbranden, vóórdat menschenhanden een nieuwe

lont hadden aangebracht. Daar zou MacDonald zeker wel gauw voor zorgen

en—Howland viel in een sluimering, die bijkans een geruste slaap was.

Toen hij uit zijn halve bedwelming ontwaakte, hoorde hij opnieuw het

tikken van zijn horloge. Het leek hem of hij daar al uren naar had

geluisterd, toen een ander en een even regelmatig geluid zich begon

hoorbaar te maken. Verbaasd richtte hij zich op om een oogenblik later

vroolijk te lachen; dat toch was het geklop van houweelen op den

buitenkant van de rotsen. MacDonald's mannen waren dus al bezig om den

ingang van de coyote open te hakken. Over een half uur zou hij—Jack

Howland—weer in de groote wereld zijn.

Die gedachte deed hem opspringen. De verdooving was uit zijn ledematen

verdwenen en hij kon zich bewegen en rondloopen. Zijn eerste daad was

om een lucifer af te strijken en op zijn horloge te kijken.

„Halfelf!”

Hij sprak die woorden overluid, denkend aan zijn afspraak met Meleese.

Over anderhalf uur dus zou hij haar ontmoeten op dezelfde plek als

gisteravond, tenminste wanneer hij vroeg genoeg bevrijd werd om zijn

afspraak na te komen. Maar hoe zou hij zijn tegenwoordigheid in de

coyote verklaren, zonder zich al te lang met MacDonald op te houden? Het

was of zijn brein sneller begon te werken, naarmate het kloppen van de

houweelen duidelijker werd. Als hij maar kans zag om de explicatie uit

te stellen tot den volgenden morgen, dan zou hij heel den verraderlijken

aanslag voor MacDonald blootleggen. Dan zou het nog vroeg genoeg zijn om

de lage boosdoeners uit te vinden en intusschen zou hij zijn samenkomst

met Meleese gehad hebben.

Al gauw had hij zijn plannen gemaakt. Hij zocht alle touwen en riemen

bijeen en verborg die tusschen de kruitzakken, zoodat zij, die de

coyote binnengingen, geen spoor zouden vinden van zijn vreeselijke

ervaring. Dicht bij den mond bevond zich een rotsblok met een diepe

spleet—waarschijnlijk een gevolg van een vroegere ontlading; daarin

zou hij zich verbergen. Als de mannen bezig waren met het onderzoek van

de lont, zou hij uit de spleet komen en zich ongemerkt bij hen voegen.

Het zou dan den schijn hebben, alsof hij achter hen aan de coyote was

binnengekropen.

Een half uur later vielen er steenen voor zijn voeten en zag hij na

enkele minuten een menschelijke gedaante als een schim door de ontstane

opening naar binnen zakken. Er volgde een tweede en toen een derde, maar

het eerste geluid, dat hij hoorde, was de stem van MacDonald.

„Geef mij de lantaarn, Bucky,” riep deze den man toe, die achter hem

liep. Er gleed een lichtstraal door de donkere ruimte. De werklieden

begaven zich voorzichtig naar de lont en Howland zag hoe de kleine

superintendent er, op zijn knieën liggend, naar keek.

„Wel vervl..kt!” hoorde hij hem zeggen en daarop volgde een diepe

stilte. Geruischloos als een kat werkte Howland zich uit de spleet en

klauterde hij een eindweegs omhoog tusschen de rotsen. Hij was het, die

den uitroep beantwoordde.

„Wat is er, MacDonald?”

Kalm voegde hij zich nu bij de kleine groep. MacDonald keek op en toen

hij zag, dat het de nieuwe chef in eigen persoon was, die zich over hem

heenboog, staarde hij dezen in grenzenlooze en angstige verbazing aan.

„Howland!” bracht hij met moeite uit en dat eene woord, gevoegd bij zijn

klaarblijkelijke agitatie, was den ingenieur genoeg. Hij keerde zich

snel naar de mannen en gaf hun zijn eerste bevel als chef van den

Hudsonbaai-spoorweg.

„Verlaat de coyote, jongens!” riep hij. „We zullen alles tot morgen

laten rusten.”

Maar tegen den superintendent zei hij zacht, terwijl de mannen voor hem

uitliepen:

„MacDonald, je moet den ingang van de mijn vannacht laten bewaken door

een half dozijn van de beste mannen. Ik weet van dingen, die maken, dat

ik deze heele kwestie morgen nader moet onderzoeken. Ik verlaat je,

zoodra we buiten zijn. Zeg aan iedereen, dat het alleen een gebrek aan

de lont is geweest. Begrepen?”

Hij kroop vóór MacDonald uit de opening en was nog eer deze de coyote

had verlaten, al verdwenen in den helder door sterren verlichten nacht,

op weg naar het mooie meisje, dat—zooals hij hoopte—in staat zou zijn

om geheel of gedeeltelijk een van de vreemdste en meest diabolische

complotten op te helderen, ooit in een menschelijk brein uitgedacht.

Op het onheilspad · 第 13 / 26 题