Howland gaf uiting aan zijn verbazing in een zacht fluiten.
„Waar slaap jij, Jackpine?” vroeg hij op eens.
„In een hut aan den zoom van het woud,” antwoordde de Cree.
„En hoe doen we dan met het ontbijt? Thorne heeft me nog niets verteld à
propos van de maaltijden.”
„Thorne hij zegt, gij morgenochtend eten bij hem. Ik kom vroeg—u wakker
maken. Als hij morgen weg, wij hier eten.”
„Je hoeft me niet wakker te maken,” zei Howland, zijn jas uittrekkend.
„Ik zal Thorne wel vinden—waarschijnlijk nog vóór hij op is.
Goedennacht!”
Jackpine had de deur al half geopend en één oogenblik kreeg de ingenieur
een glimp te zien van het donkere, grijnzende gelaat, dat hem over den
schouder nog aankeek. De Indiaan aarzelde even, als was hij op het punt
van te spreken, maar in het volgende oogenblik ging hij, stil bij
zichzelf lachend, naar buiten.
Howland schoof nu den grendel op de deur, stak een klein tafellampje aan
en begaf zich daarmee naar zijn slaapkamer.
„Een beetje rust komt mij toch toe, al zou er nog zoo'n knaleffect op
volgen,” mompelde hij bij zichzelf, zich in de dekens rollend.
Hoewel gewend om uit zichzelf en met den dageraad op te staan, moest
hij dezen keer toch door Jackpine gewekt worden. Het kamp was nog maar
nauwelijks ontwaakt, toen hij den Indiaan tusschen de houten huizen door
naar Thorne's kwartier volgde. Deze was al op en in de kleeren.
„Het spijt me, dat ik je moest haasten, Howland,” begon hij, „maar ik
moet weg met de mail. Onder ons gezegd—ik stel niet veel vertrouwen in
onzen dokter. Mijn schouder is er miserabel aan toe—en mijn arm is nog
ellendiger—en ik maak, dat ik zoo gauw mogelijk bij een goed chirurgijn
kom.”
„Hebben ze je dan Weston niet meegegeven?” vroeg Howland. Hij wist, dat
juist dr. Weston bij hun maatschappij de groote man was voor
chirurgicale hulp.
„Ja, juist Weston,” antwoordde zijn collega, hem scherp aanziend.
„Ik wil daarmee allerminst zeggen, dat hij niet goed is, Howland,”
verbeterde hij zich snel. „Maar hij schijnt nu eenmaal geen oog te
hebben voor mijn mankement.—Vóór ik het vergeet—ik heb de lijst van
onze menschen nagegaan en er is geen enkele Croisset bij.”
Na het ontbijt verdiepten beide mannen zich een uur lang in kaarten,
bescheiden en teekeningen, betrekking hebbend op de aangelegenheden van
het kamp. Van Chicago uit had Howland steeds voeling gehouden met het
werk en toen zij eenmaal zoo ver waren, dat zij konden overgaan tot de
buiteninspectie, leek hij al genoegzaam meester van den toestand om den
persoonlijken steun van zijn collega's te kunnen ontberen. Nog meer
dan tevoren was hij er van overtuigd, dat het allerminst opzien tegen
technische moeilijkheden was, wat hen naar Chicago terugdreef. Had
hij misschien een oogenblik gemeend, dat hij het werk in ontredderden
toestand zou vinden, al heel gauw merkte hij uit de voor hem opengelegde
bescheiden, dat dit in geenen deele het geval was.
„Dit alles is het resultaat van een goed half jaar,” zei Thorne, toen
zij klaar waren met hun inspectie. „Goeje God, man, toen we hier pas
kwamen, had een konijn nog niet kunnen doordringen tot de plek, waarop
je nu zit,—en kijk thans eens rond! Vijftig hutten, vier loodsen voor
de maaltijden, twee van de grootste opslagplaatsen noordelijk van
Winnipeg, een postkantoor, een ziekenhuis, drie smederijen en—een
scheepswerf!”
„Een scheepswerf?” riep Howland ten zeerste verbaasd.
„Ja, zeker—en met een half afgewerkt schip van vijftig ton, dat nu in
het ijs zit vastgevroren. Als je het in het volgende voorjaar afmaakt,
zal het je van veel dienst kunnen zijn voor het aanbrengen van voorraden
over de Wekusko. Nu gaat het nog langs het ijs en gebruiken we daarvoor
paarden. Het kostte duivelsche moeite om er een vijftig van Le Pas
hierheen te krijgen.—En buiten en behalve dit alles hebben we zuidelijk
al zes mijlen van den onderbouw voor de nieuwe lijn gereed en noordelijk
drie. Aan het uiteinde van elk stuk, waaraan gewerkt wordt, is een
sub-kamp, maar de meeste lui geven er de voorkeur aan, om 's avonds naar
hier terug te keeren.” Er werd nu geklopt en Thorne stond langzaam en
moeilijk op. „Dat zal MacDonald zijn, de superintendent van het kamp,”
legde hij uit. „Ik had hem om acht uur hier besteld—een handige kerel!”
Toen Thorne de deur opende, stapte een klein mannetje met rood haar naar
binnen. Zijn oog viel niet zoodra op Howland of hij kwam met uitgestoken
hand op den nieuwen chef af, glimlachend en vriendelijk met het hoofd
knikkend.
„Howland natuurlijk!” riep hij. „Het doet me plezier u te zien! Ik ben
tot mijn spijt wat laat, maar ze hebben zoo duivels veel moeite met een
rotspartij, die ze vanmorgen willen laten springen en dat heeft me
opgehouden.”
Van Howland keerde hij zich met de schichtige beweeglijkheid van een
veldmuis naar diens ouderen collega.
„Hoe staat het met je arm, Thorne? En als je nog een greintje medegevoel
in je corpus hebt, vertel me dan gauw of Jackpine sigaretten voor me
heeft meegebracht uit Le Pas. Als hij, net als de laatste mail, ze
vergeten heeft, dan sta ik niet voor zijn leven in.”
„Hij heeft ze meegebracht,” zei Thorne. „Maar à propos van die
rotsen—ik dacht, dat alles klaar was om ze te laten springen.”
„Dat is het ook—nu! De zuidkant staat ten doode opgeschreven; die wordt
om tien uur opgeblazen. De groote noordelijke rotsen moeten er vanavond
aan gelooven. Het zal een schitterend vuurwerk worden—honderd vijf en
twintig vaatjes buskruit en vier kisten, elk van vijftig ton dynamiet.
Als je niet zoo ver kunt loopen, Thorne, dan nemen ze je wel op een slee
mee er heen. Het zou jammer zijn, als je het niet zag!”
„Het spijt me, Mac, maar ik zal er niet bij tegenwoordig kunnen zijn. Ik
vertrek met de mail naar het Zuiden. Het is juist daarom, dat ik je
vroeg om vanmorgen hier te komen. Het is nu verder jouw taak om Howland
bekend te maken met alle onderdeelen van het kamp.”
„Kostelijk!” riep de kleine Schot, met spontane geestdrift de handen
wrijvend. „Greggy en Thorne hebben hier merkwaardige dingen gedaan,
Mr. Howland. Je zult oogen opzetten, als je het ziet! Praat me van
spoorwegbouw! We hebben elk record geslagen, we hebben ons door wouden,
door moerassen en door die vervloekte bergketens heengewerkt—en hier
zijn we nu vrij wel bij het uiteinde van de aarde. De nieuwe
Trans-continental is er kinderwerk bij! De—”
„Afbellen, Mac!” riep Thorne en Howland zag hoe zijn collega nu lachend
neerkeek op het roode gelaat vol zomersproeten van den superintendent.
De man had van het eerste oogenblik af ook op hem een gunstigen indruk
gemaakt.
„Hij is één bundel van dubbel geladen draden,” zei Thorne zacht, toen
MacDonald voor hen uit liep. „En zoo is hij altijd—meestal kinderlijk
gelukkig en de lieveling van het werkvolk—maar een lastige duivel, als
hij het land aan je heeft. Ik weet niet wat we in het kamp zonder hem
zouden moeten beginnen.”
Diezelfde gedachte kwam gedurende de eerstvolgende twee uren telkens en
telkens weer bij Howland op. MacDonald scheen in werkelijkheid de ziel
en de baas van het kamp te zijn, terwijl Thorne's houding den jongen
ingenieur meer en meer een raadsel werd. De hoofdlieden van het kamp
en de opzichters, die zij tegenkwamen, schenen bang te zijn voor den
ouderen ingenieur, maar als zij de vroolijke stem van den kleinen,
rooden Schot hoorden, glinsterden hun oogen van geestdrift. Neen, dat
was niet langer de Thorne, die tien jaar lang oog, oor en stem was
geweest van de grootste ondernemingen der vennootschap en wiens
onbegrensd enthusiasme en werklust hem gestempeld hadden tot een man van
meer dan nationale reputatie. Thorne leek niet op zijn gemak onder het
werkvolk; er lag achterdocht in zijn blik, als zocht hij onder al die
aangezichten naar één bepaald gelaat. De slimme oogen van MacDonald
merkten Howland's verwondering op en eenmaal profiteerde hij zelfs van
een gelegenheid om hem toe te fluisteren:
„Het wordt meer dan tijd, dat Thorne naar de beschaafde wereld
terugkeert. Er is iets niet in den haak met hem. Weston vertelde me
gisteren nog, dat het met zijn kneuzingen heel goed staat. Ik begrijp er
niets van.”
Even later gingen zij met Thorne terug naar diens woning.
„Ik zou zoo graag willen, dat Howland het opblazen van dien zuidelijken
rotswand zag,” zei MacDonald. „Kun je hem missen, Thorne? Vóór twaalf
zijn we terug.”
„Zeker. Kom dan bij mij eten. Ik zal in dien tusschentijd een lijst
maken van de dingen, die ik misschien vergeten heb.”
Howland meende, dat er opluchting klonk uit de stem van zijn ouderen
collega, maar hij zei dat niet tegen den superintendent, toen zij samen
zich naar het tooneel van de „opblazing” haastten. Alles was gereed om
de mijn te laten springen. Die „coyote” zelf,—een tunnel van vijftig
voet lengte, uitgehouwen in het zware rotsgesteente van den berg en
eindigend in een kamer gevuld met springstoffen—was afgesloten door
dicht opeengepakte massa's rotsgruis, MacDonald wees zijn metgezel den
electrischen draad, die naar de lont in de kamer liep.
„Het is me voor den duivel een raadsel, waarom Thorne niet wil komen
kijken!” riep hij na afloop van een laatste inspectie. „We zijn drie
maanden lang bezig geweest met het boren van deze coyote en van de
grootere naar het Noorden. Hier moeten we vier duizend vierkante meter
rots laten springen en daar zes duizend. Het kan je misschien je leven
lang niet meer overkomen, dat je zoo'n schot ziet en we krijgen geen
tweede zóó tusschen hier en de baai. Wat heeft Thorne toch?”
En zonder op een antwoord te wachten liep MacDonald snel naar een heuvel
rechts van hen. Er waren in den omtrek al overal wachten geplaatst en de
schrille kreet van: „vuur!—vuur!—vuur!”, ter waarschuwing voortgeplant
door spreekbuizen van berkebast vervaardigd, klonk dubbel dreigend door
de stille wildernis, waar voor het oogenblik alle werk had opgehouden.
Op den top van den heuvel stonden een vijftig arbeiders, die toen
Howland en de superintendent zich bij hen voegden, terugweken van een
grooten, platten steen, waarop een electrische batterij was geplaatst.
MacDonald's gelaat zag rood en zijn oogen knipten, toen hij op het
kleine knopje wees.
„God nog toe, hoe is het mogelijk, dat Thorne geen lust gevoelt om het
te zien,” zei hij weer. „Denk toch eens, man!—zeven duizend vijfhonderd
pond buskruit en tweehonderd pond dynamiet! Eén druk op dit knopje, één
schicht door dien draad en de lont brandt. Dan nog een minuut of vijf en
een berg, die van den scheppingsdag af op zijn plaats heeft gestaan,
gaat de lucht in! Is het niet prachtig!?” Hij ging kaarsrecht staan en
nam zijn hoed af.
„Mr. Howland, zoudt ge op dezen knop willen drukken?”
Met een vreemde gewaarwording boog Howland zich over de batterij, zijn
blik gericht op de doffe, zwarte rotsmassa, die op een halve mijl
afstands het noodlot scheen uit te dagen. Zijn vinger trilde, toen hij
op het kleine, witte knopje drukte en er kwam een diepe stilte over de
menigte. Een—twee—drie—vier—vijf minuten gingen voorbij, terwijl in
het binnenste van de aarde de lont tot aan het einde toe voortbrandde.
Toen steeg er een lichte stofwolk op, zonder geluid en gevolgd door een
vlam,—en daarna—misschien twee seconden later—kwam de eigenlijke
uitbarsting. Het was een gedruisch en een gestamp, alsof de aarde onder
den voet werd geloopen; er stegen dikke zwarte rookmassa's op, die den
berg in een ondoordringbaar lijkkleed schenen te hullen, om na enkele
oogenblikken roodgloeiend te worden; en tegelijkertijd scheurde de lucht
vaneen met een knal alsof duizend kanonnen tegelijk werden afgevuurd.
Zoo ver het oog reikte, schoot er een vlammenzee uit den rook; die klom
al hooger en hooger met bliksemende schichten, totdat de gloeiende
tongen de luchtlagen tot op een kwart mijl boven de wildernis lekten.
De eene uitbarsting volgde op de andere, enkele met een onderaardsch,
weerkaatsend geluid, maar de meeste met een zwaren knal. De hemelen
waren vol van tegen elkaar botsende rotssteenen; vaste massa's graniet
van tien voet in het vierkant vlogen door de lucht; rotsen van meer dan
een ton inhoud werden weggeslingerd als ballen, door een reuzenhand
geworpen; brokken, zwaar genoeg om de hoogste gebouwen in puin te doen
verkeeren, kwamen een derde of een halve mijl verder neer. Drie minuten
lang hield de vreeselijke stuiptrekking aan. Toen stierf het licht weg
uit de lijkwade van rook en begon die wade zelf zich te leggen. Howland
voelde een greep om zijn arm. Hij keek om en zag in het nu bleeke en
starende gelaat van den superintendent. Zijn eigen ooren suisden en elke
zenuw in hem hing slap. MacDonald's stem klonk vreemd en spookachtig
toen hij sprak.
„Wat zeg je dáárvan, Howland?”
De twee mannen namen elkaar bij de hand en toen zij weer opkeken, zagen
zij—door stof en rook nog moeilijk te onderscheiden—vaneengescheurde
en verspreide rotsblokken liggen op de plek, waar de hooge heuvelkam
had gestaan, die den nieuwen weg naar de baai versperde.
Howland sprak maar weinig bij den terugkeer naar het kamp. Het tooneel,
waarvan hij getuige was geweest, had hem aangegrepen; het had in hem
de oude eerzucht, de oude geestdrift wakker geschud, maar geen van die
twee zocht uiting in woorden. Hij was blij toen de maaltijd bij Thorne
een einde nam en toen de mail-slede met zijn ouderen collega verdween,
groeide die gewaarwording aan tot een gevoel van vreugde en verlichting.
Nu was _hij_ toch de verantwoordelijke persoon; van dit oogenblik af was
het _zijn_ lijn, _zijn_ werk. En bij het afscheidnemen gaf hij MacDonald
een handdruk, die meer zei dan woorden.
In zijn eigen hut teruggekeerd, wierp hij jas en hoed weg, stak hij
een pijp op en trachtte hij de beteekenis te beredeneeren, die dit
alles voor hem had. Hij was de verantwoordelijke chef bij den bouw van
een der meest grootsche spoorwegen op het heele wereldrond—hij—Jack
Howland—de jongen, die nog geen twintig jaar geleden uitgehongerd en
blootsvoets kranten had verkocht in dezelfde straten, waar nu zijn roem
luid werd verkondigd. Wat beteekende toch die zwarte vlek, die scheen
opgekomen om zijn kansen te bedreigen, juist nu hij zeker meende te
zijn van de overwinning? Hij balde de vuisten bij de gedachte aan wat
er al gebeurd was,—aan den laaghartigen aanslag op zijn leven en aan de
waarschuwingen—en zijn bloed steeg tot koortshitte. Dien avond, als
hij Meleese weer had gezien, zou hij weten waar hij aan toe was. Maar
intusschen stond één ding vast: hij zou zich niet laten verdrijven,
zooals Gregson en Thorne.
Het duister van den nacht valt vroeg in den noordelijken winter en het
werd al schemer, toen hij buiten een stem hoorde, weldra gevolgd door
een luid kloppen op de deur. Howland deed open en zag het hoofd en de
schouders van een man.
„Er is iets niet goed met de noordelijke coyote, Sir, en Mr. MacDonald
vraagt of ge zoo gauw mogelijk wilt komen,” sprak de nieuw aangekomene.
„Hij heeft mij daarom met een sleê hierheen gezonden.”
„En MacDonald meende daar straks, dat alles gereed was voor het
opblazen,” zei Howland, naar jas en hoed grijpend. „Wat mankeert er
aan?”
„Niet goed gestuwd, denk ik. Ik hoorde hem vloeken en tieren. Hij heeft
geen rust vóór ge daar zijt.”
Een half uur later hield de sleê stil dicht bij de plek, waar Howland
vroeger op den dag een twintigtal werklui bezig had gezien met het
afladen en rangeeren van zakken buskruit en dynamiet. Er stonden
tusschen de rotsen een stuk of zes lantaarns te branden, maar nergens
was er eenig spoor van leven of beweging, totdat de voerman plotseling
de lange zweep liet klappen en zich als antwoord een dof hallo uit de
verte liet hooren.
„Dat is MacDonald, Sir. Ge zult hem daar ginds bij de tweede lantaarn
vinden—daar is de opening van de coyote. Hij staat te razen tegen een
half dozijn mannen, die het dynamiet op in plaats van onder het kruit
hadden gestuwd.”
„All right,” riep Howland, zich tegen de rotssteenen opwerkend.
Nauwelijks echter had hij een stap of wat gedaan, of achter hem schoot
iets tusschen de rotssteenen uit, dat met een verpletterenden slag
op zijn hoofd neerkwam. Hij viel kreunend voorover op zijn gelaat.
Gedurende enkele oogenblikken hoorde hij nog stemmen om zich heen; hij
voelde ook, dat mannenarmen hem optilden en wegdroegen, zóó, dat zijn
beenen langs den grond sleepten. Daarna werd het hem als zonk hij
weg—diep—diep—steeds dieper, totdat ten laatste elk gevoel van
bestaan zich oploste in een chaos van pikzwarte duisternis.