Het opblazen van de coyote.
In de nieuwe opwinding, die al zijn zenuwen doortrilde, vergat
Howland het gevaar, waarin hij verkeerde, vergat hij zijn vroegere
voorzichtigheid en den angst, waaruit die ontstond, vergat hij
alles—behalve Meleese en zijn eigen groot geluk. Want gelukkig was hij;
gelukkiger dan hij nog ooit van zijn leven was geweest, gelukkiger dan
hij ooit had gedacht te zullen worden. Hij bleef zichzelf gelijk, ook in
de nieuwe, vreemde vreugde, die hem doortintelde; hij gunde zich geen
tijd om al de dwaze gedachten te ontleden, die in hem opkwamen. Hij
had Meleese in zijn armen gesloten, hij had haar zijn liefde bekend en
hoewel zij slechts met zachte berusting naar hem had geluisterd, was
hij toch verrukt zoo vaak hij terugdacht aan haar laatsten blik, die
van zooveel geloof en vertrouwen in hem en wie weet van wat nog meer
getuigde. Zijn geloof in haar was onbegrensd als het blauwe uitspansel
boven hem. Hij kende haar nog maar heel kort, maar het leek hem alsof
hij in dat tijdsverloop langer had geleefd dan in alle voorafgaande
jaren te zamen genomen. Zij had hem voorgelogen, zij had hem maar ten
deele haar naam toevertrouwd,—maar hij voelde als bij ingeving, dat
daarvoor geldige redenen bestonden.
Morgenavond zou hij haar weerzien en dan—wat zou zij hem dan vertellen?
Het moest en zou een belooning zijn voor zijn liefde. Dat verried het
angstige beven in haar stem, de snikkende ademhaling, de zachte gloed
in haar oogen. Zou zij—door liefde gedrongen—vertrouwen in hem
stellen—en zou hij dan naar het Zuiden terugkeeren?
Hij lachte zacht en vroolijk.
Ja zeker,—hij zou naar het Zuiden teruggaan,—hij zou naar het einde
van de wereld willen trekken,—als zij maar meeging. Wat beteekende de
bouw van een spoorlijn tegenover dat andere groote, dat er in zijn leven
gekomen was? Hij zag het begrip van plicht nu onder een licht, dat veel
van het vroegere verschilde. Er waren lui genoeg, die een weg konden
aanleggen; succes, fortuin, eerzucht—van de soort zooals hij tot nu toe
had gekend,—zij werden geheel overschaduwd door zijn liefde voor dit
jonge meisje.
Hij bleef staan om een pijpje te stoppen. De lekkere lucht van de tabak,
de geurige rook in zijn mond, dat alles hielp om hem weer in zijn
fatsoen te zetten en zijn verhit brein te bekoelen. Maar daarmee kwam
ook de oude strijdlust weer boven. Naar het Zuiden gaan? Nog eenmaal
stelde hij zichzelf die vraag en weer klonk er een lachje door het
stille woud, toen hij, de vuisten ballend, dacht aan wat hem wachtte.
Neen,—hij _wilde_ dien spoorweg bouwen. En al bouwend, zou hij het
meisje veroveren, wanneer zij werkelijk voor hem was weggelegd.
Met die kalmere gedachten keerde ook zijn voorzichtigheid terug; hij
liep nu langzamer, zich in de schaduw houdend en af en toe stilstaand
om te luisteren. Aan den rand van de open ruimte gekomen, hield hij in.
Alles was doodstil rondom de hut; waarschijnlijk waren de twee mannen,
die hij daar even in het bosch had gehoord, langs een anderen weg naar
het kamp teruggekeerd. Zich steeds zooveel mogelijk in de schaduw
houdend, liep hij naar de deur en trad hij binnen.
Met zijn voeten tegen de groote kachel zat daar Jackpine. Hij stond op,
toen hij Howland zag en er was iets in de sombere uitdrukking van zijn
gelaat, dat den jongen ingenieur aanleiding gaf om hem onderzoekend op
te nemen.
„Iemand hier geweest, Jackpine?”
De oude Indiaan maakte een ontkennend gebaar en haalde de schouders op,
tegelijkertijd wijzend naar een zorgvuldig opgevouwen papier, dat op de
tafel lag.
„Thorne,” gromde hij.
Howland spreidde den brief uit en las bij het licht van de lamp:
„Waarde Howland,
„Ik vergat om je te zeggen, dat de mail-slede naar Le Pas
morgenmiddag om twaalf uur vertrekt en aangezien het mijn voornemen
is om de reis daarmee te maken, verzoek ik je dringend om zoo
vroeg mogelijk bij mij te komen. Tusschen acht en twaalf kan ik
je gemakkelijk de noodige inlichtingen geven omtrent het kamp.