De Liefde van een Man.
Een oogenblik aarzelde het meisje, haar handen tegen de borst gedrukt
en het doodsbleeke gelaat verwrongen in vreemde smart, toen zij de
uitgestoken armen zag van den man, wien haar verraad bijkans in den dood
had gevoerd. Daarop naderde zij langzaam; Howland greep haar handen en
keek haar vragend in de verwilderde oogen, die naar de zijne staarden.
„Waarom zijt gij van mij weggeloopen?” waren zijn eerste woorden.
Zijn stem was zacht, als had hij haar al lang gekend. Er klonk geen
bitterheid uit en in zijn warmen, grijzen blik lag niet het verwijt, dat
zij had kunnen verwachten. Hij herhaalde zijn vraag, daarbij het hoofd
buigend, totdat hij de zachte aanraking van haar haar tegen zijn lippen
voelde. „Waarom zijt ge weggeloopen?”
Zij trok zich een weinig terug en haar blik zocht zijn gelaat. „Ik heb u
voorgelogen,” fluisterde zij,—„ik heb gelogen—”
De woorden bleven steken in haar keel. Hij zag hoe zij trachtte zichzelf
te beheerschen, hoe zij moeite deed om het trillen van haar lippen en
het beven van haar stem te onderdrukken. Maar een oogenblik later moest
zij het opgeven en zonk zij, luid snikkend, op een stoel bij de tafel
neer, het hoofd op haar armen leggend. Toen Howland dat stuipachtige
trekken van haar schouders zag, voelde hij in zich een groote vreugde,
niet uit leedvermaak, maar omdat hij begreep hoe diep haar verdriet
was over wat zij had gedaan. Zacht naderde hij haar. De pelsmuts was
afgegleden en de lange glanzige vlecht half los geraakt; de zijden
lokken vielen over haar schouders en glinsterden in het lamplicht.
Howland's hand aarzelde en viel ten laatste zacht op haar gebogen hoofd.
„Er zijn gevallen waarin de vriend, die liegt, de eenige ware vriend
is,” zei hij. „Ik geloof, dat gij verplicht waart, om—te liegen.”
Eenmaal slechts streek zijn hand over haar lokken; daarop, zichzelf
beheerschend, liep hij naar de overzijde van de smalle tafel en zette
hij zich. Toen het meisje opkeek, lag er een diepe blos op haar wangen,
die nog vochtig waren van de tranen; in haar oogen was daar geen spoor
meer van te bekennen, het was als zochten die in zijn blik de waarheid
van de woorden, een oogenblik te voren door hem geuit.
„Meent gij dat?” vroeg zij gretig. „Meent ge, dat ik verplicht was
om—te liegen?” Zij leunde een weinig naar hem over en wachtte,
zenuwachtig met haar vingers draaiend, op zijn antwoord.
„Ja,” zei Howland. Hij uitte dat enkele woord op een toon van
beslistheid, die blijdschap bracht in de zachte, bruine oogen tegenover
hem. „Ik geloof, dat gij verplicht waart om te liegen.”
Zijn diepe stem getuigde van een onbegrensd vertrouwen. Er lagen hem nog
meer woorden op de lippen, maar hij dreef die met geweld terug. Een deel
echter van wat hij had willen zeggen,—van het vreemde, blijde tumult in
zijn hart, verried zich op zijn gelaat en langzaam deinsde het meisje
daarvoor terug, terwijl de kleur van haar wangen verdween.
„En ik geloof ook, dat ge me niet opnieuw zult voorliegen,” vervolgde
hij.
Zij stond op en wierp haar lokken terug, hem beschouwend als had zij
nooit te voren een man als hij ontmoet en als wist zij niet wat van hem
te denken.
„Neen, ik zal u niet meer voorliegen,” hernam zij op vasteren toon.
„Gelooft gij mij nu?”
„Ja.”
„Keer dan ook terug naar het Zuiden. Ik ben vannacht hierheen gekomen,
alleen om het u opnieuw te zeggen,—om te maken, dat gij mij gelooven
_moet_. Waarom keert ge niet naar Le Pas terug? Als ge dat morgen niet
doet—”
Het was alsof haar stem stokte en alsof zij aan hem overliet om al of
niet te begrijpen, wat zij had willen zeggen. In minder dan geen tijd
was Howland aan haar zijde. In hem bruiste opnieuw de oude taaie
strijdlust. Hij greep haar handen en dwong haar met zijn blik om hem aan
te zien.
„Als ik morgen niet ga, dan zullen zij mij vermoorden,” zei hij, de
woorden van haar briefje herhalend. „Maar als ge nu werkelijk eerlijk en
oprecht tegenover mij wilt zijn, vertel mij dan _wie_ mij wil
vermoorden—en _waarom_?”
Hij voelde, dat er een siddering door haar leden voer, toen zij
antwoordde:
„Ik zei alleen, dat ik u niet opnieuw zal voorliegen. Kan ik u niet de
waarheid zeggen, dan zeg ik niets. Het is mij niet mogelijk u te zeggen,
waarom uw leven in gevaar verkeert.”
„En weet ge dat wel?”
„Ja.”
Hij bracht haar weer naar den stoel bij de tafel en zette zich opnieuw
tegenover haar.
„Wilt ge me dan zeggen wie gij zijt?”
Zij aarzelde en draaide een langen haarlok om haar vinger.
„Wilt ge?”
„Als ik u zeg, wie ik ben,” zei zij ten laatste, „dan weet ge ook wie uw
vijanden zijn.”
Hij staarde haar verbaasd aan.
„Duivels!” Het woord ontviel hem, eer hij het kon tegenhouden. Voor de
tweede maal stond het meisje op van haar stoel.
„Zult gij gaan?” smeekte zij. „Zult gij morgen terugkeeren naar Le Pas?”
Haar hand lag op de klink van de deur. „Zult gij gaan?”
Hij was opgestaan om een sigaar aan te steken boven het glas van de
lamp. Lachend kwam hij daarop naar haar toe.
„Of ik zal gaan?—Zeker—ik ga u veilig naar huis geleiden.” En zich
snel naar de rustbank begevend, gespte hij den holster met het pistool
om. Maar toen hij weer bij haar kwam, versperde zij hem den weg door met
haar rug tegen de deur te gaan staan.
„Dat moogt ge niet.”
„En waarom niet?”
„Omdat—” Weer klonk er angst uit haar stem. „Omdat zij u zullen
doodmaken.”
Het gesmoorde lachje, dat hij over haar lokken ademde, getuigde eer van
vreugde dan van vrees.
„Ik ben blij, dat gij zorg voor mij koestert,” fluisterde hij zacht.
„Gij moet gaan!” bleef zij aandringen.
„Met u—graag!” antwoordde hij.
„Neen, neen—ik bedoel morgen. Ge moet teruggaan naar Le Pas, naar het
Zuiden. Wilt gij mij dat beloven?”
„Misschien,” zei hij. „Ik zal het u spoedig zeggen.”
Zij eindigde met zich te onderwerpen aan zijn vasten wil; hij ging mee
naar buiten. Haastig leidde zij hem langs een smal paadje door de dichte
schaduwen van het pijnbosch. Maar opeens bleef zij staan; het was hem
als hoorde hij het kloppen van haar hart in de versnelde ademhaling; met
een angstig gebaar greep zij hem bij den arm.
„Het is hier dicht bij,” fluisterde zij. „Gij moogt niet verder meegaan.
Als zij u met mij zagen op dit uur—” Hij voelde hoe zij sidderde.
„Nog een eindje,” smeekte hij.
Weer gaf zij toe, zij het dan ook aarzelend en zij liepen nu voort,
langzamer dan in den beginne, totdat zij aan een punt kwamen, waar recht
voor hen uit de flauwe lichtjes van het kamp zichtbaar werden.
„Nu—nu moet ge heengaan!”
Howland deed als ging hij gehoorzamen en dadelijk was het meisje aan
zijn zijde.
„Ge hebt nog niet beloofd,” smeekte zij. „Zult ge
vertrekken—morgen?”—In den glans van de oogen, die tot hem werden
opgeheven, las hij weer dezelfde, wondere kracht, die sinds kort zijn
ziel had vermeesterd. Het kwam niet bij hem op, dat hij dit meisje eerst
sedert een paar dagen had ontmoet, dat hij vóór dezen avond haar stem
zelfs niet had gehoord. Hij was er zich alleen van bewust, dat er in
die luttele uren iets in zijn leven was gekomen, dat hij vroeger nooit
had gekend; dat hij diep in zich een verlangen gevoelde om haar dit te
zeggen,—om haar lief gelaat tusschen zijn handen te nemen en haar te
vertellen, dat zij hem meer was dan een voorbijgaand visioen in een
vreemde wildernis. Hij vergat de lessen, die hij zichzelf jaren lang
had voorgehouden: succes, eerzucht, voldoening over het bereiken
van een doel,—dat alles zonk in het niet tegenover haar bezielende
tegenwoordigheid; en ook vergat hij, toen hij haar in het angstig
smeekende gelaat keek, wat die vrouw had gedaan en wat zij had kunnen
worden. Voor hem bestond alleen het feit, dat zij een nieuwe wereld
voor hem had ontsloten,—een wereld vol beloften, die als vurige wijn
zijn bloed in beroering brachten. Weer drukte hij haar handen tegen
zijn borst, zooals hij dit op het Groote Pad naar het Noorden had
gedaan;—weer trok hij haar zóó dicht tegen zich aan, dat hij haar hart
voelde kloppen. Hij sprak geen woord en steeds smeekte haar blik hem om
heen te gaan. Plotseling bevrijdde hij een van zijn handen en streek
daarmee het zware haar van haar voorhoofd, tegelijkertijd haar gelaat
zacht omwendend, totdat het licht van de sterren zich in haar oogen
weerspiegelde. En in dat oogenblik las zij in de zijne, wat zijn lippen
niet hadden durven zeggen—en hoorde hij een zachten snik.
„Neen, ik heb niet beloofd en ik wil niet beloven,” zei hij, haar
gelaat zóó houdend, dat zij dit niet meer kon afwenden. „Vergeef mij,
wat ik gedaan heb—” En eer zij zich kon verroeren, sloot hij haar
een oogenblik vast in zijn armen. „_Nu_ weet je, waarom ik niet wil
weggaan,” fluisterde hij zacht. „Het is omdat ik je liefheb,—o zoo
lief!”
Hij herstelde zich, de verdere woorden terugdringend, die hem op de
lippen lagen. Maar toen zij haar blik afwendde, lichtte er in haar
oogen een glorie, die hem opnieuw de armen naar haar deed uitstrekken.
„Vergeef mij,” smeekte hij. „Mijn bedoelingen zijn goed. Maar ik wil,
dat je weet, waarom ik niet naar het Zuiden terugga.”
Zij stond nu op korten afstand van hem en toen zij sprak, klonk haar
stem zacht, zóó zacht, dat hij nauwelijks de woorden kon verstaan, al
doortrilde het lieve geluid zijn ontvankelijke ziel.
„Als je me werkelijk liefhebt, dan doe je het om mijnentwil. Je moet
morgen vertrekken.”
„En jij?”
„Ik?” Hij hoorde het beven van haar stem. „Je zult heel gauw vergeten,
dat je me ooit gezien hebt.”
Daar liet zich opeens langs het pad het geluid van gesmoorde stemmen
hooren. Ontsteld kwam het meisje naar Howland toe en trachtte zij hem
met haar handen terug te dringen.
„Ga—ga toch!” riep zij. „Ga gauw terug naar je hut! Sluit je deur en
kom er vannacht niet meer uit. O—als je me werkelijk liefhebt, ga—ga!”
De stemmen kwamen nader; Howland meende donkere schaduwen te
onderscheiden tusschen de boomen. Hij lachte zacht.
„Neen, meisjelief, ik ga niet aan den loop!” fluisterde hij. „Kijk!”—en
hij haalde zijn revolver uit, die in het sterrenlicht glinsterde.
Met een beweging van schrik trok zij hem mee tot diep in de struiken, op
een pas of twaalf afstands van het pad, waarlangs de anderen naderden.
Alles was stil, toen Howland zijn wapen weer in den holster liet
glijden. Maar al heel spoedig lieten de stemmen zich opnieuw hooren en
nu van dichtbij;—ook zijn gezellin week terug, haar handen grepen zijn
arm en smeekend hief zij het bleeke, verschrikte gelaat tot hem op. Het
bloed kookte hem in de aderen; hij begreep, dat het meisje de stemmen
herkend had,—dat zij, die op het punt stonden van daar voorbij te gaan,
de geheimzinnige vijanden waren, tegen wie zij hem gewaarschuwd had.
Wie weet, misschien waren het dezelfde twee individuen, die hem op het
Groote Pad naar het Noorden hadden aangevallen. Het meisje voelde hoe
de spieren van zijn arm zich strekten onder haar greep. Weer tastte
zijn hand naar de revolver; hij deed een schrede voorwaarts, zijn oogen
schitterden, zijn gelaat werd als staal. Bijkans snikkend drukte zij
zich tegen hem aan en trachtte zij hem terug te dringen.
„Doe het niet!” fluisterde zij—„doe het niet!”
Reeds hoorden zij de takken kraken onder de naderende voetstappen, toen
het geluid op minder dan twintig pas afstands plotseling ophield. De
hand van het meisje ging langzaam en liefkoozend van zijn arm naar zijn
schouder en naar zijn gelaat; haar mooie oogen gloeiden, half angstig,
half smeekend.
„Doe het niet!” fluisterde zij opnieuw en nu zóó dicht aan zijn oor, dat
haar warme adem hem langs de wangen streek; „doe het niet, als je me
liefhebt!”
Zacht trok hij haar naar zich toe en nam hij haar in zijn armen, haar
gelaat tegen zijn borst drukkend en daarop mond, oogen en haar kussend.
„Ik heb je lief!—Ik heb je lief!” fluisterde hij telkens opnieuw.
Weer lieten de voetstappen zich hooren, maar de stemmen stierven weg.
Hij voelde een drukken tegen zijn borst, een lichten tegenstand en hij
opende de armen om haar vrij te laten. Zij schonk hem een glimlach en
in dien glimlach lag tegelijkertijd een zachte aanklacht en een zoete
vrijspraak; hij zag, hoe de blos weer op haar wangen en de gloed weer in
haar oogen verscheen.
„Zij zijn weg,” zei zij, nog bevend.
„Ja, zij zijn weg.” Een oogenblik staarde hij naar het stralende gelaat
van het jonge meisje en ging toen voort: „Zij zijn weg,—maar het waren
dezelfde mannen, die te Prince Albert een poging deden om mij te dooden.
Ik liet hen gaan, terwille van jou. Wil je me nu je naam zeggen?”
„Ja, maar ook niet meer dan dat. Ik heet Meleese.”
„Meleese!”
Hij sprak den naam op scherpen toon uit; op eens toch kwam alles hem
weer in den zin, wat Croisset had gezegd en zweefden de woorden van
den half-ras, die zich diep in zijn memorie hadden gegrift, hem op de
lippen. „Misschien zult ge het begrijpen, wanneer ik u zeg, dat het de
kleine Meleese is, die u deze waarschuwing doet toekomen.” Wat had
Croisset daarmee bedoeld?
„Meleese!” herhaalde hij, het jonge meisje vreemd aanziend.
„Ja,—Meleese—”
Langzaam week zij terug; de blos verliet haar gelaat en toen zij den
blik van zijn oogen opving, uitte zij een korten, gesmoorden kreet.
„Begrijp je me nu—nu? Weet je nu waarom je naar het Zuiden moet
terugkeeren?” snikte zij zacht. „O ik deed verkeerd met je mijn naam te
zeggen! Maar je gaat weg, niet waar? Je gaat om mijnentwil—”
„Voor jou ga ik naar het einde van de wereld!” viel Howland haar in de
rede, zijn doodsbleek gelaat dicht bij het hare. „Maar vertel mij dan
ook waarom dit alles. Ik begrijp je niet. Ik weet niet waarom die mannen
mij wilden doodmaken te Prince Albert. Ik weet niet waarom mijn leven
hier in gevaar verkeert. Croisset vertelde me, dat de waarschuwing, die
ik daar ginds kreeg, van een meisje kwam, dat Meleese heette. Ik begreep
hem niet. En ik begrijp jou niet. Het is alles een mysterie voor me.
Voor zoover ik weet, heb ik nooit vijanden gehad. Ik heb je naam nooit
gehoord eer Croisset dien uitsprak. Wat bedoelde hij? Wat bedoel jij?
Waarom tracht je me weg te houden van de Wekusko? Waarom is mijn leven
in gevaar? Het staat aan jou om mij dat alles te zeggen. Ik ben eerlijk
met je geweest. Ik heb je lief. Ik wil zoo noodig voor je vechten; maar
dan moet je me ook vertellen—vertellen—”
Zij voelde zijn heeten adem op haar gelaat en zij zag hem aan met een
blik, alsof dat wat zij hoorde, haar de spraak benam.
„Wil je het me niet vertellen?” fluisterde hij nog zachter. „Meleese—”
Zij deed geen poging om hem tegen te gaan, toen hij haar opnieuw naar
zich toe trok en zijn lippen op de hare drukte. „Meleese, waarom wil je
het me niet vertellen?”
Plotseling legde zij haar handen tegen zijn gelaat en stiet zij zijn
hoofd terug, hem vrij en open aanziend.
„Als ik het je vertel en op die wijze verraad pleeg tegen hen, die ik
liefheb,” zei ze zacht, „wil je me dan beloven, dat je geen van hen
kwaad zult doen en dat je naar het Zuiden zult terugkeeren?”
„En jou achterlaten?”
„Ja—en mij achterlaten.”
Er klonk een flauw, een heel flauw zuchtje uit de stem, die zij trachtte
te beheerschen. Zijn armen sloten zich nauwer om haar heen.
„Ik ben bereid om een eed af te leggen, dat ik zal doen wat het beste is
voor jou—en voor mij,” antwoordde hij. „Ik wil een eed afleggen, dat ik
niemand zal benadeelen, dien jij wenscht te beschermen. Maar ik wil niet
beloven om je te verlaten.”
Er kwam een zachte glans in de oogen van het jonge meisje, toen zij zich
uit zijn armen losmaakte en een weinig terugweek.
„Ik moet eerst denken—denken—” fluisterde zij snel. „Misschien kan ik
je morgenavond uitsluitsel geven,—hier op deze plek—wanneer je je
woord wilt houden en doen wat goed is voor jou—en voor mij!”
„Ik zweer het je!”
„Ik kom hier dan weer op denzelfden tijd,—als de anderen slapen. Maar
dan moet je morgen oppassen—erg oppassen! Beloof me dat je morgen
voorzichtig zult zijn.”
„Dat beloof ik je.”
Als onwillekeurig strekte zij nog eenmaal de armen naar hem uit en gleed
daarop weg als een schim. Hij hoorde haar vlugge schreden op het pad,
hij zag haar gestalte, zooals die in het duistere woud verdween.
Nauwelijks ademhalend, bleef hij staan luisteren tot hij niets meer
hoorde om zich daarna langs het voetpad snel terug te begeven naar zijn
hut.