Een Middernachtelijk Bezoek.
Toen de slee voorbijschoot, lag één oogenblik Croisset's naam op
Howland's lippen. Gregson op zij duwend, sprong hij den nacht in,
gedreven door de begeerte om de twee wezens, die in de laatste acht en
veertig uren zoo nauw en op zoo geheimzinnige wijze met zijn eigen
bestaan verbonden waren geweest en die dreigden hem weer te ontsnappen,
nog in te halen.
Het was Gregson, die hem tot bezinning bracht.
„Ik dacht, dat comedies en meisjes je niet konden schelen!” riep hij
spottend, Howland's woorden van daareven herhalend. „Hier in het Noorden
doet een aardig snuitje je heel anders aan dan in Chicago, niet waar?
Nu, als je eens een week of wat hier aan den zelfkant van de wereld
gezeten hebt, zul je merken—”
Howland viel hem met eenige scherpte in de rede:
„Ben je die twee menschen ooit eerder tegengekomen, Gregson?”
„Nooit vóór vandaag, kerel. Maar er is hoop. We zullen stellig wel
iemand vinden, die hen kent. Zou het niet kostelijk zijn, als Jack
Howland Esq., de man die nooit eenige belangstelling heeft getoond
voor comedies of voor meisjes, hier naar deze door God en de menschen
verlaten streek moest komen om op slag te verlieven? Bij het Groote
Pad van het Noorden, ik geloof, dat het voor jou hier wel eens
interessanter zou kunnen worden dan het voor Thorne en voor mij is
geweest!—Als ik haar maar eerder gezien had—”
„Hou je mond!” gromde Howland, zich prikkelbaar toonend. „Laten we
liever gaan eten.”
„Goed; dan kunnen we er later onder onze avondsigaar nog eens nader over
spreken. Dat zal ons helpen om den tijd te korten.”
„Ik moet zeggen, dat je een goeden smaak hebt, Gregson,” zei Howland, nu
weer goed gehumeurd, toen zij zich aan een van de ruwe houten tafels in
de eetkamer zetten. Hij hield er zich innerlijk van overtuigd, dat het
beter was om de ondervindingen van de twee laatste dagen maar voor
zichzelf te houden. „Het was een heel mooi gezichtje.”
„En dan die oogen!” voegde Gregson er aan toe, terwijl de zijne van
geestdrift schitterden. „Zij keek mij vanmiddag, toen zij hier met dien
donkeren vent voorbijkwam, open en vrij aan en ik zweer je, dat het de
mooiste oogen zijn, die ik ooit heb gezien. En dan dat haar—”
„Denk je, dat zij weet wie je bent?” vroeg Howland kalm.
Gregson haalde de schouders op.
„Hoe ter wereld zou ze me kennen?”
„Waarom keek ze je dan zoo „open en vrij” aan? Dacht je misschien, dat
zij probeerde te flirten?”
Gregson scheen verbaasd.
„Om den drommel niet,—neen!” riep hij. „Daar wil ik mijn leven onder
verwedden. Geen man ving ooit een reineren, een meer onschuldigen blik
op en toch—voor den duivel, zij _staarde_ me aan! Haar heb ik daarna
niet meer gezien, maar die donkere vent heeft hier den heelen middag
rondgeloopen en nu dat ik er over denk, het was of ook hij bizondere
belangstelling voor me aan den dag legde. Maar waarom vraag je er zoo
naar?”
„Alleen uit nieuwsgierigheid,” antwoordde Howland. „Ik hou niet van
flirts.”
„Ik ook niet,” zei Gregson, kalm en nadenkend. Hun avondeten werd nu
opgediend en zij praatten maar weinig meer vóór het was afgeloopen.
Howland kreeg daardoor gelegenheid om zijn collega van ter zijde gade te
slaan en al spoedig hield hij zich overtuigd, dat deze niets van het
meisje afwist en evenmin van Croisset. Intusschen werd het hem steeds
meer een raadsel hoe Gregson en Thorne, twee van de beste krachten in
hun vak, vrijwillig een werk als den bouw van de Hudsonbaai-lijn konden
opgeven, alleen omdat zij „genoeg hadden van de streek.”
Het was eerst toen zij op het punt waren om van tafel op te staan, dat
Howland's blik toevallig op de linkerhand van Gregson viel. Hij deed een
uitroep van verbazing, toen hij zag, dat de pink daaraan ontbrak.
Gregson trok de hand haastig weg.
„Een accident,” zei hij. „Zoo wat zal jou hier ook wel eens overkomen.”
Maar nog eer hij zich kon omwenden, had Howland zijn arm gegrepen om de
hand meer van nabij te bekijken.
„Een vreemde wond,” merkte hij op zonder zijn vriend aan te zien. „Gek,
dat ik het niet eerder merkte. De vinger is letterlijk in de lengte
afgerukt en het litteeken gaat tot halfweg den pols. Hoe ben je daaraan
gekomen?”
Toen hij de hand liet vallen, zag hij, dat een diepe blos Gregson's
gelaat kleurde.
„Och,—die pink werd me een week of wat geleden afgeschoten, Howland;
natuurlijk bij ongeluk,—” luidde het antwoord en al over zijn schouder
voortpratend, liep Gregson snel naar de deur. „En nu onze after-supper
sigaar en een gemoedelijk praatje!”
Toen zij uit de eetkamer in dat deel van het hotel kwamen, dat
tegelijkertijd bar en zitkamer was,—en al gevuld met den rook van een
dozijn der schilderachtige inwoners van Le Pas, gaf de ruwe hotelier
Howland een teeken en reikte hij dezen een brief.
„Mr. Howland, dit is voor u gekomen, terwijl ge aan tafel waart,” legde
hij uit.
De ingenieur voelde innerlijk een schok, toen hij het handschrift op de
enveloppe herkende en vóór hij die opende, keerde hij zich zóó ver om,
dat Gregson noch zijn gelaat, noch het stukje papier kon zien, dat die
bevatte. Er stond geen naam onder het geschrevene, maar dat was ook niet
noodig; één blik was voor Howland voldoende. Het was het handschrift van
het meisje, dat hij dien avond opnieuw had aanschouwd en al lezende
vergat hij in zóóverre zijn omzichtigheid, dat hij even floot.
„Vergeef mij wat ik deed,” luidden de weinige regels. „Schenk mij nu
geloof. Uw leven is in gevaar en gij moet morgen teruggaan naar Etomani.
Als ge voortreist naar het kamp aan de Wekusko, zult gij nooit van daar
terugkeeren.”
„Duivels!” riep hij.
„Wat is er?” vroeg Gregson, die nieuwsgierig om hem heen draaide.
Howland verkreukelde het briefje met zijn hand en stopte het in een van
zijn zakken.
„Een kleine private aangelegenheid,” lachte hij. „Kom, Gregson, laten we
liever eens probeeren of we wat te weten kunnen komen.”
Hij stak, in de duisternis buiten gekomen, een hand onder zijn jas
en legde die om zijn revolver. Tot tien uur verkeerden zij onder de
bewoners van Le Pas. Tal van menschen hadden Croisset en zijn mooie
gezellin gezien, maar niemand kende hen. Zij waren dien morgen in een
slede gekomen, hadden hun middagmaal en hun avondeten gebruikt in de hut
van een opzichter, MacDonald geheeten, en waren daarna, eveneens weer op
een slee, vertrokken.
„Zij is het liefste persoontje, dat ik ooit heb gezien,” riep Mrs.
MacDonald in verrukking; „maar zij kan niet spreken. Twee- of driemaal
schreef zij iets voor mij op een stukje papier.”
„Niet spreken!” herhaalde Gregson, terwijl zij langzaam naar het hotel
terugliepen. „Voor den duivel, Jack, wat denk jij daarvan?”
„Ik denk niets!” herhaalde Howland onverschillig. „We hebben ons deel
gehad van het aardige gezichtje, Gregson. Ik ga naar bed. Hoe laat
vertrekken we morgenochtend?”
„Dadelijk na het ontbijt, als je er erg naar verlangt.”
„Zeker doe ik dat. Goedennacht.”
Howland begaf zich naar zijn kamer, maar niet om te slapen. Uren lang
zat hij, de eene sigaar na de andere rookend, klaar wakker te denken.
Hij ging één voor één de zonderlinge gebeurtenissen na van de twee
laatste dagen. Die waren tot op zekere hoogte een soort van opwekking
voor hem geweest,—een dosis opwinding, die heelemaal niet onaangenaam
was; maar bij die opwinding kwam nu een soort van beklemming. De aanslag
op zijn leven, gevoegd bij de herhaalde aanmaningen om naar het Zuiden
terug te keeren, begon invloed te krijgen. Intusschen—Howland was er de
man niet naar om toe te geven aan vrees—zoo het al vrees genoemd kon
worden. Hij was er van overtuigd, dat een geheimzinnig gevaar—van
welken aard dan ook,—hem in het kamp aan de Wekusko wachtte, maar hij
gaf het op om langer naar een mogelijke aanleiding te zoeken, aannemend,
dat dit gevaar nu eenmaal bestond en dat het zich vroeg of laat wel
vanzelf zou verklaren. Alleen kon hij zich het meisje niet uit het hoofd
zetten. Haar lief gelaat vervolgde hem. Hij zag het overal. Nu eens
zooals zij tegenover hem zat in het Chineesche restaurant, dan weer in
het witte licht der sterren op het Pad naar het Noorden, of wel zooals
het hem nu weer, een oogenblik geleden, uit de slede had aangestaard.
Tevergeefs trachtte hij voor zich onedele drijfveeren op te zoeken in de
heldere oogen, die een beroep schenen te doen op zijn vriendschap—ook
al hadden de zachte lippen hem voorgelogen door te zwijgen. „Vergeef mij
wat ik deed!”—Hij vouwde het verkreukelde briefje open en las en herlas
die woorden. „Schenk mij nu geloof.”—Zij begreep dus, dat hij wist, hoe
zij hem voorgelogen had, dat hij wist, hoe zij hem had gelokt naar het
gevaar, waarvan zij hem nu wilde redden. Zijn wangen brandden. Al
dreigden hem daar ginds aan de Wekusko duizend gevaren—gaan zou hij!
Hij moest haar weerzien. Hoeveel moeite hij ook deed, hij kon het
visioen van haar liefelijk gelaat niet afschudden. Die zacht smeekende
oogen, die roode mond bevend en met half geopende lippen als ging hij
spreken, dat hoofdje met den stralenkrans van glanzig haar, waarop hij
had neergezien,—dat alles had zich te diep in zijn ziel geprent om
uitgewischt te kunnen worden. Had de wildernis hem van den beginne af
aan interessant geleken, nu was zij dit dubbel, omdat haar gelaat er
deel van uitmaakte, omdat het geheim van haar leven, van de wanhoop hem
ten deele geopenbaard, ergens vèr weg in het duistere mysterie van
gindsche pijnbosschen verborgen lag.
Hij ging naar bed, maar het duurde lang eer hij den slaap vatte. Het
leek hem, dat hij nauwelijks de oogen gesloten had, toen hij werd gewekt
door een kloppen op zijn deur. Hij zag, dat het licht van den dageraad
door het smalle venster van zijn kamer naar binnen viel en kort daarop
voegde hij zich bij Gregson, die al met het ontbijt op hem wachtte.
„De slee en de honden staan klaar,” zei hij. En terwijl zij zich aan
tafel zetten, voegde hij er aan toe: „Ik heb mijn plannen sedert
gisteravond veranderd, Howland. Ik ga niet mee terug naar de Wekusko.
Het is nergens voor noodig; Thorne kan je daar voldoende inlichten
omtrent alles in en om het kamp en ik geef liever een half jaar van mijn
salaris cadeau dan dat ik dien sleerit opnieuw maak. Het kan je zeker
niet schelen, wel?”
Howland haalde de schouders op.
„Eerlijk gezegd, Gregson,—ik geloof niet, dat je opgewekt gezelschap
zou zijn. Wat voor element is de voerman?”
„We noemen hem Jackpine; hij is een Cree-Indiaan—en de vertrouwde
lijfslaaf van Thorne en mij te Wekusko. Hij jaagt voor ons, kookt voor
ons en zorgt voor ons in alle opzichten. Je zult stellig van hem gaan
houden.”
En dat deed Howland dan ook al heel gauw. Toen zij na hun ontbijt naar
de slee gingen, reikte hij Jackpine vriendschappelijk de hand en het
donkere gelaat van den Cree glom van vreugde, zoodra hij de geestdrift
van den nieuwen chef opmerkte. Toen het oogenblik van scheiden kwam,
trok Gregson zijn collega ter zijde. Hij scheen geagiteerd, zijn blik
gleed onrustig rond en Howland zag, dat hij zich moeite gaf om een
onverschilligheid te veinzen, die allerminst in zijn karakter lag.
„Nog een enkel woord, Howland,” zei hij. „Je weet, dit is een ruw en
onontgonnen land vol stoere lui, die er geen bezwaar in zouden zien om
iemand den hals af te snijden of hem een kogel door het hoofd te jagen,
ter wille van een goed span honden of een geweer. Ik zeg je dit alleen
maar om te maken, dat je op je hoede bent. Laat Jackpine waken, als je
's nachts kampeert.”
Hij sprak zacht en brak af, toen de Indiaan naderbij kwam. Howland zette
zich midden op de zes voet breede toboggan en wuifde met de hand naar
Gregson. Met een wild hallo en een luid klappen van zijn lange zweep van
kariboe-darmen, zette Jackpine de honden aan tot een drafje, terwijl hij
zelf ter zijde van de slee bleef loopen. Howland had intusschen een
sigaar opgestoken en begon, tegen een zachten stapel bont geleund, zijn
nieuwe ondervinding naar hartelust te genieten. De dag brak aan boven de
wouden, toen zij dat deel van het Pad insloegen, dat van Le Pas door
meer dan honderd mijlen wildernis naar het kamp aan de Wekusko voerde en
al keihard was geworden onder het vele verkeer van sleden. De honden
begonnen nu harder aan te trekken en Jackpine's zweep krulde en klapte
boven hun ruggen, totdat zij pijlsnel en met volkomen regelmaat
voortholden. De Cree haalde daarop zijn zweep in om verder naast
den eersten hond te blijven voortloopen;—zijn voeten, in mocassins
gestoken, namen den korten, vluggen, lichten tred aan van den woudlooper
van beroep; hij zette de borst uit, terwijl zijn blik zich vestigde op
het kronkelende Pad vóór zich. Het was een glorieuse rit en Howland
genoot dien zóózeer, dat hij de sigaar vergat, die hij tusschen de
vingers hield. Hij had pret in het onvermoeide draven van het prachtige
geel-grijze span; hij lette op de beweging van de spieren in ruggen en
pooten, op het vurige snuiven van de breede neuzen, op de half-geopende
muilen en de wolfachtige koppen en keek dan weer van de dieren naar
Jackpine. Het draven scheen hem geen moeite te kosten. Zijn zwart haar
kwam onder zijn grijze muts uit; evenals bij de honden, was er ook
harmonie in zijn bewegingen; het was de schoonheid van kracht, van
volharding, van een mannelijke natuur geboren in het oerwoud,—en toen
de honden ten laatste, hijgend en uitgeput, een oogenblik stilhielden
aan den voet van een hoogen heuvelkam, sprong Howland snel uit de slee
en knoopte hij een gesprek aan met den Indiaan.
„Dat was heerlijk, Jackpine,” riep hij. „Maar, goeje God, man! Je zult
de honden nog dood maken!”
Jackpine grinnikte.
„Zij—op die manier—kunnen wel zestig mijl in één dag maken,” lachte
hij in zijn kinderlijk gebroken Engelsch.
„Zestig mijlen!”
Vol bewondering voor het span, dat hem zoo snel door de wildernis trok,
strekte Howland de hand uit om een van de honden te streelen. Met een
waarschuwenden kreet trok de Indiaan hem weg, juist toen het woedende
dier al naar de uitgestoken hand hapte.
„Geen huskie aanraken!” riep hij. „Hij half wolf, half hond—werkt hard,
maar wil niet aangeraakt worden!”
„Wou!”, zei Howland. „En als zij klein zijn, zijn zij zoo lief.—Ik doe
in dit land wel rare ondervindingen op!”
Hij was doodmoe, toen de nacht viel. En toch had hij nog nooit
van zijn leven een dag zóó genoten als dezen. Telkens weer had hij
zich bij Jackpine gevoegd, terwijl deze naast de slee liep. In hun
rustpoozen had hij zelfs geleerd om den dertig voet langen slag van de
hondenzweep te laten klappen. Hij had honderd vragen gedaan, had er op
aangedrongen, dat Jackpine af en toe een sigaar rookte en was aldoor
zoo opgewekt geweest en zoo vertrouwelijk, dat de Cree zijn aangeboren
terughoudendheid had laten varen tegenover zooveel geestdrift. Hij hielp
om de hut van takkenbossen te bouwen voor den nacht—hij at een zwaren
maaltijd van rendiervleesch, warme biscuits, boonen en koffie en toen,
juist terwijl hij zich op zijn vachten uitstrekte om te gaan slapen,
herinnerde hij zich de waarschuwing van Gregson. Hij richtte zich op en
riep Jackpine, die bezig was met het stapelen van nieuwe blokken op het
groote vuur vóór de hut.
„Gregson heeft me gezegd, dat er 's nachts in het kamp gewaakt moet
worden, Jackpine. Wat denk jij daarvan?”
De Indiaan wendde zich om met een vreemd lachje, heel zijn leerachtig
gelaat verwrongen tot een grijns.
„Gregson, hij heel bang,” antwoordde hij. „Geen slechte menschen
hier—allemaal daarginder in kamp—wij wacht houden elken nacht.—Hij
bang, denk ik—misschien.”
„Bang voor wat?”
Een oogenblik bleef Jackpine, zich over het vuur buigend, zwijgen.
Daarop stak hij de linkerhand zóó uit, dat de pink niet zichtbaar was en
wees er op met de andere hand.
„Misschien vinger ongeluk—misschien niet,” zei hij.
Een dozijn vragen was niet in staat om Jackpine tot meer uitlatingen te
verlokken. Het speet hem klaarblijkelijk, dat zelfs die enkele woorden
hem ontvallen waren. Maar hoe weinig hij ook gezegd had, het versterkte
de meening, die langzamerhand bij Howland had post gevat. Hij was
verbaasd geweest over het vreemde optreden van Gregson, over diens
duidelijk verlangen om uit die streek weg te komen en laatstelijk over
diens besluit om niet mee terug te gaan naar het kamp aan de Wekusko.
Hier was maar één verklaring mogelijk: Gregson was op eenigerlei wijze
gemengd in het mysterie, dat hem—Howland—omgaf, en 's mans agitatie,
gevoegd bij de beteekenis van Jackpine's woorden, gaven den ingenieur de
overtuiging, dat de weggeschoten vinger mede een factor was in het
raadselachtige probleem. Hoe zou hij Thorne aantreffen? Zou die hem een
nadere verklaring geven of zouden zij hem zonder meer overlaten aan
toestanden, waarvoor zij zelf de vlucht namen?
Hij ging slapen zonder verder over de bewaking van het kamp te tobben.
Toen Jackpine hem den volgenden morgen wakker maakte, stond er een
lekker warm ontbijt klaar en opnieuw drong de blijde opwinding van den
snellen rit door het woud den zwaren geestelijken druk, waaronder hij
begon te lijden, op den achtergrond. Dien heelen dag zette Jackpine zijn
honden tot het uiterste aan en in den namiddag stond het al vast, dat
zij tegen den avond de Wekusko zouden bereiken. Het was al donker, toen
zij uit het woud bij een groote open plek kwamen, waar de boomen waren
gekapt en aan welker zoom hier en daar lichtjes schitterden. Aan de
overzijde van die ruimte bracht de Cree zijn honden tot staan, dicht
bij een groote, uit houtblokken opgetrokken hut, die half onder de
beschutting van de boomen stond. Van hier tot aan de lichten was het nog
wel een honderd meter en de ongerepte sneeuw aan alle zijden er omheen,
verried, dat de woning langen tijd had leeggestaan. Jackpine haalde een
sleutel uit zijn zak, stak dien in het slot en wierp de zware deur wijd
open.
Het was een vochtige, koude atmosfeer, die den twee mannen tegemoet
kwam, toen zij daar zoo een oogenblik in het donker bleven staan.
Howland hoorde den eigenaardigen grijnslach van den Cree, die een
lucifer aanstreek en zich, zoodra de groote hanglamp brandde, tot den
ingenieur wendde.
„Gregson en Thorne—zij gemaakt deze hut, toen zij eerst in kamp
kwamen,” zei hij zacht. „Zij niet graag bij veel leven zijn—een goede
plaats is het woud, waar nachten stil zijn. Hebben hier een tijd
gewoond—daarna Gregson en Thorne weer naar kamp. Zeiden, dat het te ver
van menschen was. Maar dat niet waar—Gregson bang—Thorne bang—”
Hij haalde de schouders weer op en opende nu de deur van de groote,
gesloten kachel, die deel uitmaakte van het meubilair der kamer.
Howland vroeg niets, maar staarde om zich heen. Overal zag hij bewijzen
van den goeden smaak der twee oudere ingenieurs en teekenen van hun
vroeger verblijf. Op den planken vloer lagen zware berenhuiden; de
houtblokken, waaruit de muren bestonden, waren zoo glad geschaafd, dat
zij gepolijst leken en hier en daar hingen platen; in één hoek stond een
goed gevulde boekenkast en in een anderen een rustbank met pelsdekens;
een deur op den achtergrond gaf klaarblijkelijk toegang tot een
slaapvertrek. Vóór hij nog klaar was met zijn inspectie, brandde er al
een lekker vuurtje in de groote kachel en zijn huiverigen rug naar de
warmte keerend, haalde hij zijn pijp uit en keek hij Jackpine vroolijk
aan.
„Bang dus? En intusschen moet ik maar hier blijven!”
„Gregson en Thorne zeggen van ja.”
„Nu, Jackpine, loop jij dan eens gauw naar het kamp en vertel aan
Thorne, dat ik hier ben,—wil je?”
Eén oogenblik scheen de Indiaan te aarzelen, maar ten slotte ging hij,
de deur achter zich sluitend.
„Bang!” riep Howland, toen de ander weg was. „Maar waar duivel waren zij
dan bang voor? Het is op zijn minst allerzotst van je, Gregson en dito
aan jouw adres, Thorne! Maar—tenzij jelui zulke lafaards bent, als ik
half en half begin te vermoeden!—zul je me toch wel niet blindelings
achterlaten bij iets, waarvoor je zelf aan den loop gaat!”
Hij stak een lampje aan en deed de deur open, die naar de andere kamer
leidde. Het was zooals hij al gedacht had, de slaapkamer en het
meubilair bestond uit een bed, een enkelen stoel en een staanden
spiegel.
In het grootere vertrek teruggekeerd, ontdeed hij zich van hoed en jas
en zette hij zich op zijn gemak bij het vuur. Tien minuten later werd de
deur geopend en trad Jackpine weer binnen. Hij hield een tweeden persoon
bij den arm vast en toen Howland het doodsbleeke gelaat van dien man
zag, kon hij een uitroep van verbazing niet weerhouden. Het was drie
maanden geleden sedert hij in Chicago Thorne voor het laatst had
gezien,—een man in de kracht van het leven, flink gebouwd, recht
als een kaars, den knapsten en hoogst gesalieerden ambtenaar van hun
maatschappij. Wat had hij Thorne vaak benijd! Hoe had hij jaren lang in
hem het ideaal gezien van een groot ingenieur!—En nu—
Hij stond verstomd. Langzaam als deed de beweging hem pijn, liet Thorne
de groote pelsjas van zijn schouders glijden. Hij droeg één arm in een
lichter. Zijn breede schouders waren gebogen, zijn oogen stonden vreemd
en verwilderd. De glimlach, die op zijn lippen kwam, toen hij Howland de
hand reikte, gaf aan zijn bleek gelaat een nog droevere uitdrukking.
„Hallo, Jack! Wat heb je, kerel? Zie ik er zoo ber..rd uit?” luidde zijn
groet.
„Wat is hier toch gaande, Thorne?—Ik vond Gregson half dood in Le
Pas—en nu jou—”
„Ja, het is werkelijk een wonder, dat je mijn naam niet op een houten
kruis vindt, in plaats van je dienstwilligen dienaar hier in levenden
lijve vóór je te zien, Jack,” zei Thorne met een zenuwachtig lachje.
„Ik heb een ton rotssteen op me gehad, kerel, een ton rotssteen!”
Howland zag over Thorne's schouder een stukje van het gelaat van den
Cree. Er was een donker licht in Jackpine's oogen gekomen. Zijn tanden
glinsterden tusschen de strakke lippen, die zich tot een grijns vormden.
Thorne ging voor het vuur zitten en wreef zijn handen.
„We zijn ongelukkig geweest, Jack,” zei hij langzaam. „Gregson en ik, we
hebben al door tegenspoed gehad van den dag af, dat we in dit kamp
kwamen en we zijn niet langer bestand tegen onze taak. Het zal een half
jaar duren, eer we weer goed en wel op dreef zijn. Maar—intusschen zul
je hier alles in goede conditie vinden. De lijn is afgebakend tot aan de
baai; we hebben driehonderd flinke werklui en ruime voorraden van alles.
Ik geloof niet, dat je aan de Wekusko één ontevreden element zult
tegenkomen. Misschien, dat Gregson en ik tegen het voorjaar het Le
Pas-einde van de lijn weer opvatten. Jij hebt genoeg aan den bouw van
den weg van hier tot aan de baai.”
„Het spijt me, dat je zooveel tegenslag hebt gehad,” zei Howland. Hij
leunde voorover met het gelaat dicht bij dat van zijn vriend. „Thorne,
is er hier ergens een man, die Croisset of een meisje, dat Meleese
heet?”
Hij keek den ander oplettend aan, maar op Thorne's gelaat viel niets te
lezen, dat zijn vermoedens kon bevestigen; hij leek alleen verbaasd over
den toon van Howland's stem.
„Voor zoover ik weet niet, Jack. Maar allicht kan er onder onze
driehonderd werklui een man van dien naam zijn. Je kunt dat dadelijk op
de lijst nagaan. Er zijn een vijftien of twintig getrouwde mannen bij en
die hebben huisgezinnen. Gregson is beter op de hoogte van de vrouwen
dan ik. Is er iets bizonders met die twee lui?”
„Neen, ik heb alleen maar een boodschap voor hen, als zij hier zijn,”
antwoordde Howland luchtig. „Is dit mijn aangewezen kwartier?”
„Ja,—tenminste als het je bevalt. Na mijn accident zouden wij wat
dichter bij de anderen komen. Het bracht ons in nauwer aanraking met de
werklui,—dat vat je.”
„Gregson en jij, je moet—dunkt me,—zoo wat op denzelfden tijd invalide
zijn geworden,” zei de jongere ingenieur. „Het is zeker een heel
pijnlijke wonde geweest, die van Gregson. Maar wie ter wereld kan op hem
hebben geschoten? Hoe kan een man als hij er een vijand op na houden?”
Bij het vernemen van die woorden richtte Thorne zich snel op, terwijl
zich bij de kachel een geratel van metalen pannen liet hooren. Howland
wendde het hoofd om en zag, dat Jackpine hem aankeek met een gezicht,
als was er een mijn onder hun voeten ontploft.
„Wie op hem schoot?!” hijgde de oudere ingenieur. „Maar—er—heeft
Gregson je dan niet gezegd, dat het een ongeluk is geweest?”
„Waarom zou hij liegen, Thorne?”
Er vloog een zwakke blos over het gelaat van den ander. Eén oogenblik
zag hij Howland doordringend aan. Jackpine stond zwijgend en
onbeweeglijk naast de kachel.
„Hij vertelde mij, dat het een ongeluk was geweest,” zei Thorne
eindelijk.
„Gek,” was het eenige wat Howland antwoordde, terwijl hij zich naar den
Indiaan wendde, als gold het een zaak van geen belang.
„Ziezoo, Jackpine, ik ben blij, dat de koffiepot op het vuur staat. Ik
heb een kistje van de donkerste en zachtste Porto Ricans bij me, waar ik
je ooit op getracteerd heb, Thorne en we zullen het open maken voor een
lekker haaltje na het avondeten. Hallo, waarom heb je planken over dat
raam gespijkerd?”
Eerst nu had Howland opgemerkt, dat het dunne mousselinen gordijn niet
een raam verborg, maar wel een solide barricade van planken. Hij voelde
inwendig een schok en stond op om er naar te kijken. Met den rug naar
Thorne gekeerd, zei hij half lachend:
„Misschien was Gregson bang, dat de vent, die zijn pink meenam, hem door
het venster heelemaal te pakken zou krijgen!”
Hij deed als zag hij de uitwerking van die woorden niet op Thorne. Zij
zetten zich nu aan hun avondeten, om nog wel een uur na afloop daarvan
al rookende te blijven praten over de aangelegenheden van het kampement.
Het was over tienen, toen Thorne en Jackpine de hut verlieten.
Niet zoodra waren zij weg of Howland sloot de deur met den grendel, stak
een nieuwe sigaar op en begon snel in de kamer heen en weer te loopen.
Er waren dus al complicaties. Gregson had hem voorgelogen à propos van
dien pink; Thorne had hem voorgelogen à propos van zijn eigen letsel,
wàt dat dan ook mocht zijn. Van die twee feiten was hij zeker—en van
nog veel meer. Zijn twee collega's verlieten de Wekusko niet alleen
omdat zij onvoldaan waren over het werk en over de omgeving. Zij
vluchtten. En om de een of andere reden verborgen zij voor hem de
werkelijke aanleiding tot hun vlucht. Was het mogelijk, dat zij hem
koelbloedig opofferden om zichzelf met eere te redden? Zelfs tegenover
de stelligste bewijzen kon hij dat niet aannemen. Beiden waren mannen
van onbesproken naam en karakter. Vooral Thorne bezat in hooge mate
persoonlijken moed; hij zou de laatste zijn om vriend of collega
verraderlijk in den steek te laten. Neen, noch hij, noch Gregson wist
iets af van Croisset of van het mooie meisje. Maar even onomstootelijk
stond het bij Howland vast, dat er nog anderen betrokken waren in het
complot, waarvan hij op het Groote Pad naar het Noorden het slachtoffer
was geworden. Hij onderzocht opnieuw het gebarricadeerde raam en hield
zich overtuigd, dat zijn schot in de lucht doel had getroffen.
Hoewel vermoeid na de lange reis, voelde hij geen lust om te gaan
slapen; hij legde zich op de rustbank met het hoofd en de schouders diep
in de huiden en ging voort met rooken en denken. Hij schrikte, toen het
elf uur sloeg. Hij had dat klokje niet eerder opgemerkt. Al luisterend
naar dat zwakke, eentonige getik boven zijn hoofd, voelde hij ten
laatste een onweerstaanbare dommeligheid in zich opkomen; zijn oogen
sloten zich. Hij was bijna in slaap, toen de klok opnieuw sloeg, zacht,
maar toch luid genoeg, om hem te wekken. Dezen keer was het twaalf uur.
Hij deed moeite om zijn doezeligheid af te schudden en ging overeind
zitten; hij wilde zich uitkleeden en naar bed gaan. De lamp brandde nog
helder en hij maakte zich gereed om de pit in te draaien. Maar
plotseling bleef hij staan; hoe slaperig ook, hij hoorde een duidelijk
tikken op de deur. Zwijgend en roerloos bleef hij een oogenblik wachten.
Na een kort tijdsverloop herhaalde het kloppen zich, luider dan te
voren, maar toch heel behoedzaam. Dat kon niet het kloppen zijn van
iemand, die hem voor zaken trachtte wakker te maken.
Wie kon die middernachtelijke bezoeker zijn? Zacht liep Howland naar
zijn zware jas en stak hij de kleine revolver in een zijzak. Weer werd
er geklopt. Hij liep nu naar de deur, schoof den grendel weg en wierp
haar wijd open, met de rechterhand het pistool ontklemmend.
Eén oogenblik bleef hij als versteend staan, sprakeloos starend in een
bleek en angstig gelaat, waar het schijnsel van de olielamp op viel.
Stom van verbazing, week hij langzaam terug, steeds de deur open
houdend en nu trad zij binnen, die hij van heel de wereld het liefst
wilde zien, zij die sedert dien avond in Prince Albert op zoo wondere
wijze een deel van zijn leven was geworden en wier lief gelaat van uur
tot uur een diepere beteekenis voor hem kreeg. Hij sloot de deur en
wendde zich om, steeds nog zwijgend. Een plotselinge opwelling dreef hem
het bloed onstuimig door de aderen en hij stak beide handen uit naar de
vrouw, voor wie hij alle gevaren, die hem tusschen de beschaafde wereld
en de baai wachtten, zou willen trotseeren.