De Waarschuwing.
Howland verkeerde den heelen nacht in een soort van bedwelming. Toen hij
eindelijk ten volle tot bewustzijn kwam, lag hij in zijn bed in het
hotel. Er stond een lamp op de tafel en met één blik zag hij, dat de
kamer leeg was. Hij lichtte het hoofd en de schouders op van de kussens
en die beweging alleen was voldoende om hem te doen begrijpen, dat hij
gewond was. Hij voelde een doffe, folterende pijn in nek en hoofd en
toen hij nieuwsgierig met de hand naar de plek tastte, kwam hij in
aanraking met een stevig verband. Hij vroeg zichzelf af, of hij zwaar
gewond was; hij zonk weer terug in de kussens en hij bleef liggen staren
naar het flauwe schijnsel van de lamp. Even later liet zich bij de deur
eenig geluid hooren; hij wendde het hoofd om, vol ergernis over de pijn,
die de beweging hem gaf. Het was Jean, die naar hem kwam kijken.
„Ah! M'sieur is wakker!” riep de half-ras bij het zien van de wijd
geopende oogen en heel zacht trad hij binnen, de deur achter zich
sluitend. „_Mon Dieu!_ Als die slag een greintje zwaarder was
aangekomen, dan zoudt ge nu al in het zalige hiernamaals zijn,” zei hij
glimlachend en met geluidloozen tred naderbijkomend, bracht hij een glas
water aan Howland's lippen.
„Is het erg, Croisset?”
„Zóó erg, M'sieur, dat ge een dag in bed zult moeten blijven. _Voilà
tout!_”
„Maar dat is onmogelijk!” riep de ingenieur. „Ik moet morgenochtend weg
met den trein van acht uur. Ik moet naar Le Pas—”
„Het is nu vijf,” viel Jean hem zacht in de rede. „Gevoelt ge u wèl
genoeg om te vertrekken?”
Howland hief zich op, maar alleen om zich dadelijk weer te laten vallen
met een luiden schreeuw.
„Alle duivels!” riep hij en een oogenblik later ging hij voort: „In de
twee eerstvolgende dagen gaat er geen trein.” Hij legde één hand op zijn
pijnlijk hoofd en sloot de andere vast om de dunne, bruine vingers van
Jean. „Ik heb behoefte om je te danken voor wat je deedt, Croisset; wàt
er eigenlijk gebeurd is, snap ik nog niet recht. Ik weet niet wie het
waren en evenmin waarom zij mij dood wilden maken.—Maar—er was daar
ook een meisje—ik was met haar gekomen—”
Hij nam de hand van zijn voorhoofd op het juiste moment om het vreemde
licht te zien, dat bij die woorden in Croisset's oogen oplaaide. Vol
verbazing richtte de gewonde zich halverwegen op, met wit gelaat en
vragenden blik den half-ras aanstarend.
„Weet jij er meer van?” vroeg hij haastig. „Wie was zij? Waarom bracht
zij mij naar die hinderlaag? Waarom trachtten zij mij te vermoorden?”
Howland uitte die vragen in groote opgewondenheid; hij zag op het gelaat
van Croisset, dat deze zeer zeker in staat zou zijn om hem uitsluitsel
te geven. Maar er kwam geen antwoord over de dunne, gesloten lippen daar
boven hem. Met een snelle beweging trok de half-ras zijn hand terug om
vervolgens naar de deur te gaan. Halverwegen bleef hij staan en keerde
hij zich om.
„M'sieur, ik ben hier gekomen om u te waarschuwen. Ga niet naar Le Pas.
Ga niet naar het groote spoorwegkamp aan de Wekusko. Keer naar het
Zuiden terug.” Eén oogenblik boog hij zich voorover, zijn zwarte oogen
schitterden en hij balde de vuisten in zijn zijden. „Misschien zult gij
mij begrijpen,” zei hij met nadruk, „wanneer ik u zeg, dat de
waarschuwing komt—van de kleine Meleese!”
Vóór Howland nog kon bekomen van zijn verbazing, was Croisset al
verdwenen. De ingenieur riep hem nog bij zijn naam, maar hij hoorde
slechts het geluid van voetstappen, die zich snel verwijderden. Met
een uitroep van teleurstelling viel de gewonde in zijn kussens terug.
De herhaalde opwinding had hem weer duizelig gemaakt en er kwam een
koortsachtig rood op zijn wangen. Hij lag lang met gesloten oogen,
trachtend voor zich zelf het mysterie van den vorigen avond op te
lossen. De natuurlijkste verklaring was, dat men hem in een val had
gelokt. Zijn mooi kennisje had hem met haar lieven glimlach en haar
innemend mondje ingepakt en hij knarsetandde, toen hij bedacht hoe
gemakkelijk hij zich had laten overhalen. Zij had hem met opzet in de
hinderlaag gelokt, die hem noodlottig had kunnen worden, wanneer niet
Jean Croisset tusschenbeide was gekomen. En toch was het haar stem
geweest, die hij gehoord had en haar angstkreet: „_Mon Dieu_, ge zult
hem vermoorden!” dien hij vernomen had, toen de vreeselijke knuist zijn
keel bijkans dichtschroefde.
Zijn adem ging sneller nu hij die woorden fluisterend voor zichzelf
herhaalde. Eerst thans realiseerde hij de ware beteekenis. Hij voelde
eerst nu, hoezeer die kreet van werkelijken angst getuigde en terwijl
hij zoo met gesloten oogen terneer lag, was het hem als hoorde hij in
haar stem het geluid van de wanhoop. Hoe meer hij nadacht, des te
onbegrijpelijker leek hem het heele gebeuren. Waarom had het meisje,
nadat zij hem eerst met voorbedachten rade in de hinderlaag had gelokt,
ter elfder ure—juist toen haar dubbelhartigheid met succes zou worden
beloond—opeens als in doodsangst dien wanhoopskreet geuit? Howland zag
in zijn verhit brein haar beeld, zooals zij naast hem had gestaan in de
sneeuw op het Pad; hij voelde weer de aanraking van haar handen, het
leunen gedurende enkele oogenblikken van haar hoofd tegen zijn borst;
hij zag weer den zachten blik, die uit de diepe, reine oogen sprak; het
gevoelige beven van de lippen, die moeite schenen te doen om te spreken.
Was het mogelijk, dat zulk een gelaat, dat zulke oogen hem in een
doodelijke val hadden gelokt? Niettegenstaande de overtuigende bewijzen,
koesterde hij twijfel. En toch—zij had gelogen, want zij was niet
stom.
Kreunend keerde hij zich met het gelaat naar de deur. Als Croisset
terugkwam, wilde hij bij hem aandringen op meer licht in de heele zaak;
hij was er zeker van, dat de half-ras het mysterie ten minste voor
een deel zou kunnen opklaren. En intusschen pijnigde hij, wakend en
wachtend, zijn arme hersens met het bedenken van mogelijke redenen
voor dien aanslag op zijn leven. Wie toch was „de kleine Meleese”,
die—zooals Croisset zei,—hem de waarschuwing had gezonden? Hij had,
voor zoover hij zich herinnerde, nooit iemand van dien naam gekend.
En toch had de half-ras dien geuit op een wijze als had die voor
hem—Howland—een diepere beteekenis. „Misschien zult ge het begrijpen,”
had hij gezegd en Howland deed zijn best om te begrijpen, totdat zijn
brein tobde en hij een zieke walging voelde opkomen.
Het eerste licht van den dag kwam flauw naar binnen, toen er buiten de
deur opnieuw voetstappen klonken. Dezen keer was het niet Croisset, die
verscheen, maar de eigenaar van het hotel; de man bracht een blad met
geroosterd brood en een pot dampende koffie mee. Hij knikte en lachte,
toen hij zag, hoe Howland half opzat.
„Dat was een leelijke val,” begon hij, een tafeltje bij het bed
schuivend. „Ja, de sneeuw is en blijft verraderlijk in de rotsspleten.
Als die op een helling onder je wegzakt, dan kun je een flinken smak
doen. Gelukkig dat ge Croisset bij u hadt.”
Een oogenblik was Howland sprakeloos.
„Zeker—het was—een leelijke val,” bracht hij ten laatste met moeite
uit, den ander scherp opnemend. „Waar is Croisset?”
„Weg. Hij is een uur geleden al vertrokken met zijn honden en zijn slee.
Gekke vent, die Croisset! Daar komt hij gisteren binnen van Lac La
Ronge, wel honderd mijl noordelijk en vandaag gaat hij er al weer van
door! En voor zoover ik kan nagaan, was er even weinig reden voor zijn
verschijnen als voor zijn verdwijnen.”
„Weet ge meer van hem?” vroeg Howland geïnteresseerd.
„Neen, hij komt maar eens of tweemaal per jaar hierheen.”
Gedurende enkele minuten bewaarde de ingenieur het stilzwijgen. Hij
knabbelde aan het geroosterde brood en dronk een paar slokjes koffie.
Daarop zei hij als terloops:
„Hebt ge wel eens gehoord van een vrouw, die Meleese heette?”
„Meleese—Meleese—Meleese—” herhaalde de hotelier, met de hand door
het haar strijkend. „De naam komt me bekend voor en toch kan ik mij niet
herinneren—” Maar opeens riep hij triomfeerend: „Ik heb het! ik heb
het! Een paar jaar geleden had ik een kookvrouw, die Meleese heette?”
Howland haalde de schouders op.
„De Meleese, die ik bedoelde, is een jong meisje,” zei hij.
„En de Meleese, die wij hadden, is dood,” verzekerde de man opgeruimd en
opstaand om heen te gaan. „Over een half uurtje zal ik iemand sturen om
het blad te halen, Mr. Howland.”
Een uur of wat later kroop Howland uit zijn bed. Hij doopte zijn hoofd
in koud water, voelde zich daarna veel beter, kleedde zich aan en ging
naar beneden. Zijn nek deed hem nog wel wat pijn, maar behalve dat en
een licht gevoel van misselijkheid scheen hij geen letsel te hebben
bekomen. Hij verscheen aan tafel en voelde zich op den middag zóó wel,
dat hij een sigaar opstak en uitging voor een korte wandeling. Zijn
eerste ingeving was om bij den houder van het Chineesche restaurant te
informeeren naar de identiteit van het meisje, dat hij daar had ontmoet;
maar dat voornemen liet hij bij nader inzien varen. Hij begaf zich, de
rivier overstekend, regelrecht naar het Pad, dat zij den vorigen avond
hadden ingeslagen. Hij toefde een oogenblik bij de sporen van den strijd
in de sneeuw. Daar waar hij het eerst den half-ras had gezien, vond hij
bloedvlekken op de ijskorst. „Bravo, Croisset!” mompelde hij, „je
schijnt een mes gebruikt te hebben!”
Hij kon nagaan tot hoe ver de gewonde was voortgekropen, eer hij weer op
zijn beenen stond en ging met een omzichtigheid, die hij een uur of wat
geleden zou hebben versmaad, langzaam verder voort tusschen de dichte
wanden van het woud, één hand steeds op de revolver in zijn jaszak.
Daar waar het Pad zich met een scherpe bocht naar het Noorden wendde,
vond hij op een open plek de verkoolde overblijfselen van een kampvuur
en dicht daarbij een aantal dunne berkestammen, die klaarblijkelijk voor
tentstaken hadden gediend. Toen hij met de punt van zijn laars in de
asch en tusschen het half verbrande hout roerde, was er geen spoor van
rook meer; geen vonkje verried, dat enkele uren geleden hier menschen
hadden gekampeerd. Hij kon slechts één gevolgtrekking maken: zijn
onbekende belagers moesten al gauw na den mislukten aanslag hun kamp
opgebroken en de vlucht genomen hebben. Het meisje met de zachte oogen
en het lieve gelaat, dat hem binnen hun bereik had gelokt, was naar alle
waarschijnlijkheid met hen meegegaan.
Maar waarheen waren zij getrokken?
Hij doorzocht het verlaten kamp met de grootste nauwkeurigheid. De harde
ijskorst op den bodem vertoonde hier en daar den indruk van hondeklauwen
en op enkele plaatsen was het breede spoor van een toboggan duidelijk
zichtbaar. Dit alles was genoeg om de snelle verdwijning van zijn
vijanden te verklaren. Zij waren dienzelfden nacht nog met hondensleden
naar het Noorden gevlucht.
In het hotel teruggekeerd, voelde Howland zich erg vermoeid en het
was dan ook met meer teleurstelling dan blijdschap, dat hij vernam,
hoe er dien avond laat nog een werktrein naar Le Pas zou vertrekken.
Intusschen—na een uurtje van rust in zijn kamer, herkreeg hij al gauw
zijn oude energie. Hij begon nu zelfs met koortsachtig ongeduld uit
te zien naar Le Pas en naar het kampement aan de Wekusko. Het was
of Croisset's aanmaning om naar het Zuiden terug te keeren, hem eer
aanzette dan tegenhield. Ondernemend van aard had hij al strijdend sport
voor sport de ladder van het succes beklommen. En nu gaf de gedachte,
dat zijn leven gevaar liep, dat in de diepte van de wildernis hem
misschien het een of ander onheil wachtte, slechts een nieuwe, een
opwindende bekoring aan de reuzentaak, die vóór hem lag. Hij had graag
willen weten of ditzelfde gevaar ook Gregson en Thorne boven het hoofd
had gehangen en of dit de reden was van hun moedeloosheid en van hun
verlangen om naar de beschaafde wereld terug te keeren. Hij twijfelde
geen oogenblik of hij zou dat hooren, zoodra hij hen in Le Pas
ontmoette. En in het kamp aan de Wekusko zou hij nog meer te weten
kunnen komen; altijd wanneer de waarschuwing van den half-ras, die hem
niet heelemaal onverschillig liet, werkelijk iets te beteekenen had. Hoe
dan ook,—hij moest voorbereid zijn op ongewone toestanden. Hij ging
daarom naar een wapenwinkel, kocht een lang pistool met zes loopen en
een holster en voegde daar nog een jachtmes bij van de soort, zooals
Croisset er een had.
Het was middernacht eer hij in den werktrein stapte en de dag begon aan
te breken boven de wildernis, toen men te Etomani stopte. Van hier uit
zou hij de eerste zestig mijlen van den nieuwen weg tot aan Le Pas op
een lorrie afleggen. Die lorrie had al drie dagen op hem gewacht,—maar
Gregson en Thorne waren er niet.
„Mr. Gregson wacht u te Le Pas,” zei een van de mannen. „Mr. Thorne is
nog te Wekusko.”
Het was voor het eerst van zijn leven, dat Howland zich in het hartje
van de wildernis bevond en naar gelang zij mijl op mijl achter zich
lieten en zich steeds dieper voortspoedden in het eenzame gebied van ijs
en sneeuw en oerwoud, voelde hij zijn hart sneller kloppen van blijde
opwinding; hij verheugde zich bij voorbaat in het nieuwe leven, dat hem
hier onder den verren noordelijken hemel wachtte. Vóór op de lorrie
gezeten, met de vier mannen, die den wagen in beweging hielden achter
zich, dronk hij de woeste schoonheid in van de wouden en de moerassen
waar doorheen zij snelden,—al door uitkijkend naar het grove wild
dat—zooals zijn begeleiders hem vertelden,—zich aan alle kanten om hen
heen moest ophouden.
Overal strekte de witte winter zich uit. De rotsen, de boomen
en de groote heuvelkammen,—die hier in het Noorden bergen
worden genoemd,—lagen onder vier voet sneeuw, waar de zon met
duizelingwekkende schittering op scheen. Maar het was niet vóórdat een
lange stijging hen op den top van een dier kammen had gebracht, dat
Howland—den blik naar het Noorden gericht,—de wildernis aanschouwde
in al haar grootschheid. Toen de lorrie stilhield, sprong hij met een
luiden juichkreet op de hard bevroren sneeuw, zijn gelaat stralend van
opgewondenheid over het heerlijke tafereel, dat zich voor zijn oog
ontrolde. Daar toch lag het onmetelijke, witte veld vóór hem, dat zich
honderden mijlen ver tot aan de Hudsonbaai uitstrekte. In sprakelooze
bewondering staarde hij naar de ongerepte wouden,—naar vlakten en
heuvels, die duidelijker zichtbaar werden, naarmate zijn gezichtskring
zich uitbreidde; hij kon de bochten van een bevroren rivier volgen, tot
waar zij zich in het verre verschiet verloor en zijn oog rustte hier
en daar op de glinsterende oppervlakte van meren, met sneeuw bedekt
en ingesloten tusschen wanden van donkere wouden. Dit was niet de
wildernis, die hij had verwacht,—niet de wildernis waarvan hij had
gelezen. En evenmin was het de wildernis, door Gregson en Thorne in
hun brieven beschreven. Neen, dit was mooi,—dit was prachtig! Zijn
hart bonsde van vreugde, toen hij er op neerkeek; de blos op zijn
gelaat werd dieper en het was of hij—geheel opgaand in zijn vurige
belangstelling,—nauwelijks meer ademde.
Een van de vier mannen op de lorrie was een oude Indiaan,—en vreemd
genoeg was het juist deze, die het eerst het stilzwijgen verbrak. Hij
had de uitdrukking op het gelaat van den nieuwen chef gezien en in zijn
gebroken taaltje fluisterde hij zacht aan diens oor: „Twintig duizend
rendieren daar—twintig duizend kariboes!—geen mensch—geen
huis—twintig duizend mijlen!”
En Howland keek, nog bevend van aandoening in de oogen van den ouden
Indiaan, die vol waren van den vreemden gloed der gevoelens, thans ook
in hem zelf ontwaakt. Daarop weer starend in het verre verschiet,
trachtte hij met zijn blik door te dringen tot voorbij dat woeste gebied
en tot aan de Hudsonbaai en terwijl hij dat deed, besefte hij, dat er op
dat oogenblik een nieuwe geest in hem werd wakker geroepen,—een nieuw
wezen; dat hij niet langer de oude Jack Howland was, wiens wereld werd
begrensd door de muren van zijn kantoor en wiens levensopvatting alles
buitensloot wat niet onmiddellijk in verband stond met de bevrediging
van zijn eerzucht.
De korte dag van het Noorden liep ten einde,—toen zij in de vlakte
onder hen opnieuw de breede Saskatchewan aanschouwden met op den
zuidelijken oever de enkele uit houtblokken opgetrokken woonhuizen
van Le Pas, aan drie zijden ingesloten door donkere pijnbosschen.
Er brandden enkele lichtjes in de hutten en in de store van de
Hudsonbaai-nederzetting, toen de lorrie stilhield op een vijftig pas
afstands van een laag houten gebouw, dat wat beter verlicht leek dan de
andere.
„Dat is het hotel,” zei een van de mannen, „en daar is Mr. Gregson.”
Een lange, in pels gehulde gedaante kwam naar buiten om Howland te
begroeten, toen deze snel de open ruimte vóór het gebouw overstak. Het
was Gregson en zij drukten elkaar de hand, maar de jongere ingenieur
keek zijn ouderen collega verbaasd aan. Dat was niet de Gregson met een
rond gelaat en vol leven en beweging, dien Howland op het kantoor in
Chicago had gekend.
„Ik was nog nooit van mijn leven zóó blij om een oud vriend te zien,
Howland!” riep hij den nieuw aangekomene toe, hem telkens weer bij de
hand grijpend. „Als het nog een maand langer had geduurd, zou ik het er
niet levend hebben afgebracht. Het is hier een helsch land!”
„En ik ga juist met elke minuut meer van dat land houden, Gregson; wat
scheelt er aan? Ben je ziek geweest?”
„Ziek?—ja, ziek van dit ellendige karwei! Als de ouwe ons niet
eindelijk had afgelost, dan zouden Thorne en ik binnen een maand zijn
gaan drossen. Ik sta er je borg voor, dat je eer het lente is, meer dan
genoeg zult hebben van blokhuizen, half-rassen en rendiervleesch en ook
van die helsche sneeuw en dat duivelsche ijs. Maar ik wil je den moed
niet benemen!”
„Je kunt me den moed niet benemen,” lachte Howland. „Je weet wel, dat ik
nooit veel om comedies of om meisjes heb gegeven. Hoe staat dat hier?”
voegde hij er aan toe, zijn makker een goedig ribbestootje gevend.
„Niets—minder dan niets!” zei Gregson, maar opeens lichtten zijn oogen
op. „Ja toch,—bij George, Howland! ik heb juist vandaag het mooiste
meisje gezien, dat ik ooit aanschouwde. Ik zou er een kistje met echte
Havanna's voor overhebben—en in maanden hebben wij er geen
geproefd!—als ik te weten kon komen wie zij is!”
Zij waren nu de lage deur van het hotel binnengegaan en Gregson ontdeed
zich van zijn zware jas.
„Een lang meisje met een muts en een mof?” vroeg Howland haastig.
„Neen,—eerder een echt type van het Noorden,—kaarsrecht, met een muts
en een buis van bont, een korten rok van kariboe-huid en mocassins en op
haar rug hing een lange vlecht, zoo dik als mijn arm. Goede God, wat was
zij mooi!”
„Is er ergens in of bij ons kamp een meisje, dat Meleese heet?” vroeg
Howland als terloops.
„Niet, dat ik weet,” zei Gregson.
„Of een man, Croisset genaamd?”
„Nooit van gehoord.”
„Ik moet zeggen, dat je niet veel weet,” lachte Howland, met welbehagen
den geur van het aanstaande souper opsnuivend. „Ik heb een honger als
een wolf.”
Daar klonk opeens buiten het scherpe zweepgeknal van een sledebestuurder
en Gregson ging naar een van de kleine ramen om uit te kijken. Een
oogenblik later holde hij naar de deur en riep hij Howland toe: „Zoo
waar er een God van de Liefde is, daar heb je haar, kerel! Gauw—als je
nog iets van haar wilt zien!”
Snel trok hij de deur open en Howland haastte zich om hem te volgen.
Weer klonk een forsche zweepslag, dezen keer vergezeld van een luiden
kreet en tegelijkertijd schoot een slee, door zes honden getrokken, in
het schemerachtige licht van den vóórnacht langs hem heen.
Ook over Howland's lippen kwam een kreet: want in een van de twee
gezichten, die zich gedurende een oogenblik naar zijn kant wendden,
herkende hij, dat van Croisset en het andere, wit en starend zooals hij
het dien avond in Prince Albert had gezien, was het gelaat van het mooie
meisje, dat hem had gelokt naar de hinderlaag op het Groote Pad van het
Noorden!