De Geheimzinnige Overval.
Howland was blij, dat hij voor het oogenblik niet hoefde te praten. Hij
begon in te zien, dat dit avontuur wel een beetje heel kras was voor den
man op wiens schouders de verantwoordelijkheid rustte voor een der
grootste ondernemingen van zijn tijd. Hij wist, dat hij den volgenden
morgen den trein van acht uur zou moeten halen, wilde hij dien dag
doorreizen naar het terrein der werkzaamheden. Innerlijk was hij niet
rustig en voelde hij vreemde gewaarwordingen, maar toch moest hij lachen
als hij dacht aan wat Van Horn wel zou zeggen, wanneer die van dit alles
hoorde. Hij keek naar zijn gezellin; hij zag den glans van de lokken,
die onder het pelsmutsje uitkwamen, hij bestudeerde den zachten omtrek
van wang en kin en hij merkte als terloops op, dat het bovengedeelte van
haar hoofd zich juist op één lijn bevond met zijn sigaar. Hij vroeg
zichzelf herhaaldelijk af of hij zich niet mal aanstelde. Zoo ja, dan
troostte hij zich met de gedachte, dat hij er ten minste voor beloond
werd. Deze avond in Prince Albert zou niet zoo oninteressant zijn, als
hij eerst had gevreesd.
Op de plek, waar de rivierpont half tegen den oever lag opgetrokken met
de bevroren punt in het ijs, bleven zij staan en keek hij het meisje
kalm verbaasd aan. Zij knikte lachend en wees naar de overzijde.
„Ik ben vanavond al eens daar geweest,” zei Howland. „Ik zag er geen
woningen en ik hoorde alleen wolven. Moeten we daarheen?”
Hij zag haar witte tanden glinsteren en voelde een warm drukje tegen
zijn arm, als wilde zij hem te kennen geven, dat zij de rivier moesten
oversteken. Zijn verlegenheid nam voortdurend toe. Op den anderen oever
toch reikte het woud met zijn breeden zoom van grove sparren en struiken
tot aan de Saskatchewan. Onmogelijk was het niet, dat de een of andere
squatter in die omgeving zijn hut had,—maar gesteld, dat zij daarheen
wilde, waarom was zij dan juist tot hem gekomen, waarom had zij juist
zijn hulp ingeroepen in plaats van bijstand te zoeken bij menschen, die
zij kende?
Hij stelde zichzelf die vragen, zonder ze in woorden te brengen en eerst
toen zij tegen den anderen oever opklauterden, met de steeds diepere
schaduwen van het oerwoud om zich heen, begon hij opnieuw te spreken.
„Gij hebt mij daareven gezegd, dat gij hier vreemd waart,” zei hij, haar
staande houdend, waar het licht van de sterren op haar gelaat viel, dat
zij hem toekeerde. Zij glimlachte en knikte toestemmend.
„Maar gij schijnt hier toch vrij wel thuis te zijn,” ging hij voort.
„Waar gaan wij heen?”
Dezen keer antwoordde zij met een heftig, ontkennend hoofdschudden en
tegelijkertijd wees zij met haar vrije hand naar het duidelijk zichtbare
spoor, dat van de landingsplaats het bosch in leidde. Dien morgen al
had men Howland verteld, dat dit het Groote Pad was naar het Noorden,
voerend naar de onmetelijke wildernis aan die zijde van de Saskatchewan.
Twee dagen te voren waren de agent van Lac Bain, de Cree's en de
Chippewayans langs dat Pad binnengekomen. Op de harde sneeuwkorst was
het spoor nog zichtbaar der sleden van Jean Croisset en de mannen van
Lac La Ronge. Sedert den hevigen sneeuwval van een dag of tien geleden,
die wel vier voet diep lag, was nu en dan misschien een enkele
woud-bewoner langs het Pad naar deze uiterste grens der beschaving
gekomen, maar uit Prince Albert had niemand er in tegenovergestelde
richting gebruik van gemaakt. Dat alles had Howland al in het hotel
vernomen en het was dan ook met ongeveinsde verbazing, dat hij het
meisje aankeek. Het was of zij zijn gedachtengang begreep en weer rondde
haar mond zich tot een bekoorlijke O en kwam er in haar blik een teeder
smeekende uitdrukking, die scheen te getuigen van haar verdriet over het
feit, dat haar lippen niet in staat waren woorden te vormen. Opeens
echter deed zij een stap ter zijde en schreef zij met de punt van haar
voet een woord in de oppervlakte van de sneeuw. Haar hand leunde zacht
op Howland's schouder, toen hij zich boog om bij het geheimzinnige licht
van de sterren te lezen.
„Kamp!” riep hij zich weer oprichtend. „Ge meent toch niet, dat ge hier
buiten kampeert?”
Blij nu zij begrepen werd, knikte zij een herhaald ja. Er lag zoo iets
zachts op haar gelaat, er lag zooveel vreugde in haar blik, dat Howland
haar zijn beide handen toestak en luid begon te lachen.
„Gij?” riep hij—„gij zoudt hier kampeeren?!” Eveneens lachend met
lippen en oogen—kwam zij snel naar hem toe en gedurende enkele seconden
rustten hun handen ineen. Haar schoon gelaat was nu gevaarlijk dicht
bij het zijne. Hij voelde haar adem en hij rook den zachten geur van
haar lokken. Nog nooit had hij oogen gezien als die, welke nu tot hem
opkeken, uitstralend het zachte licht van de sterren; nooit had hij
ook maar gedroomd van zoo iets schoons en haar nabijheid bracht hem in
beroering. Steeds vaster drukte hij haar handen en toen dit haar nog
dichter bij hem bracht, voelde hij voor een ondeelbaar oogenblik haar
hoofd tegen zijn borst. Die gewaarwording deed hem tijd en plaats
vergeten; deed hem zijn vroeger ik—Jack Howland,—den bij uitstek
practischen en on-romantischen meester-bouwer van spoorlijnen, vergeten;
deed hem alles vergeten, behalve de tegenwoordigheid van dat meisje,
haar warmen druk tegen zijn borst en de betoovering dier groote, bruine
oogen, die zoo onverwacht in zijn leven waren gekomen. Maar een
oogenblik later had hij zich hersteld. Hij week een schrede terug en
liet haar handen los.
„Vergeef mij,” zei hij zacht. Hij schaamde zich over zijn optreden en
zich kortweg omdraaiend, liep hij het Pad op. Hij was nog geen twaalf
passen gevorderd, toen hij op eenigen afstand vóór zich uit den rooden
gloed van een vuur zag. Tegelijkertijd werd zijn arm gegrepen door een
hand, die er zich bijna woest aan vastklemde en zich omwendend, zag hij
het gelaat van het meisje ten prooi aan een vreemde ontroering.
„Wat is er?” riep hij. „Zeg mij—”
Beangstigd door haar blik, wilde hij opnieuw haar handen in de zijne
nemen. Maar zij trok die snel terug. Er begon zich op eenigen afstand
achter haar iets te bewegen in de diepe schaduwen van het woud; het nam
een vorm aan en een oogenblik later zag Howland een forsche gestalte uit
de duisternis te voorschijn springen en meteen het flikkeren van een
mes. Hij had geen tijd om uit te wijken of de revolver te trekken, die
hij altijd bij zich droeg. In een crisis zijn iemands daden meestal
onwillekeurig en machinaal; het is alsof het leven, wanneer het aan een
zijden draad hangt, zichzelf moet redden op zijn eigen wijze zonder
overleg en zonder redeneering van den persoon, die door dat leven
bezield wordt.
En één oogenblik dacht en redeneerde ook Howland niet. Had hij dat
gedaan, dan zou hij waarschijnlijk zijn geheimzinnigen belager te lijf
zijn gegaan en zijn bloote vuist in het mes hebben gestooten. De drang
van lijfsbehoud maakte, dat hij wat anders deed. Zonder zich tijd te
gunnen om een kreet van schrik te uiten, wierp hij zich voorover in de
sneeuw. Die manoeuvre redde hem en toen de ander, over zijn lichaam
struikelend, languit op het Pad viel, had hij gelegenheid om zijn
revolver te trekken. Maar nog eer er een schot viel, hoorde hij achter
zich een vreeselijk gebrul, gelijk aan dat van een wild dier en
kreeg hij een zwaren slag op zijn hoofd. Het gewicht van den tweeden
aanvaller drukte hem diep in de sneeuw, het pistool gleed hem uit de
hand en twee zware knuisten verstikten een laatsten wanhoopskreet in
zijn keel. Hij zag boven zich een gelaat, verwrongen van hartstocht, een
breeden nek en oogen fonkelend als granaten. Hij worstelde om zijn armen
te bevrijden, maar zijn pogingen waren als die van een kind tegenover
een reus. Hij nam zijn toevlucht tot een laatste redmiddel, zijn eenige
kans en zijn eenige hoop. Juist toen hij de vingers, die als gloeiend
staal in zijn vleesch drongen, om zijn keel voelde en de adem hem scheen
te begeven, herinnerde hij zich den moorddadigen kniestoot, dien de
kampvechters van de binnenzeeën hem hadden geleerd; duim voor duim trok
hij zijn knieën op onder het gewicht van zijn belager tot hij met de
laatste kracht, die in hem was, een geweldigen stoot tegen diens buik
kon richten. Het duurde even eer hij wist of hij gered was, eer het
waas voor zijn oogen optrok en eer hij zijn vijand in de sneeuw zag
spartelen. Hij stond op, duizelig en nog wankelend door den zwaren slag
op zijn hoofd en den greep naar zijn keel. Op eenigen afstand zag hij
een vaag druk doen van donkere gedaanten en terwijl hij daarnaar keek,
kwam een van die lieden op hem af.
„Schiet niet, M'sieur Howland,” hoorde hij een stem zeggen in gebroken
Engelsch, vermengd met Fransch. „Ik ben het—Jean Croisset—een vriend!
Bij alle Heiligen, dat was—hoe zegt ge ook weer?—lukraak!”
Het magere, donkere gelaat van den half-ras dook glimlachend op uit de
witte duisternis. Howland bemerkte hem nauwelijks; hij zocht al door om
zich heen naar het meisje. Maar zij was weg.
„Ik kwam hier toevallig langs—met mijn knuppel,” ging Croisset voort.
„Kom, we moeten terug naar de stad.”
De glimlach was van zijn gelaat verdwenen, toen hij den arm van den
ingenieur stevig onder den zijnen nam. Het was Howland alsof alles met
hem draaide; hij voelde een vreemde zwakte door al zijn leden. Met
moeite bracht hij de hand aan het hoofd; hij had het kunnen
uitschreeuwen van de pijn.
„Dat meisje—” begon hij.
Croisset legde een arm vast om hem heen.
„Zij is weg,” hoorde Howland hem zeggen en er was iets in de stem
van den half-ras, dat den ander terughield van verdere vragen. Hij
strompelde gedwee mee in de richting van Prince Albert, steeds zwaarder
leunend op zijn geleider.
En toch—hoewel half bedwelmd en versuft, wist hij heel goed, dat
het niet alleen de verdwijning van het meisje was, waarvoor hij een
verklaring zocht. Toen die slag op zijn hoofd neerkwam, had hij den
angstkreet van een vrouw gehoord; toen hij half bewusteloos in de sneeuw
terneer lag en zijn laatste krachten inspande om zijn leven te redden,
was diezelfde vrouwenstem weer tot hem doorgedrongen,—schijnbaar van
heel ver—en nu hij zijn arm hoofd op Croisset's schouder liet vallen,
waren het haar woorden, die nog in zijn gefolterd brein naklonken.
„_Mon Dieu!_ Gij zult hem vermoorden—gij zult hem vermoorden!”
Hij trachtte dat gezegde overluid te herhalen, maar hij vermocht slechts
een onsamenhangend gemompel uit te brengen. Daar waar het woud den oever
bereikte, bleef de half-ras staan.
„Ik moet u dragen, M'sieur Howland,” zei hij en toen hij met zijn
bewusteloozen last het ijs overstrompelde, voegde hij er bij zichzelf
aan toe: „Wat zou de lieve Meleese wel zeggen, als zij wist, dat Jean
Croisset op een haar na M'sieur _l'ingénieur_ het leven had
uitgeblazen?! _Ce monde est plein de fous!_”