DERDE HOOFDSTUK.

De Scheiding.

De vijftien jaar der vereeniging met Holland vormen in de Belgische

geschiedenis een allergewichtigst tijdvak. Om dit in te zien is het

voldoende, zich rekenschap te geven van het onderscheid tusschen het

programma der Belgische katholieken van 1814 en '15, en dat der Unie van

1829, waaruit de hedendaagsche Belgische constitutie haar oorsprong

heeft. Het katholicisme, dat in 1814 van herstel van het _ancien régime_

droomt, aanvaardt in 1830 den liberalen staat, mits het een Belgische,

en mits hij waarlijk liberaal zij; m. a. w. mits hij zich beperke tot

een enger terrein dan de regeering van Willem I had bestreken.

Hoe weinig monsterachtig het verbond van katholieken en liberalen tegen

Willem I is geweest, leert ons Hollanders de vergelijking met een

gewichtig verschijnsel in onze eigen geschiedenis: de eenstemmigheid

tusschen Thorbecke en de katholieken (en, tot op zekere hoogte, tusschen

Thorbecke en Groen van Prinsterer), die de invoering der grondwet van

1848 mogelijk gemaakt heeft.

„De staatkundige partijen, die in gemeenschap van kerkelijk of

godsdienstig geloof wortelen, hebben in de negentiende eeuw een keerpunt

gehad. Het is het oogenblik geweest waarop zij, de onmogelijkheid

inziende om het roer van den staat geheel te bemachtigen, hun steunpunt

buiten den staat, in de maatschappij zijn gaan zoeken. De katholieken in

België hebben dat gedaan, toen zij de Bonald hebben verlaten voor de

Lamennais. Vandaar dat de geestelijkheid, na de grondwet van 1815 met

fellen haat te hebben bestreden, de Belgische grondwet van 1830, die

dezelfde beginselen met wat meer beslistheid huldigde, met geestdrift

hielp tot stand brengen....”[105]. De katholieken, die dit deden, hadden

allerminst den strijd tegen het liberalisme opgegeven; zij wonnen er

juist bij, dien strijd voortaan in volle vrijheid te kunnen voeren. Zij

veranderden niet van vijand, maar van gevechtsterrein. De Belgische

liberalen van hun zijde offerden den steun op, dien het protestantsche

Noorden en de protestantsche koning hun tegen de geestelijkheid hadden

kunnen bieden: zij hadden geen vertrouwen in dien steun, en achtten hem

voor verloochening der eigen politieke en nationale idealen in elk geval

te duur gekocht. Ook zij kregen in 1830 de handen ruim.

[105] De Beaufort, Geschiedkundige opstellen II, 185.

Scherpe partijtegenstellingen behoeven niet noodzakelijk afbreuk te

doen aan de nationale eenheid. Oneindig gevaarlijker dan scherpte, is

onzuiverheid van tegenstelling. Onzuiverheid nu was het kenmerk der

staatkundige verhoudingen in het koninkrijk der zeventien Nederlanden.

De Belgische vrijzinnigheid had in 1815 voor de Grondwet gestemd. Zij

was toen nog heel anders gekleurd dan in 1830: meer Napoleontisch dan

democratisch. Zij verschilde eigenlijk in geestesrichting zeer weinig

van Willem I of van den later zoo fel bestreden van Maanen zelf. Met

haar steun ware een krachtige liberale staatkunde te voeren geweest,

maar—een Belgische staatkunde. Zij wenschte onderwerping van de kerk

aan den staat, maar aan een staat die zich leiden liet door Belgische

belangen. Zich met haar als partij te vereenzelvigen, zou den koning

op het verlies van den steun van het Noorden zijn komen te staan,

en dezen kon hij, in het belang der Belgische liberalen zelven,

tegen de vijandschap der geestelijkheid niet missen. De Goubau's

en Gobbelschroy's konden dus de vleugels niet uitslaan, en werden

impopulair in hun eigen land.

Naast het hunne kwam een ander liberalisme op, dat van de moedige

jongelieden, die in 1830 den Belgischen staat hebben gesticht. Zij

verwierpen, in vol vertrouwen op de kracht van het eigen levensbeginsel,

het kunstig stel van bepalingen waarmede tot dusver de wereldlijke

overheid de kerk in haar vrijheid van beweging had beperkt. Waartoe

inderdaad zouden zij nog langer den koning tegen den clerus helpen?

De koning zou nimmer in dien strijd kunnen overwinnen dan door

machtsmiddelen, die onmiddellijk daarna tegen de jonge liberalen zouden

zijn gekeerd. Het was waarlijk niet te denken, dat Willem I, die de

ministerieele verantwoordelijkheid en de directe verkiezingen weigerde

terwijl hij de liberale jeugd nog eenigermate moest ontzien, ze toe zou

staan als hij met haar hulp de geestelijkheid zou hebben overwonnen. En

dat deze jong-liberale partij fel anti-Hollandsch was, lag mede in den

aard der zaak. De 55 noordelijke stemmen vormden, zoo dikwijls het tegen

de democratie ging, een vast aaneengesloten blok. Ware het in 1830

mogelijk geweest het regeeringsstelsel van Willem I ten val te brengen

met hulp uit Noord-Nederland, de scheiding zou nog eenige jaren

verschoven zijn geworden, tot den gewis niet ver verwijderden dag waarop

het directe kiezerscorps in België den oorlog zou hebben verklaard aan

elke regeering die de vertegenwoordiging naar bevolkingsgetal aan

België zou willen onthouden. Maar zooals de zaken lagen was zelfs op

dit uitstel geen kans. De jong-liberale partij had vooreerst in 1830

in Noord-Nederland nog zeer weinig macht, en dan nog wees zij elk

bondgenootschap van de hand met lieden, waarin zij, hoe kon het anders,

eer muiters dan geestverwanten zag. Niet op het oogenblik, waarop naast

dien van den koning ook Hollands naam in België gevloekt werd, wenschte

zij Willem I haar rekening van grieven aan te bieden.

Ziet men wel dat het niet katholicisme of liberalisme, maar nationaal

verschil geweest is dat de scheiding noodzakelijk heeft gemaakt? Van

welke zijde men ook in de zaak doordringt, steeds komt men op het

verschil in nationaliteit terecht. Hoe konden, bij voorbeeld, met

mogelijkheid de Noordnederlandsche katholieken, aanzienlijke minderheid

voorwaar, met de regeering van Willem I ingenomen wezen? Echter is

niemand van hen in 1830 opgestaan, zelfs in Noord-Brabant niet. Het jaar

'30 bewees niet slechts dat België, het bewees evenzeer dat Holland

leefde.

Noord en Zuid kunnen beide zonder wrok aan den tijd der mislukte

vereeniging terugdenken. Zij heeft, ondanks de gewelddadige ontknooping,

ons beiden veel meer goed dan kwaad gedaan. Aan België met name heeft de

gedwongen vereeniging onschatbare diensten bewezen. Wat zou er van het

land geworden zijn, indien het in 1815 niet met Holland vereenigd ware?

Blijvende inlijving bij Frankrijk zou België hebben vermoord: Brussel

zou thans een prefectuurstad, Antwerpen een soort noordelijk Toulon,

de Vlaamschheid van Gent en Brugge aan die van Duinkerken gelijk

zijn.—Onafhankelijkheid onder een Oostenrijksch prins, met meer of

minder volledig herstel van den toestand vóór 1794? Binnen drie jaar

zou in het land een burgeroorlog hebben gewoed, die in den toenmaligen

toestand van Europa onvermijdelijk op een interventie zou zijn

uitgeloopen.—Een verdeeling die Brussel aan Frankrijk, Antwerpen aan

Nederland, Luik aan Pruisen zou hebben gehecht? Wij behoeven er geen

woord over te verliezen, dat de vereeniging met het Noorden voor

België's toekomst heilzamer was dan zulk een lot. Zij, en zij alleen,

heeft België in de gelegenheid gesteld, in den strijd tegen een

machtigen, niet overmachtigen vijand zichzelf terug te vinden. De

vijftien jaren der vereeniging zijn voor België een kostbare leerschool

geweest in nationalen trots en nationale tucht. Zij eerst hebben

de Belgen inzicht doen krijgen in de voorwaarden, waaronder een

onafhankelijk bestaan voortaan nog voor hen mogelijk was. In 1815 zouden

zij, vrees ik, voor de proef zijn bezweken.

En wij? Ook Holland mag zich waarlijk niet over het lot beklagen, dat

het in 1815 aan België klonk. Het had in 1813 een wedergeboorte beleefd,

maar geen zeer hoopvolle. De Noordnederlandsche samenleving als geheel

zag meer naar het verleden dan naar de toekomst. Men ~wilde~ de oude

partijschappen wel begraven, maar zouden zij het zich ~laten~ doen?

Zou men het krachtig eenhoofdig gezag, waaraan het land nog dringend

behoefte had voor lange jaren, zich hebben laten vestigen en

ontwikkelen? De Souvereine Vorst zou het met heel zijn kracht hebben

beproefd; zijn persoon is daar borg voor. Maar Noord-Nederland was

minder van den nieuwen tijd, dan zijn vorst. De strekking tot oligarchie

en provincialisme, tot het overlaten der functiën van het openbare leven

aan beperkte kringen van plaatselijke beroemdheden, was ja afgenomen,

maar niet afgestorven. In de bagage van Napoleon had de vorst een sterke

centrale regeeringsmacht voor het overnemen gevonden, maar de kiemen

van een particularistisch, oligarchisch getint verzet daartegen waren

aanwezig, en zouden onder gunstige omstandigheden tot wasdom hebben

kunnen komen. Doch, dank zij in de eerste plaats de vereeniging met

België, zijn de omstandigheden daarvoor zeer ongunstig geweest.

Aanhoudend kwamen de belangen, dikwijls de vooroordeelen van het Noorden

~als geheel~ in botsing met die van het Zuiden, in zoo sterke mate, dat

het Noorden zich bestendig als geheel bleef voelen en gedragen. Tegen

de stelselmatige oppositie van het Zuiden werd aan de regeering een

even stelselmatige steun van het Noorden geboden. De belangen van de

ontwikkeling der staatsinstellingen in liberale richting kwamen hierdoor

tijdelijk in het gedrang, maar de belangen der nationale eenheid zijn er

ongetwijfeld door gebaat.—Heeft dus de ~vereeniging~ met België ons

dienst gedaan door het op den achtergrond schuiven en verstikken der

specifiek Noordnederlandsche dorpsgeschillen, die zulke abnormale

verhoudingen plachten aan te nemen in het leven der oude Republiek, de

Belgische ~opstand~ heeft, door de zeer natuurlijke tegenstrooming die

zij in het Noorden opwekte, aan ons nationaal bewustzijn geen mindere

weldaad bewezen. Het is meer de staatkunde van Willem I in de jaren

1830–'39 waarover de geschiedenis den staf gebroken heeft, dan de

houding van het Noordnederlandsche volk. Dit verlangde met nadruk, dat

bij de ook in het Noorden gewenschte scheiding noch zijn eer, noch zijn

historische rechten werden aangerand, en het was bereid zijn koning de

middelen te verschaffen tot handhaving van die eer en rechten. Doch de

koning heeft deze bereidwilligheid van het Noordnederlandsche volk

misbruikt, en de middelen, die het ter beschikking stelde, aangewend in

dienst eener staatkunde wier heimelijk doel, de wederverwerving der

Belgische gewesten, door ons volk werd veroordeeld. Het geluk bij dit

ongeluk was, dat de volksvertegenwoordiging, eigenlijk voor het eerst

sedert 1813, besef leerde krijgen van haar taak: zij verlangde nu

eindelijk, een werkzame contrôle uit te oefenen op het gebruik der

openbare geldmiddelen. Toen na den vrede met België eenige formeele

wijzigingen in de grondwet waren noodig geworden, ging het niet meer aan

dezen wensch geheel voorbij te zien: de tienjarige begrooting verdween,

en er werd een minimum ministerieele verantwoordelijkheid ingevoerd.

Geringe hervormingen nog, maar die bewezen dat toch ook het Noorden

nieuwe banen insloeg. Acht jaar later waagde het zich daarop meer

onbeschroomd, niet zonder invloed van het Belgische voorbeeld. Onze

grondwet van 1848 heeft vrij wat van de Belgische van 1830 kunnen

overnemen; en dat dit geschied is, heeft Noord-Nederland nimmer berouwd.

Men heeft daarover toentertijd niet veel gesproken, maar het feit is,

voor wie beide constitutiën naast elkander legt, onloochenbaar.

* * * * *

Aan de geschiedenis der gedwongen samenleving van Noord en Zuid is

nog veel te doen. Niemand zal er ooit een bevredigende voorstelling

van kunnen geven, die niet èn België èn Holland kent en liefheeft.

Van Belgische zijde worden veelal de voorstellingen der Belgische

oppositiebladen van het tijdvak zonder zelfstandig onderzoek herhaald,

terwijl er Noordnederlandsche schrijvers gevonden worden die zich niet

ontzien, zich heden ten dage nog door citadelpoëzie en dergelijke te

laten inspireeren. Er zijn uitzonderingen. In Noord-Nederland is het

werk van de Bosch Kemper (te waardeeren niet zoozeer om kracht van

voorstelling of scherpte van critiek, als om rijkdom van informatie) nog

onovertroffen; in België munt het fraaie boek uit, door Discailles aan

Charles Rogier gewijd. Wat echter nog niemand verrichtte en toch boven

alles noodig heeten moet, is het stelselmatig en uitgebreid ontginnen

der regeeringsarchieven van het tijdvak zelf. Deze nu bevinden zich in

Noord-Nederland. Krachtens een onlangs genomen koninklijk besluit worden

thans de archieven van alle departementen van algemeen bestuur tot 1830

toe naar het gebouw van het Algemeen Rijksarchief overgebracht. De

studie der algemeene geschiedenis van het koninkrijk is dus voortaan

zeer vergemakkelijkt; moge eerlang blijken dat zij wordt ondernomen door

Noord- en Zuidnederlanders beide.

De gansche overlevering omtrent de geschiedenis van Groot-Nederland van

1815 tot 1830 aan de bescheiden te toetsen, zal een reuzenwerk zijn,

niet op éénmaal tot stand te brengen. Daarom doet men wel, gedurig te

geven wat men heeft. Schrijver dezes viel het nog niet te beurt, meer

dan oppervlakkig kennis te maken met de archieven van het Kabinet des

Konings en van elk afzonderlijk departement van algemeen bestuur over

bedoelde jaren, al heeft hij reeds de zekerheid verkregen, dat die van

het justitiedepartement onder van Maanen voor de meer intieme kennis van

het tijdvak zeer belangrijk zullen worden bevonden. Daarnevens komen

de berichten der gezanten van Engeland en Frankrijk in aanmerking;

eenigermate is onlangs daarvan reeds partij getrokken[106]. Nog zijn van

belang de particuliere papieren van den minister van Maanen, in 1900

door het Nederlandsche Rijksarchief verworven[107]. De geschiedenis

van het gansche tijdvak aan de hand van al deze bronnen opnieuw te

schrijven, is voorshands nog een onbegonnen werk. Echter kan er, in

het klein bestek dat wij hier hebben gekozen, toch wel iets uit worden

medegedeeld, dat medehelpen kan om het inzicht in die geschiedenis te

verhelderen.

[106] Poullet „Les premières années du royaume des Pays-Bas” (Revue

générale 1896); dezelfde, „Relations inédites sur les débuts

de la Révolution belge” (Revue générale, 1897); Alfred Stern,

„Geschichte Europa's”, vierde deel (Stuttgart und Berlin, 1905).

[107] Ook reeds eenigermate, hoewel naar het kader van zijn boek

meebracht weinig, door Stern gebruikt.

De staat der zeventien Nederlanden was tegen Frankrijk opgericht;

Frankrijk had dus reden, dien staat scherp te doen observeeren, en de

Fransche berichten zijn dan ook over zijn binnenlandsche verhoudingen

zeer uitvoerig. Welwillend gestemd zijn de Fransche beoordeelaars

natuurlijk niet, maar ook van onwelwillende beoordeeling kan men leeren.

Onder de berichtgevers komt voor zeker geheim agent Julian, gewezen

politie-ambtenaar van Fouché, die tegelijk betrekkingen onderhield met

de Fransche en met de Nederlandsche regeering. Men vindt zijn brieven

tusschen de officiëele dépêches in, onder den naam van „Correspondance

secrète des Pays-Bas”[108].

[108] 1821–'24, en dan weder 1828–'29. Al deze berichten zijn geschreven

uit Brussel. De schrijver deed zich, in den kring der liberale

Fransche uitgewekenen te Brussel, als een bondgenoot voor, om

achter hun plannen te kunnen komen. Om te maken dat men hem met

rust liet, had hij de Nederlandsche regeering van deze zijn rol op

de hoogte moeten stellen.

8 Januari 1823. Invoering van het gemaal en geslacht. Het brood en

het vleesch komen onmiddellijk boven den normalen prijs. „Dans

plusieurs quartiers de la ville, des caricatures peintes ou en relief,

représentant le Roi, revêtu du manteau royal et la couronne sur la tête,

ont été trouvées pendues, les unes par les pieds, les autres par le cou.

Les recherches de la police n'ont pu découvrir encore aucun coupable,

mais on peut assurer qu'il y a autant de complices que d'habitants”.

30 Juli 1823. Gesprek van den koning met graaf van Bylandt, gouverneur

der residentie. „Je sais que je ne suis pas trop bien dans l'opinion

du corps diplomatique, ni dans celle des cabinets de l'Europe; mais je

voudrais les voir dans ma position et forcés de tenir tête comme moi

à tous les intérêts, et souvent aux intérêts les plus opposés....

Certainement je garderai toujours ma plus parfaite indépendance.... Je

le dis et le répète souvent à Clancarty: j'aimerais beaucoup mieux ma

Hollande toute seule. J'étais cent fois plus heureux alors!.... J'ai dû

envoyer le ministre de la justice à Liège sur la demande des autorités

pour y juger par lui-même de la conduite sourde qu'y tiennent les

Jésuites et les Frères Ignorantins qui veulent à tout prix s'emparer

exclusivement de l'instruction publique, et qui citent à tout bout de

champ, aux Liégeois, dans les conférences religieuses qu'ils sont

parvenus à établir de tous côtés, l'exemple de la France.... Depuis

un an, toutes les mesures du ministre de l'instruction publique pour

diriger l'enseignement à Liège sont tellement contrariées par des

obstacles de toute nature, qui tous proviennent des prétentions des

Jésuites et des Ignorantins et de la partie du bas clergé qui agit de

concert avec eux, et des tracasseries suscitées par tous ces gens-là,

qu'il en résulte pour lui une impossibilité réelle d'administrer, et le

découragement de toutes les classes d'employés.... Quand je fais mes

efforts pour faire un tout de ce pays, un parti qui d'intelligence

avec l'étranger ne cesse de gagner du terrain agit pour le désunir.

D'ailleurs les alliés ne m'ont pas donné ce royaume pour le soumettre à

toutes les influences. Cette situation ne peut durer....” Of dit gesprek

aan Julian mag worden medegedeeld? „Vous pouvez tout lui dire (a répondu

le Roi), car je voudrais une fois pour toutes me faire bien

comprendre”[109].

[109] De officieele Fransche gezant, Durand de Mareuil, was op dit

oogenblik met verlof. Het gesprek eindigde met een waarschuwing,

dat de koning van den staat van zaken kennis zou moeten geven te

Londen, St. Petersburg en Berlijn. De bedoeling van het gesprek

was, pressie te oefenen op Frankrijk tegen het ondersteunen der

clericale partij in België.

31 Juli 1823. Julian laat zich het medegedeelde door den minister van

onderwijs (Falck) bevestigen. Deze zegt: „Toute la correspondance, tous

les discours, toutes les confidences des Jésuites et des Frères de la

Doctrine [chrétienne] annoncent bien qu'ils comptent entièrement sur

l'appui des chefs de ces associations qui sont en France; ces chefs

verraient avec plaisir que des troubles, fomentées dans leur intérêt,

éclatassent dans ce pays. Il est très certain qu'un parti autrichien,

qui se ferait français au besoin, existe dans la haute noblesse belge,

et seconde les vues des nombreux mécontents du clergé; il n'est pas

douteux que les obstacles que j'éprouve, moi personnellement, dans

l'exécution de mes décisions dans tout ce qui est relatif à

l'enseignement et à l'organisation des écoles, ne provienne d'un

systême. Quoique je ne puisse m'empêcher de penser que le ministère

français voit sans beaucoup de peine les discussions en matière

religieuse qui s'élèvent dans un pays qu'il ne regardera jamais comme

entièrement perdu pour la France, je ne peux pas dire précisément que

les religieux qui depuis quelques années abondent dans ce pays et y

causent des maux incalculables, en prêchant une morale tendante non

seulement à éloigner la confiance des sujets dans le Souverain, mais

encore à dissoudre tous les liens qui les attachent à lui et à exciter

dans ses Etats des troubles sérieux et dont les conséquences ne peuvent

être prévues;—je ne peux pas dire que ces religieux agissent (quoique

plusieurs s'en soient vantés), d'après l'influence directe du

gouvernement français, et bien moins encore d'après une direction

formelle donnée par lui; mais l'homogénité des doctrines politiques et

religieuses permet cependant de concevoir si ce n'est pas des soupçons,

du moins des craintes bien fondées, qu'une sage prévoyance doit

accueillir, et il n'est pas un seul prince protestant en Europe par

lequel elles ne doivent être partagées au même degré. Cette affaire

n'est pas tellement particulière au Roi des Pays-Bas qu'elle le paraît;

elle a déjà appelé l'attention de plusieurs cabinets....”

19 Augustus 1823. Een deputatie uit de nationale garde van Duinkerken

bezoekt Gent en Brugge. „Il y a eu des effusions de sentiments de part

et d'autre, mais surtout de la part des Belges: des cris souvent répétés

de „Vive la France! Nous sommes et nous serons toujours Français”....”

26 October 1823. Gesprek van den koning met zijn kamerheer, graaf de

Mercy-Argenteau. „Est-il vrai, M. d'Argenteau, que vous fassiez élever

tous vos enfants en France?—Très vrai, Sire, et je compte envoyer

incessamment le dernier à Paris.—Vous trouvez donc l'éducation de ce

pays bien mauvaise? Il est heureux que tout le monde n'en juge pas

ainsi. Il me semble cependant que ce ne serait ni à vous, ni à ceux qui

sont placés dans une situation comme la vôtre, à donner un semblable

exemple. Si j'usais de mon pouvoir, et peut-être serait-il de mon devoir

de le faire, je serais fondé à m'y opposer.—Mais, dans ce cas, Sire,

ce serait aussi un droit que personne ne pourrait me contester, que

celui de me séparer d'un pays où une pareille contrainte me serait

imposée.—_Vous en avez toute liberté, Monsieur_, réplique brusquement

le Roi, en lui tournant le dos.”—Drie dagen later zond de Mercy zijn

kamerheerssleutel aan den koning terug.

12 October 1828. Inrichting der burgerwachten. „On a pris à Bruxelles

de vives alarmes à raison de l'empressement extraordinaire qui a été

apporté dans la partie méridionale des Pays-Bas à se faire enrégistrer

sur les rôles de la garde communale. On a vu dans cet empressement un

projet d'organisation qui certes existe très positivement dans beaucoup

de têtes.... Il est remarquable que surtout dans les campagnes le clergé

pousse singulièrement les paysans à se faire inscrire....” Men herinnert

zich dat, na het oproer te Brussel twee jaar later, de burgerij

onmiddellijk met de Brabantsche kleuren verscheen.

27 November 1828. Artikel van de Potter: „Opposons des mots à des

mots. Jusqu'ici on a traqué les Jésuites; bafouons, honnissons,

poursuivons les ministériels”[110]. De schrijver wordt wegens dit

artikel vervolgd. „Il est difficile d'imaginer une ineptie plus complète

et dont les conséquences peuvent être plus fatales aux Pays-Bas que ce

que fait le gouvernement: au lieu d'entretenir les inimitiés entre les

libéraux et les apostoliques, le ministère a tout fait (et il y a

complètement réussi) pour réunir dans un même intérêt, à force de

rigueurs inutiles, deux partis tellement antipathiques qu'aucun autre

moyen de rapprochement n'existait peut-être entr'eux que celui qui a été

employé. C'est ainsi que de rien on a fait une affaire très grave, parce

que toutes les passions se rattachent à un prétexte que l'on cherchait

depuis longtemps, et que l'on n'avait pas trouvé jusqu'ici.... La propos

attribué au Roi qui l'a laissé échapper relativement aux journalistes,

_qu'il fallait en finir avec cette canaille_, a une publicité fâcheuse

et se trouwe aujourd'hui dans toutes les bouches”.

[110] Men vindt het bekende artikel overgedrukt bij Juste, Révolution

belge, I, 112.

5 Januari 1829. Gesprek van den koning met het Brusselsch

gemeentebestuur over de ongeregeldheden op den dag der veroordeeling

van de Potter. „Je dois vous déclarer”, leur a-t-il dit, „que si de

semblables excès venaient à se renouveler, je me déciderais à quitter

votre ville pour me retirer à la Haye d'où je ne sortirais plus”.

* * * * *

In de berichten der officieele Fransche gezanten liggen even

kenschetsende mededeelingen voor het grijpen:

„Dans le cœur du Roi, l'amour du bien, mais pas un des sentiments du

monarque; dans sa tête pas un des principes de la monarchie: tour à tour

absorbé dans les détails du major, du préfet, du directeur des droits

réunis, mais ne s'élevant jamais au-dessus, et jamais à la hauteur du

Souverain” (Latour-Dupin, 10 December 1817).

„Les mesures prises par le gouvernement pour réduire à deux par année

toutes les processions, continuent à être envisagées d'une manière

défavorable. Les habitants de Bruxelles ont vu avec peine que pour la

première fois, à la fête-Dieu, on leur ait refusé le concours de la

garnison” (de Caux, 19 Juni 1819).

„Le gouvernement s'applique à employer les troupes belges de préférence

dans les provinces du Nord, tandis qu'il appelle ici les régiments

hollandais” (Durand de Mareuil, 15 Februari 1821).

„C'est aujourd'hui pour la première fois qui j'ai vu le Roi des

Pays-Bas paraître en public.... En ma qualité de Français, accoutumé a

l'enthousiasme qu' excite toujours la vue du Roi, j'ai été très frappé

de l'accueil glacé que S. M. a reçu sur son passage. La curiosité y

avait attiré assez de monde, mais partout a régné un profond silence;

pas une seule acclamation ne s'est fait entendre” (Mirona, 21 October

1822).

„La faveur accordée à la langue flamande, qui à vrai dire est à peine

un patois, n'est qu' un moyen d'arriver à la langue hollandaise dont

on veut faire avec le temps le langage exclusif du royaume. Cette

vue manifeste ne contribue pas peu à augmenter la résistance et le

mécontentement des Belges; mais le Roi marche à son but, et sauf des

circonstances extraordinaires, sa volonté prévaudra” (Durand de Mareuil,

25 November 1822).

Oorzaak der mislukking van de onderhandeling met Nasalli over het

concordaat. „Le Nonce a mis en avant les mêmes demandes qui ont échoué

en Allemagne, tant pour la nomination des évêques et celle des

dignitaires des chapitres, que pour la juridiction ecclésiastique. La

Cour de Rome voudrait la faire réintégrer dans le jugement de diverses

contestations, considérées depuis longtemps comme du ressort des

tribunaux civils. Les matières matrimoniales en feraient partie....

Le Roi sent lui-même qu'ainsi que tous les princes protestants, il

doit renoncer à la nomination des évêques, mais il voudrait qu' une

influence quelconque du Gouvernement dans leur élection fût reconnue

comme un droit. Quant à la juridiction, il ne l'abandonnera jamais”

(d'Agoult, 30 April 1824).

Men beweert dat de koning hierom alleen de Kamers geen inzage laat nemen

van zijn financieel beheer, omdat hij aan de mogendheden, die hem koning

van België gemaakt hebben, uitkeeringen doet die eerst in 1826 zullen

afloopen. „Je ne me serais pas décidé à vous faire remarquer d'aussi

absurdes suppositions, si accueillies dans les premières sociétés du

pays, elles ne pouvaient jouer un rôle dans le mouvement de l'opinion

publique. Citées, d'abord, par un homme important de l'Etat, je les ai

vu ensuite positivement affichées par un membre ministériel de la

première Chambre, personnage de la plus haute noblesse et grand officier

de la Couronne” (d'Agoult, 6 Juni 1824).

Collegium philosophicum. „La population des provinces occidentales du

royaume est essentiellement religieuse; le clergé y exerce une grande

influence sur la noblesse, sur la petite bourgeoisie et sur le peuple;

il repousse une instruction plus relevée que celle qui lui suffit

maintenant pour remplir son ministère et diriger les esprits” (d'Agoult,

13 October 1825).

Liberaal ministerie in Frankrijk[111]; invloed van dezen omslag in

België; grooter vrijmoedigheid der dagbladschrijvers. „L'audace qu'ils

montrent aujourd'hui et que les condamnations qu'ils viennent de subir

n'ont fait que stimuler encore davantage, donnerait à penser qu'ils se

croient soutenus par une influence puissante, ou qu'ils comptent

beaucoup sur leur popularité; le fait est que la classe moyenne et

industrielle leur est favorable, et que l'exemple de la liberté de la

presse qui règne aujourd'hui en France à réveillé chez les Belges

quelques idées d'indépendance. Leur passion dominante est de vouloir

toujours ressembler aux Français, et c'est un des traits de leur

caractère qui présente le plus de difficultés à un gouvernement qui

désire toujours les isoler de tout contact avec leurs voisins. Jusqu'à

présent il avait assez bien réussi à les en éloigner en flattant leur

amour-propre et en leur montrant le simulacre d'une liberté dont ces

derniers, disait-il, ne jouissaient pas comme eux. Maintenant ces

prestiges ont perdu leur force; la vanité des Belges les rapproche de

la France; il devient difficile de leur donner le change; ils veulent

des institutions comme on les comprend chez nous. C'est là la corde

sensible, les journalistes l'ont touchée, elle a retenti vivement....

Les journaux de toutes les nuances, à l'exception de ceux qui sont sous

l'influence plus immédiate du ministère, ont pris le parti du _Courrier

des Pays-Bas_[112]; ceux de l'opposition catholique n'ont pas été

les derniers ni les moins ardents à plaider sa cause; les feuilles

françaises même ont changé en critiques sévères les éloges qu'elles

étaient habituées depuis longtemps à adresser à l'administration de la

Belgique sur la parole de leurs confrères. Tout cela prouve l'union de

la cause libérale dans tous les pays; le contrecoup de ces hostilités

se fera ressentir partout. C'est ainsi qu'en frappant des individus, le

gouvernement s'est engagé, sans s'en apercevoir, dans une guerre de

principes qui peut lui occasionner plus tard de grands embarras, surtout

si, comme on le remarque depuis quelques jours, les attaques deviennent

plus systématiques que violentes, si l'on s'attache à se maintenir

autant que possible dans l'ordre légal, et à combattre le ministère

plutôt par des faits que par des personnalités. Déjà la question du

budget a été abordée pour la première fois d'une manière sérieuse, c'est

à dire à l'aide des chiffres, et l'on a cherché à s'immiscer dans des

choses qui jusqu'à présent avaient été soigneusement dérobées à la

connaissance du public. Cette nouvelle tactique, si l'on y persévérait,

modifierait probablement la marche du gouvernement, et le ferait sortir

du silence dédaigneux dans lequel il se renferme pour descendre à se

justifier contre des reproches plus fondés en raison et exprimés avec

plus de décence” (Lagrange, 14 November 1828).

[111] Ministerie-Martignac (sedert 4 Jan. 1828).

[112] Waarin het artikel van de Potter gestaan had.

Na een opsomming der door de Belgen in hun petitiën te berde gebrachte

grieven (geen vrijheid van drukpers, geen vrijheid van onderwijs, geen

jury, enz.): „Ces griefs, purement temporaires, pourraient être écartés

par une administration plus juste et plus éclairée, mais il n'existe pas

de remède aux deux causes permanentes qui compromettent la tranquillité

de ces provinces: leur union avec la Hollande et la proximité de la

France.—Le Belge hait le Hollandais et celui-ci méprise le Belge, au

dessus duquel il se place à une hauteur infinie, et par son caractère

national, et par les créations de son industrie, et par les souvenirs

de son histoire. Dédaignés par leurs voisins du Nord, gouvernés par un

prince dont ils ne possèdent pas la confiance, gênés dans l'exercice

de leur culte, et, disent-ils, dans la jouissance de leurs libertés,

surchargés d'impôts, ne prenant à la représentation nationale qu'une

part disproportionnée à la population des provinces du Midi, les Belges

se demandent s'ils ont une patrie, et s'agitent dans une situation

pénible, dont ils cherchent en vain à prévoir le terme. Et cependant

à leur porte et sous leurs yeux, la France recouvre chaque jour la

prospérité et la gloire dont des revers sans exemple avaient un moment

terni l'éclat. Faut-il s'étonner que beaucoup de vœux, beaucoup de

regrets se tournent vers elle?” (Lamoussaye, 26 December 1828)[113].

[113] „Dans toutes les réunions, dans tous les lieux publics, on ose

agiter la question de savoir si la France appuyerait de ses armes

une insurrection de la Belgique” (Lamoussaye, 9 Maart 1829).

Wat de koning met het concordaat bereikt. Na zeer moeilijke

onderhandelingen krijgt hij althans één door hemzelven uitgekozen

bisschop, Mgr. Ondernard, benoemd (te Namen). „Des apparences de

modération avaient recommandé ce prélat à la faveur du Roi; à peine

installé, il s'est montré le plus fougueux des adversaires et du Collège

philosophique et de la surveillance que le gouvernement s'efforce de

conserver sur l'instruction publique” (Lamoussaye, 6 Februari 1829).

Dezelfde ervaring had men eerlang met den nieuwen bisschop van Luik, van

Bommel.

Het petitionnement. „Mgr. le Prince d'Orange reprochait à Madame la

comtesse de Vilain XIV l'union de son mari avec une opposition que S. A.

R. qualifiait de révolutionnaire. „Nous ne voulons pas de révolution”,

a répondu Madame de Vilain XIV, „il s'agit seulement de faire peur

au Roi, afin de l'obliger à céder”.—„Et si le Roi n'avait pas

peur?”—„Monseigneur, le Roi a lu l'histoire, il sait ce que font les

Belges lorsqu'ils sont poussés à bout”” (Lamoussaye, 3 Maart 1829).

Spanning tijdens de behandeling der tienjarige begrooting in de Tweede

Kamer. De luitenant-generaal de Constant Villars, militair gouverneur

van Brussel, spreekt den Franschen gezant over den toestand aan: „Le Roi

a enfin ouvert les yeux. Il voit qu'il ne peut compter sur la Belgique

et que la force seule est capable de la contenir. Mais nous ne sommes

pas sûrs des troupes. Elles seraient d'ailleurs paralysées par les

gardes communales que l'on a eu l'imprudence d'organiser. C'était mettre

à ses ennemis les armes à la main. Il n'y a donc qu'un parti à prendre:

c'est celui d'appeler des bayonnettes étrangères. Tel est du moins mon

avis; c'est aussi celui du comte de Reede, grand chambellan, dépositaire

de la plus intime confiance du Roi. S. M. ne s'y résoudra que le plus

tard possible, mais je ne doute pas qu'il ne faille en venir là”

(Lamoussaye, 11 December 1829)[114].

[114] Den 25{sten} November had Lamoussaye reeds gemeld, dat ook de

gouverneurs van Zuid-Brabant en van Antwerpen dergelijke taal

hadden gevoerd: 25.000 Pruisen zouden de rust komen herstellen.

Na het inkomen der bekende koninklijke boodschap van 11 December

hield men het er in België algemeen voor, dat dergelijke geruchten

van regeeringswege waren verspreid om den indruk van dit

staatsstuk te versterken. Onze gezant te Parijs, Fagel, verzekerde

aan Polignac, dat het gerucht ten eenenmale ongegrond was

(Polignac aan Lamoussaye, 22 Dec. 1829). Den 20{sten} Januari 1830

berichtte daarop Lamoussaye, dat niet slechts hooge ambtenaren,

maar de koning zelf de bedreiging had uitgesproken: „A l'époque

où les députés belges manifestaient une très vive opposition, le

Roi répéta plusieurs fois devant des personnes dont la véracité

ne saurait être mise en doute les paroles suivantes: „Que ces

messieurs y prennent garde; d'un coup de sifflet je puis faire

entrer les Prussiens.” Après le vote provisoire des recettes S. M.

s'exprima en ces termes: „Je regrette que les choses aient pris

cette tournure; j'aurais écrasé l'opposition; la France et la

Prusse m'en auraient su gré””.—Men houde hierbij in het oog,

dat 8 Aug. 1829 het liberale ministerie-Martignac door het

reactionnaire ministerie-Polignac was vervangen.

De katholieken aan den vooravond der omwenteling: „De nombreux adeptes

de M. l'abbé de Lamennais, qui embrassent toutes les conséquences de son

système, annoncent que le catholicisme, arrivé aujourd'hui à une époque

de régénération, doit travailler à s'asseoir sur des bases plus larges

et plus conformes à son origine, en s'associant aux mouvements qui ont

lieu en faveur de la liberté, et en isolant sa cause de celle d'un

pouvoir qui n'est pas soumis à la suprématie romaine. Ces opinions qui

présentent le contraste d'une obéissance absolue au Pape avec la plus

grande indépendance de toute autorité temporelle, s'allient d'ailleurs à

beaucoup de tolérance envers ceux qui placés en dehors du même cercle

d'idées, réclament les mêmes garanties sociales.... Telles sont les

doctrines qui semblent se répandre chaque jour davantage parmi les

catholiques belges” (Lagrange, 28 Februari 1830).

„Non seulement les libéraux exaltés, mais aussi beaucoup d'hommes

amis de l'orde par principe et par sentiment, et qui appartiennent à

l'opposition catholique, semblent désirer de voir naître des troubles en

France. Ce vœu irréfléchi prend sa source dans l'espoir de quelque

combinaison politique qui soustrairait la Belgique à la domination

hollandaise dont le joug, bien que fort tempéré depuis quelques

mois[115], paraît toujours insupportable à une partie notable de la

population” (Lamoussaye, 23 Juli 1830).

[115] Toespeling op de verzachting der taal- en onderwijsbesluiten,

Mei-Juni 1830 (Juste, Révolution belge I, 202).

* * * * *

Uit de particuliere papieren van van Maanen:

Verspreiding van katholieke libellen in Vlaanderen. „Ces manœuvres

ne peuvent être vérifiées que par un coup de hasard. Une surveillance,

quelque active qu'elle soit, doit rester en défaut, parce que la

distribution en est conduite avec le plus grand mystère. Elle se fait de

nuit, et puis elle est faite avec une célérité qui prévient l'action de

la police, parce que la première et la dernière pièce sont à peu près

distribuées en même temps. Les colporteurs se partagent les quartiers de

la ville, et ils n'ont par conséquent qu'un petit espace à parcourir.

Depuis que je suis placé à la tête de l'administration, je me suis fait

une étude particulière pour tâcher de trouver des moyens pour découvrir

les agens de ces distributions. J'ai employé des mouchards, ma police

ordinaire, la maréchaussée, le militaire même, mais toujours en vain.

J'en ai toujours été pour mes peines et mon argent, sans plus” (de graaf

van Lens, burgemeester van Gent, aan van Maanen, 2 Februari 1819).

Wat de regeering van door haar „beweldadigde” geestelijken verwacht. „S.

M. a daigné, il y a peu de temps, étendre sa clémence et sa bienfaisance

sur le prêtre Ryckwaert, en l'agréant comme chanoine du chapitre de

Gand. Eh bien! ce prêtre fourbe et hypocrite du lendemain même de son

agréation tramait contre le gouvernement. Ses vues et son ambition étant

remplies, il a jeté le masque.... Vous et moi, nous devons gémir que des

misérables de cette espèce ne répondent à de pareils bienfaits que par

des outrages qu'ils font à leur bienfaiteur” (de graaf van Lens, thans

gouverneur van Oost-Vlaanderen, aan van Maanen, 15 Mei 1822).

Wat men op taalgebied mogelijk acht. „De spraak gaat hier, dat de

Hollandsche taal binnen eenige jaren ook in de Waalsche provinciën en

Luxemburg voor alle openbare aangelegenheden zal ingevoerd worden,

en dat er over het daartoe betrekkelijke besluit reeds bij het

gouvernement geraadpleegd wordt. Wat hiervan zij, weet ik natuurlijk

niet; maar ik houd er mij van verzekerd, dat het bloote gerucht op zich

zelve reeds eene goede uitwerking zal hebben, waarom ik voorgenomen

heb, mij daaromtrent niet ongeloovig te toonen” (de hoogleeraar in het

Nederlandsch te Luik, Kinker, aan van Maanen, 1 December 1822).

Voorgevoel van de unie tusschen katholieken en liberalen[116]:

„_Mathieu Laensberg_ is een blad, in schijn ten minste, van eenen

tegenovergestelden geest van dien van den _Courrier de la Meuse_, maar

die elkander met te veel voorzichtigheid en beleid behandelen, om van

dien _Mathieu_ niet te zeggen: _timeo Danaos et dona ferentes_” (Kinker

aan van Maanen, 24 Juli 1825).

[116] „Het is uit Luik dat zich deze vereenigde geest, als uit zijn

brand- en middenpunt, in het overige Zuiden verspreid heeft”

(Kinker aan van Maanen, 10 Februari 1829).—Vgl. het merkwaardig

artikel van Paul Devaux in den _Mathieu_ van 21 Maart 1827,

overgedrukt bij Juste, Révolution belge, I, 257.

„Ik ondervind dat wij achteruitgaan; de regeering verliest niet alleen

de noodige kracht en kleur, maar zelfs de achting, de inschikkelijkheid

die men steeds jegens haar moest hebben; zij schijnt zwak, zorgeloos,

zonder vastheid, zonder beginsel” (van Doorn, gouverneur van

Oost-Vlaanderen, aan van Maanen, 16 Mei 1829).

Uit een onderschepte katholieke briefwisseling. „Opposez-vous toujours,

autant que cela dépend de vous, à l'extension de la langue hollandaise.

Le flamand tel que vos pères l'ont parlé et écrit n'y perdra rien,

tandis que le hollandais, écrit même par des personnes savantes et

irréprochables, porte toujours avec lui les germes de l'hérésie” (aan

van Maanen medegedeeld door G. L. Bergmann[117], bij een brief van 14

Juni 1829).

[117] G. L. Bergmann, Nassauer van geboorte, oud-officier van het leger

der Nederlandsche Republiek, was sedert 1795 te Lier gevestigd

en daar gehuwd. Hij was eenigermate de pleegvader van Jan Frans

Willems; zijn zoon G. Bergmann, wiens „Gedenkschriften” in 1895

te Gent zijn uitgegeven, de eenige van de familie die na 1830 in

België bleef, is de vader van den schrijver van _Ernest Staas_.

G. L. Bergmann was een groot voorstander der regeering van Willem

I; hij had het een of ander kanaal waardoor hij kennis kreeg

aan brieven, door bekende unionisten te Leuven en te Luik aan

partijgenooten te Lier geschreven, en deelde den inhoud aan van

Maanen mede.

„Que voit-on, hésitation, incertitude, gêne et crainte dans la

marche du gouvernement; organisation, réorganisation et finalement

désorganisation de toutes les administrations quelconques. Encore un

choc vigoureux et la machine croule” (onderschepte brief uit Leuven aan

een ingezetene van Lier, 30 Juli 1829)[118].

[118] Bij een brief van Bergmann van 5 Aug. 1829.—De overeenkomst van

indruk bij den opposant en bij den regeeringsman (van Doorn) is

treffend.

„Indien Uwe Excellentie mij thans uitnoodigde rondborstig en op eer en

geweten te verklaren, of, en in welke klas van 't volk het gouvernement

nog opregte vrienden telt, zoude ik met leedwezen moeten antwoorden, in

geene” (G. L. Bergmann aan van Maanen, 17 October 1829).

Tot welke middelen men afdaalt. „Je ne dois pas cacher à V. E. une

chose, c'est que coûte que coûte il faut que Tielemans et de Potter[119]

soyent condamnés, n'importe à quoi, si le gouvernement ne veut éprouver

un rude échec, sans quoi on criera sur les toits, et le sot public, et

qui est plus sot à Bruxelles encore qu'ailleurs, criera et croira que

ces poursuites étaient des vengeances que rien n'autorisait. Selon moi,

et dans ma plus intime conviction, un juge qui ne saurait s'élever

aux plus hautes considérations d'ordre social et politique, et qui

acquitterait ces gens là, commettrait un crime de félonie; mais il

pourrait le commettre par bêtise, car V. E. n'en est pas à savoir

d'aujourd'hui sans doute, que dans le nombre il s'en trouve qui sont de

bien lourdes ganaches. C'est pour relever le moral des ganaches par la

frayeur des intérêts lésés, la plus puissante de toutes, que j'ai mis

dans le _National_ que peut-être la ville de Bruxelles cesserait d'être

résidence royale. Cela peut avoir le double effet de produire du bien à

Anvers et à Gand par l'espérance, et à Bruxelles par la peur. Il serait

utile que deux ou trois feuilles de la Hollande le répétassent, comme

venant du _National_, en ajoutant que le _National_ est d'ordinaire bien

informé. Ce sont de ces coups d'adresse dont s'alimente la politique

dans tous les pays du monde” (Libry Bagnano aan van Maanen, 23 Februari

1830).

[119] Vervolgd wegens het plan van nationale inschrijving tot

schadeloosstelling van afgezette ambtenaren (Juste I, 185).

„La fermentation commence à se faire sentir ici, quoique peu de chose

jusqu'à présent. Aucun courrier ni diligence de Paris n'étant arrivé

aujourd'hui, la rue, devant mon habitation, est encombrée de monde qui

attend les nouvelles. En rentrant ce soir à dix heures de l'imprimerie

du _National_, j'ai reçu quelques insultes verbales, mais peu bruyantes.

J'ai cependant très distinctement entendu, dans le nombre, _van Maanen à

la lanterne, à bas les Hollandais_” (Libry Bagnano aan van Maanen, 31

Juli 1830).

* * * * *

Belgische dagbladartikelen tusschen de omwenteling te Parijs en het

oproer te Brussel:

„Les Belges ont une nationalité qu'on ne peut affecter de méconnaître

qu'en répudiant le long témoignage de leur histoire et en ne tenant

aucun compte des nombreuses spécialités de caractère qu'ils présentent

encore aujourd'hui. Il est vrai que cette nationalité n'a pas toujours

suffi seule au maintien de leur indépendance, et que pendant longtemps

les Belges n'ont vécu de leur propre vie que moyennant les secours et

sous la protection de quelque grande puissance. C'est là une raison non

pas de nier leur nationalité, mais de la déclarer d'autant plus forte

et plus vivace, puisque l'étranger protecteur n'est jamais parvenu à

la faire s'absorber et se perdre dans sa propre nationalité. Si donc

la Belgique a des titres pour demeurer elle-même, nos voisins du Midi

doivent comprendre qu'il n'entrera jamais dans nos vues ni dans nos

intérêts de devenir simple province de la France. A la vérité il est

permis aux Français comme à nos autres voisins de bâtir tels projets

politiques qu'il plaira sur la double donnée de notre volonté de rester

Belges, et de notre disposition à préférer toujours l'espèce de

gouvernement qui nous donnera le plus de facilité pour vivre et agir

comme Belges. Car nous n'avons, aujourd'hui comme autrefois, aucun autre

motif que notre intérêt national pour aimer l'alliance d'un peuple

quelconque, ou l'autorité d'une dynastie quel qu'elle soit. Que l'on

nous demande après cela si le régime actuel nous ménage tout ce que,

comme Belges, nous avons le droit de désirer, nous répondrons non, sans

hésitation comme saus crainte. Nous ajouterons cependant que jamais

l'ancien régime français ne nous accorda une part aussi large que celle

que nous possédons aujourd'hui tout en la déclarant incomplète. Nous

dirons de plus qu'à notre avis toute réunion actuelle de la Belgique à

la France, pour devenir province de ce dernier pays, aurait encore pour

résultat immédiat la perte d'une bonne partie des avantages nationaux

que nous avons déjà. Que dire ensuite de la perte certaine que nous

ferions des chances que se présentent maintenant d'augmenter notre

importance politique? La loi fondamentale n'ouvre-te-elle pas le champ

à toutes les modifications que la Belgique peut avoir à désirer pour

prendre dans le royaume des Pays-Bas le rang que lui assignent et sa

population et l'étentue de son territoire? D'autres proportions dans

la représentation nationale, moins de complication dans le systême

électoral, un respect réel pour la liberté de la presse, d'autres bases

pour la fixation du siège de quelques grands corps de l'Etat, ce n'est

là que l'indication rapide et incomplète de ce que les nouvelles

circonstances nous permettent d'attendre, même du commun accord de tous

les pouvoirs qui président à notre organisation sociale. Nous prévoyons

l'objection que l'on va tirer contre nous de la répugnance montrée

jusqu'ici à satisfaire entièrement les Belges, même dans ce qu'ils

demandent de plus ordinaire et de moins important. Nous répondrons

que le changement survenu en France doit changer bientôt plus d'une

politique. Celle de notre gouvernement subira, la première, ces

variations indispensables. M. de Polignac n'est plus là qui donne à

notre cabinet des garanties contre nature. En proclamant le principe

de la non intervention dans les affaires des peuples, qui sans tendre

à changer les bornes de leur territoire, demandent seulement des

modifications dans leur régime intérieur, l'Angleterre force tous

les gouvernements à marcher bon gré mal gré suivant l'impulsion des

majorités. Ces deux faits nouveaux entreront pour beaucoup dans les

combinaisons qui vont servir de base au systême qui présidera désormais

à la conduite de nos hommes d'état” (_Courrier des Pays-Bas_, 10

Augustus 1830).

„Nous avons souri quand nous avons vu nos journaux ministériels montrer

de la sympathie pour les événements de France. Ils ne voient là, ou

feignent de n'y voir, qu'un mouvement passionné contre le parti-prêtre;

ils paraissent ignorer que c'est le triomphe de la légalité et de la

liberté la plus large sur toute espèce de despotisme et d'arbitraire;

le temps se chargera de le leur apprendre.... Nos adversaires

qu'espéraient-ils des événements de la France? Y trouver quelques

exemples à l'appui de leur philosophisme étroit et faux, quelques

noms imposants pour relever leur servile intolérance, avant tout sans

doute quelques arguments contre la liberté d'enseignement. Eh bien,

dans tout ce qui se fait ou se propose aux chambres dans ce moment de

passion, pas une mesure ni une proposition intolérante contre le parti

ecclésiastique, partout la liberté avec toutes ses conséquences.... Mais

ce n'est pas tout que la question religieuse: bien s'en faut. Et les

coups d'état, par exemple, dont nous aussi on nous menaçait, il y a à

peine quelques mois. Qu'on vienne encore nous parler de la nécessité de

la dictature, qu'on s'évertue donc de nouveau à découvrir dans notre loi

fondamentale un équivalent à l'article 14 de la Charte[120]. La question

de la responsabilité ministérielle aussi pourrait singulièrement

s'éclaircir aujourd'hui et bien d'autres avec elle. Arrive maintenant la

session de nos chambres, et l'on verra si le ton ne sera pas changé à

l'égard de l'opposition du Midi. On pourrait bien ne pas lui contester

même le droit de refuser, quand bon lui semble, les budgets soumis à son

suffrage.... Laissons le temps faire son œuvre. Il est sans doute des

esprits routiniers qui n'ont pas encore compris que la situation de

l'Europe et la leur sont toutes nouvelles. Mais la lumière arrivera

vite” (_Le Politique_[121], 14 Augustus 1830).

[120] „Le Roi fait les règlements et les ordonnances nécessaires pour

l'exécution des lois et la sécurité de l'Etat.” In dit artikel

had het ministerie-Polignac den rechtsgrond gezocht voor de

ordonnantiën van 26 Juli 1830, die aanleiding gaven tot de

omwenteling te Parijs.

[121] Opvolger van _Mathieu Laensberg_.

„Dans les circonstances actuelles, l'opposition veut avant tout se

montrer modérée; elle attend au lieu de réclamer, mais son silence est

loin d'être le calme de la satisfaction et s'il était mal apprécié,

force serait bien de le rompre. Contentons-nous de répéter que le

gouvernement commet une faute capitale toutes les fois qu'il laisse à la

Belgique quelque chose à envier à ses voisins” (_Journal de Verviers_,

14 Augustus 1830).

* * * * *

Mij dunkt dat deze artikelen, dat van den _Courrier_ vooral, merkwaardig

zijn en den sleutel geven tot veel van hetgeen gevolgd is. Dikwijls is

op de gematigdheid der Belgische oppositie gewezen, zooals zij zich in

de dagen die onmiddellijk aan het oproer voorafgingen, geuit heeft. Die

gematigdheid bestaat toch meer in den vorm, dan in het wezen. Invoering

van het meerderheidsstelsel in den staat der zeventien Nederlanden

beduidde de omverwerping van dien staat zelf, zooals hij op de artikelen

van Londen gegrondvest was. De Belgen konden niet minder vragen, maar in

Holland begreep men zeer wel, dat toegeven aan de Belgische eischen,

zonder scheiding der beide helften, de opoffering van het historische

Holland beteekende. Wanneer het oproer te Brussel is uitgebroken en

Gendebien in den Haag „herstel van grieven” komt verzoeken, werpt hem de

minister Lacoste tegen, dat, bij toegeven aan dit verlangen, Holland op

zal staan. „Cette observation fut pour moi un trait de lumière, et je

conçus dès lors le projet de la séparation du Nord et du Midi”[122].

Het denkbeeld eener scheiding heeft dus niet van den aanvang af op den

voorgrond gestaan; wèl was men vóór het oproer reeds besloten, het

oogenblik dat de hulp van Frankrijk wellicht voor de Belgische oppositie

beschikbaar was, niet voorbij te laten gaan om volledig herstel van

grieven te verkrijgen[123]. Den 2{den} Augustus reeds hadden de

liberalen van den _Courrier des Pays-Bas_ zich in betrekking gesteld

met Parijs, maar den 15{den} hadden zij tot antwoord gekregen dat

Frankrijk zeker in het eerste jaar niet zou kunnen intervenieeren.

Daarop was, den 17{den} Augustus naar het schijnt, besloten den

opstand, dien men inderdaad voorbereidde, voorloopig uit te stellen

tot 15 September[124]. Den 21{sten} Augustus had daarop Gendebien

Brussel verlaten, om ook elders in het land den opstand af te bestellen.

Dit besluit van 17 Augustus verklaart het eigenaardig karakter der

gebeurtenis van den 25{sten}, die Gendebien zelf „une mauvaise farce

d'écoliers” noemt. „Beaucoup de ceux qui auraient pu diriger le

mouvement étaient absents; les autres, fidèles à la consigne, ont voulu

l'arrêter; de là incertitude, défaut de direction et par suite mouvement

désordonné de la part du peuple, qui eût agi merveilleusement s'il eût

été bien dirigé”.—Hiermede stemt goed overeen wat Levae, de redacteur

van den _Belge_, aan de Potter schrijft: dat hij den 25{sten} Augustus

te middernacht, dus twee uur na het begin der ongeregeldheden, nog

welgekleede lieden gezien had, die het volk bestuurden, „mais à trois

heures du matin, lorsqu'on a mis le feu chez van Maanen, tous ces gens

_comme il faut_ avaient disparu; je n'ai plus aperçu que l'écume de la

société.... Ce peuple a bientôt senti sa force et en a profité, non pour

faire une révolution, comme l'avaient sans doute espéré ceux qui l'ont

déchaîné, mais pour faire ses _propres_ affaires: il s'est mis à brûler

les fabriques, à briser les mécaniques, à piller, à dévaster”[125].

De autoriteiten werden geheel ongemoeid gelaten; toen zij werkeloos

bleven, was het de burgerij van Brussel die de wapenen opnam en

de orde herstelde. De officieren van de burgerwacht en niet de

vertegenwoordigers van het koninklijk gezag waren nu meester van de

stad. Zoodra zij de Fransche driekleur van het stadhuis zagen wapperen,

rukten zij die af en vervingen ze niet door de Nederlandsche, maar

door de Brabantsche kleuren. Het was met deze burgerwacht dat de Prins

van Oranje in onderhandeling trad, toen hij den 31{sten} Augustus met

zijn troepen voor Brussel verscheen. De prins begon met aan een eerste

deputatie zijn voornemen mede te deelen den volgende dag „omringd door

de burgerwacht en gevolgd door de troepen” in de stad te verschijnen;

hij stelde den eisch dat de Brabantsche kleuren zouden worden

afgelegd[126]. Toen men in de stad hiervan hoorde, richtte het volk

barricades op en weigerde de Brabantsche kleuren af te leggen. Een

tweede deputatie, in den avond van den 31{sten} vertrokken, overreedde

den prins zonder troepen in de stad te komen. Des nachts zond de prins

nog een adjudant in de stad, om aan den eisch van het afleggen der

Brabantsche kleuren te herinneren; bij zijn intocht op den volgenden

morgen werd hem een brief van den commandant ter hand gesteld, waarin

hij er op voorbereid werd dat de kleuren niet waren afgelegd[127].

De prins begaf zich niettemin in de stad, waar hij natuurlijk niets

uitrichten kon, daar hij geen troepen meer bij zich had om zich te doen

gehoorzamen, en evenmin gemachtigd was om hetzij herstel van grieven te

beloven, hetzij een Belgische koningskroon aan te nemen. Het eenig

gevolg van zijn bezoek was, dat krachtens overeenkomst van den 3{den}

September de nog in de stad aanwezige troepen vertrokken, waartegen de

burgerwacht op haar eerewoord beloofde, geen verandering van dynastie te

zullen gedoogen. De prins vertrok naar den Haag, waar hij de scheiding

van Noord en Zuid bij den koning zou aanbevelen[128]. Deze kondigde aan,

dat hij de Staten-Generaal, tegen 13 September in den Haag beschreven,

de vraag zou voorleggen. Een uitstel dat België, reeds verloren voor

zijn persoon, ook voor zijn huis verloren heeft doen gaan. Na den

3{den} September toch nam de uiterste partij, die in Augustus door de

gebeurtenissen verrast was, weer geheel de overhand, en wist, door een

wanhopige krachtsinspanning, de beslissing over België's lot aan zich

te trekken. Het is deze periode der omwenteling, die het minst bekend,

enevenwel het gewichtigst is. Wij gaan er een overzicht van geven naar

de dépêches van Thomas Cartwright, den secretaris van het Engelsche

gezantschap in den Haag, die door den gezant Sir Charles Bagot naar

Brussel werd afgevaardigd, opdat de Engelsche regeering het daar

voorvallende zou kunnen vernemen uit de eerste hand[129]. Hij kwam er

den 7{den} September aan; zijn eerste brief is van den 10{den}, en

begint met te verhalen, wat sedert het vertrek van den Prins van Oranje

was gebeurd. Uit het mede opgestane Luik waren 300 vrijwilligers binnen

gekomen onder aanvoering van Charles Rogier; een kostbare hulpbende voor

de uiterste partij. Prins Frederik stond met de troepen onderwijl nog te

Vilvoorde, maar zeide den 6{den} aan een deputatie (Joseph d'Hooghvorst

en Gendebien) toe, dat hij het hoofdkwartier naar Antwerpen zou

verleggen, gelijk hij den 8{sten} ook deed. Intusschen had de koning

den 5{den} de proclamatie uitgevaardigd, waarbij hij beloofde aan de

Staten-Generaal de vraag te zullen voorleggen, of er termen waren om

verandering te brengen in de betrekkingen tusschen de twee groote deelen

van het koninkrijk. De koerier die deze proclamatie naar Brussel bracht,

kwam den 7{den} 's ochtends in de stad; hij was aan den gouverneur van

Zuid-Brabant, van der Fosse, geadresseerd. De wacht bracht hem naar het

stadhuis, waar de vergadering van notabelen zitting had, die na den

25{sten} de plundering bedwongen en zich sedert voor de rust der stad

aansprakelijk had gesteld[130]. Deze vergadering achtte het stuk niet

geschikt om te Brussel bekend te worden gemaakt; zij verkreeg dat van

der Fosse het achterhield, en vaardigde acht harer leden[131] naar Prins

Frederik te Vilvoorde af, om te verzoeken dat het zou worden ingetrokken

en door een ander vervangen, dat de scheiding reeds voltrokken zou

noemen en door den koning goedgekeurd. Zoo niet, dan vreesde men een

volksbeweging en het aannemen der Fransche driekleur[132]. Prins

Frederik verzocht dit een en ander op schrift, om het naar den Haag te

kunnen zenden. Toen de deputatie in de stad terugkwam, waren daar

Hollandsche en Antwerpsche couranten ontvangen die den tekst der

proclamatie inhielden. Van der Fosse begreep dat verdere geheimhouding

nutteloos was en liet het stuk nu ook te Brussel aanplakken, maar het

werd onmiddellijk door het volk afgescheurd. Men had het publiek in den

waan gebracht, dat de Prins van Oranje eenige dagen na den 3{den} in de

stad zou terugkeeren met de uitdrukkelijke toestemming des konings in

den eisch tot scheiding, en nu achtte het zich verraden en drong op

de onmiddellijke benoeming van een voorloopig bestuur aan[133]. De

notabelenvergadering wilde eerst nog het antwoord uit den Haag op het

door Prins Frederik overgezonden stuk afwachten. Voor het geval dat

dit antwoord weigerend zou zijn, zeiden zij de oprichting van een

revolutionnair bestuur toe, waartoe zij thans reeds de personen zouden

aanwijzen; de kamerleden zouden in zulk geval natuurlijk niet naar den

Haag vertrekken, om de vergadering der Staten-Generaal bij te wonen aan

welke 's konings vraag zou worden voorgelegd. Na deze beloften keerde de

rust in de stad terug. Den volgenden dag echter, toen de leden van het

voorloopig bestuur nu voor alsdan feitelijk zouden worden benoemd, kwam

het naberouw, en verklaarde niemand zich bereid dan de Stassart[134].

Daar nu bleek dat van hun aanwezigheid te Brussel geen partij te

trekken was, keurde de uiterste partij goed dat de kamerleden naar den

Haag gingen, ja moedigde hen zelfs daartoe aan, terwijl zij er zich den

vorigen dag hevig tegen verzet had; doch wilden de Belgische kamerleden

zich niet constitueeren tot een Belgische regeering, dan zag men hen

liever van ver dan van nabij. Nu de oprichting van een voorloopig

bestuur mislukt was, stelde de burgerwacht (met medewerking van het nog

steeds niet ontbonden wettige gemeentebestuur, dat aan het nieuwe orgaan

zijn functiën zou overdragen) een „commission de sûreté” van acht

personen in, om te waken, naar het in de instructie heette, „voor het

behoud der dynastie en de handhaving van den eisch tot scheiding van

Noord en Zuid”. De acht leden waren Gendebien, Rouppe, van de Weyer,

graaf Felix van Merode, de prins van Ligne, de hertog van Ursel,

Frédéric de Sécus en de bankier Ferdinand Meeus; drie heftigen (de drie

eerstgenoemden) en vijf gematigden. Maar van de vijf gematigden waren er

twee (de prins van Ligne en de hertog van Ursel) bij afwezigheid benoemd

en bedankten; ook de baron de Sécus nam geen zitting[135]. Van den

anderen kant namen de heftigen geen genoegen met de voorwaarde, waarop

het gemeentebestuur de nieuwe commissie alleen erkennen wilde: dat

achter het woord „handhaving” in de formule bovengenoemd zou worden

ingevoegd: „door wettige middelen”. Den 11{den} September liet het

gemeentebestuur zijn eisch vallen[136].

[122] Gendebien aan de Potter, 16 Sept. 1830 (bij Juste, Révolution

belge II, 191).

[123] Vgl. wat Gendebien later in het Congres zeide over de

vergaderingen der partijgenooten te Brussel op 7, 13, 15 en 17

Augustus 1830 (bij Juste, Histoire du Congrès National II, 272),

waarmede het artikel in den _Courrier_ van 10 Aug. goed

overeenstemt.

[124] Gendebien aan de Potter, als boven.

[125] Levae aan de Potter, 4 Sept. 1830 (bij Juste, Révolution belge II,

174).

[126] Juste II, 34.

[127] „Bruxelles le 1er septembre 1830.—Un entretien que je viens

d'avoir avec M. le comte de Crucquenbourg, aide de camp de V. A.

R., m'a fait connaître à mon regret le fâcheux malentendu qui

paraît avoir existé entre V. A. R. et la seconde députation

relativement aux couleurs adoptées par la garde bourgeoise comme

signe de ralliement. Aucun des membres de la commission n'a

prononcé un seul mot qui pût faire supposer l'intention de

s'engager, au nom de la garde bourgeoise, à quitter les insignes

imposés par les circonstances impérieuses où nous nous sommes

trouvés la semaine dernière. Les chefs de la garde bourgeoise et

moi, nous serions entièrement disposés à faire aux désirs de

V. A. R. le sacrifice d'une simple question d'amour propre, mais

l'opinion générale, énergiquement manifestée par les événemens de

cette nuit, ne nous permet pas de renoncer _quant à présent_ aux

couleurs brabançonnes sans nous rendre responsables des plus

effrayantes conséquences. Je supplie respectueusement V. A. R. au

nom de la sécurité publique, que nous avons su protéger jusqu'à

présent, au nom de la dynastie à laquelle nous restons fidèles,

de ne pas insister sur un point dont l'existence n'est que

momentanée, dans l'heureux espoir que sa présence pourra, par une

noble et entière confiance, rallier les Bruxellois et tous les

Belges aux couleurs royales, que la force irrésistible des choses

leur a seule fait quitter momentanément. (Signé) BARON VAN DER

LINDEN D'HOOGHVORST” (bij een dépêche van Sir Charles Bagot, 7

Sept. 1830; F. O.).—Met „les événemens de cette nuit” worden de

vergadering van de officieren der burgerwacht en de volksoploop

bedoeld, waarvan Juste (II, 38) en van der Smissen (bij de

Kerchove de Denterghem, Préliminaires de la Révolution belge, p.

16) spreken.—De voorstelling, die de prins van het gebeurde aan

Bagot gaf, komt niet met den brief van d'Hooghvorst overeen. „H.

R. H. assured me, that when the second deputation waited upon him

at Vilvorde, they took off, of their own accord, the colors which

they had worne upon their arrival; and in the conversation which

then passed between him and them upon the subject of these colors,

he had certainly understood, that upon his entering the town they

should be no longer worne. Upon his arrival the next day before

Brussels, and only at the moment when he met the garde bourgeoise

close to the town, the letter, of which H. R. H. allowed me to

take the enclosed copy, was put into his hands.”

[128] Zie, behalve Juste, voor het verblijf van den prins te Brussel

vooral de Kerchove de Denterghem; ook Stern, Geschichte Europa's

IV, 104 (met bericht van Lamoussaye van 4 Sept. 1830).

[129] Zijn berichten zijn nog enkel door Prof. Stern gebruikt.—Voorts

zijn voor deze periode van veel belang de stukken, uitgegeven door

graaf de Kerchove de Denterghem in de Revue de Belgique van 1897

(Les Préliminaires de la Révolution belge).

De Belgische omwenteling · 第 10 / 13 题