De Vereeniging.
Het was geen innerlijke drang, het was dwang van buiten die beide
helften in 1815 tezamen voegde.
Er had, reeds eenigen tijd vóór de Fransche omwenteling, een „Belgisch
vraagstuk” bestaan, dat het hoofd weer opstak toen de vloed afliep en
Europa nieuw moest worden ingericht.
België was, in 1715, aan een huis toegevallen dat het land onder zeer
bezwarende omstandigheden aanvaardde, als een soort dépôt in het belang
van het Europeesch evenwicht, en in het bizonder als bolwerk voor
de veiligheid van de Republiek der Vereenigde Nederlanden. Het lag
afgescheiden van de overige deelen der Oostenrijksche monarchie, en
was onmogelijk daarmede te vereenigen. Geen wonder dat de regeering te
Weenen er dikwijls over dacht, een of ander meer begeerd land, Beieren
bij voorkeur, tegen België te ruilen. Doch een dergelijk plan was zeer
moeilijk te verwezenlijken: België was nu eenmaal zoo gelegen, dat de
belangen van driekwart Europa bij zulk een ruil betrokken waren. Jozef
II heeft in 1785 getracht de zaak door te zetten, maar zonder vrucht.
Ging dit ruildenkbeeld van den vreemden souverein uit, België zelf deed
in het laatst der achttiende eeuw ook weer van zich spreken.
Het was lang geleden dat het dit ooit gedaan had. De vrede van 1648 had
het land geen rust gebracht; juist daarna werd het meer dan ooit het
slagveld, waarop de groote mogendheden van Europa haar geschillen kwamen
uitvechten. Tot den vrede van Utrecht toe weerklinkt in België haast
onafgebroken het hoefgetrappel van vreemde benden. Eerst die vrede
bracht verademing. Een lange rust breekt aan, slechts, omstreeks het
midden der eeuw, door den Oostenrijkschen successie-oorlog verstoord.
Het kon niet anders of het land moest zich in dezen tijd van langdurigen
vrede eenigermate herstellen, al ging het nog zoo langzaam. Er was
nameloos veel vernield, maar wat niet vernield had kunnen worden was de
gunstige ligging van het land, de rijkdom van zijn bodem, de begaafdheid
en de nijvere aard zijner bevolking. Van de ligging viel echter
vooralsnog weinig voordeel te trekken: de geschiedenis der Compagnie van
Oostende was er het droevige bewijs van. Doch bleef de handel België
ontzegd, het kon zich op den landbouw en op de nijverheid toeleggen.
Beide deze bedrijven gingen aanmerkelijk vooruit, met name onder de
regeering van Maria Theresia.
Naarmate eenige welvaart terugkeerde, werd het natuurlijk minder
gewillig verdragen, dat het land ten believe van de Republiek der
Vereenigde Nederlanden gekortwiekt was. Het is, behalve tegenover
Jozef II, voornamelijk tegenover Holland geweest, dat het België der
achttiende eeuw zich bijwijlen weder een natie gevoeld heeft. De onwil
om zich het barrière-tractaat te laten opleggen, de instemming die Jozef
II ondervond toen hij de Hollandsche garnizoenen verwijderde, spreken
duidelijk genoeg. Ware Keizer Jozef in andere opzichten niet dwars tegen
den geest der bevolking ingegaan, zijn maatregelen tegen de Republiek
zouden gewis nog veel hartelijker door haar zijn ondersteund. Dat het
land niet van zijn natuurlijken weg naar zee gebruik mocht maken was
inderdaad een monstruositeit; men vervange het woord Schelde eens door
Texel of Maas, en brenge zich te binnen, wat dan „de sluiting” voor
Holland zou beteekend hebben! Doch naarmate de Republiek haar grootheid
tanen zag, klampte zij zich te angstvalliger aan haar voorrecht vast.
Nog meer evenwel dan de antipathie tegen het Noorden, bracht die tegen
de regeering van Jozef II de Belgen bijeen. Jozef was sedert Philips II
de eerste vorst, die in het binnenlandsch bestuur den geest der
bevolking moedwillig tartte. Geheel iets anders was het, de verlichting
der eeuw in het land toe te laten en zelfs te bevorderen, geheel iets
anders, haar, van de bureaux der regeering uit, een niets ontzienden
aanval te doen richten tegen al wat bij overlevering bestond. En Jozef
II wilde daarbij de Nederlanden regeeren van uit Weenen, gelijk eenmaal
Philips van uit het Escoriaal. „Il imagine tout”, schrijft Starhemberg,
zijn gewezen minister in Brussel, aan Mercy, „il voit tout, dirige,
exécute et gouverne tout par lui-même. Les divers départemens ne sont
que des corps organisés auxquels il donne l'impulsion qui les met en
mouvement, mais ils ne peuvent rien par eux-mêmes et ne sont pas même
assurés d'un jour à l'autre de leur propre existence et encore moins du
maintien de leur ressort.”[26] De processiën werden verboden, op grond
dat zij „geen eer deden aan de verlichting van het volk.”[27] Alle
dorpskermissen zouden—waartoe?—in het geheele land plaats moeten
hebben op één en denzelfden dag. Tegen dergelijke schoolmeesterij kwam
ten slotte de massa van het volk in verzet, niet enkel de duisterlingen.
[26] Schlitter, Regierung Josefs II in den Österreichischen
Niederlanden, I, 164.
[27] Belgiojoso aan Kaunitz, 9 Mei 1786 (Schlitter I, 159.)
Opmerkelijk is, dat het Jozef niet aan machtigen steun voor zijn
hervormingen zou ontbroken hebben, indien hij te werk had willen gaan
als een bezadigd man en niet als een dolkop. Er berust in de archieven
te Weenen een merkwaardig stuk van den markies du Chasteler, dat
aangeeft welke groote doeleinden de Keizer najaagt in zaken van
godsdienst, rechtspraak en bestuur; vervolgens op welke wijze hij zijn
doel heeft zoeken te bereiken, en eindelijk hoe hij het had kunnen
bereiken, of althans nader komen, zonder zooveel aanstoot te geven[28].
De grondtoon van het stuk is een klacht, dat de Keizer de natie het
goede op wil leggen buiten haar om, en geen oog heeft voor haar
eigenaardigheden. Zoo waren er veel onder de hoogere standen, die minder
bezwaar hadden tegen de zaak dan tegen de uitvoering. Maar Jozef
luisterde naar geen waarschuwingen, en het volk stond tegen hem op.
[28] Bij Schlitter, I, 188–202.
Het was gedurende dezen opstand, dat van Belgische zijde de vraag
opgeworpen werd naar de toekomstige verhouding tot Noord-Nederland.
Men kon niet van Oostenrijk af zonder buitenlandsche hulp, en, zooals
de politieke verhoudingen van 1789 lagen, moest die komen van de drie
verbondenen, Engeland, de Republiek en Pruisen. Van deze drie nam
Pruisen, uit vijandschap tegen Oostenrijk, de meest tegemoetkomende
houding tegenover de Belgen aan. Meer terughoudend waren Engeland
en de Republiek; het gold dus vooral, deze beide voor de zaak van den
opstand te winnen. Tot dit doel begaf zich de advocaat van der Noot naar
Londen en naar den Haag, en spiegelde in het eene land de koningskroon
aan den hertog van York, in het andere een algemeen stadhouderschap
aan den tweeden zoon van den Prins van Oranje voor. Deze aanbiedingen
waren niet ernstig gemeend en werden ook niet ernstig opgenomen.
In den Haag sprak van der Noot ook over een toekomstige vereeniging
der Belgische en Nederlandsche republieken, een denkbeeld, dat toen
ook in het vlugschrift _La République belgique_ is aanbevolen. De
Noordnederlandsche staatkunde van 1789 echter was van zulk een
vereeniging afkeerig: de Raadpensionaris van de Spiegel noemt het, in
een brief aan den gezant der Republiek in Engeland, „een chimère,
welke aan ons althans niet convenieeren zoude”[29]. Hij wilde de
onafhankelijkheid van België slechts erkennen op beding, dat van de
voorrechten, die Nederland bij tractaat ten opzichte van België had
verkregen, iedere letter gehandhaafd bleef[30]. Een vreedzame oplossing
van het Belgische vraagstuk, waarbij het land, tegen bevestiging zijner
oude privilegiën, onder de gehoorzaamheid des Keizers terugkeerde,
was hem verreweg het liefst; hij voorzag te goed, dat een krachtige
nationale staat in België de voorrechten van Holland niet lang zou
kunnen eerbiedigen, en ze ten offer te leggen op het altaar eener
groot-Nederlandsche gedachte lag toen geheel en al buiten den
Hollandschen gezichtskring. Maar het scheen een oogenblik, in het begin
van 1790, alsof men werkelijk geen andere keus had, dan België als een
onafhankelijk land te erkennen; het had de vreemde troepen verjaagd:
liet men het nu los, dan zouden Lafayette en de Nationale Vergadering in
Frankrijk zich van de beweging meester maken, tot groot nadeel van het
belang der zeemogendheden. In dezen tijd heeft van de Spiegel overwogen,
hoever hij, zoo de nood drong, met België zou willen gaan. Zijn
„Generaale Gronden van een verbond tusschen de twee Republieken” komen
op het volgende neder: „De beide Republieken zullen independent zijn
van malkander en hebben haare eigen souverainiteit, administratie van
justitie, politie, militie, finantie en wat verder tot de regten
der souverainiteit behoort, maar zullen zich ten aanzien van de
onderlinge defensie zoo nauw confœdereeren alsof zij maar éénen Staat
uitmaakten”[31]. Derhalve geen aanvallende oorlog, geen alliantiën, geen
doortocht aan vreemde troepen dan met gemeen goedvinden; wederzijdsche
inzage van den staat van elkanders weermiddelen; éénmaal per jaar een
bijeenkomst van wederzijdsche afgevaardigden, „in welke gehandeld zal
worden van den staat van defensie, van alliantiën, en in 't generaal van
alles wat tot deeze confœderatie relatief is, doch niet beslooten dan
op approbatie van de wederzijdsche souvereinen.” In tijd van oorlog zal
deze vergadering permanent zijn, en zullen de vereenigde legers worden
aangevoerd door den Erfkapitein-generaal van de Vereenigde
Nederlanden[32].
[29] Zie mijne „Gedenkstukken der algemeene geschiedenis van Nederland
van 1795 tot 1840”, I, 140.
[30] Gedenkstukken I, 141 (instructie aan d'Yvoy).
[31] Gedenkstukken I, 145.
[32] Overeenkomst met van de Spiegel's denkbeelden vertoont het
vlugschrift: _Wat staat ons Batavieren te doen bij het vrijworden
der Belgen_ (Januari 1790).
Een militaire conventie dus is het uiterste waartoe van de Spiegel komen
wil. Van een Belgisch stadhouderschap voor een lid van het huis van
Oranje wil hij niet hooren. Men behoeft zich ook geen oogenblik voor
te stellen, dat deze zaak van Belgische zijde ernstig was gemeend.
Zij was door van der Noot voorgespiegeld in Mei 1789, zeer in het vage,
als een eerste aanloksel. In December 1789 evenwel was de eigenlijke
intellectueele leider der zaken, de kanunnik van Eupen, in den Haag
geweest, en had de grondslagen opgegeven der constitutie die men
voor de nieuwe republiek dacht aan te nemen: een vergadering van
Staten-Generaal, die souverein zal zijn tegenover het buitenland en ten
opzichte der landsverdediging; een onder de Staten-Generaal gestelden
Raad van State; voorts zelfregeering der provinciën. Een prins of
gouverneur dacht van Eupen niet aan te nemen[33]. Van de Spiegel's
„generale gronden” voor een verbond tusschen Noord en Zuid waren „en
gros met van Eupen beredeneerd”. Zij zijn te beschouwen als de grondslag
waarop de wezenlijke leiders der Belgische en der Nederlandsche
staatkunde van 1790 van oordeel waren dat een toenadering kon worden
beproefd; wat daarboven uitging was toenmaals òf niet oprecht gemeend,
òf ijdele plannenmakerij. En of zelfs op de „generale gronden” de
toenadering mogelijk zou zijn geweest? Ik geloof het geen oogenblik. Het
wachtschip bij Saaftingen vertegenwoordigde in werkelijkheid een soort
Chineeschen muur, dien Holland niet wilde laten springen, en dien een in
waarheid zich onafhankelijk gevoelend België geen tien, geen vijf jaar
meer zou willen laten staan. Het netelig punt der handelsvoorrechten
werd dan ook door de Belgische onderhandelaars zooveel mogelijk
ontweken. „Nous n'aimerions pas à recevoir des lois trop dures, mais à
cela près qu'on ne nous redoute pas,” schrijft van Eupen aan zijn agent
in den Haag, Leempoel. „Niet zeer voor de vuist,” meende van de Spiegel.
Een woord van van Eupen aan van de Spiegel's man te Brussel, d'Yvoy, was
iets duidelijker: „dat er geene de minste reden van vrees was voor al 't
geen waarvan de Republiek volgens de tractaten jouïsseert, maar dat zij
onmogelijk, zonder zigzelven in gevaar te brengen, thans van eenige
zekerheid dienaangaande te geven konden spreeken.”[34] Zonder die
zekerheid evenwel zou de Republiek de onafhankelijkheid van België
nimmer erkennen, en zonder die erkenning was er geen mogelijkheid van
verbond.
[33] Renfner 15 Dec. 1789 („si la chose est possible, nous ne voulons
ni prince ni gouverneur”).—„Notre ambition se borne à avoir
autant d'amis que de voisins, mais point de maîtres” (van Eupen
aan Lafayette, nieuwjaar 1790).—Gedenkstukken I, p. XLIV.
[34] Gedenkstukken I, p. XLVII.
Er was nog een andere omstandigheid, die het welslagen van
een Belgisch-Nederlandsch verbond in 1790 in de hoogste mate
onwaarschijnlijk maakte. Beide landen waren innerlijk verdeeld.
Noord-Nederland had juist eenige jaren van hevige partijberoering
doorgemaakt, die met een materieele, niet met een zedelijke overwinning
der partij van het behoud waren geeindigd. Duizende patriotten waren
naar België of naar Frankrijk uitgeweken, en wachtten op het oogenblik
om met Fransche hulp de oude Republiek ten val te brengen en een nieuw
staatsgebouw op te richten op den grondslag der „rechten van den
mensch”. Zij waren zeker van de instemming van de meerderheid der
beschaafde burgerij in het land zelf. Een zeer dringende reden, waarom
de Nederlandsche regeering op goeden voet met de leiders der Brabantsche
omwenteling blijven wilde, was de mogelijkheid dat zij zich door
Frankrijk op sleeptouw zouden laten nemen, waar de partij der
omwenteling met de Belgische opstandelingen de vijandschap tegen
Oostenrijk gemeen had. Een oorlog tegen Oostenrijk kon zeer licht tot
een oorlog tegen de zeemogendheden worden uitgebreid, waarin dan België
niet aan de zijde van Holland staan kon, maar geheel in den stroom der
Fransche omwenteling zou worden medegesleept, waardoor Hollands voormuur
tegen den inval der Franschen en der Bataafsche patriotten kwam te
vervallen. Hierom was het voor Holland dringend noodig dat de Belgische
omwenteling haar zelfstandig karakter behield, hetgeen alleen kon
geschieden door een volledige zegepraal der conservatieve partij van
van Eupen en van der Noot op haar democratische tegenstanders. Want het
verzet tegen Keizer Jozef was van zeer onderscheiden motieven uitgegaan:
ook in België bestond een democratische partij, die met de ouderwetsche
Staten van Brabant of van Vlaanderen niets gemeen had, dan dat ook zij
tegen den Keizer was opgestaan. Het waren de behoudende elementen in
Noord en Zuid die eenigermate elkander zochten; die vooruitstrevenden
van beide landen zochten gelijkelijk Frankrijk.
Op den naam „revolutie” af, was de Brabantsche beweging in de Fransche
hoofdstad met jubel begroet. Men verheerlijkte in éénen adem _Les
Révolutions de France et de Brabant_[35]. Zoodra men zich echter
met de Brabantsche zaken daadwerkelijk inliet, bleek dat de Fransche
vrijheidsbegrippen geen hardnekkiger tegenstanders hadden dan van Eupen
en van der Noot. Nauwelijks was de Brabantsche opstand gelukt, of
Nootianen en Vonckisten lagen in open strijd. Den 16{den} Maart 1790
brak te Brussel een woeste furie tegen Vonck en de zijnen uit, waarbij
een volkshoop, onder oogluiking der Staten, zich van de aan Parijs
ontleende revolutionnaire terminologie bediende tegen de voorstanders
der Parijsche denkbeelden. Den 18{den} Maart ontdekte Lafayette in de
Parijsche Nationale Vergadering met leedwezen, „dat het congres der
Belgische Staten niet het ware karakter eener vertegenwoordiging van het
souvereine volk scheen te vertoonen”. Het licht was eindelijk opgegaan!
De Vonckisten vluchtten naar Frankrijk, dat nu, naast eenige duizend
Bataafsche, eenige duizend Belgische uitgewekenen te herbergen kreeg,
die niet anders verwachtten of de Fransche wapenen zouden hen op
staanden voet gaan wreken.
[35] Naam der courant van Camille Desmoulins.
Het is in 1790 echter niet daartoe gekomen. Den 20{sten} Februari
was Jozef II gestorven, en zijn opvolger koos de partij van zich met
het drievoudig verbond over België te verstaan. Hij offerde Jozefs
hervormingen op en verleende een amnestie, en de drie mogendheden
hielpen hem België te herwinnen. Er was geen wapengeweld voor noodig:
de Statenpartij verwierf wat zij bovenal verlangde en wat zij van
Frankrijk niet hopen mocht: haar behoud.
De geschiedenis van 1789 en 1790 is bij uitstek leerzaam. Zij toont
aan dat, aan den vooravond van den Franschen inval die aan het bestaan
van het oude België en van het oude Nederland een einde zou maken, van
geneigdheid tot hartelijke toenadering bij geen van beide een spoor te
ontdekken was. Niet de beide volken, maar de beide regeeringen naderden
elkander voor een oogenblik, enkel uit zucht tot zelfbehoud, maar geen
van beide was daarbij oprecht. De Belgen beloofden ons zaken die zij aan
zichzelven verplicht waren niet te houden; wij lieten ons met hen in
omdat men hen niet in de armen van Frankrijk mocht drijven, maar hadden
oneindig liever dat het land onder de gehoorzaamheid aan een Keizer
terugkeerde die onze voorrechten ontzag, dan dat het onafhankelijk
bleef. Twee jaar echter nadat wij ons recht der Scheldesluiting zoo
fraai uit de klem meenden te hebben geholpen, werd het door de Fransche
Conventie voor altijd verbeurd verklaard. Tegelijkertijd vielen de
welgedane magisters en prelaten, die zich in 1790 zoo over de ketterijen
der Vonckisten hadden ontsteld, aan de duizendmaal erger Carmagnolen ten
prooi.
* * * * *
Een punt, dat wij nog te nauwernood aanroerden, was de houding van het
Oranjehuis ten opzichte der Belgische zaken. De Prinses van Oranje
gevoelde zich door het aanbod van een stadhouderschap aan haar zoon
gevleid, maar het is laster, dat zij ter bevordering van zulk een
plan in België op alle mogelijke wijze zou hebben geintrigueerd.
Haar welbewaard persoonlijk archief lijdt op dit punt het strengste
onderzoek; wat de Bataafsche uitgewekenen daaromtrent destijds in
honderd couranten en pamfletten hebben beweerd, en wat daaruit in tal
van jongere geschriften is overgenomen, is product geweest van hun door
vrees verbijsterde verbeelding[36]. In dezelfde maand waarin van de
Spiegel zijn „Generaale Gronden” op het papier bracht, heeft ook de
Prinses haar Belgisch program opgemaakt. Het komt met de denkbeelden van
van de Spiegel nagenoeg geheel overeen, alleen verheft zij haar gemaal
tot kapitein-generaal van het Belgische leger ook in vredestijd, waarbij
zij de opmerking voegt, dat, waren beiden niet zoo jong, een van haar
zoons gevoeglijk onder den Prins dat leger zou kunnen commandeeren[37].
Zij was dus van het denkbeeld, een van haar zoons een toekomst in België
bereid te zien, niet afkeerig, maar heeft voortdurend haar wensch aan
het inzicht van van de Spiegel ondergeschikt laten blijven, en zelf geen
stappen tot de uitvoering van zulk een plan gedaan of laten doen, hoewel
men haar hiertoe te Berlijn, waar zij in den zomer van 1789 verbleef en
waar toen de verloving van den Erfprins met de dochter van Frederik
Willem II beklonken werd, ongetwijfeld sterk aangemoedigd heeft.
Hertzberg wenschte op dat oogenblik niets liever, dan dat het huis van
Oranje zich zoo diep mogelijk in de Belgische zaken stak. Op den
zeventienjarigen, eerzuchtigen Erfprins heeft dit alles ongetwijfeld een
diepen indruk gemaakt. Lang voor 1814, in 1795 en 1799 reeds, heeft hij
de Belgische zaken in verband gebracht met de vooruitzichten van zijn
persoon en zijn huis[38]. Zoo dikwijls er sprake is van een bevrijding
der Vereenigde Nederlanden en van een herstel van de stadhouderlijke
familie aldaar, tracht hij betrekkingen aan te knoopen met Belgische
ontevredenen; hij wil bewerken dat het Zuiden tegelijk met het Noorden
opstaan, en tegelijk met het Noorden zich onder het huis van Oranje zal
begeven. Eerst veel later is dit denkbeeld door Engeland overgenomen,
dat hem in 1799 te dezen opzichte zelfs zeer duidelijk gedwarsboomd
heeft. De Engelsche staatkunde was toen, gelijk zij het in 1789 geweest
was, van de proefneming met een Oranje in België nog zeer beslist
afkeerig.
[36] Ik meen dit te hebben aangetoond in de inleiding van het eerste
deel mijner meervermelde Gedenkstukken, p. XLII vv.
[37] Gedenkstukken I, p. XLV. Voor „wel” leze men daar: „wil”.
[38] Zie voor 1795 het eerlang verschijnende tweede deel mijner
Gedenkstukken; voor 1799 Piot in Compte-rendu Comm. Royale, 1877.
Het is merkwaardig, hoe, nadat het denkbeeld eener vereeniging eenmaal
in 1789 en '90 in openbaren druk was uitgesproken, het telkens weder
ergens voor den dag komt, dan hier, dan daar. De conservatieven van
beide landen waren er over begonnen; de democraten werden op hunne beurt
een oogenblik door het verleidelijk denkbeeld meegesleept. Onder de
uitgewekenen van beide volken in Frankrijk is meermalen uitgesproken,
dat men zich vereenigen moest om tegelijk de vrijheid van de
Oostenrijksche en van de Vereenigde Nederlanden (en daarbij van Luik) te
bevechten, en dat dan de vestiging eener groot-Nederlandsche republiek
zou zijn aangewezen[39]. Het was zeer natuurlijk dat zulk een denkbeeld
in dezen tijd opkwam. Men had elkander noodig tegen gelijksoortige
vijanden: den Keizer en de Staten in België, den Prins en de Staten in
Holland. De opwinding voor vrijheid en menschenrechten kon ook licht de
groote belangen doen vergeten, welke Noord en Zuid tot dusver gescheiden
hadden gehouden: die van godsdienst en handel. Een afvallig katholiek en
een afvallig calvinist konden een even braaf sansculot worden, en wat
maakte verschil van rijkdom uit, waar de broederschap heerschen zou? De
schepping van een dergelijke groot-Nederlandsche republiek was zelfs min
of meer een stokpaard van sommige redenaars der Gironde; zij scheen de
natuurlijke toepassing van het axioma, dat Frankrijk door een kring
van vrije republieken moest worden omringd. „Hors des limites de son
empire”, zeide een rapport van Lasource, „la République française ne
veut avoir d'autre domaine que la reconnaissance des peuples”[40]. Zoo
luidde de theorie, maar de practijk was het decreet van 15 December
1792, vrijbrief tot een systeem van roof en brandschatting, dat de
Belgen tot wanhoop dreef. Er was geen sprake van dat Frankrijk, als
het van het woord tot de daad moest overgaan, de oprichting eener
groot-Nederlandsche republiek een oogenblik zou kunnen gedoogen. Curieus
is het, in het verslag van een onderhoud van een Noordnederlandsch
uitgewekene met den Franschen minister Lebrun, in October 1792 gehouden,
te lezen hoe het de Franschman is, die de vereeniging aanprijst, en de
Hollander, die ten antwoord geeft: „wij weten immers veel te goed dat
Frankrijk het nooit toelaten zal”[41]. Als dan ook in het begin van 1795
door de Bataafsche gezanten te Parijs een intrigue met een Brusselaar in
deze richting wordt opgezet, volgt van de zijde van het Comité de Salut
Public een heftige snauw, en worden de gezanten door hun eigen regeering
in den Haag oogenblikkelijk gedesavoueerd. Zij waren dan ook hun
instructie te buiten gegaan, die hen voorschreef het niet op de
verwerving, maar op de verdeeling van België toe te leggen. Er gingen in
Frankrijk toen nog enkele stemmen op, om zich met een grensverbetering
tevreden te stellen, en niet gansch België in te lijven; de instructie
nu, een werk van Pieter Paulus, vraagt voor de Bataafsche Republiek de
Vlaamsche kust tot Nieuwpoort, en verder alles wat ten Noorden eener lijn
Nieuwpoort–Yperen–Kortrijk–Gent–Dendermonde–Antwerpen–Maastricht–Venlo–Wezel
ligt[42]. Die een dergelijken moordaanslag op België beraamt, is zeker
niet met „broederschap” voor dat land vervuld. Doch wel verre van over
zulk een verdeeling ook maar te spreken, nam Frankrijk, dat heel België
voor zich behield, ons ook nog een stuk van ons eigen gebied af,
waarvoor het ons een vergoeding toezegde in het Oosten, in Kleefs- en
Munsterland, die nimmer is toegewezen.
[39] Gedenkstukken I, p. XXXV, 36, 43, 51–54, 463, 693–'98.
[40] Sorel, l'Europe et la Révolution française, III, 154.
[41] Gedenkstukken I, 43.
[42] Gedenkstukken I, 662.
Ook in België waren de tijden er niet naar, om aan iets anders dan eigen
lijfsbehoud te denken, maar, minder gelukkig dan het voorwaar reeds niet
fortuinlijke Nederland, zag het zelfs geen mogelijkheid althans den
schijn van een zelfstandig bestaan te redden. Het land was, na twee
invallen der Fransche legers en der Fransche Conventie-commissarissen,
ongeveer tot vertwijfeling gebracht. Het verzocht zelf om bij Frankrijk
te worden ingelijfd. „La réunion de la Belgique à la France”, zegt een
rapport van den commissaris Haussmann van 27 Februari 1795, „est
généralement désirée; ceux mêmes qui n'étaient pas pour le système
républicain, sentent que le salut de la Belgique dépend de cette
réunion”. De representant Lesage d'Eure-et-Loir kwam er later in de
Conventie voor uit, wat deze raadselspreuk beteekende. „Des députés
belges m'ont dit”, zeide hij: „Vous nous avez rendus tellement
malheureux, l'état d'incertitude, d'anxiété, de peine où vous nous
retenez encore est tellement insupportable, que nous aimons encore mieux
être à la France que de rester comme nous sommes”[43]. Bij decreet van
1 October 1795 sprak de Conventie de inlijving uit, op een rapport van
Merlin de Douai, dat de zwakheid van eene Belgische, en de kracht van
eene Belgisch-Hollandsche republiek, gelijkelijk een gevaar voor
Frankrijk noemde, en de noodzakelijkheid van Frankrijks uitbreiding tot
den Rijn als een staatkundig dogma consacreerde. De revolutie had dus de
scheiding van België en Holland opnieuw bevestigd. Doch meer theoretisch
dan practisch: in werkelijkheid was Hollands onafhankelijkheid een
ietwat verzachte onderwerping, tot in 1810 ook dit verschil in graad
werd opgeheven.
[43] Borgnet, Histoire des Belges à la fin du XVIIIe siècle, II, 394.
* * * * *
Men doet zeer verkeerd het voor te stellen, gelijk kort na de
restauratie gebruikelijk was, of Holland en België den Franschen invloed
zeer onwillig hebben ondergaan, en sedert 1795 slechts gesnakt hebben
naar het oogenblik der verlossing. Daartoe beteekende het Fransche
régime in te veel opzichten een verbetering. Aan België's nijverheid
opende het een enorm afzetgebied, dat gesloten was voor de Engelsche
mededinging; aan Holland bracht het de een- en ondeelbaarheid, die het
land voor zijn voortbestaan zoo dringend behoefde, en die het niet
vermocht had bij zichzelf te ontwikkelen. Allerlei oude instellingen
werden opgeruimd, waaronder het meeste inderdaad volkomen versleten was
en na 1813 niet weer levend gemaakt is kunnen worden. Napoleon heeft
in Holland enkele geestdriftige dienaars gehad, als Verhuell. In 1799,
toen de Engelschen en Russen een landing deden, en de Erfprins van
Oranje naar den Helder kwam, bleek het dat Holland van een eenvoudigen
terugkeer tot het oude hoegenaamd niet weten wilde. In België behield de
boerenbeweging tegen de conscriptie en voor de geestelijkheid (in 1798
en '99) een Vendée-karakter; de beschaafden namen er geen deel aan. De
gewezen Jozefisten en Vonckisten stemden over het geheel met den geest
der Fransche regeering in; de conservatieven gehoorzaamden zonder te
luid te durven morren. Maar naarmate Napoleon's bewind ontaardde,
groeiden diep in het hart de schaamte en de wrok. Men verlaagde zich tot
al de vleierijen die de dwingeland maar verlangde, maar zoodra hij niet
meer de sterkste was, wreekte zich de geschonden menschelijke natuur. In
België deden de conscriptie, en zijn anti-kerkelijke politiek der latere
jaren hem wel het meeste kwaad, in Holland de conscriptie, de
tiërceering en het continentaal stelsel.
In 1813 nu kwam uit, hoeveel Holland in zijn geschiedenis der laatste
eeuwen op België voor had. Het kon veel gemakkelijker dan België een
nationaal middelpunt vinden. Het riep den Prins van Oranje terug. België
kon op zijn best Oostenrijk inroepen, maar Oostenrijk wilde niet eenmaal
ingeroepen zijn. Oranje daarentegen verlangde niet beter.
Het had hard geboet voor 1787 en 1799. De man, die op den laatsten
November 1813 te Scheveningen voet aan wal zette, behoorde met zijn
geheele wezen tot een anderen tijd als de in 1795 gevluchte vader.
Aanstonds na die vlucht was tusschen Willem V en den Erfprins verschil
van meening ontstaan over de tegenover de omwenteling aan te nemen
houding. Willem V weigerde alles, zoo het niet op volledig herstel van
het oude neerkwam, en hield zich aan Engeland, de eenige macht die
mede dit volledig herstel zeide te beoogen. De zoon vestigde zijn hoop
op Pruisen, en nam zijn vaste woonplaats te Berlijn. Hij begreep de
noodzakelijkheid, een nieuwen staat van zaken te doen rusten op de
instemming der gematigden van alle partijen. In 1799 bleek dan ook, dat
de patriotten, zoo de Franschen de nederlaag hadden geleden, zich niet
zouden onttrokken hebben aan een poging om zich met hem te verstaan. Van
een weder aannemen van Willem V was bij niemand van hen sprake. Maar de
Franschen overwonnen, en het huis van Oranje moest een heenkomen zoeken
in de wereld. Weldra kondigde Engeland aan, dat het voorshands alle
pogingen tot restauratie opgaf. Napoleon, die als Consul bij den vrede
van Amiens zich tot schadevergoeding voor het stadhouderschap verplicht
had, gaf niet meer dan een vrij armzalig brok, dat hij als Keizer in
1806 weder terugnam. Tegelijk werd Pruisen lamgeslagen, de macht waarop
de Prins van Oranje[44] bij voorkeur had gebouwd. De toekomst van het
Oranjehuis kon slechts in de vernedering van Napoleon, en deze slechts
in de overwinning van Engeland liggen; met Engeland moest dus de Prins
weder aanknoopen. Hij beproefde het jaar op jaar, maar Engeland gedroeg
zich te zijnen opzichte meer dan koel. Het ontving wel 's Prinsen zoon,
naar Oxford gezonden om een Engelsche opvoeding te genieten, maar aan
den vader scheen men niets te willen vergeven. In den zoon zag men een
geschikt kandidaat voor de hand van prinses Charlotte, lang voor omtrent
een eventueel herstel van den vader iets was bepaald.
[44] Prins sedert den dood van Willem V, 9 April 1806.
Eerst na Napoleon's nederlaag in Rusland kwam hierin verandering. De
Prins van Oranje, begrijpend dat het nu of nooit de tijd was tot een
verklaring met het Britsche kabinet te komen, stak in het begin van 1813
zonder verlof gevraagd te hebben naar Engeland over; hij deed het met
voorweten en goedvinden van Frederik Willem III en Alexander. Sedert
Pruisen was opgestaan en zich met Rusland verbonden had, was een
bevrijding van Nederland binnen de grenzen van het mogelijke komen te
liggen; Engeland onttrok zich nu ook niet langer aan een bespreking met
het natuurlijke hoofd eener nieuwe Nederlandsche regeering, al had het
ook zorg gedragen zich tegenover een zoo eigenzinnig en vasthoudend man
als men wist dat de Prins was, vooral niet te vroeg te binden. Het
stelde hem thans, informeel, de volgende voorwaarden: herstel in een
uitgebreider Nederland, dat niet al de overzeesche bezittingen van de
oude Republiek zou terug bekomen. De Prins nam, bij een 27 April 1813
gedagteekend stuk, beide voorwaarden aan[45].
[45] „Extension des frontières de la Hollande, soit par une sorte de
nouvelle _Barrière_ plus efficace que l'ancienne, soit par la
réunion de quelques portions du territoire voisin de l'ancienne
République.”—De Prins zal afwachten, „jusqu'à quel point la
Grande Bretagne croirait convenable à ses propres intérêts de se
dessaisir en faveur de cet état régénéré des colonies hollandaises
dont Elle a fait la conquête pendant la guerre” (Minute des
principaux points touchés par le Prince d'Orange dans son
entretien avec Lord Castlereagh, le 27 avril 1813).—Dit stuk zal
door mij worden uitgegeven in het vervolg der meergemelde
Gedenkstukken.
Engeland, door 1792 en 1794 geleerd, wilde België in handen zien van
een macht, die er voortdurend het hoogste belang bij hebben zou, dit
land tegen Frankrijk te verdedigen. Oostenrijk kon die macht niet zijn,
Holland wel. Men rekende dat het, met België vereenigd, middelen genoeg
had om een krachtige verdediging tegen Frankrijk te voeren; voor zooveel
noodig kon Engeland bijdragen in de kosten van vestingbouw op het
zuiderfrontier. Daarentegen had Holland geen zeemacht van belang meer,
en geen middelen om er een te scheppen. Het was dus niet de macht, aan
welke met vertrouwen de verdediging van de Kaap en Ceylon tegen
Frankrijk kon worden overgelaten. De Kaap en Ceylon in zwakke handen
waren een bedreiging van Engelands bezit in Indië, zonder hetwelk
Engeland rekende niet meer te kunnen bestaan. Sedert Suffren in 1782, op
de Kaap en Ceylon gesteund, den voor Engeland zoo hoogst gevaarlijken
scheepstocht tegen Indië had kunnen ondernemen, had men te Londen
ingezien, dat deze beide koloniën bij de eerste gelegenheid de beste
Engelsch moesten worden. Ware het mogelijk geweest ze nog vóór 1784
te veroveren, zij zouden zeker niet bij den vrede teruggegeven zijn.
In 1795 overreedde Engeland Prins Willem V, alle gouverneurs van
Nederlandsche bezittingen tot vrijwillige inbewaargeving hunner posten
aan Engeland aan te schrijven; voldeden zij hieraan, dan zou Engeland,
bij een te verwachten herstel der „wettige regeering” in Nederland, aan
deze de koloniën teruggeven. Deze belofte van 1795 kon echter in 1813
niet tegen Engeland worden ingeroepen, vooreerst omdat in verreweg de
meeste koloniën geen ~vrijwillige~ inbewaargeving had plaats gehad,
maar ook omdat beide contractanten van 1795, Engeland en de Prins, in
of na 1802 het begrip der „onwettigheid” van de Bataafsche regeering
hadden prijsgegeven: beiden hadden tractaten met haar gesloten[46].
Bij den vrede van 1802 had Engeland alle Nederlandsche koloniën die
het veroverd had, of waarin het toegelaten was, aan de Bataafsche
Republiek afgestaan, op Ceylon na, dat uitdrukkelijk in vollen eigendom
aan Engeland werd gelaten. Sedert de hervatting der vijandelijkheden in
1803 waren alle bij den vrede van 1802 Bataafsch geworden koloniën weder
met de wapenen door Engeland veroverd, zonder dat eenige toezegging
hoegenaamd van latere teruggave was gedaan. Formeel noch moreel was
Engeland thans tot teruggave van eenige kolonie verplicht, en het was
vast besloten, behalve het reeds in 1802 bij tractaat afgestane Ceylon,
ook de Kaap te houden. Volstrekt niet uitgemaakt was het evenwel in
1813, dat tevens Demerary, Essequebo en Berbice aan Engeland zouden
blijven[47]; de sterke aandrang der Engelsche belanghebbenden in 1814,
en de gebleken noodzaak om, in ruil voor Zwedens afstand van Guadeloupe
aan Frankrijk, en voor Ruslands bewilliging in de vereeniging van
Holland en België, groote opofferingen in geld te doen, zijn voorzeker
van overwegenden invloed op de eindbeslissing geweest. Bij de
overeenkomst in April 1813 is niet uitgemaakt, ~welke~ koloniën
zouden worden teruggegeven; slechts erkende de Prins het recht van
Engeland, om alleen af te staan wat het zelf verkoos. Het heeft den
Oostindischen archipel teruggegeven, tegen welks kostbaar beheer toen
door de Engelsche Oostindische Compagnie werd opgezien (zij had met
Engelsch-Indië de handen vol), terwijl men wist dat Holland meende Java
en de Molukken niet te kunnen missen, en dus de niet-teruggave Holland
zoodanig zou hebben doen mokken, dat het ongeschikt werd voor de
bevordering van Engelands oogmerken op het vasteland;—verder Suriname,
de eenige van de oud-Nederlandsche bezittingen in Guyana, waarbij het
Engelsch kapitaal nog niet in overwegende mate was geïnteresseerd;—de
Westindische eilanden en de Goudkust, welke van ondergeschikt belang
werden geacht. Daarentegen zegde Engeland een bijdrage van twee millioen
pond toe in de kosten van den vestingbouw tegen Frankrijk; keerde het
aan Zweden, tot afkoop eener door deze macht wegens den afstand van
Guadeloupe gemaakte aanspraak op schadevergoeding met oud-Nederlandsche
bezittingen in West-Indië, een millioen pond uit, en nam het de betaling
op zich van de helft eener schuld van zes millioen pond, welke Rusland
had aangegaan te Amsterdam (tractaat van 13 Augustus 1814). Holland
heeft dus de Kaap niet aan Engeland verkocht, om de goede reden dat het
die niet had. Het ~kon~ geen enkele kolonie aan Engeland meer verkoopen.
Het bekwam er enkele van Engeland terug, op voorwaarde dat het in de
vereeniging met België toestemde, de grens van België tegen Frankrijk
zwaar versterkte (voor de helft op zijn eigen kosten), en de wederhelft
der schuld van zes millioen pond van Rusland overnam. Had het zich aan
deze voorwaarden willen onttrekken, het zou zeker Java niet hebben
teruggekregen. Ook is er geen sprake van dat het de Kaap zou
terugbekomen hebben, indien het tot zijn eigen grondgebied beperkt
ware gebleven. De gansche zaak is geen koop en verkoop geweest (al heeft
de Engelsche regeering er in het tractaat, ter ontlasting van haar
verantwoordelijkheid tegenover het parlement, dien schijn aan gegeven),
maar een gedwongen ruil.
[46] Dat van 1804, over de particuliere bezittingen van het huis van
Oranje, is nimmer van kracht geworden, daar de Bataafsche
Republiek op verlangen van Napoleon de ratificatie weigerde.
Het was evenwel door den Prins geratificeerd.
[47] Vgl. Lord Malmesbury aan Fagel, 3 Dec. 1813, bij van Deventer, Het
Nederlandsch Gezag over Java sedert 1811, bl. 25.
Behalve het beginsel van vergrooting van Nederlands grondgebied, en dat
van gedeeltelijke teruggave der Nederlandsche koloniën, werd in April
1813 nog een derde punt tusschen den Prins en Engeland vastgesteld. De
vergrooting van Holland zou geen doel treffen, indien men tot Hollands
ouden regeeringsvorm terugkeerde, die het uitvoerend gezag verdeeld
en verlamd had. Er werd dus bepaald, dat men niet eenvoudig den
toestand van vóór 1795 zou herstellen, maar een regeering invoeren
die gelijkelijk aan de wenschen der Hollandsche natie en aan die der
mogendheden voldeed[48]. De titel, dien de Prins zou aannemen, werd nog
in het midden gelaten. Hoever men met de uitbreiding van grondgebied,
hoe hoog men in de verheffing van den Prins zou gaan, moest van
omstandigheden afhangen: van het succes der wapenen, van de bewilliging
der bondgenooten, en, wat de aanvaarding der souvereiniteit betreft,
van de stemming in Holland zelf. Het bleek weldra dat deze juist in de
souvereiniteit van het huis van Oranje een waarborg zag tegen herleving
der oude partijgeschillen. Toen dan ook in November 1813 Repelaer namens
het Haagsch comité van den opstand bij den Prins in Engeland kwam, zeide
deze dat men in Holland twee zaken verlangen moest: handhaving der
sedert 1795 bestaande gelijkheid van alle gezindten voor de wet, en
aanvaarding der souvereiniteit. De Prins zeide het eerste grif toe; het
andere niet dadelijk. De keus van een titel hing met de voorgenomen
uitbreiding van grondgebied samen, en eer hij van deze laatste in het
openbaar kon spreken, moest allereerst België op de Franschen veroverd
en de toestemming der bondgenooten voor de vereeniging verkregen zijn.
Dit nu was in November 1813 nog niet het geval. Toen het echter bleek
dat Engeland evenzeer als de Hollanders de onmiddellijke aanvaarding der
souvereiniteit wenschte, bepaalde hij voorloopig zijn keus op den titel
van „Souverein Vorst der Vereenigde Nederlanden”, welke hem dan ook
dadelijk bij zijn komst in het land is aangeboden.
[48] „Un système de gouvernement qui conciliât le vœu de la nation
hollandaise avec les vues des puissances appelées à influer si
puissamment sur les destinées futures de cette nation”.
Reeds vóór de opstand in Holland uitbrak, was Engeland begonnen het punt
der uitbreiding van grondgebied bij de bondgenooten in te leiden. Het
eerste wat het te kennen gaf was, dat Antwerpen bij Holland moest worden
gevoegd met zooveel gebied als noodig was om aan dit land een goed
verdedigbare grens te geven[49]. Van aanhechting van België in zijn
geheel werd niet gesproken. De gedachte die dezen voorslag had
ingegeven, was, dat in ieder geval het „pistool”, dat Napoleon in
Antwerpen „op Engelands borst” hield gericht, ontladen moest worden, ook
al bleek het niet mogelijk, Frankrijk geheel tot de grenzen van 1792
terug te brengen. Het was niet uitgesloten, dat men in de eischen ten
behoeve van Holland verder zou gaan, als heel België vrij kwam, en
Oostenrijk er geen aartshertog in plaatsen wilde. De Prins van Oranje
wees reeds op het belang Luxemburg en Gulik voor de verdediging der
Nederlanden, en wilde dat de uitbreiding gansch België en al het land
tusschen Maas, Rijn en Moezel zou omvatten[50]. Dit stemde Lord
Castlereagh niet toe, maar hij was toch zeer gunstig gezind. „De nieuwe
grens van Holland moet minstens Mechelen insluiten”, heet het kort na
den Haagschen opstand, „vervolgens Maastricht en Gulik, en dan Keulen
of ten minste Dusseldorp; wellicht moet ook Luxemburg er bij”[51].
Nauwelijks Souverein Vorst geworden, vroeg de Prins reeds of hij door
zijn zendelingen België mocht bewerken[52]. De Engelsche regeering
ontraadde dit: in ieder geval moesten eerst de bondgenooten worden
gehoord. Hiertoe vertrok Lord Castlereagh in de laatste dagen van 1813
naar het vasteland. Den 26{sten} December had de ministerraad plaats,
waarin zijn instructie werd vastgesteld. Men bepaalde, dat Castlereagh
voor Holland een barrière zou vragen, die voor het minst zou omvatten
Antwerpen, Maastricht en Gulik, met een „behoorlijke” uitbreiding van
grondgebied buiten de grenzen van 1792; dat men de Kaap zou houden,
maar „daarvoor” Holland geld bieden om zijn barrière te versterken; dat
men zou onderzoeken of Oostenrijk oogmerken had op de rest van België
voor aartshertog Karel; dat de Souvereine Vorst vooralsnog zijn handen
van België af moest houden[53]. Castlereagh nam zijn weg over den Haag,
waar de Prins hem met een herhaling van zijn vroegere aanspraken
opwachtte[54]. Er kwamen uit België, meende de Prins, reeds gunstige
stemmen[55]. Zelfs waren twee Gentenaars, de „propriétaire” Huyttens en
de katoenspinner Bauwens, in den Haag geweest om zich hem aan te bieden.
Hij moest vooral de koopers van geestelijk goed in hun bezit handhaven,
hadden zij gezegd, de nijverheid beschermen en de uiterste clericale
factie zoowel als de verklaarde Franschgezinden mijden[56].
[49] „Memorandum respecting Holland, submitted to the Powers”, einde
October 1813 (F. O.), in Fransche vertaling bij van Dijk,
Répertoire des traités conclus par la Hollande, bl. 66.—Met F.
O., A. E., v. M. duid ik afschriften aan in het bezit der
Commissie van Advies voor 's Rijks Geschiedkundige Publicatiën,
genomen naar bescheiden uit de archieven van het Foreign Office te
Londen, van het departement der Affaires Etrangères te Parijs, en
uit de nalatenschap van van Maanen (Rijksarchief, den Haag). Al de
dus aangehaalde stukken worden gedrukt in het vervolg mijner
meervermelde uitgave.
[50] De Prins van Oranje aan Castlereagh, 9 Nov. 1813 (F. O.).
[51] Castlereagh aan Clancarty, 30 Nov. 1813 (F. O.).
[52] Clancarty aan Castlereagh, 17 Dec. 1813 („whether I saw any
objection to the employment of emissaries on the part of the Dutch
Government at Antwerp particularly, and in other parts of the
Austrian Netherlands, for the purpose of inducing the inhabitants
to declare for the Government of H. R. H. the Prince of Orange”).
[53] „The Prince of Orange to be discouraged from any attempt to extend
Holland on the side of the Netherlands beyond its ancient limits,
without the express consent of the Allies” (Memorandum of Cabinet,
26 Dec. 1813; F. O.).
[54] „La réunion de la rive gauche du Rhin jusques à la Moselle, ainsi
que celle des Pays-Bas, y compris Luxembourg, peut seule donner
aux Provinces-Unies, considérées comme le boulevard de l'Europe
contre la France, la consistance nécessaire” (Haagsch memorandum
van 26 Dec. 1813; F. O.).
[55] „Que l'on promulgue que la religion catholique s'exercera comme du
tems de Marie Thérèse, que jamais ils ne relèveront en fait de
religion que du Saint-Père, que l'on abolisse la conscription et
la gabelle, et tout ce bon et brave peuple ne demandera que de
partager le bonheur d'être gouverné par un Prince d'Orange”
(memorandum van J. C. Amman van Schwanberg, Dec. 1813; copie in F.
O.).—Schrijver was een artillerie-officier, in het land gekomen
in 1789 tijdens de Brabantsche omwenteling en daar blijven hangen.
Hij werd in Maart 1814 door de geallieerden aan het hoofd van de
artillerie van het toen opgericht Belgisch leger gesteld (zie
Coremans in Compte-rendu Comm. Royale, 1847, bl. 155).
[56] Hogendorp, Br. en Ged. V, 53, 208; het antwoord van den Prins
aldaar, 480.—Vgl. ook Fauchille, Une chouannerie flamande,
1813–1814 (Paris 1905), bl. 122 vv. Huyttens was ondernemer der
stadsverlichting te Gent.
Toen Castlereagh bij de bondgenooten te Bazel kwam, bleek het
onmiddellijk dat Oostenrijk aan Venetië boven België de voorkeur gaf, en
ook geen aanspraken maakte ten behoeve van aartshertog Karel[57], maar
dat Pruisen het land tusschen Maas, Rijn en Moezel voor zich verlangde.
Een eisch waartegen Engeland in hoofdzaak geen bezwaar had[58], immers
nu Oostenrijk zich van de Fransche grens terugtrok, wilde men gaarne de
andere groote Duitsche macht tot aan die grens uitbreiden. Liefst zou nu
Engeland aan Pruisen beide Luxemburg en Mainz bezorgen, mits het lager
af op den linker Rijnoever eenig gebied aan Holland liet, welks nieuwe
grens dan zou kunnen samenvallen met de grens van België tegen Frankrijk
van 1792 van de zee tot de Maas, en voorts zou insluiten de steden
Namen, Luik, Maastricht, Gulik en Keulen. Den 27{sten} Januari vroeg
Castlereagh, of de Souvereine Vorst vast van dit gebied, voor zoover
het bewesten de Maas viel, de voorloopige administratie hebben mocht.
Oostenrijk maakte geen bezwaar; Pruisen echter wilde vooralsnog aan den
Souvereinen Vorst slechts de administratie der departementen van de
Leie, van de Schelde en van de beide Nethen overlaten (de tegenwoordige
provinciën West- en Oost-Vlaanderen en Antwerpen)[59]. Tegen toekomstige
uitbreiding van zijn gebied tot de Maas evenwel werd ook van die zijde
geen bezwaar gemaakt. Castlereagh gaf thans verlof, dat de Souvereine
Vorst aanving, België „op een bedaarde manier” in zijn voordeel te
bewerken[60].
[57] Castlereagh aan Clancarty, 22 Jan. 1814 (F. O.).
[58] „I doubt much the policy of making Holland a power of the first
order, to which she would approach if she possessed the whole of
these territories” (Castlereagh aan Liverpool, 22 Jan. 1814; F.
O.).
[59] Stein aan Castlereagh, 27 Jan. 1814 (F. O.).
[60] „With respect to political connection, altho' no adjudication of
new territory can take place till a peace, I see no reason why the
Prince of Orange should not by emissaries or other means quietly
encourage the people of the Low Countries to look to him as their
future Sovereign. As far as the Meuse I think he is quite safe”
(Castlereagh aan Clancarty, 1 Febr. 1814; F. O.).
Hij was er sinds lang mee bezig. Een zijner jonge diplomaten, van
Zuylen van Nyevelt, reisde in het gevolg der troepen van von Bülow en
van den hertog van Saksen-Weimar het land rond, en trachtte overal
betrekkingen aan te knoopen. Hij verspreidde vliegende blaadjes, op
dubbele kolom in het Vlaamsch en in het Fransch gedrukt, waarbij het
volk tot den opstand werd aangespoord om zich vervolgens met het
Noorden te kunnen vereenigen[61]. Een sedert eenige jaren te Brussel
wonend Hollander, graaf van Bylandt, schreef brochure op brochure van
dezelfde strekking[62]. Toen Bülow en de hertog van Saksen-Weimar
den 8{sten} Februari Brussel binnentrokken, was behalve de hertog
van Clarence ook prins Frederik, de tweede zoon van den Souvereinen
Vorst, aan hun zijde[63]. De stad onthaalde de bevrijders op een
schouwburgvoorstelling; halverwege den avond vertrokken Bülow en de
hertog van Weimar; de hertog van Clarence liet „God save the King”
spelen; applaus. Maar de hertog was achter in zijn loge teruggedoken, en
liet prins Frederik de ovatie in ontvangst nemen. Het publiek had het
niet zoo bedoeld[64]. De Engelsche gezant in den Haag, Lord Clancarty,
nog onder den indruk van het vroegere gebod, dat de Souvereine Vorst
in België nog niets zou ondernemen, maakte zich ernstig boos. Toen
hij vernam dat van Zuylen bezig was een Belgische deputatie bijeen te
trommelen, die den Souvereinen Vorst haar opwachting zou gaan maken in
den Haag, eischte (en verkreeg) hij de terugroeping van dezen agent, en
gaf, in tegenwoordigheid van den Souvereinen Vorst, aan van Zuylen's
chef, van Hogendorp, harde woorden[65].
[61] „Que le seizième siècle instruise le dix-neuvième.... Que sous
Guillaume VI il nous soit réservé de réaliser les vastes projets
du premier Guillaume. Surtout ne laissons pas à des négociations
de paix, toujours incertaines, le soin de fixer notre sort. S'il
est vrai ce que nos politiques de Bruxelles assurent que l' _uti
possidetis_ en sera la base, dépossédons l'usurpateur de son
illégitime possession, et nous aurons une patrie” (Lettre
interceptée d'un seigneur de Bruxelles à un de ses amis à Gand, 7
janvier 1814; een van van Zuylen's blaadjes, gevoegd bij Clancarty
aan Castlereagh, 5 Febr. 1814; F. O.).
[62] Hogendorp V, 54; overzicht van den inhoud bij Hymans, Hist. de la
Belgique I, 53, 71.
[63] Coremans (bl. 133) en Hymans (bl. 44) meenen verkeerdelijk dat het
de oudste zoon, de latere Prins van Oranje, was.
[64] „Les bons Bruxellois croyaient fêter l'Angleterre, et ne pensaient
nullement complimenter le jeune prince d'Orange. Cette scène a
fait une fâcheuse sensation” (brief uit Brussel aan Nesselrode,
8 Febr. 1814; afschrift in F. O.). Vgl. Hogendorp V, 56.
[65] Clancarty aan Castlereagh, 9 Febr. 1814 (F. O.); vgl. Hogendorp
V, 54.—„The Prince of Orange has been playing the very devil
in attempting to agitate the public mind in the Austrian Low
Countries to tender the sovereignty of those provinces to him;
in some parts among the very lowest rabble he has succeeded, but
as these efforts have been directly against the opinions of the
better and more respectable inhabitants, who are equally hostile
to French rule, but who wish for the return of their old
Government, or in default of this to be disposed of by the Allies
with the consent of the Emperor who they think will consult their
interests, these movements have had little effect, and indeed
except in the immediate neighbourhood of General Bülow's force
have scarcely appeared at all” (Clancarty aan Hamilton, 9 Febr.
1814; F. O.).—Vgl. Fauchille, bl. 180.
Intusschen kon van een voorloopig gouvernement van den Souvereinen Vorst
in België, uit te oefenen op naam der geallieerden, voor het oogenblik
geen sprake meer zijn: onmiddellijk toen Bülow en de hertog van Weimar
te Brussel kwamen, hadden dezen er reeds een voorloopig bestuur
ingericht[66], waarbij eerlang twee Pruisische commissarissen optraden,
von Lottum en Delius. Van den Souvereinen Vorst werd bij dit alles met
geen woord gesproken. Dit was voor dezen te bedenkelijker, daar Bülow en
de hertog van Weimar de Belgen toeriepen, dat hun onafhankelijkheid niet
twijfelachtig meer was[67]. De Belgen konden hieronder kwalijk iets
anders verstaan, dan dat de toestand van vóór 1795 zou terugkeeren,
hetgeen niet in de bedoeling van de stellers der proclamatie lag, die
aan onafhankelijkheid ten opzichte van Frankrijk hadden gedacht. Van
vereeniging met Holland hadden zij ook kwalijk kunnen spreken: de
bondgenooten hadden zich nog slechts bij voorloopige toezegging, niet
bij uitdrukkelijke acte tot goedkeuring van Engelands plan verbonden.
Rusland had ook de voorloopige toezegging nog niet gegeven. Het
treuzelde opzettelijk in deze zaak, met het oogmerk zich voor zijn
toestemming te doen betalen.
[66] Coremans, bl. 135.
[67] „Qu'elle renaisse cette Belgique jadis si florissante....;
l'indépendance n'en est plus douteuse” (proclamatie van 4
Februari; Coremans bl. 133).
Den 15{den} Februari waren de onderhandelingen van Castlereagh met de
bondgenooten, die over tal van zaken liepen, waaronder die van België
er maar één was, zóóver gevorderd, dat hij hun eenige artikelen ter
teekening kon voorleggen. Die welke het Hollandsch-Belgische vraagstuk
betroffen, luidden als volgt: België tot de Maas, benevens het land
tusschen Maas en Rijn benoorden een lijn Maastricht–Duren–Keulen, worden
afgestaan aan den Prins van Oranje als Souverein Vorst der Vereenigde
Nederlanden om voor altijd een integreerend deel van dien staat uit te
maken[68]; over de andere helft van het land tusschen Maas, Rijn en
Moezel zal, zoo het niet in zijn geheel of ten deele bij Holland wordt
ingelijfd, beschikt worden in het belang van de veiligheid van dien
staat en van Noordduitschland, en niet zonder goedvinden van Zijne
Britsche Majesteit.—Oostenrijk teekende onmiddellijk; Pruisen met een
voorbehoud: het wilde, zoo het zelf tusschen Maas en Moezel geplaatst
werd, niet al het land benoorden de lijn Keulen-Maastricht aan Holland
laten, opdat de nieuwe Pruisische provincie niet afgesloten zou komen
te liggen van de Pruisische bezittingen rechts van den Beneden-Rijn.
Rusland teekende niets, en kwam met den eisch, dat in ruil voor zijn
toestemming, Holland een schuld van tachtig millioen gulden, door
Rusland te Amsterdam aangegaan, zou overnemen[69]. Deze zaak gaf tot een
langdurige onderhandeling tusschen Engeland en Rusland aanleiding, die
hiermede eindigde, dat Engeland op zich nam Holland tot overneming van
de helft eener tot zes millioen pond teruggebrachte som te bewegen, en
dat het zelf de andere helft zou voldoen.
[68] „To be annexed for ever to Holland as an integral part thereof.”
[69] Castlereagh aan Clancarty, 20 Febr. 1814 (F. O.).
Was dus Rusland met geld tevreden te stellen, moeilijker was het,
tusschen de aanspraken van Pruisen en die van den Souvereinen Vorst te
bemiddelen. Wat Pruisen met zijn voorbehoud bedoelde, zette Hardenberg
weldra in een uitvoerig stuk uiteen. Hij vroeg vooreerst de oude
Pruisische bezittingen op den linker-Rijnoever terug, en wilde den
ganschen Rijn van Mainz tot Emmerik tot een Pruisischen stroom maken,
waarvan beide oevers tot denzelfden staat zouden behooren. Hiertoe was
noodig dat de verschillende takken van het Nassausche huis (waarvan
Nassau-Oranje er een was), hun bezittingen aan Pruisen afstonden.
Nassau-Usingen en Nassau-Weilburg zouden dan worden schadeloos gesteld
op den linker Rijnoever, tusschen Aken en Spa. Nassau-Oranje vond zijn
schadeloosstelling in de vergrooting van Holland. Aan dit land zouden
volgens het Pruisische plan op den rechter Maasoever slechts kleine
halvemanen komen tegenover de vestingen Venlo, Roermond, Maastricht
en Luik, voorts Gulik met een rayon, en Luxemburg. Om deze laatste
vesting aan Holland te brengen zou de grens bij Val St. Lambert de
Maas verlaten en dan den weg volgen over Marche en Famine, Bastogne,
Martelange en Arlon naar Luxemburg; daarentegen zouden eenige kantons
van Henegouwen en Namen aan Frankrijk worden afgestaan, dat geen
behoorlijke verbinding had tusschen Givet, Philippeville, Maubeuge
en Valenciennes[70]. Terwijl dus Pruisen niet in eerste linie tegen
Frankrijk wilde staan, begeerde het beide Rijnoevers tot de oude grens
van Nederland toe, en daaronder ook het Nassausche gebied van den
Souvereinen Vorst, dat deze wel gaarne had geruild, maar dan tegen een
land lager aan den rechter Rijnoever, en tegenover de (gehoopte) nieuwe
grens van Holland gelegen: het hertogdom Berg[71].
[70] „Plan pour l'arrangement futur de l'Europe”, 28 April 1814 (F.
O.).
[71] Heinrich von Gagern, Das Leben des Generals Friedrich von Gagern,
I, 137.
Nog in een ander opzicht liep het den Souvereinen Vorst tegen. Het
voorloopig gouvernement, dat de Pruisen te Brussel hadden opgericht,
werd door een ander vervangen, maar niet door het zijne. In het
hoofdkwartier te Chaumont was een deputatie van Belgische aanzienlijken
verschenen (de hertog van Beaufort, de markiezen van Assche en du
Chasteler, en de gewezen pensionaris van Brabant, de Jonghe), om van de
bondgenooten te vernemen wat het lot van hun land zou zijn[72]. Zij
hielden bij Keizer Frans aan, dat deze België onder zijn hoede nemen
zou; was het herstel van het Oostenrijksch bestuur zelf onmogelijk, dan
hoopten zij een afzonderlijke mogendheid te mogen worden onder een
Oostenrijkschen prins. De Keizer nam alle hoop weg dat hijzelf weder hun
vorst worden kon, maar het andere verzoek sloeg hij aanvankelijk niet
onvoorwaardelijk af. De overige bondgenooten evenwel waren er eenstemmig
tegen, en men gaf dus aan de deputatie mondeling te verstaan, dat de
toekomstige vereeniging met het Noorden een uitgemaakte zaak was[73].
Om de Belgen echter zooveel mogelijk genoegen te geven werd het
Pruisisch voorloopig bestuur door een Oostenrijksch vervangen; tevens
gaf men hun schriftelijk, doch in zeer rekbare uitdrukkingen, de
verzekering dat door de bondgenooten op de belangen van België zou
worden gelet, in het bizonder wat betreft godsdienst, handel, overneming
van schulden, en vertegenwoordiging[74]. De nieuwe commissaris der
bondgenooten was een Oostenrijksch generaal, baron Vincent, Belg van
geboorte. Hem werd opgedragen de bevolking zoo geleidelijk mogelijk op
de vereeniging met Holland voor te bereiden[75].
[72] Zij waren afgevaardigd door de vergadering van 24 notabelen, die
de hertog van Saksen-Weimar den 12den Februari te Brussel had
bijeengeroepen (Coremans, bl. 135).
[73] Castlereagh aan Clancarty, 14 Maart 1814 (F. O.).
[74] „Les souverains alliés auront à cœur de maintenir la religion
du peuple, de protéger son commerce contre toute entrave contraire
à la raison et à la nature de sa position, et d'empêcher qu'on ne
le charge de dettes dont en justice il ne saurait être grevé. Ils
employeront leur haute influence et autorité pour procurer au
peuple belgique une existence politique propre à lui assurer les
avantages d'un système de gouvernement sage et libéral, jointe à
une étendue de pouvoir et de ressources qui lui permette de jouir
avec sécurité de la liberté et de l'indépendance qu'il est décidé
à conquérir” (Note verbale adressée aux députés belges, 14 Maart
1814; F. O.).
[75] Metternich aan Vincent, 1 Mei 1814 (F. O.).
Een gevoel van onbehagen en onzekerheid maakte zich van de Belgen
meester. Wat hun het liefst ware geweest, onafhankelijkheid onder
een Oostenrijksch prins, werd hun ontzegd. Buiten hen om was tot de
vereeniging met het Noorden besloten; met een kettersche macht, klaagden
de clericalen; met een door en door burgerlijke maatschappij, de groote
heeren; met lieden die drie modes ten achter zijn, de Franskiljons. Wie
nog het meest met de vereeniging op hadden, waren de gezeten liberale
burgers, fabrikanten, „acquéreurs de biens nationaux”, zooals de heeren
Huyttens en Bauwens. Maar hun nijverheid verloor het groote Fransche
afzetgebied, en wist niet wat zij er voor terug zou krijgen. De
bondgenooten hadden de afgezanten met vage beloften afgescheept: over
de hoogste belangen van het land zou worden beslist, zonder dat één
Belg stem in het kapittel had. Onderwijl werd de weinig militaire natie
tegelijk tot het oprichten van een eigen leger, en tot het onderhouden
van talrijke vreemde troepen genoodzaakt. Het klagen over de afpersingen
van vreemde troepen was den Belgen een tweede natuur geworden; zij
bereikten er een ongeëvenaarde virtuositeit in. De historie had hun maar
al te veel gelegenheid gegeven, deze gave bij zich te ontwikkelen.
Hadden wij dan toch eindelijk een souverein, weeklaagt de raad van het
departement van de Dijle, om ons armen te beschermen![76] En onderwijl
drongen de meest verontrustende geruchten door omtrent de aanstaande
verdeeling van bij elkander behoorende landen. Bleef men er bij, de Maas
tot grens aan te nemen, dan werden oud-Namen en oud-Luik in tweeën
gereten, waardoor tal van belangen werden geschaad[77].
[76] „Qu'il il nous soit enfin permis de nous jeter aux pieds du
Souverain que la Providence et Vos Majestés doivent nous donner,
en le conjurant de sauver son peuple prêt à périr!” (Le Conseil
général du département de la Dyle aux Souverains alliés, 27 April
1815; F. O.).
[77] Verschillende adressen uit de Maasstreek (F. O.).
De ingenomenheid was in het Noorden weinig grooter. De zaak werd daar
in diep geheim behandeld, zelfs voor de leden der commissie aan welke
de Souvereine Vorst het ontwerpen eener grondwet voor de Vereenigde
Nederlanden had opgedragen. Zij lekte niettemin uit, en ten slotte gaf
Hogendorp er de grondwetcommissie in algemeene termen kennis van. Bij
een van haar leden, Röell, Amsterdammer in zijn hart, kwam toen zoo
groote weerzin tegen het denkbeeld op, dat hij beproefde er Hogendorp en
den Souvereinen Vorst van af te brengen, althans van een vereeniging
onder één huishouding. Hij kreeg ten antwoord, „dat het doel der
vereeniging, kracht en sterkte voor den nieuwen staat, niet kon worden
bereikt dan door éénheid”[78]. Bij het vaststellen van enkele artikelen
der grondwet is het waarschijnlijk vooral de gedachte aan de toekomstige
vereeniging geweest, die de stem der leden bepaald heeft; zoo b.v. bij
het artikel dat in den vorst de belijdenis van den hervormden godsdienst
eischte; een bepaling die den Souvereinen Vorst persoonlijk niet
aangenaam was, maar die hij staan liet op dringende waarschuwing, dat
anders een aantal notabelen alleen hierom tegen de grondwet zouden
stemmen[79].
[78] Briefwisseling tusschen Röell en van Maanen (v. M.).
[79] Hogendorp V, 87.—„Wanneer wij Brabandsche provinciën tot territoir
krijgen, zullen wij gereformeerden het onderspit delven” (van
Lynden van Blitterswijk in de commissie; bij van Maanen,
Aanteekeningen bl. 86).
Intusschen hadden de bondgenooten Napoleon overwonnen, en konden zij den
vrede voorschrijven te Parijs. Het gansche geheel der nieuwe regelingen,
die de val van het Keizerrijk noodzakelijk maakte, kon daar natuurlijk
nog niet worden getroffen; veel moest worden overgelaten aan een
Europeesch congres. Het vredestractaat, van 30 Mei, bepaalde ten aanzien
van de Hollandsch-Belgische zaken niet meer, dan dat Holland zou worden
vergroot met België tot de Maas; dat zijn grens op den rechter Maasoever
zou worden geregeld, „naar vereisch eener goede verdediging van Holland
en van zijn naburen”; dat de landen op den linker Rijnoever, die sedert
1792 bij Frankrijk waren ingelijfd, zouden toevallen aan Holland, aan
Pruisen en aan andere Duitsche staten. De kwestie tusschen Holland en
Pruisen bleef dus, tot groote ergernis van den Souvereinen Vorst, geheel
open, en het tractaat zeide niet, dat men de provinciën Luxemburg, Namen
en Luik ongedeeld zou laten. België kon alleen met het tractaat tevreden
zijn, in zooverre de onzekerheid omtrent 's lands toekomst verminderd
was, en dit was weinig. Men wist nu dat men onder den Oranjevorst kwam,
maar van de voorwaarden ter verzekering van de Belgische belangen, aan
de deputatie te Chaumont beloofd, was in het tractaat niets te vinden.
De mogendheden hadden den Souvereinen Vorst om advies gevraagd omtrent
de vervulling hunner aan de Belgen gedane belofte. Hij was daarop den
20{sten} Mei naar Parijs vertrokken met eenige artikelen die van
hemzelven afkomstig waren, en bij welker vaststelling hij, behalve met
het antwoord aan de deputatie te Chaumont, rekening gehouden had met
bezwaren, die van Belgische zijde aan zijn gezant bij het voorloopig
bestuur te Brussel, van der Capellen, waren opgegeven[80]. Men had daar,
behalve van de reeds vroeger opgegeven punten van godsdienst, handel,
schulden en vertegenwoordiging, ook van de residentie van den vorst en
van het onderhoud der Hollandsche dijken gesproken, 't welk men, van
plaatselijke Hollandsche toestanden blijkbaar volstrekt onkundig,
vreesde dat aan de Belgen een zwaren last zou opleggen. Op dit punt was
de geruststelling gemakkelijk: de dijken werden in Holland niet uit de
kas van het gemeene land onderhouden. Wat het punt van den godsdienst
betreft, verwees men de Belgen naar de artikelen der Hollandsche
constitutie, die de gelijkstelling der gezindten uitspraken voor de wet,
en de gelijke benoembaarheid van alle ingezetenen tot staatsambten.
Verder verklaarde de vorst zich voor een volkomen gemeenmaking van
lusten en lasten: vrije Scheldevaart dus en vrije vaart op de
Hollandsche koloniën; amalgama van schulden. De beide helften zouden
in de Staten-Generaal vertegenwoordigd kunnen zijn tot een gelijk
getal[81]. De vorst zou een gedeelte van elk jaar te Brussel
doorbrengen, en de vergaderingen der Staten-Generaal zouden afwisselend
gehouden worden in een stad van het Noorden en in een stad van het
Zuiden[82]. De vereeniging zou dus zoo innig mogelijk zijn; de
Hollandsche grondwet zou voor het geheele rijk gelden, „modifiée d'un
commun accord d'après les nouvelles circonstances”.
[80] Er bestaan van de bekende „acht artikelen van Londen” vier staten.
Zij zijn in alle hoofdpunten ontworpen door den Souvereinen Vorst
zelf, in een brief aan van Nagell van 16 Mei, vervolgens door van
Nagell in diplomatieken vorm gebracht 20 Mei; met behulp van dit
stuk is een nota opgemaakt, welke Lord Clancarty 25 Mei te Parijs
aan de goedkeuring van de Souvereinen Vorst onderwierp, welk stuk
deze op 30 Mei beantwoordde met de toezending der acht artikelen
in den definitieven vorm, zooals zij, naar de aanwijzingen van den
vorst, door Falck geredigeerd waren. Deze acht artikelen werden 31
Mei door Lord Clancarty voorgelegd aan Metternich, Nesselrode en
Hardenberg; zij zijn, zonder eenige verandering, 20 Juni 1814 te
Londen gearresteerd, en daarop 21 Juli door hun auteur, den
Souvereinen Vorst, officiëel aangenomen.
[81] Zoo in het stuk van 20 Mei; in de acht artikelen: „les provinces
belges seront convenablement représentées”.
[82] Het stuk van 20 Mei bepaalt, dat de beide helften ieder een
afzonderlijken Raad van State zullen hebben.—Niet in de acht
artikelen overgenomen.
Het aanvankelijk denkbeeld der mogendheden was geweest, dat de
voorslagen van den Souvereinen Vorst aan een kleine vergadering van
Belgische aanzienlijken zouden worden voorgelegd, om hunne bedenkingen
te vernemen. Een voorstel in dezen geest was nog 16 Mei namens de
verbondenen door Lord Castlereagh naar den Haag afgezonden[83]. De
Souvereine Vorst had er dadelijk zooveel gevaar in gezien, dat hij
spoorslags naar Parijs was vertrokken om de zaak te verhinderen[84]. De
Belgische aanzienlijken waren te Chaumont gehoord, meende hij; dit moest
genoeg zijn. Welk nut zou het hebben, het resultaat van het onderzoek
der daar vernomen bedenkingen nog eens aan de goedkeuring van eenige
notabelen te onderwerpen, die er toch geen wettigheid aan zouden kunnen
verleenen? Baron Vincent meende er voor te kunnen instaan, dat de
notabelen, zoo hij ze kiezen mocht, ja zouden zeggen; het nut dat
men bij mogelijkheid van dit „ja” zou kunnen trekken kwam echter niet
in vergelijking bij het nadeel dat een altijd mogelijk „neen” zou
toebrengen aan de zaak die de bondgenooten wenschten. „Les Belges,
loin d'avoir à se plaindre, se féliciteront de voir enfin le terme
de la pénible incertitude où ils sont déjà restés trop longtems, et
d'apprendre que le soin d'assurer et d'améliorer leur sort et de hâter
la réunion sur des bases justes et libérales est définitivement et
exclusivement confié au nouveau Souverain, dont ils savent bien que les
intentions et le caractère[85] seront à la longue une garantie de leur
bonheur bien préférable à des stipulations convenues dans un moment
comme celui-ci entre le Souverain et quelques-uns de leurs
compatriotes”[86].
[83] „It appears to the allied Ministers highly desirable to institute
a commission without loss of time to prepare for the approbation
of the Sovereigns a project for the reunion of the Belgian
Provinces with Holland. You will call the Prince of Orange's
attention to this important object. This Commission may be
assembled according to mutual convenience either at Brussels or
the Hague, and should consist of an equal number of Dutch and
Belgian members; possibly three of each might be sufficient....
Their duty will be to consider how Belgium can best be
incorporated with Holland, preserving to the former a just
share of authority in the States General, and also guarding
their interest in matters of religion, finance, and commerce”
(Castlereagh aan Clancarty, 16 Mei 1814; afschrift in de
verzameling-van Nagell, Rijksarchief, den Haag).
[84] Clancarty aan Castlereagh, 20 Mei 1814 (F. O.).
[85] „Hopende verder eenig personeel vertrouwen te verdienen, en
kennis te hebben hoe ver eenen Protestantschen vorst gaan kan,
door mijn oponthoud in Fulda alwaar alles zoo te zeggen de
Roomsche godsdienst toegedaan was, en nooit de minste aanstoot of
zwarigheid ontstaan is....” (De Souvereine Vorst aan van Nagell,
16 Mei 1814: Rijksarchief, den Haag).
[86] Paper delivered by H. R. H. to the Earl of Clancarty, May 30, 1814
(F. O.).
De landsvader! Zóó moest men tot de ministers der restauratie spreken!
Intusschen is het voor de Noordnederlandsche geschiedschrijving meer dan
tijd, te erkennen dat de Belgen, als zij later de artikelen van Londen
artikelen van den Haag noemden, geen woord te veel hebben gezegd.
Nothomb's befaamde uitdrukking van den „coup d'état permament”, die
dagteekenen zou van 1814, is historisch gerechtvaardigd.
Monsterachtig groot zien wij hier het misverstand, dat den nieuwen staat
der zeventien provinciën heeft gedood. Noch het Noordnederlandsche
volk, noch de Noordnederlandsche souverein hebben de Belgen voor vol
aangezien. Waren hun bezwaren ik zeg niet weerlegd, doch zelfs maar
gevat? Wat beteekende het hun te verzekeren, dat de katholieken tot
iedere landsbetrekking benoembaar waren?[87] Een dergelijke verzekering,
gegeven aan een natie die voor 99% uit katholieken bestond, was alleen
reeds een beleediging aan het gezond verstand. Met hun religiebezwaar
hadden de Belgen voorzeker niet gemeend te vragen, of de katholieken
in België wel tot landsbetrekkingen benoembaar zouden zijn. De
moeilijkheden werden niet opgelost, zij werden genegeerd. De
bondgenooten onderteekenden alles, in meer of minder goed vertrouwen op
de uitkomst. Eigenlijk kwam een Belgische notabelenvergadering hun toch
zeer ongelegen. Zonder twijfel zou zij verzocht hebben dat de Belgische
landen over de Maas niet van het nieuwe rijk werden gescheiden, en
de regeling der grenzen tusschen Maas, Rijn en Moezel was een der
moeilijkste onderwerpen van alle en bleef nog zeer lang onbeslist.
Voorloopig maakten zij zich van België af door tegelijk met de
onderteekening der acht artikelen te verklaren, dat zij over het
land beschikten in het belang van het evenwicht van Europa en krachtens
het recht van verovering, en er, tot de feitelijke voltrekking der
vereeniging toe, het bestuur over opdroegen aan den Souvereinen
Vorst[88]. Deze aanvaardde het den 1{sten} Augustus met een niet
ongeschikte proclamatie, van Falck afkomstig, waarin getracht was ieder
het zijne te geven[89]. De moeilijkheid van de taak echter, die Willem I
en Noord-Nederland te wachten stond, werd ook door Falck weggegoocheld.
Dezelfde gebeurtenis, die het vredestractaat van Parijs had aangekondigd
met de woorden: „La Hollande recevra un accroissement de territoire”,
wordt in deze proclamatie „l'agrandissement de la Belgique” genoemd.
Werd Holland uitgebreid, of België? In den gedachtengang van die de zaak
uitgevonden hadden, Holland. Maar het was een veeg teeken, dat men
hiervoor tegenover de nieuwe onderdanen niet uit durfde komen. Welk een
fraaie „vergrooting van België” inderdaad, waarbij het, volgens Falck's
eigen bekentenis aan een vriend, „te langdradig zoude geweest zijn, de
Belgen te raadplegen”![90]—En was Holland geraadpleegd? Evenmin. De
vereeniging is door beide volken bedacht noch goedgekeurd; zij is door
hen ondergaan.
[87] „Les Belges jouiront de toute la tolérance religieuse que la
constitution des Provinces-Unies établit. Les Catholiques sont par
là même éligibles à tous les postes....” (van Nagell's stuk van 20
Mei).
[88] Protocol van 24 Juni 1814.
[89] Hymans, bl. 88.
[90] Aan D. J. van Lennep, 16 Aug. 1814 (Falck's Brieven, bl. 213).
* * * * *
De grenzen van het nieuwe koninkrijk werden bij tractaat van 31 Mei 1815
bepaald. De Souvereine Vorst verkreeg daarbij het geheele over de Maas
gelegen gebied der Fransche departementen van de Sambre en Maas, van
de Ourthe en van de Beneden-Maas (provinciën Namen, Luik en Limburg);
voorts van Venlo tot Mook een smalle strook, die Pruisen verhinderde tot
aan de Maas te reiken. Onder bizondere bepalingen werd aan dit gebied
Luxemburg toegevoegd, als een vergoeding voor het verlies der Nassausche
erflanden. De verknipping van België was dus voorkomen, maar Holland won
geen duimbreed aan den Rijn. De mogendheden hadden zich genoodzaakt
gezien, aan Pruisen het koninkrijk Saksen te onthouden, doch hadden in
ruil aan Pruisens aanspraken op het land tusschen Maas, Rijn en Moezel
in ruimer mate toegegeven dan de vrede van Parijs had kunnen doen
verwachten. In het oorspronkelijk plan, om aan den Souvereinen Vorst den
linker Rijnoever toe te deelen van Emmerik tot Keulen, benevens den
linker Maasoever van Maastricht tot de Fransche grens, was het denkbeeld
eener „uitbreiding van Holland” duidelijker uitgedrukt dan in de nieuwe
regeling, die geheel op een vereeniging van Holland en België nederkwam.
De Souvereine Vorst had het tractaat van 31 Mei 1815 niet afgewacht, om
den koningstitel aan te nemen. Met goedvinden der mogendheden had hij
dit reeds gedaan na de landing van Napoleon. Het nieuwe koninkrijk had
nu, in zijn zelfstandige deelneming aan den nieuwen Europeeschen oorlog,
een proef af te leggen, waarin het niet al te ongelukkig slaagde. België
steunde zijn nieuwen vorst tegen den inval; 's konings zoon vergoot zijn
bloed voor een zaak die Zuid en Noord gelijkelijk aanging. Onder den
indruk van het gemeenschappelijk gevaar werd, in Mei en Juni 1815, door
een Hollandsch-Belgische commissie de grondwet van het Noorden herzien,
die volgens de artikelen van Londen toepasselijk zou worden verklaard
voor het geheele koninkrijk, na wijziging „met gemeen goedvinden”. Falck
had de Belgische leden bijeengezocht, en daarbij zorg gedragen het
clericale element in de minderheid te laten. Als zuivere clericalen
konden slechts gelden Raepsaet en Dubois. Het sterkst was de adel
vertegenwoordigd: de Thiennes, de Mérode, de Méan, van Aerschot; de
beide laatsten tegelijk liberalen. Uit de balie waren genomen Leclercq
en Dotrenge; uit de Napoleontische bureaucratie Holvoet en de Coninck;
nevens den clericaal Raepsaet, vertegenwoordigen de liberaal Gendebien
(oud-pensionaris van den derden stand in Henegouwen) het burgerlijk
element uit de oude regeering van vóór 1795. Voor de leiding der Belgen
rekende de koning op graaf de Thiennes, die tot dusver, onder den
Hollandschen gouverneur-generaal van der Capellen, het departement van
justitie in België waargenomen had, en die het vertrouwen scheen te
bezitten van een goed deel zijner adellijke standgenooten.
Van daadwerkelijk verzet tegen de regeering van den Souvereinen Vorst
was sedert 1814 geen spoor gebleken, maar daarom was men er niet mede
verzoend. Vooral niet de machtige clericale partij. Juist in de dagen
dat te Londen de acht artikelen van Willem I door de mogendheden
bekrachtigd werden, had deze, bij monde van den oud-bisschop van
Roermond, baron van de Velde de Melroy, opgave gedaan van haar eigen
wenschen. De Roomsche godsdienst, zeide deze, kon in België tot de
heerschende worden verklaard, zonder het beginsel der verdraagzaamheid
prijs te geven. In België geen protestantsche ambtenaren; een eenvoudige
eed van trouw aan den Souverein; aanmoediging van het katholiek
onderwijs; herstel van de Jezuieten en van eenige kloosterorden; geen
burgerlijk huwelijk; over de wijze van vervulling der bisschopszetels
onderhandeling met den Paus. Een afzonderlijke constitutie voor België,
goed te keuren door een vergadering van geestelijken en leeken, en
zoo al geen wettelijk voorgeschreven, dan toch wezenlijk toegepaste
uitsluiting der „acquéreurs de biens nationaux” en oud-keizerlijke
ambtenaren uit het bewind[91]. Eischen die niet slechts met de artikelen
van Londen onvereenigbaar waren, maar wier doorzetting een burgeroorlog
zou hebben doen ontstaan in België zelf.
[91] „Réflexions confidentielles sur des objets majeurs concernant
l'intérêt des Pays-Bas catholiques”, 8 Juni 1814 (F. O.).
Een nieuwe poging werd door den bisschop van Gent, de Broglie,
gedaan bij het Congres van Weenen. Het was onmogelijk, zeide deze,
een katholiek volk onder een protestantsch vorst te stellen zonder
het eenige waarborgen te geven. Hij vroeg derhalve verbod van den
protestantschen eeredienst elders dan in 's konings paleis; twee
bisschoppen in den (Belgischen) Raad van State, die uit enkel
katholieken moest worden samengesteld, en aan wien uitsluitend het
recht van onderhandeling met den pauselijken nuntius zou toekomen; een
concordaat; herstel van de geestelijke tiend; herstel en volledige
vrijheid van de Jezuieten en kloosterorden[92].
Het Congres dacht er te minder aan zich met dit alles in te laten,
daar kardinaal Consalvi, die te Weenen den Paus vertegenwoordigde,
zich met deze eischen niet solidair verklaarde. De latere minister van
katholieken eeredienst, baron Goubau, een Belgisch Jozefist die te
Weenen woonde, sprak Consalvi over het stuk van den Gentschen bisschop
aan. De kardinaal bepaalde zich tot een aanbeveling van het herstel
van eenige orden en corporatiën, die werken van barmhartigheid ten
doel hadden, en tot een waarschuwing dat men het concordaat van 1801
onmogelijk met een protestantsch vorst hernieuwen kon; de koning zou
hoogstens bisschoppen kunnen recommandeeren[93].
[92] Hymans I, 103 (8 Oct. 1814).
[93] Goubau aan van Spaen, 19 Dec. 1814 (F. O.).
Elk souverein, die in 1815 de regeering van België op zich nam, zou,
zoo hij niet de eenvoudige uitvoerder had willen zijn van geestelijke
bevelen, een strijd te voeren hebben gehad tegen de katholieke reactie,
welk zich voorstelde de gansche Revolutie ongedaan te kunnen maken.
In het geval van Willem I echter werd de strijd door bijkomstige
omstandigheden verscherpt. Hij zou verstandig hebben gedaan, de
wezenlijk in het volk bestaande onrust door eenige constitutioneele
bepalingen te temperen. Thans werd van die onrust door de geestelijkheid
gebruik gemaakt, om het Belgische volk voor een zuiver clericaal program
te spannen.
In den Haag onderschatte men de kracht dezer beweging. Hoe weinig
kwam er inderdaad in de zittingen der gemengde commissie van voor den
dag! De Belgen spraken veel en druk, maar hadden geen tezamen overlegd
plan. Zij vereenigden zich alleen om de vermelding van Amsterdam als
rijkshoofdstad, en de bepaling dat de koning hervormd moest zijn, te
schrappen; op twee na[94] verwierpen zij de gelijkheid van het aantal
afgevaardigden voor Noord en Zuid in de Staten-Generaal, die dus
aangenomen werd. Noord was Zuid ter wille in de instelling eener Eerste
Kamer; in de uitbreiding van het begrootingsrecht der Staten-Generaal;
in het voorschrijven van de openbaarheid der zittingen van de Tweede
Kamer. Met het artikel, dat in den vorst de belijdenis van den
hervormden godsdienst eischte, trachtte de voorzitter der commissie,
Hogendorp, ruilhandel te drijven. Het was in de grondwet van 1814
opgenomen geworden na veel strijd, en niet zonder gedachte aan de
vereeniging met België; het weg te laten zou, meende de voorzitter, de
Noordnederlandsche protestanten in een gevaarlijke mate bezwaren. Hij
zocht het daarom te redden door er een artikel tot zekerheid voor de
katholieken nevens te stellen, en beide artikelen tegelijk in stemming
te brengen. Het gezag des konings en dat van den Paus in zaken de
katholieke Kerk betreffende zouden geregeld blijven op den in België
van ouds bestaanden voet („par les anciens usages et libertés de la
Belgique”), behoudens de wijzigingen, daarin te brengen bij concordaat
(„sauf les changemens, que S. M. pourra y apporter de concert avec Sa
Sainteté”). Het was om het openen van uitzicht op een concordaat, en de
vermelding van 's Pausen naam, te doen, waarop de Merode en de Thiennes
steeds hadden aangedrongen[95]. De zaak mislukte: de katholieken bleven
zich als één man verzetten tegen het artikel dat de belijdenis van
een bepaalden godsdienst in den vorst eischte, terwijl de „flauwe
Kristenen”[96] onder hen geen prijs stelden op het artikel over de
rechten van den Paus. Beide artikelen, tezamen in stemming gebracht,
kregen niet meer dan vijf (noordelijke) stemmen. Tegen stemden, behalve
de liberalen van weerszijden, die het over de verwerpelijkheid van beide
artikelen eens waren, de conservatieven van het Zuiden, die in ieder
geval het artikel over den hervormden godsdienst van den vorst geschrapt
wilden hebben.
[94] Méan en Mérode.
[95] Hogendorp V, 119; VI, 122, 146, 227, 241–'43; van Maanen,
Aanteekeningen, bl. 211; Raepsaet VI, 167 v.v.
[96] Uitdrukking van van Hogendorp (V, 119).
Merkwaardig was hierbij, dat in de vergadering, waarin deze gewichtige
stemming plaats hebben moest, van de beide clericalen Raepsaet door
afwezigheid schitterde en Dubois geen woord sprak. Toen nu later de
Thiennes en de Mérode nog een zwakke poging waagden, om een artikel
tot geruststelling der katholieken in de grondwet te brengen („onze
geloovigen”, zeide de Mérode, „moeten zien, dat wij voor hen gezorgd
hebben”[97]), ging van al de katholieke commissieleden niemand dan
Dubois mede. Raepsaet was bij al deze beraadslagingen afwezig. Zijn zeer
dubbelzinnig gedrag laat geen andere verklaring toe, dan dat hij reeds
met het Belgisch episcopaat maatregelen tot verwerping der grondwet
beraamde. Hoe duidelijk is het bij dit alles, dat zoowel Belgische
clericalen en Belgische liberalen zich bij deze gelegenheid meer als
partijmannen dan als Belgen gedroegen. De clericalen trachtten, door
het verspreiden van de dolzinnigste schrikbeelden, den bestaanden
weerzin tegen de vereeniging met Holland te exploiteeren ten eigen bate.
Zij trachtten geensdeels, onder de bestaande omstandigheden het beste te
verkrijgen wat te verkrijgen was. De liberalen waren ook matig met de
vereeniging ingenomen, maar als zij dan toch geschieden moest, diende
van deze gelegenheid gebruik gemaakt om de positie der clericalen in
België zelf zooveel mogelijk te verzwakken. Deze lieden hadden nog
vijftien jaar politieke opvoeding noodig, eer zij een toonbare natie
waren geworden.
[97] Van Maanen, bl. 277.
Over de wijze van aanneming der grondwet had een eigenaardige,
de stemming in België kenschetsende beraadslaging plaats. De Thiennes,
van de Belgische edelen aan de regeering van Willem I het best gezind,
en met wien Hogendorp zich zeer wel verstond, ontraadde de onderwerping
aan notabelen ten stelligste: „ik houde het voor zeer gevaarlijk”, zeide
hij, „daar men intrigues zal zien geboren worden en wellicht de geheele
zaak op losse schroeven stelt”[98]. Mérode viel hem bij: in België zeide
hij, moest het volk de constitutie van boven ontvangen; het zou een
andere handelwijs niet begrijpen. „Hoedanig men het ook inrichten wil
met betrekking tot de acceptatie van de constitutie, altijd zal men bij
ons gelooven, dat er _tours de passe_ onder loopen, en waartoe zal
men dit wagen”? Ook de Coninck scheen van dit gevoelen, en van de
Noordelijken sprak Mollerus in gelijken geest: het eerste der acht
artikelen van Londen had aan de Belgen een constitutie _gegeven_; van
verwerping kon dus geen sprake zijn. Wel gewaagde het artikel van
wijzigingen, aan te brengen bij gemeen overleg, maar dit overleg had
reeds plaats in de commissie zelve. De voorzitter evenwel, en met hem
de groote meerderheid, was van een andere meening. Men zou niet de
grondwet kunnen verwerpen, maar wel de daarin voorgestelde wijzigingen;
in het Noorden zouden die wijzigingen niet kunnen worden ingevoerd
buiten medewerking der Staten-Generaal, en er zou dus een groote
ongelijkheid in de behandeling der beide helften ontstaan, wanneer men
de wijzigingen aan België kortweg oplegde. Alsof de ongelijkheid in
behandeling nog ontstaan moest! De oppervlakkige Dotrenge drong ook
sterk op een stemming in het Zuiden aan, dat zich anders als veroverd
land zou blijven beschouwen. Alsof het daartoe niet door de mogendheden
met zooveel woorden was verklaard! Slechts zes leden hebben in de
commissie tegen het oproepen van notabelen gestemd, waaronder drie
Belgen (de Thiennes, Dubois, de Mérode). Als de koning gewild, en de
voorzitter het naar dien wil gestuurd had, ware ongetwijfeld een andere
beslissing te verkrijgen geweest[99]. Inderdaad, wat had een stemming
te beteekenen, nu noch België, noch Holland, noch de koning meer vrij
waren? Krachtens het eerste artikel van Londen _had_ België een
grondwet; het was die der Vereenigde Nederlanden. In de commissie werd
dan ook erkend, dat, hoe de stemming ook uitviel, de koning niet anders
doen kon dan de grondwet afkondigen. De Staten-Generaal van het Noorden,
ja, konden over modificatiën stemmen, maar aan een groep ingezetenen uit
het Zuiden zou men niet kunnen beduiden dat zij enkel over wijzigingen
stemden en niet over de zaak ten principale. Zonder of met de stemming
door notabelen bleef de vereeniging een gedwongene, de grondwet een
opgelegde.
[98] Van Maanen bl. 130, bevestigd door brieven van de Thiennes aan den
koning (papieren-van Gobbelschroy, Rijksarchief, Brussel).
[99] Van Maanen zeide het, „naar zijn verstandelijke overtuiging”,
met Mollerus eens te zijn, maar stemde „uit billijkheid” met
den voorzitter; eveneens verklaarde zich van der Duyn. Hierop
veranderde de Coninck, die eerst tegen gesproken had, maar vóór
stemde.
Had men, vóór de stemming, met den clerus moeten onderhandelen? Maar
de Broglie zou oogenblikkelijk de discussie hebben geleid naar een
terrein waarop de regeering hem niet volgen kon: naar gene zijde van de
artikelen van Londen, en de mislukking eener zoodanige onderhandeling
was veel gevaarlijker, dan geen onderhandeling hoegenaamd. Het is een
fout geweest, dat de koning de clericale richting niet wat sterker in de
commissie vertegenwoordigd heeft; een ergere nog, dat hij en Hogendorp
het artikel betreffende het concordaat zoo geheel aan de ongewisheid
der deliberatiën hebben overgelaten: de Belgische liberalen hebben de
beslissing over dat artikel in de hand gehad, zij die toch in waarheid
de minderheid der bevolking vertegenwoordigden. Met eenig beleid ware
het artikel voorzeker aan den koning te renvoyeeren geweest, gelijk
immers ook de commissie van 1814 zijn beslissende stem nopens twee
artikelen, die den godsdienst raakten, had ingeroepen. De ernstigste
ongerustheid bestond nu eenmaal in 1815 bij de geloovige katholieken, en
naar die zijde wilde men eenige verzekering geven. Maar nu kwam er niets
van terecht dan de volgende volzin in de door Hogendorp gestelde, door
de Thiennes en de Coninck goedgekeurde proclamatie aan de Belgen van
18 Juli 1815, waarin hun van de aanstaande bijeenroeping van notabelen
werd kond gedaan: „Nous assurons en particulier a l'Eglise catholique
son état et ses libertés, et nous ne perdrons pas de vue les exemples
de sagesse et de modération que nous ont laissés à cet égard nos
prédécesseurs, vos anciens souverains, dont la mémoire est si justement
vénérée parmi vous”[100]. De geestelijken waren toen hun machinatiën
reeds lang begonnen.
[100] Hymans I, 246; vgl. Hogendorp VI, 153.
Met welken uitslag is bekend. Willem I had, na den eersten goocheltoer,
de artikelen van Londen, zich en zijn nagedachtenis het tweede
hocuspocus, waarmede het getal 527 werd verklaard het getal 796 te
overstemmen, kunnen besparen, indien hij verklaard had dat de grondwet
door de meerderheid der gezamenlijke bevolking van het Rijk was
aangenomen. Wanneer slechts een derde bij ons vóór stemt, had reeds
Dotrenge in de commissie gezegd, is de meerderheid buiten kijf. Doch
waar bleef dan het gemeen goedvinden, dat de artikelen van Londen hadden
geeischt, en dat toch wel niet dan van de beide helften des Rijks kon
worden verstaan? Om dit gemeen goedvinden in het goedvinden der
Belgische commissieleden te doen bestaan, was het thans te laat.
Er zat dus niets anders op, dan òf de door den spot van Belgische
schrijvers berucht geworden _arithmétique néerlandaise_ toe te passen,
òf te verklaren dat men geen stemming had behoeven te vragen en
niettegenstaande de verwerping tot de invoering der grondwet zou
overgaan. De verwerping, zeide de liberale _Observateur_, maakt de
grondwet niet krachteloos, evenmin als een aanneming haar van kracht
zou gemaakt hebben[101]. De waarschuwing van den gouverneur-generaal van
der Capellen aan de notabelen, dat men over de artikelen betreffende
den godsdienst geen uitspraak had te doen, maakte zeer weinig indruk.
Men antwoordde er onmiddellijk op, dat men dan om andere artikelen de
grondwet zou verwerpen[102]. De zaak was, dat de meerderheid van het
Belgische volk de vereeniging niet wenschte, en dat zij de stemming als
een middel aangreep, om aan dezen afkeer uiting te geven. Voor zoover de
Belgen niet aan den leiband der geestelijkheid liepen, waren zij toch
ten zeerste ontevreden over de vereeniging der schulden (die van Holland
beliepen 589, die van België 27 millioen gulden) en over de onvoldoende
vertegenwoordiging van het Zuiden in de Staten-Generaal (Holland had
55 leden voor twee millioen, België 55 leden voor drie en een derde
millioen inwoners). Altemaal artikelen tot welker rechtvaardiging men,
even goed als voor die over den godsdienst, den tekst der bepalingen van
Londen inroepen kon. Waar bleef de „innige en volmaakte vereeniging”,
zoo men de schulden niet gemeen maakte; waar het begrip der „uitbreiding
van Holland”, zoo het toevoegsel het oude land overstemmen kon? De zaak
is waarlijk reddeloos geweest van het begin af. De 527 stemmen zijn
minder vóór de vereeniging (die reeds een feit was), dan tegen de
geestelijkheid uitgebracht.
[101] Observateur 1815, II, 366.
[102] „Le comte Delafaille, président des notables de l'arrondissement
de Gand, a fait imprimer une dépêche de S. E. le baron van der
Capellen qui s'exprime sur ce que les notables n'ont pas à voter
sur l'article de la religion, définitivement stipulé au congrès de
Vienne. Dans la nuit même, une multitude de pamphlets ont été
dirigés contre cette lettre; on les a donnés dans les mains des
passans. Il y est dit que le Souverain ayant par la Constitution
la suprématie sur le clergé par le fait qu'il avait l'inspection
des hautes et basses écoles etc., on ne pourrait même pas
l'accepter en omettant les articles du culte..... Après la saisie
du mandement [het bekende stuk van de Broglie, Hymans I, 253], les
libelles ont redoublé de fureur: ils commencent à entamer les
questions les plus essentielles. L'armement général est nommé une
conscription renforcée; la fusion de la dette, le nombre égal des
Hollandais dans la représentation, tout cela est attaqué avec
acharnement. Les femmes en parlent même dans la société” (Rapport
van den directeur van policie te Gent aan de Thiennes als
commissaris-generaal van justitie, 13 Aug. 1815; papieren-van
Gobbelschroy, Rijksarchief, Brussel).
De stemmingslijst is merkwaardig uit een oogpunt van Belgische politieke
geographie. In Namen, Luik, Limburg was de meerderheid vóór de grondwet;
in Luxemburg was geen enkele stem tegen; in Zuid-Brabant en Henegouwen
was een aanzienlijke minderheid vóór de grondwet; in West- en
Oost-Vlaanderen en Antwerpen hadden de neenzeggers een verpletterende
meerderheid[103]. De hoofdgewesten van Dietsch-België waren dus het
meest wederstrevig; overeenkomst van ras en gemeenschap van taal waren
volstrekt werkeloos bij deze vereeniging. Vlaanderen liet zich op
sleeptouw nemen door een Franschen prelaat die zijn voorkeur voor de
Bourbons geen oogenblik verheeld had[104], en in de gewesten waar de
meerderheid voor de grondwet stemde geschiedde dit niet omdat men tot
Holland naderen wilde, maar omdat de geest van Voltaire er was
doorgedrongen. Niet dat ~deze~ vereeniging verbroken is kan ons
verwonderen, maar dat zij vijftien jaar heeft geduurd. Behalve op
papier, heeft de scheiding nimmer opgehouden te bestaan; ja was zij
eigenlijk van het papier zelf verdwenen? De bepaling der 55 tegen 55
geeft het antwoord. Die de taak op zich nemen wilde, door de mogendheden
aan den vorst van het Noorden op de willige schouders gelegd, kon òf met
de „vergrooting van Holland”, òf met de „innige vereeniging” ernst
maken, niet met beide tegelijk. Had hij den moed niet het nieuwe rijk
als een vergroot Holland, België als een barrière te administreeren,
dan moest ook aan België de vertegenwoordiging naar den maatstaf der
bevolking worden toegestaan. Alleen deze kon de gemeenmaking der
schulden rechtvaardigen. Men zou dan tot de Belgen hebben gezegd: wij
bieden u de beschikking aan over ons volksbestaan met zijn lusten en
lasten, zijn overleveringen en zijn toekomst, zijn deugden en zijn
gebreken. Wilde men dit niet (wee Holland, dat het ooit zou willen!),
dan had men zijn handen van België af moeten houden.
[103] Te Gent 10 ja, 70 neen; te Yperen en Antwerpen niemand ja, 50 en
59 neen; te Mechelen 5 ja, 33 neen; enz.
[104] Coremans, bl. 199.—Ook tijdens het verblijf van Lodewijk XVIII
te Gent, gedurende de „honderd dagen”, had de Broglie van deze
voorkeur doen blijken.